|
|
|
| |
§
* Nae de wijse: Jesabels Priesters zijn
opghestaen.
+ ALsmen screef duyst vijfhondert eenentsestich Jaer
Den veertienden Oogst gebuerdet openbaer
Tot Yper binnen der stede
Dat ic Gods beloften heb geuonden waer
Als ic accordeerde, vrienden hier op acht
Met dronckaerts, afgodisce en dieuen geslacht
| | | |
De werelt heeft my gepresen
Dat ic dit moeste laten, vant ic my wijs bedacht
1)
* Oft
deelachtich soud ick wesen
Fornicateurs,
†
vleeschelijck gesint
En hebben geen deel, so Paulus ontbint
2)
Sy moeten wt dit aertsche
* verkeeren
3) als een
kint
Twee mandamenten zijn ons gegeuen saen
Deerste wy vinden in Marco
+ geschreuen
staen
Hoe Christus roept ten stonden
De geloouige gedoopt die sal int leuen gaen
‡
Den ouden Adam moet hier af zijn geleyt
Want Gods gemeente daer Paulus af seyt
Moet suyuer zijn ende reene
* Wiet niet
al verlaet, en hem
† wt Babel scheyt
Die en zijn weerdich gheene
Keysers mandamenten zijn in zijn landen al
Wie sulc bevel volbrengt, datmense branden sal
Merckt vriendekens ydoone
Volcht ghi Christum na, ghy coemt in banden al
† Tis noot
dat de dagen hier zijn vercort
‡ Tonschuldich bloet roept wrake dat daer is
ghestort
Van nv aen tot
† Abels
tijden
† Ist dat de rechtueerdige nau
behouden wort
Wat sal den Godloosen lijden
‡ Gelijc als
stroo, schrijft de Prophete saen
Is in een gloeyenden ouen haestelijc verdaen
Sal den godloosen voor daenschijn Gods vergaen
| | | |
* Als dat
verschrickelijc ordeel des Heeren sal gheschien
‡ In
steenrootsen en holen sult ghy veruolgers vlien
* En roepen: Berghen wilt ons decken
Als ghi daenschijn des Heeren sult aensien
+ Daer en
sullen gheen plecken
Hoe soudemen vreesen swerelts Regenten stranck
Sy namen de leden van eender maget cranc
Sy ghinghense so tracteren
Dat si voor doot wert gedragen vande banc
Hoe sullen sy haer excuseren
Voor Annas ende Caiphas heeft Godt haer mont bewaert
Haren euen naesten en heeftse niet beswaert
Men sachse crijsseltanden
Doen namen sy tPlaccaet van den Keyser onghespaert
2)
En leuerden haer in banden
† Schat,
goet, en ghelt presenteerden sy haer op dat termijn
Hadde si willen laten haren Bruydegom deuijn
Oft haer tot dien
3) begeuen
Sy sprack:
‡ Wie hem versaect, sal hy versaecken fijn
Den achtienden Octobri metten dage saen
Om sKeysers vriendt te wesen ist Oordeel voort gheghaen
Sy sprack voor sRechts aenschouwen
Ghy hebt my veroordeelt ten vyere, sConincks beuel ghedaen
Dus vreest Gods ordeels benouwen
Orlof vrienden dit is voor een Testament
Hoe Calleken Strincx
* den loop
hier heeft gheent
Tgelooue behouden crachtich
En vreest Sweert noch Vyer, volcht Christum excellent
+ Sijn
beloften zijn warachtich
|
*[ no. 21.]
1)
1)Kalleken Strijngs is eene
van de vijf Doopsgezinden te Yperen, wier gevangenneming en
verhooren het onderwerp zijn van no. 23 van dit Lietboecxken,
fol. 48 ro. Uit dat lied heeft het Groot Offerboek van 1615 een
uitvoerig bericht samengesteld en daarin een en ander wat het van elders wist,
b.v. over hun dood, opgenomen. In dat bericht heet het, dat Kalleken eene
‘seer schoone en welghemanierde dochter’ was; dat men haar met
allerlei beloften poogde te bewegen door verzaking van haar geloof het leven te
redden; dat haar moeder insgelijks Kalleken opzocht om haar daartoe te
overreden; en dat men de executie geheim hield uit vrees voor het volk. De
dichter van ons lied, no. 21, schijnt sommige van deze
bijzonderheden niet te hebben gekend. Ook van Kalleken's lotgenooten maakt hij
geene melding. Trouwens, zij is afzonderlijk en later dan de anderen geworgd en
verbrand, 18 Oct. 1561.
+Hier wort verhaelt van
Calleken strincx, die gedoot is int iaer
1561.
2)Eerst 14 Augustus - misschien de dag,
waarop hij Kalleken's blij vertrouwen bij hare gevangenneming of bij een
verhoor, dat zij onderging, had gezien, is hem de waarheid van Gods beloften
aan de zijnen gebleken. Tot dusver had hij geen vrede gevonden, evenmin als
Paulus vóór diens bekeering; zoolang hij (met Paulus) vriend der
wereld was, was hij van die wereld geprezen; maar (toen, op dien dag) vond hij
enz.
1)‘Ik vond mij wijs bedacht’
(hebbende, en als slotsom daarvan), ‘dat ik dit moest
nalaten’.
3)Zich omwenden, bekeeren.
†Joan.3.a.8 Van nieus
herboren.
‡4.Es.15.a.9.
Apo.6.b.10.
*Oze.10.b.8. Luc.23.c.29.
Apoc.6.c.16.
1)Waar gij vertoeven kunt.
2)Het plakkaat, dat niemand spaart,
niemand ontziet.
3)D.i.: of - 'tgeen daarmede gelijk zou
staan - zich aansluiten bij die (‘dien’ is meervoud) bovengenoemd,
Annas, Kajaphas, Pilatus, d.i. de kerk en de wereld.
‡Mat.10.c.33.
2.Tim.2.b.12.
|
|