|
|
|
| |
| | | |
§
* Na
de wijse: O Sion wilt v vergaren.
+ O God ick moet v claghen
Mijns hertsen droeuich leyt
Dat v Herders worden verslagen
Die v Schaepkens hebben gheweyt
* Haer
spijsden ter rechter tijt
Onstraflijck in leuen en leere
Als hier na volcht subijt.
† Een Bisschop moet onstraflijck wesen
Eens vrouwen man, sober, gastury
Bequaem om leeren ghepresen
Ghehoorsame kinderen daer by
Gods huyshouder sonder scheyden
2)
Een liefhebber der eerbaerheyt
| | | |
Om de Cudde Christi te weyden
Rechtueerdich, heylich, so Paulus seyt.
† Geen
wijnsuyper noch bijtich mach hy wesen
Noch begeerich na schandelijck gewin
Maer vriendelijck, niet twistich, ghepresen
Oock van die daer buyten zijn
* Daer en
mochten geen Priesters zijn dan goedich
Sy moeten volcomen zijn ootmoedich
Niet cruepel, lam, noch obstinaet.
Alsulcken man met Gods geest seer crachtich
Hebt ghy ons gegeuen, O Vader ydoon
Te zijn in al deelachtich
In lijden, oock in blijschap schoon
+ O
Herder goet,
† v leuen
Liet ghy voor v Schaepkens ient
Daer heeft hem dese Herder toe begheuen
Vreesende oock gheen torment.
Weest ghetroost O Herders alle gader
* Hy was
oock vercoren schoon
Het is des Vaders welbehaghen
Dat die vercondighen zijnen Naem
† Tcruys
Christi te helpen draghen
‡ Sijn voetstappen na te
gaen.
O Heere als de vre was ghecomen
Van uwen knecht en Herder vroet
De Duyuel heeft den mensch gaen vromen
1)
De Marckgraef ginck metter spoet
* Met
eender grooter scharen
Om Gods Sendtbode te beswaren
Als
† Pharoos
knechten onuersaeft
2).
Als Woluen die bruysen en brullen
Quamen sy gesprongen voor dat huys
En vingen (door sVaders gedullen)
Den man Gods, vreesende gheen cruys
Den seuenden Junij gepresen
| | | |
Int Jaer vijfthienhondert ten desen
Den negenden dach warachtich
Beleedt hy zijn gelooue seer ootmoet
‡ En van
zijnen dienst seer crachtich
Hoe dat sy hebben beuolen
Ouders te stellen onuerholen
En Bisschoppen seer pertinent.
Als de Heeren en Marcgraef dit hoorden
Sy hielden haren spot daer mee als blent
Op de Pijnbanc met hem als verstoorden
+ Seer
bloetdorstich, quaet,
1) onbekent
Ten heeft hem niet verdroten
Sijnen mont heeft hy toe ghesloten
Want de
† Vrou was
in barens noot
2).
Wat pijne moest hy ghenaken
Doen sy vraechden met trecken so stijf
Het Cruys begost hy te smaken
Een coorde brack op zijn lijf
O Schaepkens wilt de liefde vaten
Al moet ghy veel pijnen ontfaen
* En
tleuen voor de Broeders laten
Ghelijck uwen Herder heeft ghedaen.
Tweemael ghepijnicht in vier dagen
En eens met roeden gheslagen
Hy heeftet gheleden met beuen
Hy had hem den Heer ouergegeuen
Al soud hy steruen op de banck.
Den twintichsten dach
3) voorspoedich
Quam hy voor de heeren ter vierschaer
| | | |
† Christus
voetstappen volgende naer
Ghestelt zijnde seer liefachtich
Sijt ghi herdoopt, sprac de Schout eenpaer
Vraecht na mijn gelooue warachtich
Na den kinderdoop vraechde hy hem daer.
Op den Steen heb ick beleden
Voor mijn Heer de Marckgraue fris
Vanden kinderdoop oock mede
‡ Het zijn
insettinghe der menschen
Dat sprack hy met woorden claer
Den Schout om weten was zijn wenschen
Weder vragende int openbaer.
Sijt ghy herdoopt (sonder bedriegen)
Sprac de Schout, segt ia oft neen
+ Want
ick weet, ghy lieden sult niet lieghen
Daerom spreeckt de waerheyt reen
Op mijn ghelooue, na Schriftuere
Heb ick my laten doopen ient
Als Matthei achtentwintich puere
+
En Marci sesthien staet bekent.
+
Ghelooue, Doop, Leer ende daet
So en mocht hy niet spreken met vreden
De heeren sloten eenen raet
Och lieue Borgers onuerslagen
1)
Elf Jaren heb ick hier ghewoont
Niemant can ouer my geclaghen
(Want geen ongelijc en hadde hy getoont.)
Mijn leuen en leere ghemeene
Coemt ouer een al met Gods woort
Dats doch waer, mijn lieue Broeder reene
Sprack een broeder, als daer was gehoort
De Diefleyders zijn opgheresen
Ondersoeckende mits desen
Oft ick my mochte verantwoorden
Al teghens die Papen pleyn
(Int openbaer dat alle menschen hoorden)
| | | |
Die by my waren op den Steyn
Ghelijckmen by Paulus sach gheschieden
*
Voor Agrippa den Coninck cloeck
Maer het spreken gaetmen ons verbieden
En steect ons al in een hoeck.
Als hy quam wt der Vierscharen
Als een Lammeken niet vuyl
Den seluen ghinck hy verclaren
1)
† Die Daniel
verloste wt den Cuyl
Dits om den naem des Heeren
En niet om quaet, dit wel in prent
Dats waer, sprac een Broeder int vermeeren
2)
De liefde die worde daer bekent.
Noch waren daer vier broeders beneuen
+ Omgort
metter liefden snoer
Die hebben haer stemmen opgeheuen
En riepen: Strijt vroom O lieue Broer
Joos sprack vrymoedich en blijde
‡ Dus
moeten al Gods kinderen lijden
Lieue Borgers, dits om de waerheyt reyn.
Dits den wech sprack hy onuerweten
3)
Van alle Gods Heyligen Schoon
*
Dien gewandelt hebben de Propheten
En veel vrome mannen ydoon
4)
Dat volck hoordemen claghen
Sprekende vry onuerslagen
Als een Lam wort hy geleyt.
Den eenentwintichsten dach aendachtich
Gaende daer hy moest steruen den doot
Sprekende oock met woorden crachtich
Tusschen twee Buels, en veel Tyrannen groot
Men liet hem singhen noch spreken
Sy dorsten al na zijn bloet
Men sachse trecken en steken
Dat Lam in alder ootmoet.
Als hy quam al op der steden
5)
| | | |
Na dat huysken deden sy hem treden
Daer hy hem in baren vant
1)
Als hy stont al voor der hutten
Daer den Brantoffer moeste geschien
O heylige Vader, sprac de herder der cudden
Men sach hem ten Hemelwaert sien.
Int huysken ginck hy seer ootmoedich
Daer hy leuende moest zijn verbrant
Een coorde met een knoop verwoedich
Nam de Beuls knecht inde hant
In zijn mont woude hyse steken
Om het spreken excellent
2)
Maer door hem is noch ghebleken
Gods woort seer pertinent.
+ Hy
heeft geroepen schoone
Sprack hy, ontfermt v mijn
Joos door Gods gheest ghedreuen
Bleef volstandich inden noot
Den Buel sachmen daer beuen
Beuaen met vreesen groot.
Leuendich aenden staeck noch claerder
Tvier aenstack
3) met fel
tempeest
Hy riep:
* O
Hemelsche Vader
In v handen beueel ick mijnen gheest
O Heer der Heyrscharen, hy seyde
Int vier staende in pijne groot
‡ Ghy die
my van Moeders lichaem hebt verscheyden
4)
Staet v knecht by inden laetsten noot.
Om wiens Name ick nv lijde
Verhoort de stem ws dienaers claer
Tvier brande met grooter wijde
5)
Noch eens riep hy: O Hemelsche Vaer
In v handen beueel ick mijn geest crachtich
Noch int vier, vaet dit verstant
6)
| | | |
Strijdt vromelijck mijn lieue Broer eendrachtich
Sprac een suster die haer gedrongen vant.
Wat een droefheyt wasser int ghemeene
Sy beclaechden donnoosel bloet
Men hoorde
‡ ghoet en
quaet gherucht met spoet
Op een Peert was de Marcgraef geseten
Bloetgierich, stout, opstinaet
Met zijn Discipulen vermeten
Den Buel riep hy aen, dit wel verstaet.
Nv schaepkens weest doch niet verslagen
Van uwen Herder in alder ootmoet
Dat hy v voor heeft gedragen
Heeft hy beuesticht met zijn bloet
Hy wenscht v tot eender Letse
1)
+
*
Ghenade ende vreed allegaer
Neemt zijn offer voor een spiegel en lesse
Te zijn volherdich inder waerheyt claer.
O Schaepkens wilt vruechde bedrijuen
Vaet doch recht ons Broeders verstant
Hy beclaechde dat hy v niet mocht schrijuen
Ghebroken was zijn rechterhant
Daerom laet ons neerstich wesen
Met Gods woort aenghedaen
In reynder liefden ghepresen
* Der
waerheyt altijt onderdaen.
|
*[ no. 9.]
1)
1)In de boeken van de antwerpsche Hooger
Vierschaar komt
Joos voor onder den naam ‘Joos
Vermeeren, geboren tot Asperen, een van den ministers van
den Wederdoopers’, (Antwerpsch Archievenblad, IX,
bl. 123); evenzoo in de rekeningen van den markgraaf (t.a.p. bl. 132), maar
hier met de bijvoeging op den bladrand: ‘den toenaem van desen Joos en
accordeert nyet metter rekeninge particulier vanden geconfisqueerden goeden van
desen Schouteth ... XII V schellingen groten Brabants’. In het
gebodboek wordt op 7 Maart 1562 ‘Meester Joos, die hem uytgheeft voir
Bisscop vande Herdoopers’, tegelijk genoemd met
Ozias en
Meester Joris, ... ministers van de
Sacramentarissen: zij hadden ‘onlancx predicatien gedaen, gelijk vroeger
eenen
Adriane van Hamstede,
Lenaerde Bouwenssone ende
Joachim Vermeeren’. Wij weten verder van
Joos Verbeeck alleen, dat hij ('tgeen juist volgens het lied zoo diepgaande
ontroering en verslagenheid over zijn dood wekte, al eerbiedigt de gemeente
daarin Gods toelating op Zijne ure) oudste of bisschop was, die als zoodanig in
Februari of Maart 1561 te Utrecht heeft gedoopt,
Doopsg. Bijdragen, 1903, bl. 12; terwijl
het Groot Offerboek van 1615, dat voor zijn bericht geen andere bron had dan
ons lied, nog een briefje, door hem uit den kerker aan zijne vrouw geschreven,
bevat. Dit biedt intusschen niets nieuws; alleen wordt wat het lied en met name
het laatste couplet vermeldt over de foltering, die hij moest ondergaan
(tweemaal in vier dagen), hier bevestigd: ‘geschreven tot
Antwerpen op den Steen ... met mijn slincker handt, met
grooten kommer, overmidts mijn rechter hant lam ghepijnt was. Groet my alle de
Vrienden, bijzonder de Dienders’ (t.a.p. I, bl. 356; Van Braght, bl.
284). Dit laatste, die groet ‘vooral aan de dienaars’, verraadt den
oudste. Het lied, door Wolkan bl. 70 ten onrechte aan Joos zelven
toegeschreven, is ongetwijfeld door een lid van de antwerpsche gemeente, die al
de bijzonderheden van diens verhooren en terechtstelling kende, gedicht. Zooals
men weet, konden allerlei vrienden in de gevangenis komen en soms ook verhooren
bijwonen. Reeds in het jaar na het gebeurde werd het in het
Nieu Liedenboeck gedrukt; later nog in meer
dan eene verzameling; 't laatst door Wackernagel, S. 136 fgg.
+Van
Joos verbeeck, tot Antwerpen leuende
verbrant int iaer 1561 den 21. Junij.
2)Die niet van zijne roeping (Gods
huishouder) - of die zich niet van zijne vrouw scheidt?
†Esai.53.a.7.
1.Pet.2.c.24.
‡Mat.26.b.13.
Mar.14.b.10.
1)Bezielen, moed geven. Met ‘den
mensch’ wordt de markgraaf bedoeld.
2)Hetzelfde als onversaagd,
onbevreesd.
1)Deze komma is in den druk uitgevallen;
zij staat in al de andere uitgaven. ‘De Heeren hadden hun spot met zijne
woorden als verblinden, met hem zelven op de pijnbank als lieden, die dol waren
geworden, zeer bloeddorstig, kwaad, razend’ (Verwijs en Verdam, V, bl.
233).
2)Evenals fol. 20 v o
‘daer hij hem in baren vant’: de bangste ure, maar tegelijk die der
verlossing, was aangebroken.
3)Niet na zijne gevangenneming, maar van
de maand.
1)Ik heb hier zoo lang gewoond zonder
beangst of verschrikt te worden.
2)Er bijvoegende. Of: nog zooveel te
meer, nu hij daarvoor gaat sterven.
3)Onberispelijk, terecht.
4)Het gewone stopwoord: geschikt,
bekwaam.
5)De plaats,
gerechtsplaats.
1)Zie aanteekening 2 op fol. 19
v o.
2)N.l. om dat te beletten.
4)Die mij van mijne geboorte af hebt
onderscheiden, van toen af dit bijzondere lot met mij voorhadt.
5)De vlammen sloegen breed
uit.
6)Nog in 't vuur: vat hiervan de
bedoeling; d.i.: let wel op wat dat zeggen wil. Ons ‘nota
bene’.
1)Afscheid; eigenlijk
afscheidsmaal.
|
|