|
|
|
| |
| | | |
§
*
Na de wijse: O Sion wilt v vergaren.
+ BAbels
Raets Mandamenten
Door haer Dienaers, sulcke Regenten
Roouen, vangen metter macht
Met veel der Judassen verraden
Die al soecken haer gewin
Schandelijck groot tot haerder schaden
Dat goetgierich, bloetgierich gesin.
Doemen schreef duysent vijfhondert
Ende negenenvijftich Jaer
Doen hebben dees Roouers geplondert
Van Christus Scholieren ient
Mijn vruechde moeste verdwijnen
Doen ickse sach in sulck torment.
Den twintichsten dach in Meye
Quamen de Roouers metter macht
In des Marckgrauen Leye
2)
| | | |
Die hy daer mede heeft gebracht
Om te roouen tot dien stonden
Als verschuerende Woluen wreet
Hebben sy met haer geleet.
Stoutmoedich sonder versagen
Quamen sy gestoct, gestaeft
Om volbrengen haer aenslagen
Na den roof quamen sy gedraeft
En hadden in haerder bende
Een Judas, tverlooren kint
Moetwillige dwaelders met blende
Die al waren eens gesint.
Door sVerraders listige lagen
+ Hadden
sy de huysen bespiet
Ten laetsten so isset geschiet
Dat sy de huysen in namen
Met gewelt tegen recht voorwaer
Sy mogent haer wel schamen
Haer fortsich
1) gewelt is
openbaer.
Dus namen sy tot dien stonden
Twee huysen in metter spoet
Ses vrou persoonen sy daer vonden
Int geloof sterck als mannen gemoet
2)
Na tvleesch, machmen wel meenen
Onuerhoets waren sy versaecht
Want vrouwen herten zijn geen steenen
Daert also stormt en vlaecht.
De Roouers cloeck in haer hantieren
Doorliepen de huysen oueral
Die sy sochten in haer bestieren
En vonden sy niet, 't was haer misual
3)
Dies moeste dat haer spijten
| | | |
Dat so faelgeerde haer opset
* Sverraders beste profijten
Die waren daer seere belet.
De Marckgraef was onuerduldich
Dat hem faelgeerde zijn opstel
De geuangenen onschuldich
Sach hy aen seer wreet en fel
Heeft verstoort tot haer gesproken
(Want hy den gesochten niet vont)
Ick wou dat ghy te Hoboken
Te samen op der Heyden stont.
Sy antwoorden soetelijcken
De Heer vol genaden vermaert
Die de zijne so trouwelijcken
Als zijnen oochappel bewaert
Heeft hem
1) tot dese daghen
Den wil Gods, en welbehaghen
+ Ouer
ons geschieden moet.
Heeft hy de Schapen niet ghesant
Maer in des Marckgrauen Leye
Nam hy mede al die hy vant
De reste moeste hy borgen
2)
Hy en schout haer daer mee niet quijt
Ist heden niet, so ist morghen
Alst pas geeft, en metter tijt.
Tijt en stont, auont en morghen
* Der
Princen herten ydel bedacht
Der menschen raden vol sorghen
Het staet al in Godes macht
Sonder Gods lijdtsaem gehingen
Niet een blat vanden boom en daelt
Na zijn wil laet hy ons verdringhen
De goede vande boose verdwaelt
3).
De Roouers voerden den roof binnen
Met de geuangen quamen sy gaen
Die droegen haer saet gheestich van sinnen
† Saeyende
dat met druckich
4) vermaen
| | | |
Sal haer inden grooten dach des Oost
Bereyden onsterffelijcke schouen
Dies zijn sy verhuecht en ghetroost.
Aldus druckich met haestichede
Quamen sy in stonden cort
Binnen Antwerpen de stede
Daer veel onschuldich bloets wordt gestort
Inden Kercker ginckmense sluyten
In donckere Putten onclaer
Daer laghen sy deerlijck in muyten
1)
In sdrucx tormenten swaer.
Dus gheweldich sy verrasten
Den onschuldighen goedertier
De Schaerianten seer brasten
Maeckten blijdelijck goede chier
Dus verstroyt der Pelgrims aertsch goet
+ De
goetgierighe de Juweelen
De bloetgierige crijgen tbloet.
Al ist dat de vrome verliesen
Dit tijtelijcke, dies niet te min
Door tghelooue sy verkiesen
Dat eewich is tot haer ghewin
Godt sal haer nemmermeer beswijcken
2)
Daer op zijn sy seer wel ghemoet
Babel mach haer met practijcken
* Niet
scheyden van Gods liefde soet.
De liefde Gods verwint seer crachtich
Daer tgheloof door de liefde werckt
+
Tgheloof is Gods gaue warachtich
‡
Door liefde zijn wy daer in ghesterckt
Gods liefde ghestort in onser herten
Door den Gheest der waerheyt gesent
Die troost den zijnen in smerten
Die om gherechticheyt lijdt torment.
In lijden, druck en tormenteren
Waren dees vrymoedich gesint
Men ginck haer examineren
Voor de verkeerde
3) Rechters blint
| | | |
* Met
Pilato haer handen dwaende
1)
Meynen haer onschuldich wasschen net
Met sKeysers Placcaet haer ontslaende
Maer blijuen bloetschuldich besmet.
Gods eewich lof te vermeeren
Spraken van herten onbeureest
Wy geloouen het woort des Heeren
Een Vader, Soon, en heylige Geest
* Dees
drie zijn een God warachtich
2)
† Van hem comen alle gauen
soet
Sijne geboden eendrachtich
Beleden sy recht ende goet.
Sy gingen twee Maechden pijnen
Luttel hadden de Tyrannen acht
Dat wy alle in smerte verschijnen
Door vrouwen voort worden gebracht
Van dees natuerlijck experiency
+ Hebben
sy geen redelijcheyt geleert
Sy maken daer af cleyn mency
3)
Dus zijn sy tyrannich verkeert.
Godt die wonderlijck en crachtich
In zijn swacke leden openbaert
Door zijn liefde sterckende machtich
Heeft hy haren mont wel bewaert
So dat sy in lijdens trueren
Getroost waren vrijmoedich fijn
‡ Met God
sprongen ouer de mueren
Niet vreesende eenich gepijn.
Inden Mey werden sy geuangen
Vande Roouers in handen getrost
4)
Int lijden was haer verlangen
Vanden vleesche te zijn verlost
Om te strijden sonder verflouwen
* Haren
strijt tot een salich ent
| | | |
Te winnen de
† Croon excellent.
Den achthienden Julij clare
Eerst drie Maechden zedich gemaniert
Brachtmen in de Vierschare
Daermen gewelt tegen recht hantiert
Den elfsten Octobris int verseeren
1)
Quamen ter Vierschaer drie vrouwen ient
Een oude vrou
*
tweeuoudich in eeren
Een Weduwe eerbaer, met een Dochter van Ghent.
Sy zijn op twee stonden verwesen
Van leuende lijue ter doot
Van de Woluen leelijck begresen
2)
Ist niet een tyrannije groot
De vier hebben sy verdroncken
Int water, so men beesten versmoort
Twee onthooft, dees ses lieue troncken
Sijn aldus by nachte vermoort.
† Christus
heeft voor alle geleden
De zijn tot een exempel waert
So zijn hem dees na ghetreden
+ Haer
leuen totter doot niet gespaert
In Christo volstandich sy bleuen
Haer namen zijn hier niet geset
Maer staen in
‡ sleuens Boeck geschreuen
By al die leuen na sHeeren Wet.
Babels tyrannij moecht ghy sporen
Om dat haer Rijcke wort verstoort
Sy hebben met branden, smoren
Veel gedoot om des Heeren woort
Veruolcht, die in vreden God vreesen
Wt tlant geiaecht, om lijf en goet
Gebrocht, gemaect Weduwen en Weesen
Och
* wrake roept tonschuldich bloet.
|
*[ no. 19.]
1)
1)Volgens fol. 40 ro zijn 18
Juli drie maagden voor de vierschaar gebracht, 11 October drie vrouwen. Dat
zijn volgens de boeken van de Hooger Vierschaar geweest:
Maayken, dochter van
Joos de Catte, geboren te Wervik,
Magdalena Andriesdochter, geboren te
Maastricht, beiden 29 Juli 1559 op den Steen verdronken,
Aechtken,
Adriaen Jorisdochter, geboren te
Zierikzee, op dienzelfden dag aldaar
‘geëxecuteerd’v; en verder
Maeyken Sprincen, geboren te
Maastricht, en
Margriete van Halle, weduwe
Willem Eggertings, beiden 12 October op den Steen
verdronken, benevens
Maeyken de Corte, van Gent, op dien dag
‘geëxecuteert’:
Antwerpsch Archievenblad, IX, bl. 3, 9, 10.
De drie laatsten lieten goederen na: t. a. p. bl. 16. Het lied van dit
Lietboecxken no. 16, dat slechts één jaar na
deze terechtstellingen is gedicht, noemt vijf van deze zes vrouwen met dezelfde
namen, maar geeft aan
Margriete van Halle dien van
Grietken Bonaventuers. Het Groot Offerboek van 1615
(en alle volgenden) noemt de namen volgens dit laatste lied en bericht, dat
‘Grietken Bonaventuers en
Mayken de Korte duer het sweert ('twelck doch aan
vraulieden gheen ghebruick en is) den dood hebben moeten smaecken’;
voorts dat
Aechtken met de beide anderen verdronken is.
Natuurlijk is hier eene vergissing in het spel. Waarom de dichter
opzettelijk nalaat de namen van haar, die hij zoo uitvoerig bezingt, te noemen,
fol. 40 vo, kunnen wij niet meer weten. Dat ‘hare namen in 's
levens boek geschreven staan’, gold volgens hem van alle martelaars.
Hij schijnt deze gevangenen bezocht te hebben, zie het tweede couplet. Het lied
komt reeds in het
Nieu Liedenboeck, 1562, voor.
+Van ses vroupersoonen binnen
Antwerpen gedoot, vier verdroncken, ende twee onthooft, int Jaer
1559. Soect hare namen int liet van de 72. vrienden.
2)‘'s Marcgraven leye buyten
Antwerpen’ komt nog fol. 39 r o voor en wordt wel
meer genoemd. Vandaar werden de kleederen en het huisraad, toebehoord hebbende
aan
Margriete van Halle en andere geëxecuteerden,
gehaald om verkocht te worden.
Antwerpsch Archievenblad. IX, bl. 16.
Eene leye is eene dreef, laan; nog tegenwoordig: eene
‘avenue’.
2)‘Gezind als mannen’ of
‘onverschrocken als mannen in het geloof: al mag men wel denken,
dat’ (toen zij zoo overvallen werden) ‘haar naar 't vleesch
onverhoedsche schrik beving; immers vrouwenharten zijn niet verheven boven
allerlei aandoeningen, wanneer zulke stormachtige en onstuimige tooneelen
plaats grijpen’.
3)Een ongeval, eene
teleurstelling.
*Voor den genen die sy sochten, soude
de verrader 300 gulden gehat hebben, so verre sy hem gecregen
hadden.
1)‘Hem’, voor het meervoud,
staat in alle drukken, ook nog in n o. 11, 1599. Anders op fol. 22
v o: zie aant. 8 aldaar. In het randschrift op dit fol.:
heē.
2)Uitstel geven van betaling, hier van
gevangenneming.
3)Door de verdwaalde, op den slechten weg
wandelende boozen.
1)‘Muyt’ is eene kooi, eene
plaats waarin iemand opgesloten zit.
3)Verdwaald; die op een dwaalspoor
waren.
2)Is deze belijdenis uitgelokt door eene
vraag van den rechter juist naar de drieëenheid? eene vraag die verraden
zou dat het unitarisme van sommigen onder hen niet onbekend was gebleven? Maar
't kan even goed zijn, dat deze zes vrouwen eenvoudig ongevraagd willen zeggen:
‘wij wijken niet af van het gewone christelijke geloof’.
3)‘Zij maken daarvan weinig
gewag’, n.l. bij zich zelven. Dus: zij hechten daaraan weinig.
4)D.i.: Gevangen in handen der roovers;
getroost als zij in 't lijden waren, was hun verlangen enz.
†4.Es.2.f.43. 2.Tim.4.a.8.
Apo.2.b.10.
1)Staat voor een bijwoord: ‘in het
leed ondervinden, droevig’.
2)Van begrijzen, iemand door spottende
gebaren hoonen.
‡Luc.10.c.20. Phil.4.a.3.
Apo.21.d.27.
*Gen.4.b.10.
4.Es.15.b.10.
|
|