De Taalgids. Jaargang 5


auteur: [tijdschrift] Taalgids, De


bron: L.A. te Winkel en J.A. van Dijk (red.), De Taalgids, Tijdschrift tot uitbreiding van de kennis der Nederlandsche taal, Vijfde jaargang. C. van der Post Jr., Utrecht 1863.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Beer, beren en beeren.

Er bestaan in onze taal verscheidene woorden, die beer luiden, en die deels geheel verschillende woorden, deels verschillende opvattingen van één en hetzelfde woord zijn. Het meest bekende

I. Beer is de benaming van een geslacht van verscheurende dieren, door de Zoölogen ursus genoemd, waartoe de ijsbeer, de honigbeer en andere soorten behooren. Ofschoon men dit woord voorheen wel met den tweeklank ei schijnt uitgesproken te hebben - immers men vindt soms beir of beyr geschreven - zoo is toch de e oorspronkelijk zacht geweest, dewijl zij uit eene i is ontstaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze Bär, met ä, zou wel is waar doen denken, dat a de grondvocaal was, doch die spelling is stellig verkeerd,

[p. 290]

en wordt door het Oudhoogduitsche bero weêrsproken. Het woord zou dan beri niet bero hebben moeten luiden; want de overgang van a in e wordt alleen door eene volgende i bewerkt. De oorspronkelijke i komt dan ook nog werkelijk voor in ohd. pirin (berin), en in het stoffelijke bijvoeg. naamw. pirîn (ursinus, van een beer), waarin de i van den stam door de volgende i's voor den overgang in e behoed werd. De overige verwante talen stemmen daarmede overeen en bewijzen insgelijks het vroegere aanwezen der i, namelijk ags. biren (ursinus) en bera, niet bâr of bâra; eng. bear (lees: bier); onrd. biörn.

Het woord beer, voor het bekende verscheurende dier, behoort dus in het meerv. ééne e te hebben: beren; en derhalve ook berin, berenhuid, ongelikte beren enz.

II. Beer, voor mannetjesvarken, is bij de landlieden bekend, De e is in dit woord uit ai ontstaan en dus scherp; dit blijkt uit ohd. pair en paiz, en uit de dialectische Nhd. vormen Baier, Beier, die, naar het schijnt, in Zuidduitschland te huis zijn. Overeenkomstig met die Hoogduitsche vormen heeft ags. bâr eene door contractie ontstane lange á, en eng. boar eene o; op dezelfde wijze als ags. bân en eng. bone, ontstaan uit bain. Dit beer is dus een geheel ander woord dan het eerste: de klinkers verschillen, en, zoo paiz geene schrijffout is, dan oorspronkelijk ook de sluitmedeklinkers. Het Engelsch onderscheidt, gelijk bekend is, nog bear en boar, het Hoogduitsch insgelijks Bär en Baier, Beier, Beer, en ook wij zelven hebben de beide woorden lang uiteengehouden. Van der Schueren onderscheidt de tweederlei e: beerich en beersch komen bij hem van het laatst vermelde beer; maar berynne en bersch van bere, ursus. Niettegenstaande Plantijn beide woorden verward had, herstelde Kiliaan eenige weinige jaren later de ware spelling; en ook Ten Kate hoorde tweederlei e in beer, bere, en béér, béérverken, ten béére gaan, subare.

Beer, mannetjesvarken heeft dus in het meervoud twee e's: beeren.

[p. 291]

III. Beer, als muurstut, is overal bekend; minder bekend zijn vorm en afleiding. Deze zijn echter niet twijfelachtig. In alle verwante talen komt een werkwoord beren voor, dat dragen, met hand of schouder, schragen en schoren, bij zich of aan zich dragen, ver dragen of lijden, en dragen in den zin van voortbrengen en opleveren beteekent. Het woord zelf treft men in den eigenlijken zin van dragen in onze taal niet meer aan. Bij Kiliaan is het niet meer ferre, dragen, maar gestire, zich gedragen; en in ontberen ligt de beteekenis (niet meer dragen of bij zich hebben = missen) misschien te zeer verholen om door iedereen herkend en erkend te worden. Doch beren heeft behalve in de twee genoemde woorden nog genoeg andere sporen van zijn vroeger aanwezen achtergelaten om dit boven alle bedenking te stellen. Men herinnere zich baar en berrie, werktuigen om te dragen; baar in baar geld, draagbaar geld, in tegenstelling van vast of belegd geld, dat niet weggedragen kan worden; geboren, het verleden deelw. van beren, in den zin van dragen, voortbrengen; het achtervoegsel -baar in vruchtbaar, vruchten dragend enz. Ook oorbaar, orberen, en momboor behooren er toe; het bewijs echter zou ons te ver van den weg leiden. In het Nieuwfriesch beteekeut bere: zich gedragen of houden alsof, een schijn aannemen. Het aangevoerde zijn bewijzen te over, dat beren, dragen, ook op Nederlandschen boden welig heeft getierd. Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat een beer een metselwerk is, doorgaans eerst later tegen een muur aangebracht om hem te stutten en te schoren, om hem als het ware te dragen wanneer men voor uitwijken en omstorten begint te vreezen, dan ligt het voor de hand, beer bij de opgenoemde woorden te voegen en insgelijks voor een afstammeling van beren, dragen, te houden. Waar de vorm en de beteekenis van twee woorden zoo goed overeenstemmen als hier, zou twijfel aan hunne onderlinge verwantschap onredelijk zijn.

Ook de verhouding van het substantief beer tot het verbum

[p. 292]

beren, namelijk die van werker tot werking is zeer gewoon. Beteekent luik iets dat luikt of sluit, klep iets dat klept, stuur iets dat stuurt, boor iets dat boort, dan kan beer ook iets zijn, dat beert of draagt. Kortom er is in de verste verte niets te bedenken, dat verhinderen zou om dit beer van beren, dragen, af te leiden. Maar is dit beren het stamwoord, dan is de e uit i ontstaan, die hier met a, â en u of o afwisselt. Men schrijft derhalve regelmatig, als men aan steenen beren tegen bouwvallige muren slechts ééne e geeft.

IV. Een vierde beer beteekent heiblok. Het komt in zooverre met het vorige overeen, dat het ook een werker of werktuig is, ook iets, dat beert. Het stamwoord beren evenwel verschilt in beteekenis, en verschilde voorheen ook in vorm van het boven bedoelde werkwoord beren. Luidde dat ohd. beran, onrd. bera, en was het sterk, dit luidde ohd. berian, onrd. beria, en werd als vele werkwoorden op -ian of -jan zwak vervoegd. Het had twee, wel uiteenloopende, maar toch blijkbaar verwante beteekenissen, 1o. slaan, kloppen, stampen; en 2o kneden. Het werd inzonderheid van het slechten of effen maken van wegen, en van het bereiden van pottebakkersaarde gebezigd. Wie dit werk, of ook wel het kneden van roggenbrood gezien heeft - beide geschiedt met de voeten - die zal aan de identiteit der twee opvattingen niet twijfelen, en het stellen van twee verschillende werkwoorden berian, één voor stampen en een ander voor kneden, niet noodig achten. Het Nieuwhoogduitsche beeren vereenigt die beteekenissen nog. Dit beren is ook bij ons te lande in gebruik geweest: Kiliaan kende het in den zin van depsere, kneden, en ber beteekende in het Oudfriesch slag of houw 1). Niets is natuurlijker, dan dat beer de

[p. 293]

stam van dit werkwoord beren, als naam van een werktuig om te kloppen of te stampen opgevat, en op een heiblok toegepast werd. Uit de vormen berian en beria is de natuur der e met zekerheid op te maken. Het Oudnoordsche beria bewijst, dat wij hier niet met den tweeklank ei te doen hebben. Dan toch zou het woord beiria luiden, want in het Onrd. blijft ei voor eene r, b.v. in dreiri, bloed, eir, koper, geir, speer, leir, leem, meir, meer, reira, binden, enz. De e moet dus uit a of uit i ontstaan zijn, en dan wordt de keus door ohd. berian ten voordeele van de a beslist. Had het woord vroeger birian geluid, de i ware gebleven, omdat de volgende i den overgang in e zou hebben verhinderd.

Beer, heiblok, heeft derhalve eene e uit a, die dus zacht is; het meervoud moet uit dien hoofde ééne e hebben: beren.

V. Het vijfde beer, menschendrek, is na het voorafgaande niet moeilijk te verklaren. Beteekende beren nog ten tijde van Kiliaan kneden, is abbeeren in het Hoogduitsch doorkneden, is Beerbank de bank of tafel, waarop de steenbakkers hun leem kneden, en Beerpflaster eene pleister met eene dikke weeke stof bestreken, dan ligt het voor de hand beer (stercus) als iets dergelijks op te vatten en voor een euphemisme aan te zien. De overdracht moge zonderling schijnen, zij is wel niet bevreemdender dan die yan het verouderde aal, bier, op aalt, Vlaamsch aal, vocht dat uit de koemest zijpelt, en dat evenals beer ter bemesting dient. Die

[p. 294]

overdracht ligt geheel in den geest onzer taal, die niet zelden uit kieschheid woorden heeft vervormd of verwisseld: men denke aan nadeel voor achterdeel, veete voor veede, aan wereldbol, benul en dergelijke. De uitdrukkingen ‘beersteker, cureur de retraicts’ en ‘den beer steken, curer les retraicts’, die bij Plantijn voorkomen, zijn kennelijk luimige woordspelingen met het doodsteken van een beer, welken beer dan ook, of met het steken of tappen van bier, dat hier en daar ook beer heet. Hoe men deze uitdrukkingen ook opvat, zij getuigen van het streven om eene walgelijke voorstelling te vermijden. Bruiloft houden, dat niet zelden tot laat in den nacht duurt, voor ruimen, dat gewoonlijk des nachts geschiedt, beoogt hetzelfde doel.

Dit woord beer heeft derhalve denzelfden oorsprong als het vorige, en staat er mede in dezelfde verhouding als raad (raadgeving) met raad (raadsheer) en praat met (veel) praat. De e is in dit woord dus insgelijks zacht; zoodat zij, die ter aanduiding van het bemesten met beer een werkwoord beren noodig achten, met ééne e kunnen volstaan.

 

Er blijven nog drie woorden beer te beschouwen over. Zij zijn geene andere dan de reeds behandelde, maar alleen toepassingen van twee der vorige.

VI. Beer, schuld, is oorspronkelijk een studententerm, eene schertsende overdracht van den naam van het brommende en Grimmige dier op eene schuldvordering, die dreigend aangrijnst. Wie A. Verhuells geestige teekeningen kent, zal de gegevene verklaring gereedelijk beamen, en daarmede aan dit beer de zachte e van beer, ursus, toekennen.

VII. Eene waterkeering, die beer heet, is naar zijn vorm aldus genoemd. Het is een muur, die dwars door eene gracht loopt, van boven voorzien van eene rollaag, die een scherpen kant heeft. Meestal draagt zulk een muur op het midden nog eene verhevenheid in de gedaante van een torentje. De scherpe kant der rollaag, die, gelijk ook het torentje, dienen moet om het loopen over den muur onmogelijk te maken,

[p. 295]

heeft aan het geheele metselwerk den naam gegeven. Dit leert ons Simon Stevin, de leermeester en Legermeter (In-genieur) van Prins Maurits in zijn Sterctebou, blz. 12:

‘De steenen gestichten, die men in de stadsgrachten leght om Rivierkens tusschen beyde deur te loopen, ooc om 't water in de grachten op te houden, hebbende boven een scherpen kant gelijk den rugghe van een swijn, 't welc men gesneden zijnde, Beer noemt, zoo vvordense Beeren geheeten: En wantse ook gelijkenis hebben metten rugghe van een Ezel, zoo noemense de Françoysen Dodanes, dat is: dos d'asnes, beteykenende Ezelrugghen.’

Niemand zal het getuigenis van zulk een bevoegd persoon als onze oudste vestingbouwkundige willen wraken, te minder daar de verklaring zoo natuurlijk is en gesteund wordt door het gebruik in het Fransch, dat ook andere voorwerpen, die boven een min of meer scherpen rug hebben, dos d'ânes noemt; b.v. un pont, un chemin en dos d'âne.

Beer, waterkeering, is derhalve hetzelfde woord als beer, varken, en heeft eene scherpe e; dus is het meervoud: beeren.

VIII. Het laatste woord beer, stormtuig, is, wel is waar verouderd, maar toch nog eene gissing waard. Ik houd het vooralsnog voor hetzelfde woord als beer, mannetjeszwijn, maar geheel anders opgevat dan in het vorige geval. Dat er niets ongerijmds in ligt, als men bij dit woord aan een dier denkt, blijkt genoeg, wanneer men in aanmerking neemt, dat een aantal krijgswerktuigen namen van dieren hebben gedragen. Hadden de Romeinen hunne rammen, en vormden zij dikwijls schildpadden, wij hebben behalve rammen ook katten, mollen, ijzeren varkens, truien (zeugen, fr. truies), slangen, adders, musketten (soort van sperwers), tuimelaars (in de beteekenis van bruinvisschen, niet in die van duiven) gehad; en zoo ook beeren of beren. Aan welk der beide woorden moet hier gedacht worden? Als men in het oog houdt, dat de beer en de trui, het wijfjesvarken, te gelijk moeten gebruikt zijn, dat beide onafscheidelijk bijeenbehoorden, dan

[p. 296]

zal men het natuurlijker vinden bij beer aan het mannetjes varken, dan aan een beer in het woud te denken. Volgens de opgaaf van Kiliaan ondergroef men met de ‘truye’ de muren eener belegerde plaats, gelijk het zwijn met zijn snuit den grond doorwroet, en was de ‘bere’ hetzelfde als hetgeen bij de Romeinen eene vinea heette. De vinea nu was een stormdak, dat liep, d.i. dat op raderen tot aan den muur werd voortgeschoven, en waaronder men met den stormram werkte. Daar nu de trui eene soort van stormram was, behoorde er ongetwijfeld ook een beer toe, die het werken er mede mogelijk maken, de trui dekken en de ondergravers tegen de werptuigen der belegerden op den muur beveiligen moest. Ligt het dan niet voor de hand hier aan het mannetje der trui te denken? Zou niet veeleer de omgekeerde onderstelling gezocht en onnatuurlijk mogen heeten?

Is de gissing gegrond, dan moet het woord beeren, stormtuigen, twee e's hebben.

 

L.A. te Winkel.