|
|
|
| |
§
* Na de wijse: Tis nv schier al, veruult
ons Broeders getal.
+ HOort
vrienden al // hier in dit aertsche dal
Maect nv een blij geschal
| | | |
En wilt doch vruecht orbooren
1)
Den wech seer smal // treet met dat lief getal
† Ja voor sotten en dooren
2)
Diemen verworget en oock verbrant
Somen mocht sien te Haerlem opt zant
Die meer mijn hert verhuecht
En oock verweckt tot duecht
* De Croon is haer verworuen.
Al vande poort // quamen sy onghestoort
En ginghen vrolijck voort
Ja dansten ende spronghen
3)
Tis noyt gehoort // tgeen datter is geboort
Haer Broeders met accoort
Al tot haer zijn ghedronghen
En hebbens ghecust voor haren mont
Door brant der liefden int hert gegront
Die meer mijn hert verhuecht
+ En oock
verweckt tot duecht
Alsmen daer heeft vernomen.
In Schoutens huys // brachtmens men deeds confuys
Dat was haer een groot cruys
Een Paep dedens daer halen
4)
| | | |
Al met geruys // quam hy en maect gedruys
Daer in dat ghy seer dwalen
1)
Hy seyde, int weerdighe Sacrament
Het welcke is Christus vleesch present
Die meer mijn hert verhuecht
En oock verweckt tot duecht
Tgeschiede daer // datmen het woort Gods claer
Op Schouts straet ginck verclaren
2)
Voor swerelts schaer // al sonder vrees oft vaer
Snachts doenmens ginck beswaren
† Diet hoort en bewaert sal salich zijn
Beurijt van de eewighe Helsche pijn
Dus is mijn hert verhuecht
En twort verwect tot duecht
Want God salt haer verleenen.
Als nv den dach // aen quam merct dees aenslach
De Schaepkens met verdrach
3)
Wt Schouts huys zijn ghetreden
Veel volcx O wach
4) // dat daer seer droeuich
sach
Maer sy hebbense ghebeden
En spraken al met woordekens soet
* Och wilt doch bewijsen oprechte boet
Die meer mijn hert verhuecht
En oock verweckt tot duecht
Alsmen daer heeft beuonden.
Sy zijn gestelt // voor des werelts gewelt
| | | |
Sconincx Dienaers om ghelt
Daer heeftmen haer ghelesen
Tplaccaet vertelt // dinhout heeft so gemelt
Dat nieuwe Testament
1) moest achter staen
Des Keysers placcaet dat moest voort gaen
Die meer mijn hert verhuecht
En oock verweckt tot duecht
Want sy nv zijn Gods eruen.
Doen vielen net // dese twee schaepkens vet
2)
Tot Godt met groot verlanghen
De schout besmet
3) // had haer dit geern belet
Haer hoofden lieten sy hanghen
Daer na spraken sy de Heeren toe
Met lacchende mont, met blij gemoet
Die thert wel seer verhuecht
En oock verweckt tot duecht
Datmen dit sach ghebueren.
Daer stont bereyt // twee palen hoort bescheyt
Oock torf en hout planteyt
4)
Om geen quaet feyt //
* maer door
gehoorsaemheyt
Storuen sy om de waerheyt
Ja Godts lof te verbreyden
God deedtse bystant al inder noot
† Sy bleuen
getrou tot inder doot
Van herten zijn verhuecht
| | | |
* En altijt
staen na duecht
† Vroom tot
int ent // bleef
Jorian en
Clement
‡ Christum hebben sy bekent
Sy sullen ient // de
* Croone excellent
‡ Met witte cleederen
aenghedaen
+ Als
Esdras op Sions Berch sach staen
Sullen sy worden verhuecht
‡ Geloont
al van haer duecht
Wilt hier oock na verlangen.
Als was gedaen // haer worgen ende braen
Haer Boecken te verbranden
God schictet saen // anders dant was geraen
Tvolck sacht met ijuer aen
En greep daer na met handen
De Heeren verliepen allegaer
Doen worpmen de boecken onder de schaer
Tvolck greep met verlangen
Die meer mijn hert verhuecht
En oock verweckt tot duecht
Sy worden blijdt ontfangen.
Een ioncvrou
1) ient // had haer geloof bekent
Die met vrucht was beuangen
Als was
2) geent
// haer baren met torment
Te gaen haers Broeders gangen
Maer tbaren heeft haer leuen gecost
De Heer heeftse wten vleesche verlost
+ Haer
moet sy niet blusten
Die meer mijn hert verhuecht
| | | |
En oock verweckt tot duecht
Dat God haer nam in rusten.
Princen onuroet // ick bid v met ootmoet
Dat ghy Gods kinderen goet
+ Weest
niet verwoet // stort geen onschuldich bloet
Aenmerct wel wat ghy doet
Tvolck Gods gaet ghy verbranden
Och het is van v so qualijck gemaect
† Dat ghy
God aen zijn oochappel raect
Dan sullen zijn verhuecht
Geloont al van haer duecht
‡ Sult ghy
daer buyten blijuen.
|
*[ no. 20.]
3)
3)Zie over
Joriaen Simonsz. en
Clement Dirksz. en de liederen, niet minder dan vier
in getal, op hen gedicht en nog bewaard gebleven, aanteekening 1 op bl. 257
boven. Hunne executie op den brandstapel greep plaats op 26 April 1557. Zoo
bericht het Groot Offerboek van 1615 in een kort verhaal van hun dood;
Van Braght nam uit dat van 1627 een uitvoeriger
bericht over, maar waarin de opgaaf van den datum ontbreekt. In dit laatste
bericht komt ook voor, dat
Bouwen Lubbertz., die in den nacht
vóór hunne terechtstelling het volk op straat over hen had
toegesproken, het lied op hen heeft vervaardigd, dat met een ander van
Joriaen zelven in ‘het Oude Lietboeck’
(de
Veelderhande Liedekens) is opgenomen. Dat
moet dit gedicht uit ons Lietboecxken zijn: zie aanteekening 2 op fol.
41 ro. Het lied kenmerkt zich door zijn triomfantelijken toon
en door het moralistisch referein, dat ‘tot duecht verwecken’: iets
dat juist aan de noord-hollandsche broeders bijzonder dierbaar schijnt geweest
te zijn. - Over hunne medegevangene Marij Joris zie aanteekening 1 op fol. 42
ro. Het lied is in de latere drukken van de Veelderhande
Liedekens, ook in die uit de 18de eeuw, blijven staan: evenals
no. 22 en 25.
+Van
Jorian ende
Clement verbrant te Haerlem, int Jaer
1557. Dat Testament van
Joriaen staet, Fol. 135.
2)Gek, dwaas; het duitsche
tor.
*4.Es.2.e.43. 2.Tim.4.a.
Apo.2.b.10.
3)Dezelfde opwinding, die bij
Eelken en
Fije, bl. 430, 431 hierboven, voorkomt.
4)‘Bracht men ze; men deed ze
confusie’ (hoon, beschaamdmaking) ‘aan’.
1)Nog tegenwoordig is in de spreektaal
hier en daar de 2 de persoon meervoud gelijk aan den eersten en
derden.
2)Dit schijnt te slaan op die nachtelijke
prediking van
Bouwen Lubbertz. in de Schoutenstraat. Zie
aanteekening 1 op fol. 40 r o.
3)In de stilheid,
lijdzaamheid.
*Mat.3.a.2. 4.b.17. Mar.1.b.15.
Luce.3.a.3.
1)Eene dogmatische achterstelling van het
Oude Testament ligt hierin niet; dat in een kring, die zich zoo sterk in zijn
leven liet beheerschen juist door het uitdrukkelijk woord en gebod en voorbeeld
van Christus, tegenover 's Keizers wet bepaald het Nieuwe Testament werd
gesteld, spreekt van zelf.
2)Zie aanteekening 2 op fol. 32
v o.
3)Die zich aan hen bezondigd, vergrepen
had.
*4.Es.2.f.43.
Apo.2.b.10.
1)Mary Joris, die met
Joriaen en
Clement gevangen zat: Joriaen vermeldt haar in een
zijner brieven, bl. 263 boven.
2)‘Wanneer zou zijn
geëindigd.., dan, meende zij vast, zou ook zij gaan..’
|
|