Neerlandia. Jaargang 12


auteur: [tijdschrift] Neerlandia


bron: Neerlandia. Jaargang 12. Morks & Geuze, Dordrecht 1908


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Een Engelsch geleerde over Hooft en Vondel.

Onlangs hield Prof. Grierson van Aberdeen voor de Glasgow University Alexandrian Society een lezing over ‘Eenige Nederlandsche dichters der Zeventiende Eeuw’. Hij begon met de plaats te schetsen, die het Holland van dien tijd in de geschiedenis, staatkunst, kunsten en wetenschappen bekleedde. Na een korte schets van de opkomst der Nederlandsche dichtkunst in de Zestiende eeuw, sprak hij over de twee voornaamste dichters der volgende, Hooft en Vondel. Hij beschreef den eerste als den vertegenwoordiger van de in Holland weder ontwaakte klassieke kunst. De lyrische poëzie van Hooft geleek in vele opzichten die van de dichters uit Koningin Elisabeth's tijd.

Vondel was de grootste Hollandsche dichter. Hij vertegenwoordigde meer de Christelijke reactie dan den terugkeer tot de klassieken. Vondel's Lucifer vergeleek deze geleerde bij Milton's Paradise Lost.

Het vaderland getrouwe.

Uit een brief van den heer H.V.P.C. Huizinga, prof. aan het Trinity College te Hartford, Conn., V.S.v.N.-A.

Ontvang ingesloten mijn bijdrage als lid van het Algemeen Nederlandsch Verbond.

Het schijnt me toe, dat de Bond zeer veel kan doen in de Vereenigde Staten van Amerika voor het bewustzijn van het Nederlanderschap. De oude ‘Knickerbockers’ hebben een goeden naam, een roep die niet weggenomen is doordat de erentfeste oude bazen dikwijls belachelijk zijn gemaakt in de Amerikaansche literatuur. Ik gevoel sterk voor mijn Vaderland en draag er trots op Nederlander te zijn. Ik noem me echter altijd een ‘Hollander’ of een ‘Netherlander’, aangezien ‘Dutch’ hier gewoonlijk met ‘Duitscher’ verward wordt.

Dit is een buitenlandsch Nederlandsch misschien, maar u moet in aanmerking nemen, dat ik zeer weinig Nederlandsch zie, bijna nooit schrijf en uiterst zelden spreek.

Jaren geleden echter schreef ik een artikel van uit London voor het tijdschrift ‘Nederland’. Dat was het laatste van mijn letterkundigen arbeid in mijne moedertaal en sedert ben ik vrij wat verengelscht. De taal is een machtige invloed in het leven en werkt onbewust in op onze denkwijze en levensaard. In hart en zin ben ik echter Nederlander gebleven, al gaat de taal me op 't oogenblik niet zoo vlot van de hand. Het Algemeen Nederlandsch Verbond zal weldoen het bewustzijn van taal en Nederlanderschap levendig te houden en te versterken, zelfs in den vreemde.