De Taalgids. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vierde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1862.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 65]

De verbuiging van enkele telwoorden.

Antwoord op vraag 27: ‘Dikwijls leest men tegenwoordig honderde jaren, duizende menschen. Is de uitgang e voldoende of moet er nog eene n bij?’

 

Ik geloof niet, dat er iemand wezen zal, die het feit, dat in de bovenstaande vraag wordt aangenomen, door tal van citaten wenscht bewezen te zien. Men ontmoet de vormen honderde en duizende dagelijks in dagbladen en tijdschriften, ja zelfs in deftige verhandelingen; men ziet daarentegen honderden en duizenden veel minder. Zelfs vindt men de beide uitgangen wel eens naast elkander. Zoo leest men in een zeer verdienstelijk werkje: Het plantenrijk als voorwerp van aanschouwing, door J.H. Stratemeijer, blz. 26: ‘In de opperhuid van het ondervlak vooral, dat minder gevaar loopt, om door de zonnehitte te lijden, zijn vele duizende, somtijds millioenen poriën of openingen, die luchtvormige stoffen en waterdampen opnemen en ook weder afgeven, dus in- en uitademen.’

Waarschijnlijk is hier eene drukfout. Het laat zich toch niet denken, dat de schrijver voor twee gevallen, die volmaakt gelijk staan, verschillende vormen zal kiezen. Doch kunnen zij niet beide goedgekeurd worden, zeker toch een van beide en de vraag blijft: welke?

[p. 66]

Alvorens verder te gaan, willen wij eenige spraakkunsten raadplegen. Welligt vinden wij de beantwoording der vraag en onze taak zal dan enkel bestaan in de beoordeeling der aangevoerde redenen. Weiland geeft er niets van; de Spraakkunst voor schoolgebruik, door G.C. Mulder, ook niet; de Beknopte Nederlandsche Taalleer, door J.H. Eichman, evenmin. Dr. H. Kern geeft een voorbeeld, dat ons zeer te pas komt: honderden menschen. Handleiding I, blz. 41. Wij zoeken echter te vergeefs naar eene verklaring. Prof. Brill laat zich omtrent dit punt aldus uit: Honderd en duizend worden bovendien onbepaald in het meervoud gebruikt, wanneer men niet vermeldt, hoeveel honderden of duizenden voorhanden zijn: honderden bezwaren, duizenden menschen. Ned. Sprl. 1854, blz. 244. Honderd en duizend in het meervoud voorkomende, kunnen niet anders dan als hoeveelheidsnamen en dus als ware substantieven beschouwd worden. Alzoo schrijve men: honderden menschen, duizenden engelen, waar menschen, engelen in de betrekking van den genitief staat, en niet honderde menschen, duizende engelen, noch derhalve ook in den genitief: duizender engelen, maar van duizenden engelen of veler duizenden engelen. Leer van den volzin, blz. 77. De Heer B. leert, dat alleen de uitgang en goed te keuren is, en wel, omdat honderden en duizenden hier zelfstandige naamwoorden zijn, waarvan het bedoelde en de meervoudsuitgang is. Maar, vraagt welligt iemand, is de Heer B. consequent, daar hij honderd en duizend elders telwoorden en wel grondgetallen noemt? Een woord kan toch niet van natuur veranderen, omdat het in het meervoud voorkomt. De vormen van het enkel- en meervoud behooren toch noodzakelijk tot dezelfde categorie, zelfs zouden deze woorden als hoeveelheidsnamen telwoorden en geene zelfstandige naamwoorden zijn; want, als een woord een waar substantief is, omdat het een hoeveelheidsnaam is, om welke reden kan het dan een telwoord wezen? En als het een telwoord is, heeft het dan niet meer van een bijvoegelijk dan van een zelfstandig naamwoord? Men noemt immers onze telwoor-

[p. 67]

den, in navolging van de Fransche adjectifs déterminatifs numéraux, bijvoegelijke naamwoorden van hoeveelheid. Indien nu honderd, duizend en dergelijke woorden bijvoegelijke naamw. zijn, van hoedanigheid of van hoeveelheid, het doet er niet toe, is het dan niet verstandig ze als bijvoegelijke naamw. te verbuigen, en te schrijven honderde jaren even als gelukkige en voordeelige jaren, duizende menschen even als brave en verstandige menschen?

Zoo was ten naasten bij de gang der redeneering van iemand, dien ik eens de door B. afgekeurde vormen hoorde verdedigen; zij geeft, 't is waar, eenige blijken van scherpzinnigheid, maar niet minder van kortzigtigheid. Juist de vergelijking met andere bijvoegelijke naamw. leert, dat men hier voorzigtig moet wezen. Zij het eens rationeel den naam telwoord te verwerpen, en honderd en duizend bijvoegelijke naamw. van hoeveelheid te noemen, dan is het nog niet bewezen, dat zij als de andere, de gewone bijv. nw. verbogen moeten worden. Bij eenig nadenken kan men dit ook niet beweren. Vergelijken wij slechts even de beide verbuigingen. Men zegt honderd jaren; nooit goed jaren, slecht jaren, vruchtbaar jaren. Neen! Volgde honderd in de verbuiging den regel der bijv. nw., men zou, als men één honderd jaren bedoelde, in den eersten, tweeden en vierden naamval honderde en in den derden naamval honderden moeten schrijven? Men zou dan moeten zeggen: Honderde centen maken een gulden en een gulden heeft honderde centen. De ongerijmdheid van deze verbuiging behoeft gelukkig niet aangetoond te worden. Men mag voor een oogenblik het verschil tusschen bijv. nw. en telw. trachten weg te cijferen; de taal evenwel onderscheidt ze scherp en met reden. Het kenmerk, door het bijvoegelijk naamw. uitgedrukt, ligt in ieder individu van het veelvoud. Het begrip, door het telwoord uitgedrukt, ligt niet in elke eenheid, maar in hare som. Van rijpe appelen, al zijn er nog zoo veel, is elke appel rijp; mogt er een enkele onrijpe tusschen gekomen wezen, die behoort natuurlijk niet tot de rijpe: het is eene

[p. 68]

vreemdsoortige eenheid. Van honderd appelen is wel elke appel een deel, maar het woord honderd heeft alleen betrekking op de som van al de appelen, geenszins op elken appel. Het kwam mij voor, dat deze waarheden, hoe algemeen bekend en weinig verrassend, belangrijk genoeg waren om er aan te herinneren. Men vinde de Fransche grammatica zoo mooi als men wil, met de overbrenging van enkele harer benamingen in de Nederlandsche zijn wij nog op verre na niet geholpen.

De eenige trek, dien een bijv. nw. met een telwoord gemeen heeft, dat zij door de taal als onzelfstandigheden worden voorgesteld, gaat nog weg, als men zich de verzameling, het veelvoud, als eene nieuwe eenheid denkt. Men zondert dan het begrip der hoeveelheid van het begrip der zelfstandigheid af en stelt zich die hoeveelheid als eene zelfstandigheid voor. Door vereeniging van gelijksoortige individu's (honderd + honderd + honderd enz.) ontstaat een nieuw veelvoud: honderden. Op dezelfde wijze komen wij tot duizenden, millioenen, tweeën, drieën, tienen. De eenige uitgang, dien het telwoord aanneemt, is dus de meervoudsuitgang en van het zelfst. naamw., en, gaat onze redeneering op, dan zijn honderde en duizende onbestaanbare vormen; honderden beteekent honderdtallen, duizenden, duizendtallen, millioenen, millioentallen, tienen, tientallen enz. even als in de uitdrukkingen bij honderden d.i. bij honderdtallen, bij duizenden d.i. bij duizendtallen.

Ik vlei mij met het aangevoerde niet alleen de vraag beantwoord, maar tevens aangetoond te hebben, dat de gevolgtrekking, dat het meervoud van een woord tot eene andere klasse gebragt zou moeten worden dan zijn enkelvoud, niet juist is. Het woord duizend is eerst een telwoord, wordt dan ten gevolge van de wijze van voorstelling een zelfstandig naamwoord, en van dat zelfstandig naamwoord wordt de meervoudsvorm gebruikt. Een voorbeeld heldere mijne meening op. Duizend (telw.) lammeren grazen in het veld. Een duizendtal (z.n.w.) lammeren graast in het veld. Een

[p. 69]

duizend (z.n.w.) spijkers zal voldoende wezen. Duizenden (z.n.w.) guldens heeft hij verloren. In den eersten zin is duizend de bepaling van lammeren; in den tweeden is lammeren de bepaling van duizendtal, in den derden is spijkers de bepaling van duizend en in den vierden is guldens de bepaling van duizenden. In den eersten zin staat lammeren in den eersten naamval; in den volgenden staat het in den tweeden naamval, even als de woorden spijkers en guldens in den derden en vierden zin. Dat van die betrekking, hier van deel tot geheel, geen uitwendig teeken te vinden is, behoeft geene herinnering. Zelfs waar die tweede naamval nog aanwezig is, maakt men er dikwijls geen gebruik van. Men zegt b.v. een glas wijn, eene teug water, eene kan melk, in plaats van wijns, waters en melks. Al laat men de s weg, toch blijven de woorden wijn, water en melk bepalingen: het zijn de namen der stoffen, waaruit de eenheden glas, teug en kan genomen zijn, en men blijft ze tweede naamvallen (genitieven) noemen.

Ik zeide daar opzettelijk de eenheden glas, teug en kan, omdat, naar mijn oordeel, uit deze voorbeelden ook een bewijsgrond te halen is voor de bewering, dat honderden, duizenden enz. substantieven zijn. Niemand ontkent dat het woord glas een zelfst. naamw. is. Kunnen wij nu bewijzen dat het woord honderd met het woord glas volkomen gelijk staat, dan is de zaak beslist. Het woord glas is vooreerst een stofnaam, de naam van die stof, waaruit flesschen, karaffen, glazen, staven enz. vervaardigd worden. Ten tweede beteekent het een voorwerp van die stof vervaardigd: een bierglas, lampeglas, brilleglas, vergrootglas enz. Maar geen van de beide beteekenissen past in de benaming een glas wijn b.v. Er gaan twaalf glazen wijn in eene flesch. Aan de stof is in het geheel niet te denken; aan de glazen voorwerpen evenmin. Het woord glas beteekent hier eene zekere hoeveelheid van den wijn, die voor eenheid wordt aangenomen. De werkelijke zelfstandigheid is dus de wijn, het glas is de hoeveelheid. Het is dus geen glas van glas, maar een

[p. 70]

glas van wijn. Het begrip glas is met het begrip wijn innig verbonden: alleen door eene werking van het verstand kunnen zij van elkander afgezonderd worden. Het woord glas staat in dit opzigt volkomen gelijk met het woord honderd en daar men zegt glazen wijn, kannen melk, mudden aardappelen, zakken erwten, zoo zegt men eveneens honderden jaren, duizenden menschen.

 

Leiden.

J.A. van Dijk.