|
|
|
| |
Iets over het woord ligchaam en de onderlinge verhouding der h en ch.
De afleiding van het woord ligchaam is overbekend. Ieder, die
slechts een weinig aan de studie der Germaansche talen gedaan heeft, weet, dat
het een compositum is, bestaande uit lijk en haam, gelijk de
Angelsaksische en Oudsaksische vormen lic-homa, lic-hamo en
lik-hamo voldingend bewijzen. Immers, daar noch het Saksisch der
eilanden, noch dat van het vaste land de zamengestelde letter ch of
kh kennen, moet men wel aan eene vereeniging der twee ook op zich zelve
bestaande woorden lîc of lîk en hamo of
homa denken, en niet aan eene afleiding van lîch door
middel van het suffix -am. Het eerste zamenstellende deel, in het Goth.
leik, Ags. lîc, Osaks. lîc en
lîk, Oudhd. lîh is ons tegenwoordige lijk,
doch natuurlijk niet in de hedendaagsche beteekenis van dood ligchaam, maar in
die van lijf. Oudtijds toch diende het woord evenzeer om een levend
ligchaam aan te duiden, en wel niet zelden in de bijbelsche opvatting van
vleesch.
Ulfila maakte een druk gebruik van leik,
ter vertaling
| | | |
van σῶμα (ligchaam), van πτῶμα (lijk) en van σάρξ
(vleesch). De dichter van den Heliand gebruikt lîc en
lîk insgelijks voor levend ligchaam en vleesch. Het tweede
zamenstellende deel hamo beteekent zoo veel als omkleedsel, omhulsel.
Een Groth. hama (kleed) komt wel niet voor, maar dat het moet bestaan
hebben, blijkt genoegzaam uit de zwakke, en dus afgeleide,
werkwoorden anahamôn, aankleeden, andhamôn,
ontkleeden, afhamôn, uitkleeden, ufarhamôn,
overkleeden. In het Angelsaksisch beteekent ham, haam, vooreerst skin
(huid), verder covering (bekleedsel), shirt (hemd) en surplice (priesterlijk
gewaad). In het Hildebrandslied komt hamo voor in de zamenstelling
gudhamo (strijdhemd, pantser), waarin het eerste deel gud, ook
wel gund, strijd, gevecht, beteekent. In het Deensch is Ham
huid, inzonderheid die van slangen en vogels, als onder andere
blijkt uit Swaneham, Fjederham en uit skifte en skyde ham,
vervellen; de dichters bezigen het voor gewaad. Ook in het
Nederlandsch is haam nog bekend. De landlieden noemen het vlies,
waarmede het veulen vóór de geboorte omgeven is, het haam
of ham.
Ligchaam beteekent dus - even als het Ags.
flaesc-homa, dat in dezelfde beteekenis als lic-homa gebezigd
wordt - zooveel als vleezen omkleedsel, omhulsel van
vleesch, natuurlijk met het oog op de inwonende ziel. Deze beteekenis is
geheel in overeenstemming met eene voorstelling, in de middeleeuwen
heerschende. Men beschouwde toen het ligchaam als het receptaculum der ziel,
als het vat of den zak, waarin zij verborgen huist. Zoo leest men onder andere
in der Leken Spiegel, I, 16, 60:
‘Alse die ziele dan uut gheet (als de mensch
sterft)
So en blijft daer niet dan die zac,
Daer die ziele verborgen in stac.’
En, II, 10, 80, wordt de menschwording van Christus het
aantrekken van den zak der menschheid genoemd:
In die vorme van enen man.’
| | | |
In I, 20, 22, wordt van de ziel gezegd, dat zij bij het sterven het
vat moet ontruimen:
‘Als een ziele zal rumen tvat.’
Zie verder over deze zienswijze Prof.
M. de Vries, in zijn Glossarium op Der Leken
Spiegel op de woorden Vat en Zac.
De afleiding ligchaam = lijk-haam, mnl.
liic-haem, is dus wel boven allen twijfel verheven, maar hiermede is de
hedendaagsche vorm of uitspraak lig-chaam (lich-chaam) nog niet
verklaard. De verkorting van ij, of liever van ii, tot i
baart geene moeijelijkheid; vóór de ch is de overgang van
een openen of helderen klinker of van eenen tweeklank in een gesloten of doffen
klinker geen zeldzaam verschijnsel. Men denke slechts aan kocht
en gekocht van koopen, verknocht van
verknopen, gerucht van roepen,
gezocht van zoeken. Doch van waar komt de ch?
Men wane toch niet, dat de c en h of k en h in
lijk-haam, liic-haem zoo maar tot ch zamensmelt, wanneer men die
letterteekens behoorlijk naast elkander schrijft en door een zuiver ophaaltje
netjes verbindt. Ik wenschte wel een enkel overtuigend voorbeeld van zulk eene
zamentrekking te zien. Men werpe mij niet tegen:
ἐφήμε ρος = ἐπ᾿ ἥμερορ, ἐφυφαίνω = ἐπ᾿ ὑφαίνω, δεχήμερος = δεκ᾿ ἥμερος
daarvan straks. Intusschen is de zaak doodeenvoudig en allernatuurlijkst, zoo
men zich slechts herinnert, dat de oorspronkelijke klank der h die van
onze hedendaagsche ch was. Het is echter van zooveel belang, dat men van
die waarheid volkomen overtuigd wordt, dat ik er eenige oogenblikken
opzettelijk bij stil wensch te staan, waarbij ik mij in mijn betoog eerst bij
de oudste Germaansche taal zal bepalen en vervolgens door voorbeelden
aantoonen, dat het in het Oudnederlandsch evenzoo moet geweest zijn.
Niemand heeft er ooit aan getwijfeld, of de Gothische h in
woorden als nahts (nacht), dauhtar (dochter), raihts
(recht), uhtwô (ochtend), ahtau (acht) werd op dezelfde
wijze als onze ch in de gelijkluidende Nederlandsche woorden
uitgesproken. Evenzeer is men het eens, dat de h vóór de
letters l, n, r en w aan het begin der woorden, als in
hlahjan, lagchen,
| | | |
hlains, leuning, hlamm,
klem, hlaupan, loopen, hneiwan, nijgen, hrains, rein,
hramjan, ramen, hrôpjan, roepen, hweila, wijl, als
ch is uitgesproken. Waarom zou het letterteeken h in dien zelfden
tijd in haban, hebben, hatôn, haten, hardus, hard,
haurn, hoorn, handus, hand, hamon, kleeden, een anderen
klank hebben voorgesteld? Waarom zou
Ulfila, de uitvinder van het Gothische
letterschrift, die uit drie alphabets, het Grieksche, het Latijnsche en het
Runische, vrijelijk te kiezen had en gekozen heeft, hauh (hoog) zoowel
in het begin als aan het einde met dezelfde letter hebben geschreven, indien
hij in het begin eene h en aan het einde eene ch had gehoord? In
de andere oude Germaansche talen, als het Oudhoogduitsch, Angelsaksisch,
Oudsaksisch en Oudnederlandsch staat het met de h als in het Gothisch.
Ik zal alleen eenige woorden uit de Oudnederl. Psalmen mededeelen, waarin
h kennelijk de waarde van de hedendaagsche ch had: unreht
(onrecht), Ps. LIV, 4; naht (nacht), 11; mohti (mogt), 13,
uuihsil (wisseling), 21, fehtinda (vechtende), L, 3; lioht
(licht), 13; unriht (onrecht), LVII, 3; fluht (toevlugt), LVIII,
17; thoh (doch). Is het te denken, dat de h aan het begin eener
lettergreep, als in uuarheide (waarheid), herro (heer),
behaldon (behouden), hatoda (haatte), hus (huis),
hoï (hoogte) eene andere waarde zal gehad hebben? Ik verwacht hier
echter ten opzigte van het Gothisch eene tegenwerping.
Ulfila, zal men zeggen, schrijft altijd
xristus (Christus), en soms pasxa (paschen), zaxarias
(Zacharias), zaxxaius (Zacchaeus), axaja (Achaja); hij gebruikt
dus een bijzonder letterteeken x waar de Grieken χ bezigen. Had nu
de Gothische h als onze ch geklonken, hij zou hristus, pasha,
zaharias, zahhaius, ahaja hebben geschreven. - Niet te driftig, Mijne
Heeren;
Ulfila's spelling bewijst veel, zeer veel
zelfs, maar juist niet hetgeen gij meent te moeten beweren. Zij, die zich met
vergelijkende taalstudie bezighouden, zijn het thans tamelijk wel eens, dat
χ (ch), φ (ph) en θ (th) niet den klank van
onze ch, f, en de Engelsche th hebben gehad, maar werkelijk dien,
welken de Latijnen,
| | | |
wanneer zij Grieksche woorden in hunne taal
overbragten, door ch (d.i. kh), ph en th
afbeeldden. Met andere woorden, de Grieksche letters χ, φ en
θ hadden de waarde van k + h, p + h, t +
h, en werden uitgesproken als de bekende Sanskritische letters, die men
thans in Latijnsche karakters door kc, pc en
tc voorstelt. Indien φ = f geluid heeft,
waarom schreven de Romeinen dan Philippus, philosophia
enz., en niet Filippus, filosofia? En waarom dan juist p en
h gekozen? Waarom verdubbelden de Grieken hunne χ, φ en
θ door voorvoeging van κ (k), π (p) en
τ (t), in Βάκχος (Bacchus), Σαπφώ (Sappho),
Ἀτθίς (Atthis)? Waarom schreven zij niet
Βάχχος, Σαφφώ, Ἀθθίς met χχ, φφ en
θθ? Dit is en blijft een raadsel, tenzij men stelt
χ = kh, φ = ph en θ = th, en daarin
aan elke letter, aan de h zoowel als aan de k, p en t,
haren eisch geeft, gelijk in onze woorden boekhandel,
sluiphoek en uithoek. Spreekt men die letters
zóó uit, dan immers wordt de spelling Bakkhus, Sappho en
Atthis de eenige natuurlijke. Op deze wijze wordt ook de zamentrekking
van κ (k), π (p) en τ (t) met een volgenden
spiritus asper (h) tot χ, φ en θ, gelijk in de
boven reeds aangevoerde woorden
ἐφήμερος = ἐπ᾿ ἥμερος, ἐφυφαίνω = ἐπ᾿ ὑφαίνω, δεχήμερος = δεκ᾿ ἥμερος
voldoende verklaard: of liever dan blijkt, dat in de genoemde en alle
dergelijke gevallen in het geheel geene zamentrekking, geene verandering in de
uitspraak voorvalt, maar dat alleen eene eenvoudiger spelling in de plaats der
meer gecompliceerde treedt. Die uitspraak van χ = kh, φ = ph en
θ = th wordt door
Ulfila op eene merkwaardige wijze bevestigd,
althans ten opzigte van de χ. Immers het letterteeken x
wisselt bij hem af, met de k, in alle woorden behalve xristus;
hij spelt zoowel paska als pasxa, zakarias als zaxarias,
zakkaius als zaxxaius, akaja als axaja. Bewijst dat niet, dat
hij in die woorden ook eene k hoorde, althans een geluid, dat sterk naar
k zweemde, en waarin de k als integreerend deel voorkwam? Maar
indien χ = kh was, dan bewijst zulks tevens, dat onze
tegenwoordige h-klank nog niet in het Gothische alphabet voor-
| | | |
kwam, anders toch zou
Ulfila paskha, akhaja enz. hebben
geschreven. De h-klank was blijkbaar den Gothen vreemd, en daardoor is
het verklaarbaar, dat hij de woorden, die met den spiritus asper beginnen, nu
eens schrijft met, dan zonder h, de letter, welke nog het best aan dien
spiritus beantwoordde, zonder volkomen dezelfde klank te zijn. Zoo spelt hij
airmôgaineis voor ‘
Ἑρμογένης, Hermogenes; iairaupaulis voor Ἱεραπολις, Hieropolis; herodes voor Ἡρώδης.
Uit het aangevoerde blijkt, geloof ik, overtuigend genoeg, dat de
h, in het Oudgermaansch althans, de waarde van onze hedendaagsche
ch had; en daar zij die nu niet meer heeft, moet er met haar eene
verandering zijn voorgevallen. Deze bestond nu daarin, dat zij aan het begin
der woorden merkelijk verzacht werd en eindelijk in den spiritus asper, in
onzen hedendaagschen h-klank, overging. Toen deze uitspraak voor goed
gevestigd was, kon het letterteeken h niet langer toereikend wezen om
èn den ch èn den h-klank af te beelden, en voegde
men het in het eerste geval eene c toe. Men begon toen hooch, hecht,
gehucht, nacht, enz. te schrijven. Het Latijn, waarin blijkbaar dezelfde
verandering plaats greep, spelde te gelijker tijd michi en
nichil, in plaats van mihi en nihil, tot dat men later
inderdaad mihi en nihil uitsprak en toen tot de oude
schrijfwijze, hoewel niet tot de oorspronkelijke uitspraak, terugkeerde.
Indien men het dan voor uitgemaakt zeker mag houden, dat de
Oudgermaansche h als ch luidde, dan heeft men ligchaam
oorspronkelijk als liic-chaam uitgesproken en heeft er geene andere
wijziging behoeven plaats te grijpen dan de reeds vermelde verkorting van
ii in i en de assimilatie
1) van de
k van liik met de volgende ch, zoodat liic-chaam in
| | | |
lich-chaam veranderde. Het gebruik heeft die schrijfwijze
verworpen en wil ligchaam of wel lichaam. De laatste spelling
wordt voorgestaan, door hen, die aan de ch ik weet niet welk eene
mystieke en wonderdadige kracht toeschrijven en meenen, dat zij, in
onderscheiding van alle andere medeklinkers, het vermogen bezit om te
gelijkertijd eene voorgaande lettergreep te sluiten en eene volgende te openen.
Hoe men te dezen opzigte met betrekking tot andere woorden moge denken, uit het
aangevoerde volgt, dat de ch ontegenzeggelijk tot de tweede lettergreep
van ligchaam behoort, en dat men derhalve om èn aan de eischen
der afleiding èn aan die van de gebruikelijke uitspraak te voldoen
lig-chaam zal moeten schrijven. Op dezelfde gronden zouden
lich-chaam en lich-haam verdedigd kunnen worden.
L.A. t. W.
|
1)Door assimilatie verstaat men die verandering
eener letter, waardoor zij aan eene voorafgaande of volgende gelijk wordt,
gelijk b.v. in ap plicare voor ad plicare,
intel ligere voor inter ligere,
im modestus voor in modestus. Eene assimilatie als in
ligchaam treft men aan in de Oudnederl. Psalmen in het woord
guolic-heit, dat nu eens guolihh eit dan
guolikk eit geschreven wordt. Zoo vindt men ook, wad duo
mi fleisc, wad duo mi man, voor wat duo mi enz.
|
|