|
|
|
| |
| | | |
Didaktische richtlijnen voor het gebruik van de achterzetsels*
prof.dr. W.H. Fletcher
| |
1. Inleiding
Een jaar of twintig geleden maakte ik voor het eerst kennis met het
Nederlandse achterzetsel (hierna AZ) toen ik iemand de weg vroeg en ongeveer
het volgende te horen kreeg: ‘Je moet hier de brug over en de derde straat
rechts in, dan zie je het vanzelf’. Het antwoord begreep ik wel, de
konstruktie echter niet. Later kwam ik erachter dat deze achterplaatsing bij
bepaalde voorzetsels (hierna VZ) kan voorkomen als ze in richtingsbepalingen
worden gebruikt. In mijn ijver om deze pas ontdekte konstruktie te gebruiken
moest ik herhaaldelijk konstateren dat dat lang niet altijd het geval is.
Heel frustrerend vond ik dat geen enkel leerboek of grammatika me wist te
vertellen wanneer ik een prepositie achter een zelfstandig naamwoord hoorde
te plaatsen en, misschien nog belangrijker, wanneer niet(1).
In de loop der jaren heb ik een aantal richtlijnen ontwikkeld voor het
gebruik van AZ's. Niemand weet beter dan ik dat hiermee geen definitieve
oplossing voor de problematiek van het AZ gegeven is. In veel gevallen wordt
de keuze tussen VZ en AZ bepaald door een ingewikkeld samenspel van moeilijk
vatbare faktoren zoals idiomatiek en semantiek van het werkwoord, het
onderwerp en het eventuele voorwerp, en van de prepositie en haar
komplement. Toch zijn er nog veel meer gevallen die wel in algemene regels
te vatten zijn. Bovendien kan de buitenlander door gerichte oefeningen een
gevoel ontwikkelen voor de nuances die het gebruik van AZ respektievelijk VZ
uitdrukken, ook al zal hij zelf niet altijd de juiste keus maken.
Nog voor het begin van mijn betoog een laatste waarschuwing: het gaat hier
niet om ijzeren regels, maar om tendensen en voorkeuren. Ik zal het vaker
hebben over voorbeelden die ook een andere konstruktie of uitleg toelaten,
zonder dat altijd duidelijk te vermelden. Gezien de tijdslimiet konden
verschillende alternatieve verklaringen en theoretisch interessante
vraagstukken niet aan bod komen.
| |
| | | |
1.1 Definitie AZ
In het vervolg gebruik ik twee overkoepelende termen: lokatie (bn./bw.
lokatief) dekt èn plaats èn richting; prepositie (bn./bw.
prepositioneel) omvat zowel voor- als ook achter-geplaatste VZ's. Het AZ
kunnen we heel eenvoudig definiëren als een prepositie die op haar
komplement volgt, in tegenstelling tot het VZ, dat aan zijn komplement
voorafgaat(2). In de ANS (=Geerts e.d. 1984: 631) vinden we volgende
lijst van lokatief te gebruiken AZ's: af, door, in, langs,
om, op, over, rond, uit, voorbij. Als ik het in het vervolg
over de tegenstelling AZ/VZ heb, bedoel ik ‘bij deze preposities’.
Het bijzondere van het AZ is echter niet zijn plaatsing, maar zijn
gebruik en betekenis. Het lokatieve AZ komt alleen voor in bepalingen
die een richting aangeven, al dan niet gepaard gaande met een
verplaatsing. Toch worden niet alle richtingsbepalingen door middel van
een AZ-konstruktie uitgedrukt. Waar bij een richtingsbepaling de keus
tussen VZ en AZ bestaat, valt er vaak een verschil in aspekt te
constateren tussen beide mogelijkheden. Als tweede konstante van de
AZ-konstruktie stellen we dat die in tegenstelling tot haar tegenhanger
met VZ een richtingsbepaling plastischer en levendiger maakt en meer in
het middelpunt van de belangstelling plaatst. Hierover straks meer.
TABEL Tabel 1: Frekwentie AZ vs VZ in de korpora van de Werkgroep
Frequentietelling van het Nederlands(3).
|
achterzetsel |
voorzetsel |
| af |
5 |
- |
| door |
21 |
2638 |
| in |
39 |
13997 |
| langs |
0 |
178 |
| om |
2 |
770 |
| op |
44 |
7037 |
| over |
2 |
1913 |
| rond |
0 |
94 |
| uit |
32 |
1808 |
| voorbij |
1 |
3 |
| |
|
|
| totaal |
146 |
28438 |
| |
|
|
| ter vergelijking: |
|
|
| naar |
|
2751 |
| | | |
In vergelijking met het VZ komt het AZ vrij zelden voor. Tabel 1 geeft
een indikatie van de relatieve frekwentie van de twee soorten
preposities in het korpus van de Werkgroep Frequentie-onderzoek van het
Nederlands. Uit deze gegevens blijkt dat de preposities in kwestie zo'n
tweehonderd keer vaker als VZ voorkomen dan als AZ! In het totale korpus
is ongeveer een op de tien woorden een prepositie; daarvan is echter
maar een vijfde van één percent AZ!(4) Bovendien komen veel van deze
voorbeelden voor in vaste uitdrukkingen, zoals dag in, dag
uit en die kant op. Het is zelfs zo dat
richting meestal uitgedrukt wordt door middel van VZ's: naar, dat grotendeels voor richtingsbepalingen wordt gebruikt,
komt bijna twintig keer zo vaak voor als alle AZ's samen; als
richtingsaanduider kunnen ook nog veel andere VZ's optreden. Deze
betrekkelijke zeldzaamheid van het AZ maakt het erg moeilijk voor de
buitenlander om er een gevoel voor te ontwikkelen. Daarom moet er mijns
inziens in het kader van Nederlands voor gevorderden expliciet aandacht
aan worden besteed.
Er is nog een faktor die het herkennen van AZ-konstrukties bemoeilijkt,
namelijk de gewoonte van velen om het AZ op te vatten als scheidbaar
deel van een samengesteld werkwoord, wat er vaak toe leidt dat het samen
met een onmiddellijk volgend werkwoord als één woord geschreven wordt.
Daardoor zien niet alleen anderstaligen, maar ook ‘native speakers’ vaak
gevallen van AZ's over het hoofd.(5) Toch zijn AZ's en scheidbare voorvoegsels door twee
proeven gemakkelijk te onderscheiden. Een AZ-groep vormt een zinsdeel,
een objekt plus scheidbaar voorvoegsel niet. Een zinsdeel kan aan het
begin van een zin geplaatst worden, andere woordgroepen niet. Aan de
ANS (620) ontleende ik zinnen [1] en [2]:
[1] Hij rijdt nu z'n garage in [AZ]
[2] Hij rijdt nu z'n nieuwe auto in. [scheidbaar voorvoegsel]
De AZ-groep van [1] is vooropplaatsbaar, dus is er sprake van één
zinsdeel in [1']:
[1'] Z'n garage in rijdt hij nu. [één zinsdeel]
Daar de vergelijkbare woordenreeks in [2] uit delen van twee zinsdelen
bestaat, kan men die niet vooropplaatsen:
[2'] *Z'n nieuwe auto in rijdt hij nu. [geen zinsdeel]
Bovendien laat het AZ pronominalisering met een voornaamwoordelijk
bijwoord toe, bij het objekt van een samengesteld werkwoord is dat
echter onmogelijk:
| | | |
[1''] Hij rijdt er nu in.
[2''] Hij rijdt hem nu in. [er onmogelijk]
Het begrip achterzetsel is nog lang niet ingeburgerd in de traditie van
de Nederlandse grammatika. Ik hoop dat dit overzicht voldoende zal zijn
om u ervan te overtuigen dat het AZ als aparte grammatische kategorie
onze aandacht verdient.
| |
2. Het gebruik van het AZ in het Nederlands
| |
2.1 Funktie van het AZ
In het Nederlands treden AZ-konstrukties voornamelijk in
richtingsbepalingen op. De preposities in kwestie, met uitzondering van
af, komen ook vaak als VZ voor in bepalingen die
een richting aangeven. Als algemeen principe kan het AZ begrepen worden
als een middel om bij lokatieve bepalingen verwarring te voorkomen
tussen plaats en richting. De lokatie wordt niet zomaar als achtergrond
van de handeling voorgesteld, ze wordt op de voorgrond geplaatst. De
AZ-konstruktie zegt uiteindelijk dat de hele handeling gaat om de
richting, om het bereiken van het doel.
Met dit middel wordt in de regel zeer zuinig omgesprongen. Is verwarring
tussen plaats en richting, tussen voor- en achtergrond minder
waarschijnlijk, dan is de kans op een VZ vrij groot. Vergelijk [3], [4],
[5] met [6] en [7]:
AZ (opvatting als plaatsbepaling ligt voor de hand)
[3] Nou heeft hij de bal de tuin in gegooid! (In de tuin=
hij bevond zich in de tuin en gooide de bal)
[4] (Patiënt vertelt over zijn verblijf in het ziekenhuis) Ja,
het waren aardige verpleegsters, ze hielpen me altijd m'n bed in en
zo. (in m'n bed= ze bevonden zich in m'n bed en hielpen me)
[5] Na het eten ga ik altijd even graag de stad in
wandelen. (in de stad= ik bevind me in de stad en ga wandelen)
VZ (opvatting als plaatsbepaling ligt nauwelijks voor de hand)
[6] Nou heeft hij de bal in het water gegooid! (??hij
bevond zich in het water en gooide de bal)
| | | |
[7] Leg het vlees maar gauw in de ijskast! (??je bevindt
je in de ijskast; leg het vlees er maar gauw in)
Eigenlijk ben ik er niet van overtuigd dat het principe van
onderscheiding van richting en plaats de kern van de zaak raakt, maar
als richtlijn voor de leerling is het toch heel nuttig. Het verklaart de
meeste gevallen van AZ's, ook het feit dat er bijvoorbeeld in [3] een
voorkeur bestaat voor AZ, in [6] voor VZ, ondanks de verregaande
overeenkomst tussen beide zinnen. Bovendien geeft het de leraar een veel
beter antwoord op de onvermijdelijke vraag waarom dan ‘het is gewoon
zo’.
| |
2.2. AZ vs. ‘naar’
Het vage VZ naar is veel frekwenter in
richtingsbepalingen dan AZ-konstrukties; het is de gewoonste - en dus de
neutraalste - manier om richting aan te geven. Het valt niet mee om een
goed hanteerbare regel te geven voor de keus tussen naar en een specifiekere prepositie: je gebruikt naar tenzij je de extra betekenis van een AZ nodig hebt. Bovendien
drukken de AZ's behalve hun specifieke semantische gehalte altijd één
nuance meer uit dan naar: in de regel vestigen ze de
aandacht op het bereiken (of het bereikt
hebben) van het doel, terwijl naar niets zegt
over de aankomst op de bestemming. In zin [8] weten we zeker dat de hij in de keuken terechtgekomen is, een zekerheid die
in [8'] ontbreekt:
[8] ... en toen liep hij de keuken in.
[8'] .. en toen liep hij naar de keuken.
Het AZ drukt hier het bereiken van het doel, de voltooiing van de
handeling uit, het perfektieve aspekt dus.
Door de aandacht op het eindpunt van een verplaatsing te concentreren,
impliceert een spreker dat de weg ernaartoe onbelangrijk is voor wat hij
zegt. Dit kan om verschillende redenen het geval zijn, bijvoorbeeld
omdat die weg heel kort is, zoals in dit citaat uit een verhaal over een
waard die zijn knecht om bier stuurt en hem later versteend in de kelder
terugvindt. In antwoord op het aandringen van een dorstige Vlaming die
niet langer op zijn lambiek wil wachten zegt de waard:
[9] Ik heb Gijs (=de knecht) de kelder ingestuurd...
Vergelijk daarmee zin [9']:
[9'] Ik heb Gijs naar de kelder gestuurd...
| | | |
In tegenstelling tot het naar van [9'] suggereert het
AZ de onmiddellijke nabijheid van de kelder aan de gelagkamer waar de
waard zin [9] uitspreekt. Het zou bijvoorbeeld vrij ongewoon zijn als de
waard zou zeggen:
[9''] Ik heb de knecht de schuur ingestuurd...
omdat de gelagkamer niet onmiddellijk aan de schuur grenst. Bovendien
heeft het perfektieve aspekt van het AZ hier een duidelijke funktie: het
wijst erop dat het resultaat van de verplaatsing relevant is voor het
verhaal, met als implikatie ‘hij heeft de kelder bereikt, dus moet hij
er nog zijn’.
In een ander voorbeeld, ontleend aan les negen van het leerboek Levend Nederlands, komt er nog een idiomatische faktor
bij:
[10] Weet je wat, we gaan na het eten de stad in, wat drinken
of zo...
[10'] Weet je wat, we gaan na het eten naar de stad, wat
drinken of zo...
In vergelijking met zin [10'] impliceert [10] niet alleen dat men niet al
te ver van het centrum vandaan vertrekt - je kunt zin [10] immers niet
zeggen als je vanuit het platteland vertrekt - maar ook dat het
eigenlijk gaat om wat men van plan is in de stad te doen, bijvoorbeeld
uitgaan of winkelen.
Dergelijke bijkomende implikaties maken de AZ-konstruktie zeer vatbaar
voor de overgang naar idiomatische uitdrukking.
| |
2.3. AZ's en aspekt
Één van de dingen die alle neerlandici taalkundigen over de AZ's wel eens
hebben gelezen is dat ze een ander aspekt uitdrukken dan hun
voorgeplaatste tegenhangers. Niet weinigen zullen hun kennis hierover
putten uit het overzicht in Syntaxis van Kraak en
Klooster, waar volgende uitsrpaak te vinden is:
Voorzetselgroepen met een voorgeplaatst voorzetsel werken in
zinnen met bewegingswerkwoorden perfectiverend, d.w.z. de verbinding van
verbum en voorzetselgroep houdt een moment van voltooiing in, hetgeen
niet het geval is bij voorzetselgroepen met een achtergeplaatst
voorzetsel. (1979: 222)
Deze opvatting van de verhouding tussen aspekt en plaatsing van de
preposities werkt trouwens ook in de ANS door. Maar
aspekt is veel meer een eigenschap van zinnen en zelfs grotere
samenhangen dan van werkwoordsvormen of prepositiegroepen alleen. Zoals
we zullen zien, beantwoordt er geen konstant verschil in aspekt aan de
tegenstelling VZ / AZ. Het komt voor dat eenzelfde prepositiegroep
gepaard gaat met verschillende aspekten in verschillende konteksten. Dit
dwingt tot de konklusie dat de plaatsing | | | | van de prepositie
hoogstens één van de faktoren is die het aspekt van een zin
weerspiegelt.
| |
2.3.1 Hoofdgroep: perfektieve betekenis (begin/voltooiïng
handeling)
De kwa aantal en frekwentie grootste groep AZ's treedt op in zinnen
met een perfektieve(6)
betekenis. Een heel mooi vooorbeeld hiervan is zin [11], ontleend
aan het frekwentiekorpus:
[11] Ik liep het plein af, het straatje door, de boulevard
langs, het strand over, het piert je op en de boot in.
In deze zin vormt elke AZ-groep een duidelijk afgesloten geheel. We
ondervinden de lokaties als schakels in de handeling, niet als de
toevallige achtergrond voor die handeling. Als je in één van deze
groepen het AZ door een VZ vervangt, dan krijg je een plaatsbepaling
die als achtergrond kan dienen voor het verloop van een handeling,
een zin met imperfektieve betekenis dus:
[12] Ik liep over het strand en had de grootste moeite me
een weg te banen tussen de uitgestalde lijven van de zonaanbidders
door.
Bij al deze richtingsbepalingen kunnen we konstateren dat de
handeling gericht is op het bereiken van een prepositioneel
uitgedrukt doel. Toch is er een essentieel verschil tussen
bijvoorbeeld de boulevard langs of het strand over enerzijds en het piertje
op of de boot in anderzijds: het tweede paar
drukt een beginpunt uit, terwijl het eerste paar niet alleen een
eindpunt, maar ook een daaraan voorafgaande verplaatsing omvat. Het
eerste paar is een ‘gewoon’ perfektief, het tweede illustreert het
ingressieve perfektief. Deze twee facetten van
het perfektieve aspekt beantwoorden aan de semantiek van de
preposities in kwestie: je moet immers eerst langs
de boulevard of over het strand lopen, om de
boulevard langs of het strand over te zijn gelopen; aan de andere kant moet je eerst het
piertje op of de boot in lopen,
om op het piertje of in de boot
te kunnen lopen.
De AZ's door, langs, over rond en voorbij sluiten dus niet alleen het bereiken van het doel
maar ook de verplaatsingsfase in. Daarom hebben niet alle
onderzoekers het aspektuele verschil met de voorgeplaatste
tegenhangers onderkend. Bij die VZ's ontbreekt echter het moment van
voltooiing, met verschillende implikaties voor betekenis en stijl
van een zin.
Van de resterende AZ's houden in, uit en om vrijwel altijd het ingressief-perfektieve
aspekt in. Af en op hebben
daarentegen twee verschillende basisbetekenissen, waarvan de ene
zich nauw | | | | bij deze groep aansluit en de andere met het
imperfektieve aspekt gepaard gaat.
| |
2.3.2 Splintergroep: imperfektieve betekenis (verloop handeling)
Terwijl het perfektieve aspekt een handeling als een duidelijk
omlijnde eenheid weergeeft, legt het imperfektief de nadruk op de
ontwikkeling, het verloop van de handeling. Op en
af in de betekenis ‘omhoog’ respectievelijk
‘omlaag’ komen geregeld voor in verband met imperfektief aspekt. Het
zijn doorgaans zinnen die atelische situaties
beschrijven, dat wil zeggen situaties zonder duidelijk eindpunt in
de taalkundige kontekst. In overeenstemming met de topografie van de
Lage Landen vindt men in het korpus deze betekenis van op en af bijna uitsluitend bij trap terug. Voorbeelden met hellingen maken het
punt echter aanschouwelijker:
[13] We liepen al uren de berg op. (richting-omhoog)
[13'] We liepen al uren op de berg. (plaats - klimmen
of dalen irrelevant)
Anders dan in [10] en [11] impliceren richting en AZ geen
voltooidheid in [13]. Een voorbeeldzin die met [13] te vergelijken
is vormt de basis voor het boven aangehaalde citaat van Kraak en
Klooster. Het gaat hier echter om een bijzonder gebruik van twee
AZ's, niet om een algemeen principe dat bij alle AZ's van toepassing
is. Trouwens, ook in deze betekenis worden op en af lang niet altijd
imperfektief gebruikt, vgl. [14]:
[14] En hoe moeten we de piano de trap op krijgen?
| |
3. Az's en werkwoorden
| |
3.1 Onovergankelijke werkwoorden
Gebruik en betekenis van AZ's bij richtingsbepalingen houdt niet alleen
verband met het AZ, maar ook met het werkwoord, of gebrek eraan.
Verschillende faktoren kunnen het optreden van de AZ-konstruktie
begunstigen of tegenwerken. Onder de onovergankelijke werkwoorden kunnen
we onderscheid maken tussen de punktuele en de niet-punktuele.
| |
3.1.1 Punktuele werkwoorden
Punktuele werkwoorden geven handelingen weer op een manier die de
duur negeert en imperfektiviteit uitsluit. Werkwoorden van deze
soort die een verplaatsing uitdrukken, zoals vallen en springen,
geven richting in de regel door middel van een VZ-groep aan.
Normaliter val je of spring je in het water, en niet het water in.
Het AZ is hier wel mogelijk, maar het impliceert | | | | een
onderverdeling van het verloop van de verplaatsing die in strijd is
met de gewone punktualiteit van het werkwoord. De ‘native speaker’
kan iemand naar behoefte bijvoorbeeld de trap af
in plaats van van de trap laten vallen, maar we
kunnen onze leerlingen beter aanraden bij dergelijke werkwoorden de
AZ konstruktie te vermijden.
| |
3.1.2 Niet-punktuele werkwoorden
De groep niet-punktuele onovergankelijke werkwoordenm omvat zowel de
archetypische ‘werkwoorden van beweging’ zoals gaan,
lopen, rijden, vliegen en dergelijke, als ook andere
waaraan het idee van òf verplaatsing òf richting niet inherent is,
zoals dansen, streven, verdwijnen, wijzen. Op een
voetnootje(7) na gaan deze gepaard met
achterplaatsing van de prepositie bij richtingsbepalingen:
[15] Die gaat 's morgens al om zes uur de deur uit.
[16] Het gammele autootje kreunde in z'n twee de
kronkelende bochten door.
[17] Dan vliegt-ie zjoef de hoek om.
[18] Hierin meent men Aristoteles ver voorbij gestreefd te
zijn.
Bij deze werkwoorden gaan richtingsbepaling en AZ gepaard met zijn in het perfektum en, waar mogelijk,
plaatsbepaling en VZ met hebben. Deze overeenkomst
met een principe dat gevorderden reeds horen te hebben geleerd,
biedt een aanknopingspunt voor oefeningen met de AZ-konstruktie.
| |
3.2 Overgankelijke werkwoorden
Bij de overgankelijke werkwoorden onderscheid ik eveneens twee soorten:
die een plaatsing uitdrukken en overige.
| |
3.2.1 Plaatsing
Plaatsingswerkwoorden zoals leggen, zetten en stoppen zijn punktueel; daarenboven treden ze
altijd òf met richtingsbepaling òf met de pro-vorm neer op. Door beide faktoren - punktualiteit en
onwaarschijnlijkheid van verwarring tussen plaats en richting - is
het AZ zo goed als uitgesloten bij deze groep. Je kunt dus niet
zeggen, als variant op zin [7]: *Leg het vlees maar gauw de ijskast
in!
| |
3.2.2 Overige
Bij de overige overgankelijke werkwoorden die een richtingsbepaling
vergen of toelaten is de keus VZ/AZ onderhevig aan bekende
principes. Het onderscheid plaats/richting verklaart | | | |
achteraf de voorkeuren voor achter- respectievelijk vooropplaatsing
in [3] en [6]:
[3] Nou heeft hij de bal de tuin in gegooid!
[6] Nou heeft hij de bal in het water gegooid!
Of de leerling voldoende steun heeft aan dit principe om meestal de
beste keus te maken valt nog te bezien.
Werkwoorden die normaliter geen richting aangeven, hebben de
expliciete steun van een AZ (of naar) nodig als ze
dat wel doen. Dit verklaart de voorkeur voor achterplaatsing in [4]
en vergelijkbare zinnen:
[4] Ja, het waren heel aardige verpleegsters, ze hielpen me
altijd m'n bed in en zo.
Zoals ik al eerder opmerkte, hangt het aspekt van een zin niet van
het AZ of van het werkwoord af, maar van het geheel. Ook al komt in vrijwel uitsluitend voor in verband met
perfektieve betekenis, vond ik zin [19] in een krantebericht over
een juwelier die begrijpelijkerwijs last had van een discotheek die
zich in een pand naast het zijne gevestigd had:
[19] Hij ergerde zich ook aan een afzuiginstallatie die
steeds de rook van de disco zijn tuin in blies.
Terwijl zin [19] als geheel imperfektief is, heeft de AZ-groep op
zichzelf beschouwd duidelijk het perfektieve aspekt: de rook
bereikte de tuin van de juwelier.
| |
3.3 Geen werkwoord van verplaatsing
| |
3.3.1 Geen werkwoord in de zin
In een verbazend groot percentage gevallen vind je
richtingsbepalingen in zinnen zonder een werkwoord dat ook maar in
de verste verte een verplaatsing uitdrukt. In één op de zes gevallen
van AZ-konstrukties was er helemaal geen werkwoord in de kontekst.
Is er sprake van richting bij bevelen of beschrijvingen zonder
werkwoord, dan is het AZ haast verplicht, ook al krijg je het VZ als
het werkwoord wèl aanwezig is:
[20] De paden op, de lanen in, vooruit met ferme pas.
[21] Maar gauw de ijskast in met het vlees! (vgl. [7])
Natuurlijk komen er in werkwoordloze groepen ook VZ's voor. Dan gaat
het eigenlijk niet om het resultaat van een handeling, maar om
bijvoorbeeld de duur of de moeite van de handeling, zoals in | | | | deze beschrijving van de lange weg die bepaalde
forensen moeten afleggen:
[22] Om zes uur opstaan. Wassen, naar de bus, naar de
trein, weer in de bus, om acht uur op het werk.
| |
3.3.2 Bij modale hulpwerkwoorden
In het korpus zijn AZ-konstrukties frekwenter in zinnen met alleen
een modaal hulpwerkwoord dan in die met werkwoorden van beweging.
Zulke zinnen maken zelfs één op de vijf voorbeelden uit. Het
weglaten van het werkwoord van beweging in konstrukties met modale
hulpwerkwoorden is uiteraard heel bekend. Toch blijken er meer
werkwoorden vatbaar te zijn voor deletie; de keus tussen VZ en AZ
richt zich naar het weggelaten verbum:
[23] Ja, maar ik moet uiterlijk om zeven uur het huis uit
(gaan).
[24] Ja, en het vlees moet in de ijskast (gelegd
(worden)).
| |
3.3.3 Bij ‘zijn’
Een ander hulpwerkwoord dat het vaak zonder werkwoord van beweging
moet stellen is zijn: één op de vijftien gevallen
van AZ in het korpus komt in een zin voor met dit als enig
werkwoord. Dus krijg je parallel met [25]:
[25] O Kees? Die is naar Albert Heijn (gegaan), thee halen.
zin [26], met AZ-konstruktie:
[26] O Kees? Die was al om zeven uur de deur uit (gegaan).
Deze voorbeelden maken overduidelijk dat het AZ thuis is in allerlei
richtingsbepalingen en geenszins méér hoort bij zinnen met
werkwoorden van beweging, zoals weleens geïmpliceerd wordt. Ik
beschouw het AZ als de specialist onder de preposities: het springt
alleen in als het echt nodig is, om een situatie op te helderen, of
om een bijzondere nuance aan iets toe te voegen; je ziet het
weliswaar betrekkelijk zelden, maar als je het nodig hebt, is het
onontbeerlijk.
| |
4. Enkele bijzonderheden van de AZ's
Preposities zijn berucht als de woordsoort die het meest onderhevig is aan
idomatische grillen. Ook de AZ's hebben hun | | | | kuren. Laten we een
aantal voorbeelden van onvoorspelbaar gedrag onder de loep nemen.
| |
4.1 In
In wordt niet zelden gebruikt als AZ in
plaatsbepalingen die een uitstrekking of afstand aanduiden, zoals:
[27] De nieuwe pier steekt 200 meter de Noordzee in.
(tv-journaal)
[28] Dat gebouw staat een heel eind het centrum in. (ANS)
Deze konstruktie kan ook een richting aangeven:
[29] Ik dook de kamer wat dieper in.
In al deze gevallen vervult de AZ-konstruktie een perfektieve rol die
ongeveer zo te beschrijven is: vanaf een bekend beginpunt tot en met een
bepaald eindpunt. Wat de AZ-groepen betreft hebben we hier dus te maken
met wat ik boven het ‘gewone perfektief’ genoemd heb, in tegenstelling
tot het ingressieve perfektief. De zin zelf kan echter als geheel ook
imperfektief zijn kwa aspekt.
| |
4.2 ‘Op’
We hebben er reeds op gewezen dat op als AZ meer dan
één gebruik kent. In de betekenis van ‘omhoog’ is het AZ normaal. In een
andere betekenis, ‘in horizontale aanraking met’, komt op als AZ alleen voor bij komplementen die een loop- of rijpad
aangeven, zoals straat, weg, pad, pier, plein, markt
en dergelijke, en in een paar uitdrukkingen zoals het
toneel, de hort, de pot op(8). Vooral in samenhangen waar op ook door in vervangen kan worden, zoals op kantoor, op z'n kamer, op school, is op onmogelijk als AZ; hier kun je alleen maar in gebruiken als je perse een AZ wilt. Een soort uitzondering
hierop vormen de uitdrukkingen met kant, die een
zuiver richtingsaanduidende funktie hebben, zoals welke/deze/die kant op(9). In één op de drie gevallen komt op als AZ in deze uitdrukkingen voor.
| |
4.3. ‘Uit’
Ook uit heeft z'n grillen. Net zoals op komt het vaak voor met kant om een richting
aan te duiden; je kunt dus net zo goed [30] als [30'] vragen:
[30] Welke kant moeten we uit?
[31] Welke kant moeten we op?
| | | |
Daarnaast heeft uit een uitgesproken voorkeur voor
achterplaatsing als het gaat om het verlaten van een duidelijk
afgebakende ruimte. Je gaat dus een kamer, een huis, een
stad of een land uit. Ook als je eruit gezet
of gegooid wordt, wordt de richting per AZ aangeduid. Met de toegang tot
die afgesloten ruimten is het wat moeilijker gesteld: de deur, als
gewone doorgang tot die ruimte, vergt zowat altijd het AZ. Het raam
heeft daarentegen minder recht op een AZ; iets dat je de
deur uit gooit, zou je zeer waarschijnlijk uit het
raam gooien. Hiervoor is alleen een tendens, geen regel, aan te
wijzen.
| |
5. Besluit
Hiermee is mijn lijst van algemene richtlijnen uitgeput; een uitgebreidere
diskussie van mijn materiaal zou ontaarden in gedetailleerde bespreking van
de idiomatiek van het AZ, een onderwerp waar ik nog uren over zou kunnen
doorgaan. Deze studie van het AZ is nog lang niet voltooid; ze moet nog
aangevuld worden met een uitgebreid onderzoek naar de richtingsbepalingen
die door middel van VZ-konstrukties worden uitgedrukt. Ze is een eerste
poging tot een overzicht en verklaring van de problemen die ons als docenten
Nederlands aan anderstaligen interesseren. Voor kommentaar en aanvullingen
houd ik me van harte aanbevolen.
| |
| | | |
Bibliografie
| Comrie, Bernard, 1976. An introduction to the study of
verbal aspect and related problems. Cambridge etc.: Cambridge
University Press |
| Geeraerts, Hendrik, 1972. De plaatsbepaling, de
verplaatsingsbepaling en de achterzetselkonstruktie in het
Nederlands. Een syntaktische terreinverkenning. Proefschrift
Leuven. |
| Geerts, G. et al, 1984. Algemene Nederlandse
Spraakkunst. Groningen: Wolters Noordhoff, Leuven: Wolters. |
| Jong, Eveline D., de, 1979. Spreektaal. Woordfrequenties
in gesproken Nederlands. Utrecht: Bonn, Scheltema en Holkema. |
| Kraak, A. en W.G. Klooster, 19722. Syntaxis. Culemborg, Keulen: Stam-Robijn. |
| Paardekooper, P.C., 1959. ‘Voor- en achterzetsels’, in NTg 52: 310-20. |
| Uit den Boogaart, P.C., 1975. Woordfrequenties in
geschreven en gesproken Nederlands. Utrecht: Oosthoek,
Scheltema en Holkema. |
|
*Hierbij betuig ik gaarne mijn hartelijke dank aan de
Werkgroep Frequentieonderzoek van het Nederlands voor het beschikbaar
stellen van computerbanden met het korpus, en aan de Research Council van de
United States Naval Academy, die een gedeelte van het onderzoek financieel
steunde en mij het bijwonen van dit colloquium mogelijk maakte.
(1)De enige uitvoerige studie van het AZ schijnt het
proefschrift van Geeraerts te zijn dat gebaseerd is op een onderzoek
naar AZ-konstrukties in een dertigtal romans. Daar ik het pas na het
schrijven van deze lezing onder ogen kreeg, kon ik geen gebruik maken
van zijn bevindingen. Door zijn anders gerichte doelstelling laat hij
echter veel voor ons interessante vraagstukken onopgehelderd.
(2)Eenvoudigheidshalve laat deze
definitie twee oppervlaktestrukturen buiten beschouwing waarin ook
het VZ op zijn komplement volgen kan, vaak met ambiguïteit tussen VZ
en AZ, namelijk vooropplaatsing met stranding en de konstruktie met
voornaamwoordelijk bijwoord: Die mensen denk ik nooit
aan. (zeer frekwent in de spreektaal) Hoe kom je
erbij?
(3)Gegevens
ontleend aan de boeken Woordfrequenties en Spreektaal van deze werkgroep. Voor deze schatting
van de relatieve frekwenties werden alle als AZ en enkele als
bijwoord geënkodeerde voorbeelden tot de AZ's gerekend. Buiten
beschouwing gelaten werden gestrande preposities en het ‘scheidbare
deel van samengestelde werkwoorden’, dat ik in veel gevallen als AZ
zou opvatten.
(4)De lage
frekwentie van het AZ in dit korpus is mede te wijten aan
inkonsekwente onderscheiding van AZ en scheidbaar voorvoegsel. De
inhoud van de meeste teksten is arm aan verplaatsingen en dus ook
aan AZ's. Ook al zullen andere tekstsoorten AZ-rijker zijn, blijft
het AZ betrekkelijk zeldzaam.
(5)Mijns inziens
is het al dan niet aaneenschrijven van ‘partikel’ en werkwoord geen
afdoend kriterium voor het onderscheid AZ/scheidbaar
voorvoegsel.
(6)In de aanduiding van de
aspekten volg ik de terminologie van Comrie 1976.
(7)Bij door,
langs, rond en voorbij lijkt VZ niet
uitgesloten te zijn bij richtingsbepaling. Dergelijke VZ-groepen
zijn misschien beter op te vatten als plaatsbepalingen, dus ‘de
route waarlangs’, niet ‘het doel waarnaartoe’. Een probleem
hierbij is de onzekerheid bij informanten of het perfektum met
zijn (richting) of hebben (plaats) te vervoegen is. Losse zinnen laten
meestal èn richting èn plaats toe, wat tot die onzekerheid
leidt. Als er in een kontekst een duidelijk doel aanwezig is (al
dan niet uitgedrukt), schijnt de voorkeur naar zijn uit te gaan, wat niet met de opvatting als
route=plaats in strijd is.
(8)In verband
met wegen en dergelijke komen op en af ook in imperfektieve betekenis voor. Uitzonderingen op
de semantische groep van loop- en rijpaden zijn er haast niet. Bij
een Zuidnederlander tekende ik eens volgende zin op: (baby laat zijn
lepel alweer vallen) ‘Ploep! De grond op!’ Noordnederlanders
vinden hier het AZ zeer ongewoon. Kollega Yvette Stoops verklaart
het als een regionalisme dat alleen voorkomt bij irritatie of onder
grote nadruk.
(9)Analoog met
[27] en [28] vind je ook plaatsbepalingen als: Hij woont de kant van
Utrecht op.
|
|