|
|
|
| |
De verlenging der heldere a in gesloten lettergrepen.
In welke opzigten men de Nederlanders kan beschuldigen van
onverschilligheid, onzelfstandigheid en zucht tot navolging van anderen,
inzonderheid van vreemden, zeker wel niet ten opzigte van de wijze, waarop zij
de spraakgeluiden zigtbaar voorstellen. Na de godsdienst, de staatkunde en de
lotgevallen des vaderlands kan men bezwaarlijk iets noemen, dat zoo voortdurend
veler belangstelling heeft genoten als de spelling der moedertaal. De waarheid
van dit beweren blijkt reeds uit de menigvuldige Spraeck- en
Spreeckonsten van vroeger dagen, waarin de spelling altijd de hoofdzaak
is en soms het grootste aantal bladzijden inneemt. Vervolgens beroep ik mij op
de lange rij van Nederduytsche en Vlaemsche Orthographien,
Verhandelingken over, Inleydinghen tot,
| | | |
Verklaringhen,
Fundamenten en Grondt-regelen van de Nederduytsche Spellinghe; op de
reeks van Spel-, Spelle- of Speld-konsten of -kunsten; op
het aanzienlijk getal Kritieken en Antikritieken, Beoordeelingen,
Bedenkingen en Aanmerkingen, Antwoorden en Wederantwoorden,
betreffende enkele spelquesties, om van de monographieën over enkele
letters en de bemoeijingen van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek en
later van het Belgische Staatsbestuur niet te spreken. En wie zich overtuigen
wil, hoe onafhankelijk - republikeinsch zou men haast zeggen - iedereen zich in
het spellen gedroeg, die werpe slechts een blik in de groote menigte
geschriften uit de twee voorgaande eeuwen; hij zal naauwelijks twee schrijvers
van naam aantreffen, die over alle punten der orthographie geheel eenstemmig
dachten. Bijna ieder bewandelde in dezen zijn eigen weg, en toonde, dat hij ten
minste in dit opzigt niet hield van slaafsch navolgen.
Wel is waar niet altijd waren de gronden, waarop men bouwde, even
vast, de redenen, die men opgaf, even redelijk. Zelfs lagen zij niet altijd
binnen het gebied der Grammatica; soms kwamen Mystiek en Dogmatiek in het spel.
Vondel b.v. schreef goet, geluit,
afgebeelt met eene t; doch het woord Godt, meende hij, moest
op dt eindigen, moest vier letters hebben, omdat de naam van het
Opperwezen in andere talen insgelijks met zóóveel letters gespeld
wordt. Immers op blz. 2 zijner Bespiegelingen van Godt luidt het
‘De Duitsch is dan gewoon den rijcksten schat der
schatten
Als andre volcken
1) in vier letteren te
vatten,
En Godt te noemen 't geen noit teken of geluit
Pieter Boddaert, de grootvader van den meer
algemeen,
| | | |
maar minder gunstig bekenden dichter van dien naam,
schreef ook Godt met dt, niet om ‘de afleiding,’ niet
om ‘het viertal der letters,’ maar ‘uit ene
eige zinlijkheid met betrekkinge tot het Hoge Voorwerp, dat wy door dien naam
verstaan.’ Hij voegde eene t achter de d ‘om aan dat
woord het vermogen te benemen om ene meervoudige buiging te ontfangen,
vermits de Enige Waarachtige Godt in zijn wezen geen meervoudig
getal lijd en lyden kan, en men dus ook geen Godten kan zeggen.’
Wanneer hij echter van andere ‘onderwerpen’ sprak, ‘die mede
dien eernaam dragen, als Engelen, of Joodsche overheden, of
Afgoden,’ dan kon God zonder t volstaan.
Niettegenstaande zulke en dergelijke redenen, die niets met de
taalkunde gemeen hebben, door velen als geldig werden beschouwd, heeft al het
geschrijf en getwist van vroeger dagen toch de uitwerking gehad, dat wij ons op
eene spelling mogen beroemen, die, zonder de onbereikbare volmaaktheid te
bereiken, beter is dan menige andere. Mij althans is geene nieuwere taal
bekend, die meer en consequenter dan de Nederlandsche aan de twee, dikwijls zoo
tegenstrijdige, beginselen eener gezonde orthographie beantwoordt, die zoo zeer
de afleiding eerbiedigt, zonder zoo erg als vele andere talen aan de uitspraak
te kort te doen.
Het is thans mijn voornemen niet de voortreffelijkheid onzer
spelling in bijzonderheden aan te toonen, nog minder zou ik willen trachten de
gebreken te vergoelijken, die ook haar ontegenzeggelijk aankleven. Ik wilde mij
bepalen tot beschouwing van één enkel punt, dat lang een
twistappel heeft uitgemaakt en dezer dagen weder ter sprake is gekomen, een
punt, dat bij onze Zuidelijke Taalbroeders nog op den huidigen dag als eene
zaak van het uiterste belang wordt beschouwd. Ik bedoel de verlenging der
heldere a in geslotene lettergrepen. Ik wenschte namelijk de spelling
met aa en ae in vergelijking te brengen, het voor en tegen van
beide schrijfwijzen te wikken en te wegen. Het zal daarbij mijn streven zijn de
striktste onzijdigheid te bewaren. | | | |
Hoe verschillend en in de bijzonderheden uiteenloopend de
onderscheidene spellingstelsels der voorgaande eeuwen ook zijn geweest, zij
laten zich om aa en ae in twee partijen groepeeren, waarvan die,
welke ae in hare vanen voert, de oudste brieven bezit. Het
Middelnederlandsch schreef in den regel aer, daer, haer, raet, waert,
soms ook wel air, dair, hair, rait, wairt, doch zoo goed als nooit
aar, daar, haar, raat, waart; en, hoewel men ‘in het archief van
Gent reeds zeer vroeg sporen van de verdubbeling der a en
u aantreft
1),’ kan men zeggen, dat het de dubbele a, eigenlijk niet
kende. Deze werd het eerst aangeprezen in 1584 in de Tweespraack van de
Nederduytsche Letterkunst.
Hooft nam de aa later voor goed aan;
doch, ofschoon zijn voorbeeld door sommigen gevolgd werd, de meerderheid ging
voort ae te bezigen. Nog eene lange reeks van voortreffelijke
schrijvers, onder welke de Statenoverzetters van den Bijbel,
R. Visscher,
Vondel,
Cats,
Huygens,
Camphuizen,
De Dekker,
Westerbaen,
Jonktijs,
Poot,
Hoogstraten,
Moonen,
Ten Kate, en
Verwer bleven aan de oude spelling de voorkeur
geven. In de tweede helft der voorgaande eeuw echter won de dubbele a
meer en meer veld, en de voorgang van
Huydecoper,
Wagenaar en de nieuwe psalmberijming werkten
krachtig mede op haar algemeen te maken, zoodat
Siegenbeek in 1804 eigenlijk niets anders deed
dan het toen heerschende gebruik bevestigen.
De Vlaamsche schrijvers bleven intusschen, zoowel vóór
als na 1830 aan de oude spelling getrouw. In de laatste jaren echter hebben de
HH. Dr.
F.A. Snellaert,
J. van Ryswyck,
Dautzenberg,
J. van Beers,
Fr. de Potter,
Julius,
Fr. de Cort,
K.F. Stallaert en
Hansen gemeend de verlenging der A en
U door verdubbeling te moeten aanduiden. Deze voorbeelden verwekten
navolging, zoodat op het Taal- en Letterkundig Congres te 's Hertogenbosch een
| | | | aantal andere voorname letterkundigen, ofschoon misschien niet van
de meerdere deugdelijkheid der spelling met aa overtuigd, het
eerwaardige oude gebruik aan de eenheid edelmoedig ten offer bragten en zich
bereid verklaarden om ook in dit opzigt de Noord-Nederlandsche spelling aan te
nemen.
Twee onzer voornaamste letterkundigen echter vernamen dat besluit
min of meer met leedwezen. Hoewel zij de opoffering als een doorslaand bewijs
van oprechte eensgezindheid op hoogen prijs stelden, meenden zij, dat de
Vlaamsche spelling, zoo al niet verkieslijk, op zich zelve beschouwd beter en
deugdelijker was. Naar hun gevoelen stelde de ae den a-klank juister
voor dan aa, omdat die klank in den mond van ieder beschaafd
Nederlander, kennelijk aan het einde zachter luidt dan aan het begin en als het
ware in de toonlooze e uitloopt. Daar nu het door hen gesprokene eene
krachtige pleitrede ten voordeele der ae uitmaakt, eischt de
onpartijdigheid, dat hunne argumenten hier kortelijk medegedeeld worden.
De natuurlijke verzwakking, buiging of golving der stem werd geheel
eigenaardig en juist door eene toonlooze e afgebeeld, terwijl aa
aanleiding had gegeven, dat onderwijzers, die hunne taak niet begrepen, dien
klank kunstmatig en niet natuurlijk leerden lezen en met allen mogelijken
nadruk den dubbelen klank deden uitkomen. Die wanklank zou uit onze taal
verdwijnen, wanneer men naar het voorbeeld van Vondel de ae
gebruikte. De langere a was eene harmonieuse golving en geen op dezelfde
hoogte aangehouden klank. Onze muzikale voorvaderen hoorden dat duidelijk en
schreven dus van de vroegste tijden af bestendig ae, gelijk zij spraken
áe. Hetzij men die a-e in ga-en gescheiden en
langzaam uitsprak, hetzij versneld en de beide vocalen aan elkander versmolten,
altijd kreeg men den waren klank der verlengde Nederlandsche a.
Daarentegen gaf ga-an, hetzij gescheiden en langzaam, hetzij versneld
uitgesproken, steeds den gapenden en raauwen gorgeltoon van het gemeen te
Amsterdam.
Intusschen verklaarde de eene letterkundige, dat hij zou | | | | blijven schrijven, gelijk hij tot heden geschreven had; de andere bad
de broeders uit Zuid en Noord het vraagstuk niet hooger aan te slaan, dan het
wegen kan. Het was immers niets dan eene questie uit het gebied der spelling,
die, zij moge goed of kwaad zijn, altijd op hoogst onvolkomen wijze de
gesproken taal aan het oog voorstelt, en die zoolang wij ze als zoodanig
opvatten, niet in staat is het wezen der taal aan te randen. Wat hem betrof,
hij was bereid den dobbelsteen te werpen over aa en áe, en
die schrijfwijze te volgen, welke het lot zou aanwijzen. Maar er bestonden
redenen, die geheel buiten het gebied der taalkunde liggen, welke de eenheid in
de spelling, als het zigtbare blijk van de eenheid der taal in Zuid en Noord
wenschelijk maakten. De gevaren, waarmede het Fransch en het Hoogduitsch onze
taal- en letterkunde bedreigden, maakten het noodzakelijk, dat wij aan onze
leuzen: Eendragt maakt magt, en: L'union fait la force, gedachtig
bleven en ook in ons schrift onze eenheid van taal en afkomst aan den dag
legden.
Ongetwijfeld zijn het die redenen, welke later nog andere Vlaamsche
letterkundigen noopten om zich openlijk aan de voorstanders der eenheid van
spelling aan te sluiten. De Heer
J.J.M. van Langendonck heeft zelfs zeer onlangs
eene zeer verdienstelijke Nederlandsche Spraakkunst uitgegeven, waarvan
exemplaren verkrijgbaar zijn gesteld, in welke de Noordnederlandsche spelling
geheel is gevolgd.
In dezen stand van zaken is het mij niet ongepast voorgekomen,
alles, wat taalkundig voor en tegen aa en ae kan aangevoerd
worden, in vergelijking te brengen en in de weegschaal te leggen, ten einde den
lezer in staat te stellen zelf waar te nemen, naar welke zijde zij
overhelt.
Voor ae pleit de eerwaardige oudheid, het gebruik, dat eeuwen
lang heeft geheerscht, in Noord zoowel als in Zuid; voor aa, dat reeds
Hooft en anderen in de 17de en de
meeste Noordnederlanders in de 18de eeuw redenen genoeg meenden
| | | | te hebben om dat oude gebruik te verlaten. Vervolgens, dat de
spelling met aa vroeger en later juist verkozen werd door mannen, die
als de netste schrijvers bekend staan en meer dan andere van eene regelmatige
en consequente spelling werk maakten. Ik noem hier
Hooft,
Brandt,
Wagenaar, de meerderheid der commissie voor de
psalmberijming,
Simon Stijl,
Stuart,
Van der Palm en
Bilderdijk.
Voor ae pleitte, tot op de jongste tijden toe, het eenparige
gebruik der Vlamingen en Brabanders, - voor aa de thans even eenparige
spelling der Noordnederlanders.
Voor ae pleit, dat zij geschikter is om den zacht
versmeltenden klank der heldere a uit te drukken, terwijl aa meer
een gelijkmatig aangehouden geluid voorstelt. Het een en ander is niet te
loochenen, maar op de kracht van dit argument valt heel wat af te dingen. De
ae moge voor het doel geschikter zijn dan aa, eene volkomen
juiste voorstelling van den zacht dalenden, doch evenwel altijd ondeelbaren
klank der heldere a is zij niet. De beheerscheres van den nacht en de
deftige huisvader van het kippenhok heeten wel niet ma-an en
ha-an, maar toch ook niet ma-en en ha-en. Moet men den
leerling bij het lezen van maan en haan aan het verstand brengen,
dat hij de tweede a niet zoo hard moet uitschreeuwen; bij maen en
haeu zal men hem moeten beduiden, dat hij niet ma-èn en
ha-egrave;n behoort te zeggen, maar beide klinkers in eacute;éne
lettergreep heeft uit te brengen. Bij beide de schrijfwijzen zal terechtwijzing
noodig zijn. - Een vreemdeling zal waarschijnlijk in geen geval den waren klank
treffen. Men zal hem vooreerst moeten leeren, dat hij met ééne
lettergreep te doen heeft. Is hij een Deen, dan staat het te vreezen, dat hij,
aan zijne eigene spelling denkende, maon en haon leest. Een ander
zal ae aanzien voor de voorstelling van eenen klank, die tusschen
a en e in ligt, aan de Grieksche η, of de Fransche
ai in faire en maître; niemand zal eene heldere
a vermoeden. Indien aa aanleiding kan geven tot schreeuwen,
ae kan oorzaak zijn van eene temende en slepende uitspraak:
Baaës, Klaaës slaaët me met een laaërs. | | | | Ik meen derhalve, dat beide schrijfwijzen nagenoeg even goed, of
liever, nagenoeg even gebrekkig zijn; men moet bij de eene zoowel als bij de
andere iets toegeven. Zelfs
Bilderdijk, die anders niet afkeerig was van
ae, en die door eenen der boven bedoelde sprekers als een uitstekend
deskundige, met een fijn gehoor begiftigd, tot getuige ten voordeele van
ae opgeroepen werd, zag geen gevaar in aa. Op blz. 33 zijner
bekende Spraakleer heet het: ‘Ook heeft dit nog by mijn tijd velen
de aloude spelling met ae doen aankleven als zachter. Zonder genoegzamen
grond echter, daar men toch vast moet houden, dat in de verlenging of
uitbreiding van de a de laatste a zwakker dan de eerste is, en de
klank dus ook by deze spelling niet rijst -, maar in zijne aanhouding zacht
vermindert, en het getroffen oor in geene nagalmende overspanning
laat.’
De tot hiertoe aangevoerde redenen vóór en tegen het
bezigen van aa of ae waren ontleend aan het achtbare gebruik en
aan het eerste vereischte der spelling, de getrouwe afbeelding der uitspraak te
zijn. Wij bevonden ze bijna even zwaar en wigtig: ze neutraliseerden om zoo te
spreken, elkander. Het eene deugde niet, maar ook het andere was niet
onberispelijk. Aa, zagen wij, stelt den waren klank niet voor, maar ook
ae niet, en wel het allerminst de Vlaamsche uitspraak der heldere
a, die, voor zooverre mij bekend is, niet naar de linker, maar naar de
rechter zijde overhelt, eer naar de o dan naar de e trekt. Kan de
uitspraak derhalve bezwaarlijk als scheidsrechter erkend worden, zou voor het
Vlaamsch de spelling ao, waarvan echter nooit sprake geweest is, boven
ae de voorkeur verdienen en als derde concurrent kunnen optreden, dan
moet men de uitspraak laten varen en een anderen maatstaf in handen nemen. In
zaken van spelling heeft ook de analogie of regelmaat, die in gelijksoortige
gevallen op gelijkvormige wijze gehandeld wil hebben, als mede de etymologie
eene stem, die gehoord moet worden, wanneer de uitspraak niet kan beslissen.
Raadpleegt men deze twee grondbeginselen, dan ziet men, dat | | | | zij den
doorslag aan de aa geven. Gaan wij eerst bij de analogie te rade.
De vragen, die wij hier te doen hebben, zijn: kunnen de beide wijzen
van verlenging, die door middel van de toonlooze of doffe e, en die door
verdubbeling, regelmatig op alle gevallen toegepast worden? Zoo niet, welke der
beide wijzen lijdt de minste uitzonderingen, komt het naast aan een algemeenen
regel? Beginnen wij met de verlenging door e. Wij zien terstond, dat zij
niet algemeen kan worden gevolgd, vermits de verdubbeling reeds noodwendig bij
ee en oo moet plaats hebben. Bij ee volgt zij van zelve,
hetzij men ze als eene werkelijke verdubbeling of als eene verlenging door
e wil aanmerken. Voor het oog - en daarom is het bij het spellen immers
te doen - zal ee, even goed als aa, oo eene verdubbeling
schijnen, daar de tweede of toonlooze e zich uiterlijk niet in het
minste onderscheidt van de eerste of heldere e en wel niemand lust zal
hebben om ons schrift noodeloos met een aantal accenten te bezwaren door
êe te gaan schrijven: éen stéen is véel
zwaerder dan éen béen of éen téentje. Bij
oo is de verdubbeling onvermijdelijk om de verwarring met den helderen
klinker [niet tweeklank] oe te voorkomen. Niemand heeft nog voorgesteld
om in dezen tot de spelling onzer voorouderen terug te keeren en te schrijven:
Die boem is groet, hoeg en schoen. Bovendien is eu evenzeer een
heldere klinker, die op het einde naar e trekt; daarin staat de e
dus geheel verkeerd vóór, niet achteraan, zij maakt dus ook al
eene inbreuk op de regelmaat. Stelt men nu de verlenging door e tot
regel, dan krijgt men de volgende rij van lange of heldere klinkers:
ae, ee, ie, oo, ue, eu en oe, met, voor het
oog althans, twee verdubbelingen, ee en oo, met
ééne omkeering van den regel bij eu, en ééne
stuitende inconsequentie bij oe, welke letterverbinding, indien zij met
den regel in overeenstemming ware, de heldere o of oo zou moeten
voorstellen. Wanneer wij hier de methode der statistiek toepassen en de
verhouding berekenen, dan vinden wij | | | | 3 onregelmatigheden op 7
gevallen, of 3 onregelmatigheden tegen 4 regelmatige toepassingen. Deze
rekening is echter niet eens heel naauwkeurig, dewijl ee ook als eene
verdubbeling kan beschouwd worden, en ie niet gelijk staat met ae,
ee en ue, maar in de uitspraak langer aangehouden wordt. Ie
en oe namelijk zijn de laatste klanken, die uit den toestand van
tweeklanken in dien van klinkers zijn overgegaan. Het volk is zich hiervan als
het ware nog bewust, spreekt ze ten minste langer uit dan de overige, oudere
klinkers. Immers wordt de ie in dienen, dier en Piet
merkelijk langer aangehouden, dan de i in visite en titel.
Rekent men nu de gelijkstelling van ie met ae, ee en ue
ook nog als een gebrek, dan wordt de verhouding nog ongunstiger namelijk 5
onregelmatigheden tegen 2 gevallen, die in den regel zijn.
Zien wij thans wat de verlenging door verdubbeling oplevert. Indien
wij haar als regel aannemen, verkrijgen wij de volgende rij:
aa, ee, ie, oo, uu, eu en oe.
Daarin is de schrijfwijze ee zoowel als oo volkomen in
den regel, en kenmerken zich eu en oe als bijzondere,
eigenaardige klanken, die altijd lang zijn en dus niet als verlengingen van een
korten klinker, het allerminst van e en o moeten aangemerkt
worden, terwijl ook ie zich naar behooren van de gewone heldere klinkers
onderscheidt. Alles is dan onberispelijk. Wil men echter het onderscheid
tusschen ie en i niet erkennen, dan heeft men op de 7 gevallen
toch nog maar ééne onregelmatigheid, en dus de gunstige
verhouding van 6 tegen 1. Men ziet dus, dat de regelmaat ontwijfelbaar aan de
verdubbeling hare stem schenkt. Zien wij nu, wat de etymologie doet.
Ae doet noodwendig denken, zoo al niet aan eene uiterlijke
vereeniging of onafgebrokene opeenvolging, dan toch aan eene ineensmelting van
twee verschillende klinkers, die ieder eene reden van bestaan hebben, en
waarvan a de eerste en e de tweede is. Die voorstelling zou,
behalve in | | | | zamentrekkingen als daên, blaên,
paên enz. uit daden, bladen, paden, altijd onjuist zijn. Er
zijn, voor zoo verre bekend is, maar vijf woorden met eene heldere a,
die uit ai of aai kan ontstaan zijn: raad in
huisraad en voorraad, wanneer het werkwoord
(be)reiden, goth. (ga)raidjan, werkelijk het
grondwoord van dit raad is; vervolgens draad, zaad, naad en
naald, metathesis van nadel, indien deze woorden niet reeds
terstond uit de stammen der verba dra-jen, za-jen en na-jen zijn
gevormd, maar eerst later, toen de j zich in i-j opgelost en de
vormen draai-jen, zaai-jen en naai-jen voortgebragt had. Alleen
in deze vijf woorden zou de etymologie de spelling ae misschien
eenigermate kunnen wettigen, ofschoon dan toch nog altijd e in de plaats
van i zou staan en de voorstelling derhalve nog niet zuiver zou zijn. In
een veel grooter aantal woorden is de heldere a ontstaan uit den
tweeklank ia, b.v. in daad, jaar, slaap, maan, maar de
voorstelling dier soort van a's door ae is natuurlijk geheel
verkeerd, dewijl de a in den oorspronkelijken tweeklank niet de eerste,
maar de tweede plaats bekleedde. In verreweg de meeste gevallen echter is de
heldere a de zuivere grondklinker, die met de beide andere, de i
en de u (oe), aan alle tweeklanken en afgeleide klinkers het aanzijn
heeft gegeven, en de voorstelling van zulk een zuiveren en oorspronkelijken
klank door eene vereeniging van twee verschillende letterteekens kan, uit een
etymologisch oogpunt beschouwd, niet anders dan als hoogst ongepast aangemerkt
worden.
Trek ik alles te zamen, dan meen ik te mogen beweren, dat alleen
aa te gelijk aan de uitspraak beantwoordt, door de analogie gewettigd is
en door de etymologie niet gelogenstraft wordt.
L.A. t. W.
|
1)Die andere volken, die
Vondel op het oog had, zullen wel de
Latijnen, Grieken, Hoogduitschers, Franschen en Spanjaarden geweest zijn, die
Deus, Θεός, Gott, Dieu en Dios
inderdaad met vier letters schrijven. Hoe zou hij gehandeld hebben, indien hij
het Italiaansche Dio, het Angelsaksische en Engelsche God, het
Deensche en Zweedsche Gud, het Slavoonsche Bog en het
Sanskritische Dêwas gekend had?
1)Zie de redevoering van Prof.
Heremans in de Handelingen van het
Zesde Nederl. Taal- en Letterk. Congres te 's Hertogenbosch, blz.
101.
|
|