|
|
|
| |
§
* Na de wijse: Te Munster staet een
steenen huys.
+ ALsmen schreef vijftienhondert Jaer
En eenenvijftich daer toe voorwaer
| | | |
Den eenentwintichsten Julij mede
Een Suster voren, een Broeder daer naer
Trocken
1) te Ghent met God in vreden.
Elck aen een staeck waren sy geset
De Broeder hiet
Gielis, de Suster
Lijsbet
Tgeschiede ten eenen na de Noene
Om datter te min op sou worden gelet
Alsoment niet en plach te doene
2).
* Als slachschaepkens gingen sy ter doot
Twelck menich mensche seere verdroot
Wanneer sy op stellinghe quamen
Haer bedinghe storten sy seer deuoot
Gielis en Lijsbeth bey te samen.
Bin
3) dat Lijsbeth haer
bedinge sprac
De Buel de peestels van haer bayken
4) brack
Dwelck (als sy opstont) men sach vallen
Van haer lichaem, dies sy ras track
Na den staeck sonder veel te callen.
Want in haer hemde sy daer stont
Met twee linnen boxen aengeront
Die de Buel haer had aen doen trecken
+ Satan
ghy vint altijts nieuwen vont
Om Gods volck daer mee te begecken.
† Christus
cleeren tot troost en vermaen
Die waren hem oock wte ghedaen
Eer hy aen tCruyce wert gehanghen
Dien ganck moeten zijn Dienaers gaen
Loon als hy sietmen haer ontfangen.
| | | |
Aldus was Lijsbeth seere beschaemt
Gelijck dat eerbaer vrouwen wel betaemt
Dat sy bloot stont dat deed haer smerte
Veel volcx dat om aensien stont versaemt
Leden daerom oock druck int herte.
Aenden staeck staende met ootmoet
Sprack Lijsbeth: Ic danck v Heere vroet
* Dat ick
mach weerdich zijn beuonden
Te lijden om uwen Name soet
Noch hoordemen haer voort vermonden:
O Heere bouen alle ghewelt
Nv ben ick aenden
† proefsteen gestelt
Daermen dwtuercoren op proeuet
Mijn druck en lijden neder velt
En troost my God niet en vertoeuet.
Gielis sprack: O lieue Suster fijn
‡ Wilt in v
lijden pacientich zijn
Troost v vromelijck in den Heere
So doe ick (sprack Lijsbeth) broeder mijn
Van hem en schey ick nemmermeere.
Daer na riep Gielis met groot geluyt
* Heere doet alle haer sonden vuyt
Die my hier nv den doot doen smaken
Niet voelende v cracht en virtuyt
Sy en weten niet wat sy maken.
Met luyder stemmen riep Gielis noch
† O Dauids
Sone ontfermt my doch
Helpt my nv wt der Leeuwen tanden
Oock riep hy: Hemelsche Vader och
‡ Mijn
gheest beueel ick in v handen.
Aldus namen dese twee schaepkens ent
Veroordeelt van sKeysers Raet te Gent
+ Wt
crachte vanden Mandamenten
Waer door men
* Christus
leden schent
Elck wil dit in zijn herte prenten.
O menschen vreest niet sKeysers mandaet
Ghemerct dat tegens de waerheyt staet
Maer neemt Gods ordeel wel ter herten
Hy sal v helpen wt alder quaet
En verlossen van alle smerten.
|
*[ no. 8.]
3)
3)Gillis van Gusseme en
Lysbette Piersins zijn 21 Juli 1551 te
Gent verbrand. De Papiers du Conseil de Flandre,
Bibliographie I, p. LXXVIII, bevestigen de juistheid van het bericht in
het eerste couplet. Wat in het vierde en vijfde couplet wordt verhaald,
hoe Lijsbeth bijna ontkleed op 't schavot moest staan, moet wel, zooals ook in
het Offerboek van 1615 en bij alle volgenden geschiedt, aan opzet of moedwil
van den beul worden toegeschreven. Ons lied wijt het aan den satan, die de
vromen gaarne in een belachelijk daglicht ziet treden. Over 't geheel blijkt
anders van dweepzieke bitterheid der scherprechters tegen de slachtoffers
weinig; aan de algemeene bewoordingen van de dichters der liederen moet men
m.i. niet te veel hechten.
+Van twe vrome Christenen genaemt
Gielis ende
Lijsbeth, opgeoffert te Ghent int
iaer 1551.
1)De dichter kan niet willen zeggen, dat
zij toen tot of naar (‘te’) Gent trokken; hij moet hier wel hun
dood bedoelen.
2)Dus op een ongewoon uur.
4)Alle uitgaven lezen peestels; het Groot
Offerboek van 1615, ook Van Braght, pestels. 't Moet koorden of banden
beteekenen: een pees is een koord. ‘Bayken’ schijnt de vlaamsche
naam voor een baaien, wollen rok (niet: borstrok) te zijn. Die ‘twee
boxen’ een paar regels verder (vg. het duitsche ein Paar Hosen) zijn eene
broek. Boxe is nog in onze oostelijke provinciën daarvoor in gebruik.
‘Aengeront’: zoo bedekt dat de vormen van haar lichaam niet te zien
waren.
†Zach.13.b.8. 4.Es.10.g.74.
Sapi.3.a.5.
*Luc.23.c.33.
Act.7.g.60.
|
|