|
|
|
| |
| | | |
Hoe in onze taal vergoed is, wat door het afslijten der
naamvals-uitgangen was verloren.
| |
I.
In een vroeger geplaatst opstel zeide ik
1): ‘Wanneer een volk leeft en zich ontwikkelt, dan kan zijne
taal niet sterven, en, heeft die taal door de ongunst der omstandigheden een
verlies geleden, het wordt op eenigerlei wijs vergoed.’ Daar heb ik
aangetoond, op welke wijze het verlies van het vermogen om de naamvallen door
bepaalde uitgangen uit te drukken, gedeeltelijk is vergoed geworden.
Doch met de naamvalsuitgangen ging tevens het middel verloren om
het enkel- van het meervoud te onderscheiden. In het Gothisch is, even als in
al die Indo-Europesche talen, welke haren oorspronkelijken rijkdom van
verbuigingsuitgangen hebben behouden, de vorm van de naamvallen in het meervoud
onderscheiden van dien, welke de naamvallen in het enkelvoud kenmerkt. Daar
bespeurde men, bij voorbeeld, aan den datiefvorm fiskam (van fisks,
visch), dat het woord in het meervoud stond, vermits de datief enkelvoud
fiska luidde. In de andere naamvallen herkende men evenzoo het verschil
van het getal aan den verschillenden vorm van den naamval.
Zoo was men dan, toen de naamvalsuitgangen waren afgesleten, of
ten minste hunne verscheidenheid was komen | | | | te vervallen, tevens het
middel kwijt om bij de naamwoorden het getal te kennen te geven. Ziedaar een
verlies, dat een beschaafd volk zich onmogelijk kon laten welgevallen. Hoe? Zou
men zich getroosten, niet meer door een onderscheiden vorm uit te drukken, of
men van een enkel voorwerp of wel van een getal van voorwerpen sprak? Tot welke
ongelegenheden kon dit aanleiding geven onder menschen, die in het levendigst
verkeer met elkander stonden en op eene duidelijke ondubbelzinnige wijze zaken
met elkander te doen hadden. Wel is waar, sneed het gebruik van het
middelerwijl ingevoerde lidwoord een veel bezwaar af, en, trad het
zelfstandig naamwoord als onderwerp der rede op, dan bleek het getal uit den
persoonsvorm des werkwoords. Met dat al, hoe gebrekkig zou het geweest zijn,
zoo men zonder onderscheid in den vorm van het naamwoord had moeten zeggen:
de boek
1) spreekt, en de boek spreken. Bovendien, stond
het zelfstandig naamwoord in de betrekking van een verbogen naamval en bleek
het getal niet uit een begeleidend telwoord, gelijk bij voorbeeld in: hij
nam de burg in
2), hoe kon men dan bij gemis
van meervoudsteeken misverstand voorkomen, zoo men de toevlucht niet nam tot
anders onnoodige aanduidingen of spraakwendingen, ten einde in het door ons
gestelde geval te kennen te geven, dat men wilde zeggen, dat meer
burgten dan ééne waren ingenomen? Zulk een armoede was
beneden het peil, waarop onze en de geheele Duitsche natie sedert het verloren
gaan der duidelijk onderscheiden naamvalsuitgangen steeds was blijven staan. Er
moest een middel gevonden worden om steeds duidelijk door den vorm zelven van
het substantief te kennen te geven, dat men één of meer
voorwerpen bedoelde.
Niet anders dan door het overblijfsel van de naamvalsuitgangen kon
dit geschieden. De toonlooze e en bij zwak verbogen naamwoorden de
uitgang en, overgebleven van de rijke | | | | verscheidenheid dier
uitgangen, welke ook het verschil van getal hadden uitgedrukt, werden alsnu,
waar het naamwoord in het meervoud optrad, minder verwaarloosd, minder als
onverschillig behandeld, dan in het enkelvoud. Zoo kregen de uitgangen e
en en van lieverlede het karakter van meervoudsuitgangen. Maar waar de
uitgang e, en bij zwakke substantieven in de verbogen naamvallen de
uitgang en, ook in het enkelvoud was blijven bestaan, was op deze wijze
nog geenerlei onderscheid tusschen enkel- en meervoud voorhanden, ten ware men
dien uitgang e of en in het meervoud meer opzettelijk en
onderscheidenlijk liet hooren. Hoe nu kon men anders dit doel bereiken, dan
door eene zekere tusschenruimte tusschen het naamwoord en dien uitgang te laten
en, bij voorbeeld, in het meervoud van deure (deur),
deur-e, in het meervoud van tonge, tong-en uit te spreken, gelijk
wij nog het meervoud van jaar als jaar-en uitspreken, met den
klemtoon op den uitgang, om de veelvuldigheid te doen uitkomen.
Men spreekt in de etymologie van verbindingsklanken tusschen de
bestanddeelen van een woord; maar juister zou men zich uitdrukken, zoo men
eenen term bezigde, die te kennen gaf, dat zulke klanken veeleer dienen om twee
in de voorstelling te scheiden elementen uitéén te houden en voor
ineensmelting te behoeden. Dus zegt men ganzenei, godsdienst, met
ingelaschte n en s, om te voorkomen dat men zegge ganzei,
waar ei den schijn van een blooten uitgang zou bekomen, en
goddienst, waar de uitgang van het bepalende woord der zamenstelling zou
zamenvallen met den aanvangsklank van het hoofdwoord. Evenzoo nu hebben zich
klanken als het ware ingedrongen tusschen het naamwoord en den
meervoudsuitgang, waar het er op aan kwam om dezen uitgang onderscheidenlijk te
doen hooren. Als zulke inlasschingsklanken dienen bij uitstek de n en de
s, minder veelvuldig de r, die met de zachte s (z)
gemakkelijk verwisseld werd, en, na een naamwoord dat op een vokaal eindigde,
soms ook de j.
De n is een neusklank, die, gelijk veelvuldige
voorbeel- | | | | den in verschillende talen bewijzen, van zelf ontstaat,
waar om de eene of andere reden twee klanken niet snel achter elkander worden
uitgesproken, maar de volgende door eene gaping van den voorgaanden verwijderd
gehouden wordt. Kwam achter den stam zie de uitgang er, dan
bestond het gevaar, dat het dus afgeleide woord de gedaante zier
verkreeg, waartoe de twee lettergrepen zie-er van zelf ineensmolten. Dit
moest verhoed worden. Immers zoo ware het woord onkennelijk. Het verstand
onderscheidde duidelijk den verbalen stam en den uitgang, aan welken de
beteekenis verbonden is van den persoon, die de handeling verricht. Alzoo
moesten dan ook die twee bestanddeelen des woords voor het gehoor gescheiden
blijven. Vandaar eene gaping tusschen beiden, en tevens de inlassching van den
neusklank. In één woord: voor zie-er zeide men
ziener, en evenzoo voor kwaaddoe-er, kwaaddoener, voor
rede-er, redener (redenaar), voor tol-er, tolner
(tollenaar). Op volkomen dezelfde wijze nu ontstond uit tol-e,
dat is, uit het naamwoord tol met onderscheidenlijk uitgebrachten
verbuigingsuitgang, die het meervoud moest beteekenen, met inlassching der
n, tolne. Wegens de bezwaarlijkheid om de beide vloeibare letters
(ln) onmiddellijk achter elkaar uit te spreken, werd tolne,
tollene. Zoo had men een duidelijk van het enkelvoud tol
onderscheiden vorm verkregen, en de e achter de n, die bovendien
in de e vóór de n eene plaatsvervangster scheen
bekomen te hebben, kon wegvallen. Vandaar de meervoudsvorm tollen, die
te gereeder opgenomen werd, omdat men in de woorden met oorspronkelijk zwakke
verbuiging (als tongen) reeds het voorbeeld bezat van den uitgang
en, bijzonder in het meervoud behouden. Zoo werd en de algemeene
meervoudsuitgang in onze taal, en men sprak voortaan van boeken, paarden,
dingen enz.
Doch en is de eenige meervoudsuitgang niet in onze taal.
Waar het woord op eene vloeibare letter uitging, door eene toonlooze e
voorafgegaan, als ridder, ketel, had de inlassching eener n
tusschen het woord en den verbuigingsuitgang e dit bezwaar, dat zij het
getal toonlooze syllaben vermeerderde: | | | |
ridderne werd van
zelf uitgesproken als ridderene, en al viel de laatste toonlooze
e weg, toch bleven er steeds twee toonlooze syllaben op het eind. De
zamenloop nu van twee zulke lettergrepen op het einde van een woord werd zoo
weinig aangenaam gevonden, dat hij in verscheidene gevallen vermeden is door
wijziging van de tweede toonlooze syllabe: aldus in tollenaar, middelaar,
Hagenaar, landetiaen, tuinier, speeliaer (d.i. speliër), voor
tollener, middeler, Hagener, landetjen, turner, speler. Bovendien,
achter de uitgangen en en em was de n ook minder geschikt:
in degenne zou de inlassching dezer letter niet verneembaar zijn
geweest; in bloesemne zou de n lichtelijk met de m tot
éénen klank zijn zamengesmolten en hare inlassching dus mede
verijdeld zijn.
Nu is er een andere klank, welke mede van zelf insluipt, waar twee
elementen van één woord uiteengehouden moeten worden, en wel
vooral waar vloeibare letters in het spel zijn. Die klank is de assibilatie,
eene zuster, om zoo te spreken, van de aspiratie, dat is van de gaping (of
hiatus) zelve. Met eene andere uitdrukking: die klank is de letter s.
Wij bespeuren haar als epenthetische letter, onder anderen, in raadsel
voor raad-el, asem voor aad-em, en, ten bewijze dat de oorzaak
van het verschijnsel in den algemeenen aanleg van het menschelijk spraakorgaan
gelegen is, ook in het Fransche avancer, devancer. Wat is deze c
(s) hier anders dan het gevolg van de inspanning om den neusklank op het
einde der woorden avant, devant, bij de aanhechting van den uitgang
é (er), naar den eisch uit te spreken, en niet tot de
uitspraak avaner, devaner te vervallen. Daartoe liet men eene gaping
voor den aangehechten uitgang: avan'-er, devan'-er, en deze gaping of
aspiratie werd door de assibilatie vervangen
1). | | | | Geen wonder dat ook de
gaping voor den meervoudsuitgang (e) achter de woorden op de toonlooze
terminaties el, er, em, en, den weg heeft gebaand tot de inlassching der
s. Zoo moesten ontstaan de vormen ridderse, ketelse, degense,
bloesemse, en met afgeworpen e: ridders, ketels, degens, bloesems.
Doch, wat men in de talen euphonie noemt, is eene zeer wispelturige zaak:
engelen, wonderen, christenen, zijn voorbeelden van het meervoud op
en, bij woorden op de uitgangen el, er, en met toonlooze
e. Evenwel, bezigt men bij zulke woorden den meervoudsuitgang en,
alsdan wijkt men af van den genomen sleur, die de gemakkelijkste vormen zoekt,
en schijnt een hoogeren taalregel te volgen. Juist daarom nu geeft men, wanneer
een woord het meervoud op s toelaat, aan den uitgang en de
voorkeur, zoo het iets niet alledaagsch te kennen geeft.
De uitgang s, eenmaal als meervoudsteeken ingevoerd, kon
zijn gebied ook buiten de woorden op toonlooze el, er, en en em
uitbreiden. Dit is geschied. Evenwel niet zonder dat hij door de taalkunde tot
zijne oorspronkelijke grenzen is teruggewezen: kippes, mandes,
begeertes, wordt afgekeurd. Slechts de persoonsnamen man, oom, zoon,
knecht, smid, kok, en enkele andere, laten het meervoud op s nevens
dat op en toe. Oom en kok zullen zelfs niet licht
oomen, kokken in het meervoud vormen; ja maat (kameraad)
maakt steeds maats: want maten zou aan maat (van
meten) doen denken; en nachtwacht vormt bij voorkeur
nachtwachts, als de wakers, en niet de wachtpost, bedoeld
worden.
Is de s mettertijd meervoudsteeken geworden, bevreemden kan
het niet, dat ook de r zich als zoodanig opgedaan heeft. Deze letters
toch (s en r) zijn aan onderlinge verwisseling onderhevig,
bepaaldelijk in de vormingsuitgangen. De r van den comparatiefuitgang is
uit de blaasletter z afkomstig; in het Noordsch is de s van den
nominatief regelmatig in r overgegaan. Geen wonder derhalve, dat wij in
hoenre (oud meervoud van hoen) de r, in plaats eener
s, als inlasschingsklank zien optreden. Dit hoenre werd, met
euphonische d, | | | |
hoendre of hoender, en later,
alsof het woord niet reeds den meervoudsuitgang had, hoenders of
hoenderen.
Nog een klank komt in enkele woorden als schakel tusschen den
slotklank en den meervoudsuitgang voor. Het is de j, de natuurlijkste
overgang van de vokaal van den eenen greep tot die van den anderen. Ik heb de
woorden koe en vloo op het oog, die in het meervoud
koeijen (d.i. koeje) en vlooijen (d.i. vlooje)
vormen. In lateren tijd, toen geen meervoud op e meer erkend werd, is
(even als in lendenen, redenen, voor lendene, redene, van het
enkelvoud lende, rede) de n aan de vormen koeje, vlooje
toegevoegd. Wat hier de j is, namelijk eene overgangsletter tusschen de
slotvokaal van het woord en den meervoudsuitgang, dat zelfde schijnt zij
oorspronkelijk mede te zijn in sieradiën, kleinoodiën en in
het oude quadiën van kwaad. Bij synkope zeide men siera',
kleinoo' kwa': Zoo zeggen wij nog gemeenlijk kwa'-jongen. Het
meervoud van die vormen moest van zelf luiden: siera-j-e, kleinoo-j-e,
kwa-j-e. Later toen de onderdrukking der d eene onvergefelijke
slordigheid scheen, en het meervoud den uitgang n scheen te vereischen,
werd de d teruggeroepen en de n aangehecht, en zoo ontstonden de
vormen quadiën, hetwelk thans buiten gebruik is, en
sieradiën, kleinoodiën, wien de opzettelijkheid der toepassing
van den taalregel als een onuitwischbare trek aankleeft om hun iets
kieschkeurigs bij te zetten.
| |
II.
In het boven aangehaalde opstel
1) heb ik de meening geuit,
dat het behoud van den genitief ten deele te danken zou zijn aan de toevallige
omstandigheid, dat wanneer die naamval vóór het substantief is
geplaatst, van hetwelk hij afhangt, zijn uitgang eenen gemakkelijken overgang
tot dat substantief vormt. Een diergelijke oorzaak nu schijnt | | | | mede
in het spel geweest te zijn om te verhoeden, dat onze taal de verbuiging van de
bijvoegelijke naamwoorden niet ten eenen male heeft verloren.
De verbuiging der bijvoegelijke naamwoorden bestaat in de
aanhechting van naamvalsuitgangen. Gingen nu deze uitgangen bij het zelfstandig
naamwoord te loor, waar zij de waarde eener primaire verbuiging bezitten, hoe
veel te eerder moesten zij verwaarloosd worden bij de bijvoegelijke
naamwoorden, waar zij slechts eene secundaire of bloot begeleidende
vormverandering uitmaken? Werkelijk zien wij in het latere Middelhoogduitsch de
verbuiging van het bijvoegelijk naamwoord ganschelijk gedesorganiseerd, en het
adjektief nagenoeg in alle gevallen onverbogen optreden. In het Engelsch, het
is bekend, is het bijvoegelijk naamwoord volstrekt onverbuigbaar geworden. Bij
ons is dit ook het geval, wanneer het adjektief praedicatief voorkomt. Maar
vanwaar dat het niet evenzeer onverbogen is gebleven en eindelijk onverbuigbaar
is geworden, wanneer het attributief met zijn substantief wordt verbonden?
Werkelijk bleef het, ook wanneer het attributief met zijn zelfstandig naamwoord
verbonden was, onverbogen, zoo het in die betrekking achter het substantief
kwam te staan. Men zeide die ridder fel, den vroeden loos, God
almachtig, voor de felle ridder, den loozen vroede, almachtige God.
Deze waarneming leidt ons tot de opmerking, dat het behoud van de
verbuigbaarheid des adjektiefs in verband staat met zijne plaatsing
vóór het substantief. En hiermede is de beantwoording der vraag
gevonden, hoe het komt, dat de verbuiging van het adjektief bij de attributieve
verbinding van hetzelve met een volgend substantief is behouden gebleven.
Immers vormde de verbuigingsuitgang van het adjektief een geleidelijken
overgang van het eene woord tot het andere: de felle ridder, den loozen
vroede, was aangenamer, dan de fel ridder, den loos vroede. Dus werd
de verbuigbaarheid, zoo schijnt het, om eene reden van welluidendheid gered.
Toen er schrijvers opstonden, die zich der grammatische vormen en regelen | | | | bewust waren, kreeg die aan het adjektief aangehecht gebleven uitgang
weder het karakter eener naar het geslacht en getal verschillende
naamvalsverbuiging ter aanduiding der betrekking tusschen het adjektief en zijn
substantief.
Intusschen bleef de verbuigbaarheid aan het adjektief ontzegd, zoo
het niet vóór zijn substantief geplaatst was. Dit had twee
gevolgen. Vooreerst: daar in tijden van meer grammatische beschaving de on
verbogen vorm van het adjektief in de onmiddellijke nabijheid van zijn
substantief eene slordigheid scheen, zoo begon men de plaatsing van het
adjektief achter zijn substantief onbehoorlijk te vinden, en van lieverlede
werd de aloude vrijheid in de plaatsing van het adjektief ten aanzien van zijn
substantief beperkt. Deswegens is het ons niet meer geoorloofd het attributieve
adjektief achter het substantief te plaatsen.
Een tweede gevolg was, dat men al wat den schijn had van een
verbogen vorm bij een adjektief in de praedicatieve betrekking meende te moeten
verbannen. Vandaar dat men niet zegt: de ring is gouden, de tafel is
houten. Vroeger sprak men wel aldus: b.v. dat alle bergen goude
waren; maar allengs, daar men den afleidingsuitgang van zulke stoffelijke
adjektieven voor eenen verbuigingsuitgang hield, zoo keurde men die constructie
af. Daar evenwel die uitgang aan de stoffelijke adjektieven niet kon ontnomen
worden: de ring is goud, zou wat anders geweest zijn, dan de ring is
gouden, d.i. van goud, zoo koos men de partij om ze niet anders dan
vóór de substantieven te gebruiken.
| |
III.
Daar ik hier eenige gevallen bijeenstel ten voorbeelde, hoe de
taal, wat zij door het verlies der naamvalsuitgangen geheel of nagenoeg geheel
verloren had, vergoed of hersteld heeft gezien, zoo kan ik niet nalaten
volledigheidshalve te wijzen op hetgeen ik in het vorige jaar (13 Oct.) in eene
vergadering van de K. Akademie van Wetenschappen heb me- | | | | degedeeld
1). Daar heb ik aangetoond, hoe, bij het verlies van
eenen naamval, die te kennen gaf dat iets met het voorwerp als met een werktuig
gewrocht of iets uit het voorwerp genomen wordt, onze taal buiten machte is om
zamenstellingen als kunstversierd, hartontscheurd te vormen. Immers
behalve in zamengestelde woorden van denzelfden aard als landzaat, zigdeur,
doodstil, sneeuwwit
2),
is in eenige taal de zamenstelling met een zelfstandig naamwoord als bepalend
woord slechts dan naar behooren, wanneer dit bepalend woord tot het hoofdwoord
in eene betrekking staat, welke in die taal door eenen bepaalden naamval kan
worden uitgedrukt. Daar wij nu noch eenen instrumentalis, noch eenen ablativus
bezitten, zoo kan de betrekking, in welke in kunstversierd en
hartontscheurd, kunst en hart tot het hoofdwoord staan, niet dan
met de hulp van een voorzetsel, als door en uit, verstaanbaar
gemaakt worden. In het Sanskrit, Zend, Grieksch en Gothisch, daarentegen, had
men naamvallen, welke eene zoodanige betrekking te kennen geven, weshalve in
die talen zulk eene voor onze taal gewraakte zamenstelling volkomen wettig was.
Hierbij neme men in aanmerking, dat in het Grieksch en het Gothisch de dativus
de kracht heeft, die in andere talen de ablativus bezit. Wat, bij voorbeeld, in
het Latijn zou uitgedrukt worden door: ego scripsi mea manu, staat in
het Grieksch (in den brief van
Paulus aan
Philemon, vs. 19) uitgedrukt door:
εγω εγραψα τη
εμη χειρι, en wordt door
Ulfila vertaald door: ik gamêlida
meinai handau (ik schreef met mijne hand, woordelijk: ik maalde
mijner hand). Beide in het Grieksch en in het Gothisch vervangt alzoo hier
de datief den Latijnschen ablativus.
Het bezit nu van naamvallen, welke zoodanige betrekkingen te
kennen geven, maakt, zeide ik, in de genoemde talen zulke zamenstellingen, als
waarvan ons kunstversierd en | | | | dergel, een voorbeeld
aanbieden, volkomen wettig. Zoo zijn in het Sanskr. pati-gu
ta (door den man bemind), na
as-cyutas (uit den hemel gevallen), volmaakt
gezonde vormen, terwijl manbemind en hemelgevallen bij ons
ongeoorloofd zouden zijn. Desgelijks in het Zend.: Masda-dâta, door
Mazda gegeven; in het Grieksch:
θεοδοτος, door God
gegeven, en
χειροιητος, met
handen gemaakt, en in het Gothisch: handuvaurhts, met handen
gewrocht. Ons verbiedt wederom het gemis van eenen datief, van de kracht
eens ablatiefs voorzien, handgewrocht te zeggen. Dit zou bij ons een
substantief zijn: een gewrocht van de hand, en wel volkomen wettig
gevormd, omdat in dat substantief het bepalende woord in de betrekking van den
bij ons bestaanden genitief staat.
Heeft dus onze taal door het verlies van zekere naamvallen haar
vermogen om zamenstellingen te vormen aanmerkelijk en betreurenswaardig beperkt
gezien; van den anderen kant heeft zij zich, al is het ook op eene, zoo als
zekere taalkundigen het noemen, onorganische wijze, van eenen nieuwen naamval
weten te voorzien, die haar in staat stelt om eene soort van zamenstellingen te
vormen, welke zelfs in het Sanskrit, het Grieksch en het Gothisch haars
gelijken niet hebben. Ik bedoel dit, dat de infinitief door de kracht van het
daarbij gedachte voorzetsel te de waarde kan hebben van eenen naamval,
dien men casus finalis, den doel aandui-denden naamval, zou kunnen
noemen
1). Dezen
nieuwen grammatischen vorm machtig geworden, kreeg onze taal het recht om
zamenstellingen als drinkbeker, zaagmolen, enz. te vormen, wier eerste
bestanddeel de infinitief is, in de betrekking, door dien casus finalis
uitgedrukt, tot het hoofdwoord staande, en die dus volkomen wettig gevormd zijn
2).
| |
IV.
In de mededeeling ter reeds vermelde vergadering der K. | | | | Akademie heb ik mede beweerd
1),
dat zamenstellingen als oliekoop, deugdlief, brekespel, langhand, kaalkop,
reinhart, zonderzorg, daarom iets min edels of iets belagchelijks aan zich
hebben, omdat die zamenstellingen niet naar behooren gevormd zijn. Zullen
dergelijke zamenstellingen volkomen wettig zijn en vrij van het dubbelzinnig
karakter, hetwelk haar in onze taal aankleeft, dan moeten zij tot stand
gebracht worden door de kracht van de eigenaardige verbuiging, welke aan het
laatste bestanddeel of hoofdwoord eenen stempel geeft, die openbaart, dat het
van aard is veranderd. Slechts door zelf eene wijziging te lijden, die het
alleen ondergaan kan in zoo verre het met het voorgaande woord eene vereeniging
aangaat, is het bij machte zich met dat woord tot eene zamenstelling te
vereenigen. De wijziging welke ik bedoel, bestaat hierin, dat hetzij een
verbale stam het karakter van een naamwoord, hetzij een zelfstandig naamwoord
het karakter van een bijvoegelijk naamwoord verkrijgt. Daartoe is eene
duidelijk erkenbare naamvalsverbuiging noodig, en vermits onze taal die niet
meer bezit, zoo is zij buiten staat om, zonder iets aanstootelijks te begaan,
zulke zamenstellingen te vormen.
Vooreerst wensch ik aan te toonen, dat in talen, waar de
naamvalsverbuiging in vollen rijkdom bestaat, diergelijke zamenstellingen,
vermits zij daar door de kracht van het gewijzigd karakter van het laatste
bestanddeel tot stand komen, niets aan zich hebben, dat haar een min edelen
aard bijzet.
Met ons oliekoop, deugdlief, wier laatste bestanddeel een
verbale stam is, zijn volmaakt overeenkomstig de volgende zamenstellingen: in
het Sankr.: arin-damas (vijand-temmend), in het Grieksch:
ιπποδαμος,
ειρηνοποιος,
βιβλιοπωλης
in het Lat.: coelicola, naufragus. Deze woorden hebben niets onedels:
integendeel zij behooren ten deele tot de dichterlijke taal.
Bij ons zouden paardetem, vredemaak, boekekoop,
belagchelijke woorden zijn. Waarom? Omdat de verbale stam zich | | | | naakt voordoet en niet kennelijk tot een naamwoord omgestempeld wordt,
terwijl hij in de talen, aan welke die voorbeelden ontleend zijn, door den
verbuigingsuitgang onmiskenbaar tot een naamwoord geworden is.
Ook nevens brekespel, stokebrand, en dergel, staan in het
Sanskrit en het Grieksch volkomen gelijkgevormde woorden. Men denke aan: k
ayad-vîras (mannenbeheerschend),
ριψασπις
(schildwegwerpend),
δεισιδαιμων
(godvreezend). Zij hebben de bestanddeelen in die orde, dat zij
letterlijk overgebracht: heerscheman, werpeschild, vreezegod, zouden
luiden, en toch hebben zij niets onedels aan zich, alleenlijk omdat zij het
onmiskenbaar karakter van adjektieven hebben gekregen, en alzoo het laatste
bestanddeel de vereischte wijziging ondergaan heeft. Bij ons, daarentegen,
blijft, bij gemis van verbuigingsvormen, het laatste bestanddeel daar staan als
een substantief in den accusatief. Slechts door een uitwendig middel kan er aan
het woord eenheid en een eigenaardige stempel worden gegeven: dat middel is de
aanwending van het lidwoord de of een, en deze maakt het
onbekwaam om iets anders te zijn dan een persoonsnaam.
Zamenstellingen, gelijk kaalkop, langhand, ontbreekt het
mede niet aan analoga in het Sanskrit, Grieksch, Latijn en Gothisch. Uit elk
dezer talen een voorbeeld: vipula
̍âya, (met groote schaduw),
πολυσκιος
(met veel schaduw), multivius (met vele wegen),
hrainjahairts (met een rein hart). Noemden wij eenen boom een
grootschaduw of een veelschaduw, een bosch of dreef een
veelweg, wij zouden ons belagchelijk maken, en eenen mensch een
reinhart noemende zouden wij den draak met hem schijnen te steken. In
die andere talen, daarentegen, zijn die woorden dichterlijk en edel, en dat om
geene andere reden, dan omdat het substantief, hetwelk hun laatste bestanddeel
uitmaakt, door wijziging van den uitgang de natuur van een adjektief heeft
bekomen en dien stempel drukt op het geheele zamengestelde woord.
Eindelijk, ook eene zamenstelling als (een)
zonderzorg is beperkt tot de alledaagsche taal en heeft, even als het
Fransche | | | |
sans-souci, een half schertsend half lakend
karakter. Doch in de meergenoemde talen is zulk eene wijze van zamenstelling
weder volkomen voegzaam. Het Sanskr. apa
is is zonder vrees; het Grieksche
εμμελης, in de maat; het
Latijnsche abnormis, van den regel af; het Gothische afguds, van God
af, en gaguds. met God.
Vanwaar dat de woorden, met welke wij die uitheemsche composita
vertaalden, onvereenigd nevens elkander blijven bestaan of niet dan eene
belagchelijke vereeniging kunnen vormen? Het is wederom omdat wij geene
kenmerkende naamvalsverbuiging meer bezitten. Wij missen het vermogen om de
substantieven achter die voorzetsels, door hun de adjektieve
verbuigingsuitgangen aan te passen, in vereeniging met het voorzetsel tot
adjectieven te maken. In die andere talen, daarentegen, verliest in zulke
zamenstellingen het hoofdwoord door wijziging van zijnen vorm het karakter van
een substantief in den verbogen naamval. In dat Sanskr. woord apa-
is is het laatste bestanddeel
î, vrees. Het kreeg den uitgang van een
adjektief. Van nu aan was het aan de afhankelijkheid van het voorzetsel
ontheven, en, met dat voorzetsel vereenigd, kon het een nieuw woord worden. Op
dezelfde wijze komt het Gr.
εμμελης, van
μελος, het Lat. abnormis van
norma. Van het Gothische afguds zouden de losse bestanddeelen
luiden af guda. Zoo staat het naamw. guths (God) kennelijk
in den datief. Doch het werpt dat teeken van afhankelijkheid af, en door een
vrije verbuiging aan te nemen, wordt het in staat om het voorzetsel met zich
tot eene woordeenheid te verbinden.
Doch ook hier hebben wij de gelegenheid om uit te roepen: wanneer
een volk niet naar den geest te gronde, zelfs niet blijvend achteruitgaat, is
het niet mogelijk, dat het eenig verlies lijdt, zonder dat zulk een volk het op
de eene of de andere wijze vergoedt. Onze natie behoeft voor geene andere onder
te doen in diepte van denken en levendigheid van gevoelen. Zou zij die
dichterlijke vormen hebben zien ontaarden, om met het gemeene lood, dat zij
voor zuiver goud | | | | in de plaats had gekregen, genoegen te nemen?
Neen! zij wierp dat lood weg, na er het merk van valsch goud op gedrukt te
hebben, en herstelde hare schade. Hoe heeft zij dit gedaan? Schoot het middel
der woordverbuiging te kort tot het doel om een band van vereeniging om losse
woorden te slaan en ze tot eene zamenstelling te verbinden, zoo wendde zij de
woordafleiding aan om hetzelfde doel te bereiken of bezigde andere wijzen van
zamenstelling. Kan zij niet voegzaam zeggen een boekekoop, zoo bezigde
zij den afleidingsuitgang er en vormde boekverkooper; kon zij
evenmin voegzaam zeggen: goedhart, zij had een anderen afleidingsuitgang
bij de hand en zeide goedhartig. Op dezelfde wijze vormde zij
wetvertreder, vredeschender, paardetemmer, vredestichter, vrijzinnig,
edelmoedig, blondlokkig. Gaat een breedtak, een veelschaduw, niet
aan; welnu zij vormde woorden als breedgetakt, lommerrijk. Was een
zonderzorg onaannemelijk, en waren woorden als het Gothische afguds
en het Lat. exanimis, onmogelijk, zij smeedde nieuwe verbindingen en
vormde goddeloos, ongoddelijk, ontzield. Het Sanskritische
nir-malas (zonder vlek) kon zij wedergeven door
vlekkeloos, het Goth. galiugs (met leugen) door
leugenachtig
1). Zoo waar is het, dat, zoo ergens dichterlijke geest bestaat,
de taal dien geest | | | | vormen moet leenen. Onze Duitsche natie had
edele woorden uit hare taal verloren; toch behoefde zij die: zij wilde en zou
ze bezitten, en ziet! de taal heeft opgeleverd wat zij begeerde.
In deze beschouwing ben ik uitgegaan van de stelling, en deze
stelling is, dunkt mij, door de toepassing zelve bewezen, dat zekere
zamenstellingen slechts dan wettig zijn, wanneer, vooreerst, het bepalende
woord tot het bepaalde in eene betrekking staat, welke door eenen bestaanden
naamval kan uitgedrukt worden, en, ten tweede, het laatste bestanddeel eene
wijziging in zijnen aard ondergaat, in de verbuiging blijkbaar. In de reeds
meer dan eens vermelde vergadering der K. Akademie is de heer Roorda
daartegen opgekomen. Hem kwam het voor, zoo ik hem wel verstaan heb, dat het
tot de mogelijkheid en de deugdelijkheid der zamenstelling niet zoo zeer
aankomt op al die vragen van vorm, als veeleer op deze vraag, of men een uit
twee elementen vereenigd denkbeeld heeft willen uitdrukken. In mijn antwoord
heb ik te kennen gegeven, dat de kennis van het wezen en de geschiedenis der
taal, naar het mij voorkwam, verbood de zaak zich zoo eenvoudig voor te
stellen. Bij de beoordeeling van het vermogen om zamenstellingen te vormen, aan
eene of andere taal eigen, scheen mij de staat der verbuiging in de beoordeelde
taal voornamelijk in aanmerking te komen; ja, ik deed de uitspraak, dat bij
talen, die de verbuiging niet kennen (flexielooze talen), even daarom van ware
zamenstelling geene sprake kan zijn. Deze uitspraak vond de heer
Roorda bevreemdend, en hij gaf te kennen, dat hij bij eene nadere
gelegenheid het bewijs voor die stelling van mij verwachtte. Deze verwachting
mag ik niet te leur stellen, en de gelegenheid, die zich nu aanbiedt, grijp ik
gaarne aan.
Ik moet beginnen met te zeggen, dat, wanneer men door
zamenstelling (compositie) bloote zamenkoppeling (copulatie, juxtapositie)
verstaat, die talen, welke bij de zamenkoppeling aan de minste perken zijn
gehouden (en dat zijn voorzeker de flexielooze talen), gewis de vaardigste in
het vor- | | | | men van zamenstellingen zijn. Maar in de talen, wier studie
de grammatische begrippen aan de hand heeft gedaan, tot welke ook het begrip
van zamenstelling behoort, in die talen, zeg ik, heeft men door zamenstelling
steeds bij voorkeur eene zoodanige vereeniging van woorden verstaan, waarbij,
ter liefde der innigheid van het verband, het eerste der beide woorden zijne
zelfstandigheid verliest en eene verminking lijdt, en het tweede, ten einde het
vermogen te bezitten om het eerste woord in zich op te nemen, in zijnen aard
eene wijziging ondergaat. Ik neem tot voorbeeld het Grieksche
πολυσκιος. Dit
woord beteekent wat men buiten zamenstelling zou uitdrukken
πολλη σκια, d.i.
met veel schaduw. Hier nu ziet men, dat, in plaats van dat
πολλη, bloot de wortel van het woord
(πολυ-) is genomen; dat dit woord derhalve
zijne verbuiging kwijt is geraakt en in den eigenlijken zin verminkt, dat is
van een lid beroofd is geworden. Het laatste bestanddeel bovendien
(σκια) heeft zijne natuur van verbogen
zelfstandig naamwoord afgelegd en in vereeniging met het bepalend woord den
aard en vorm van een adjektief aangenomen. Behield het zijne natuur en bleef
πολλη onverminkt, dan bleven de beide
woorden onvereenigd nevens elkander staan, en er kwame met geene mogelijkheid
eene zamenstelling tot stand. In talen derhalve, die den aard en de betrekking
der woorden in den zin door geenerlei kenteekens uitdrukken (en zoodanig zijn
de flexielooze talen), moeten de woorden steeds onvereenigbaar nevens elkander
blijven staan, omdat zij de kenteekens missen, door wier opheffing of wijziging
de vereeniging tot stand komt. Hoe zal er eene verminking plaats grijpen, waar
de woorden bij gemis van ledematen onverminkbaar zijn? Hoe eene wijziging van
den aard des woords tot stand komen, waar de aard der woorden ganschelijk niet
onderscheiden wordt, en één en dezelfde klank of zelfstandig of
bijvoegelijk naamwoord, en praedikaatswoord of voorwerpsnaam is, al naardat de
bedoeling is des sprekers, die door toon of plaatsing van het woord te kennen
wordt gegeven. | | | |
Neen! woordgroepen, die zindeelen of geheele zinnen uitmaken,
kunnen er alleszins in zulke talen gevormd worden; maar zulke woordgroepen zijn
geene zamenstellingen. De ware zamenstelling is het deel der verbuigbare talen,
en met de verbuigbaarheid eener taal, dit toont ons het Fransch, zoo wij het
met het Latijn vergelijken, neemt haar vermogen om zamenstellingen te smeden
af. Ook de Engelsche taal heeft, meer dan eenige Duitsche taal, ten aanzien van
de verbuigbaarheid der woorden veel verloren. Toch veroorlooft zij zich meer
vrijheid in de zamenstelling dan de onze. Zij vormt woorden als an outlaw,
cloud-crownd, heart-felt en dergelijken, hetgeen wij haar niet na kunnen
doen. De reden is deze, dat de Engelschen, minder kieschkeurig dan wij, zich er
niet om bekreund hebben, dat eenige zamenstelling, die zuiver en edel was in de
oorspronkelijke vormrijke oudste Duitsche taal, valsch of gemeen was geworden
door het verloren gaan der voorwaarden harer vorming. Zij hebben bij de vlucht,
die de natie en hare letterkunde genomen heeft, het min edele veredeld door den
ernst en de waardigheid van het gebruik, daarvan gemaakt. Ook de Hoogduitsche
schrijvers veroorlooven zich vaak de strikte grenzen, aan de taal ten aanzien
der zamenstelling gesteld, te overschrijden. Het geschiedt ten gevolge van
wijsgerige inspanning of dichterlijke stoutheid: voor die beiden gelden niet
zoo zeer de bedenkingen van goeden smaak of omzichtigheid. Maar laten wij,
Nederlanders, ons verblijden met ons deel, en gelooven, dat er geene diepte is
van denken of gevoelen, die in onze bestaande taal, ook bij de naauwkeurigste
inachtneming der regelen van spraakkunst en goeden smaak, niet tot haar recht
kan komen; mits het denken van de dorheid der abstractie tot de beeldspraak der
natuur zij teruggekomen, en het gevoel, vrij van alle zelfbehagen, zijne
uitdrukking ontleene aan het leven.
W.G. Brill.
|
1)In dit Tijdschrift, Jaarg. V, bl.
109.
1)Voorheen was boek, bouc,
mannelijk.
2)Burg, borch, was oudtijds, even
als het Goth. baurgs, ook vrouwelijk.
1)Hoe gemeenzaam in het Fransch de
inlassching eener zachte s is tusschen twee op zich zelf staande
woorden, wier klanken niet in één mogen vloeijen, is eene bekende
zaak: zoo zegt men quatre-z-ans om de uitspraak quatrans te
vermijden, en de-z-yeux voor de-yeux. In later tijd heeft men
veroorloofd d'yeux te zeggen.
1)Slechts de hoofdgedachte van het toen
gesprokene is medegedeeld in de Verslagen en Mededeel, dier Akad.
Afdeel. Letterk. D. VII, St. I, p.97-99. Dus mag ik hier eenigzins uitvoeriger
op de zaak terugkomen.
2)Zie t. a. pl. bl. 99, 100.
1)Zie t. a. pl. bl. 98, 99.
2)Zie de zaak nader uiteengezet, ald. p.
98.
1)t. a. pl. bl. 100, 101.
1)Al kunnen wij geene zamenstellingen naar
den aard van dat Goth. galiugs en gaguds vormen, toch bezitten
wij nog meer dan één woord in onze taal, volkomen op gelijke
wijze gevormd. Bepaaldelijk mag men hier wijzen op het bijvoeg, naamw.
gelijk, Goth, galeiks, uit ga, met, en leik,
gestalte. Dus beteekent het eigenlijk met gestalte, dat is van
ééne gestalte met een ander, en is het volmaakt
één met het latere Lat. conformis, het Gr.
ουμμορφος, en het
Sanskr. sa-rûpas (van sa = zamen, en rûpa,
gestalte). Staat tegen galeiks in het Goth. over antharleiks,
even zoo bezit het Gr.
αλλομορφος,
en het Sanskr. anya-rûpas. - Doch wij gevoelen den aard der
vorming van het woord gelijk niet meer: daarom kunnen wij naar zijn
voorbeeld geen andere zamenstellingen vormen: dat woordvormingsmiddel is juist
ten gevolge van het verlies der naamvalsverbuiging dood en kan geene spruiten
meer telen. Van andere woorden oorspronkelijk van denzelfden aard is de
partikel afgesleten. Zoo is gade eigenl. gegade ( met
soort), letterlijk het Lat. consors, en maat staat voor
gemaat, d.i. met spijs (Goth. mats), spijsgenoot,
even als het Goth. gahlaifs, d. is met brood, mede genoot
beteekent.
|
|