|
|
|
| |
Over de wijzigingen, welke de gothische vokalen hebben
ondergaan. - Over klankwijziging en klankverschuiving in het algemeen.
| |
I.
Het is klaarblijkelijk en onmiskenbaar, dat de Gothische
ê zich in ons Nederlandsch in eene open a overgegaan
vertoont: slêpan leverde slapen; mêna, maan; jêr,
jaar enz. Maar het is niet genoeg dit op te merken en bij die opmerking te
berusten. Wij moeten ons ook trachten te verklaren, hoe die overgang in het
werk is gegaan.
Reeds in het Oudhoogduitsch is de bedoelde wijziging der
ê voltrokken; maar eerst met het ontstaan van dit dialekt zal zij
tot stand gekomen zijn. Over de gansche uitgestrektheid van Germanie heerschte,
zoo veel men na kan gaan, de be- | | | | naming Suevi,
Σουηβοι, die wij uit Caesar
en Tacitus kennen. Strabo in de eerste, en Ptolemaeus in de tweede eeuw
schrijven den naam even zoo; maar, terwijl Jornandes in de zesde eeuw nog van
Suevi spreekt, bezigt Procopius in denzelfden tijd den vorm
Σουαβοι, en Paulus
Diaconus kent geen anderen dan dien van Suavi
1) . Dus blijkt uit dit ééne
voorbeeld genoegzaam, eensdeels dat de Gothische ê eenmaal
algemeen onder de Duitsche Stammen bestaan heeft, en anderdeels, dat hare
wijziging tot a nagenoeg zamenvalt met de ontwikkeling van de grootheid
van het Rijk der Franken en alzoo met het ontstaan van den Opperduitschen
tongval. Trouwens, het is niet anders denkbaar, of de groote lotswisseling en
krachtsontwikkeling van de Duitsche Stammen, waar zij de opvolgers werden van
het Romeinsche wereldgebied, moest gepaard gaan met zekere wijzigingen in hunne
taalklanken. Of is levenswijs en karakter, tot binnen de grenzen van
één en hetzelfde land en in denzelfden tijd, niet van merkelijken
invloed op de uitspraak? Hoe zou dan, bepaaldelijk in een tijdsperk, dat de
uitspraak der taal niet of niet algemeen door het schrift en ganschelijk niet
in letterkundige werken vastgesteld was, hoe zou dan, zeg ik, de taal der
Germanen, bij de veranderde levensomstandigheden dezer volken en de aanvaarding
hunner nieuwe heerschersrol, hare klanken ongewijzigd hebben kunnen behouden?
De taal bewaart op eene of andere wijze de sporen van de lotgevallen der volken
door den loop der eeuwen. In het tijdsgewricht, waaraan wij thans denken,
moest, dunkt mij, de uitspraak de blijken bekomen van de verhoogde
krachtsontwikkeling, van de vermeerderde forschheid der natie. De fijne en
weeke klanken moesten plaats maken voor grover en krachtiger, met nieuwe
inspanning, met nieuwen aanvoer van adem uitgebrachte klanken. De
ê nu is een bijzonder weeke klank. Ook op het gebied van het
Grieksch is zij aan het weeke Ionisch eigen, in onder- | | | | scheiding van
het. harde Dorisch, waar in hare plaats de lange ā heerscht. En
waaraan nu is de weekheid van dezen klank te wijten? Daaraan, dat hij uitloopt
in eene j. De j is de konzonant, in welke alle vokalen, wanneer
men den mond bij het uitgebrachte stemgeluid niet in de oorspronkelijke
spanning houdt noch opzettelijk eene nieuwe wijziging aan dat geluid bijzet,
van zelve uitloopen, om, als het ware, in het midden van den mond tusschen tong
en gehemelte te komen wegsterven. De wijziging, daarentegen, der vokalen,
hetzij door een zuiveren keelklank, hetzij door een neuskeelklank, hetzij,
eindelijk, door een werkzaam optreden van de lippen, getuigt van opzet om een
krachtig geluid voort te brengen en geenen weeken klank te dulden. Juist zulk
eene wijziging nu, door het werkzaam optreden der lippen, is het, welke mij
toeschijnt de ê tot eene a vervormd te hebben. Men versta
mij wel: ik bedoel niet, dat de ê onmiddellijk tot onze
tegenwoordige open a is vervormd. Neen! die Oudduitsche â,
zal even als de Angelsaksische â, welke uit de Gothische ai
ontstaan is, voorzeker als ao (å) zijn uitgesproken. Immers
zien wij aan die Angelsaksische â in het tegenwoordig Engelsch
o (oa) beantwoorden, zoo als in sâwan, to sow;
cnâvan, to know; âr, on oar; fâm, foam, enz. Eerst later
toen het schrift, in hetwelk nu eenmaal voor dien gemengden klank een enkele
a aangenomen was, op de uitspraak had teruggewerkt, dat is, in een tijd
toen de jonge geslachten ter school gingen en lezen leerden, en men daarbij die
klank ao van boerschheid was beginnen te verdenken, is uit den klank
ao, den oorspronkelijken plaatsvervanger der Gothische ê,
onze zuivere a ontstaan.
Niet overal gaat de Goth. ê in het Oudhoogduitsch in
â over: enkele malen treedt voor haar ia in de plaats. In
deze lettervereeniging hebben wij, dunkt mij, een middel te zien om eene andere
wijze uit te drukken, op welke men aan de weeke ê meer kracht wist
bij te zetten. Wijzigde men de ê niet tot â
(å), maar tot ia, dan maakte | | | | men ze forscher,
niet door de lippen bij de uitspraak werkzaam te doen optreden, maar door
daarbij een neuskeelklank
1) als element aan te brengen. De a en
soms de o, achter de vokaal gevoegd, schijnt in het Oudhoogduitsch het
middel te zijn om den aanwas van klank, in het toevoegen van een
neus-keelgeluid bestaande, te kennen te geven. Zoo is de Gothische
ô in 't Oudhgd. door ua of uo vervangen (b.v. in
pluamo of pluomo, Goth. blôma, bloem); ja, de Goth.
iu, oorspronkelijk reeds door een neusklank gekenmerkt, moest zich soms,
om zoo te spreken, een verversching van dien neusklank laten welgevallen: het
schrift getuigde er van, en van iu kwam in vele gevallen ia en
io (b.v. liab of liob, Goth. liufs, lief).
Wij vermeldden zoo even ter loops, dat de Goth. ái
in het Angels. in â overgaat. Die overgang schijnt te bewijzen,
dat deze Gothische diphthong, hoezeer uit klankversterking ontstaan, mede eene
uitspraak had bekomen, die ze met ê gelijkstelde en haar dus aan
dezelfde versterking behoefte deed hebben, als welke de ê in het
Oudhoogd. heeft ervaren. Ook de Goth. áu heeft in het Angels.
eene hervorming ondergaan. De ea treedt aldaar voor áu op,
en deze wijziging zal wel weder een blijk zijn van de poging om aan den weeken
o-klank, waartoe de áu was afgedaald, nieuwe kracht door
inmenging eener neus-keelvokaal bij te zetten. Deze vokaal zal haar eene naar
de Fransche eu (in meurs) zweemende uitspraak hebben doen
erlangen, welke men door die letters (ea) meende te kunnen wedergeven
(aldus in hleapan, Goth. hlaupan, loopen).
Dat de Gothische ái mede in het Oudhoogd. een
nieuwen aanwas van kracht bekomen heeft, bewijst de wijziging, welke zij ook in
dat dialekt heeft ervaren: daar treedt steeds ei voor de Goth.
ái op (b.v. teil, Goth. dails, deel; ein,
Goth. ains, een). Ei nu liet zich niet anders dan hard uitspreken
en bewaart alzoo de tweeklanknatuur beter, dan de lettervereeniging ai,
door welke de uitspraak ê geenszins wordt uitgesloten. | | | |
Zoodra de Gothische ái in het Oudhoogd. in ei
was overgegaan, zou deze klank een dubbel ruim gebied in de taal hebben
ingenomen, wanneer de Goth. ei dezelfde uitspraak behouden had. Maar dit
was het geval niet. Integendeel de Goth. ei daalde af tot de uitspraak
î, en, nu de klank ei zich reeds ter vervanging der
Gothische ái had ingedrongen, werd de Goth. ei niet in
haar gebied hersteld (het Goth. steigan is in het Oudhgd.
stîgan; wein, wîn geworden.) Dus bleef de taal voor
een overmatig aantal harde diphthongen, door geene zachte klanken afgewisseld,
bewaard, en ontstond op nieuw een evenwicht, dat nergens ontbreekt, waar
organisch leven wordt aangetroffen. Ook de au liet men in vele gevallen
in het Oudhoogduitsch tot de waarde eener o afgedaald blijven, als in
hôran (Goth. háusjan), lôn (Goth.
lâun), tôd (Goth. dauths). Even zoo ziet men
in het Angelsaksisch, waar een neusklank, ter versterking der Gothische
áu aangewend, (immers zoo schijnt het) een aequivalent van de
Gothische iu deed ontstaan, deze Gothische diphthong, als om het
evenwicht te herstellen, tot û afgedaald, b.v.
clûban, Goth. kliuban, klieven; bûgan, Goth.
biugan, buigen.
Opmerkelijk is het, dat de î, uit Goth. ei
ontstaan, bij ons weder in ij, en de Angels. û, uit Goth.
iu ontstaan, bij ons weder in vele woorden in ui is overgegaan.
Zoo is de oorspronkelijke Gothische uitspraak weder, eenigermate ten minste,
teruggekomen. Dit is geschied, aanvankelijk in de gesloten lettergreep, en wel
in het Hollandsche dialekt in de laatste jaren der zestiende eeuw, in een
tijdperk derhalve, dat de kracht der natie bijna tot ruwheid werd
opgevoerd.
Niet immer is de Goth. iu bij ons tot ui geworden.
Integendeel, als moest bij ons in dit opzicht het overmatig voorkomen van eenen
klank, zoo hard als die ui, verhoed en het evenwicht bewaard worden, aan
de Goth. iu beantwoordt bij ons even vaak de zachte klank ie, een
klank, die anders in onze taal nagenoeg verloren zou gegaan zijn. Door deze
ie wordt de klank bewaard, die de Goth. i zal gehad hebben. Ook
daar waar het teeken dezer i behouden | | | | is, als in
mild, Goth. milds; binden, Goth. bindan, is voorzeker de
ware uitspraak niet meer aanwezig. Onze i in mild zou
ulfila veeleer door ei hebben uitgedrukt, gelijk hij de korte,
vooral de gesloten Grieksche i mede door die lettervereeniging tracht
weder te geven in de eigennamen Areistarkus
'Αρισταρχος, en
Kareiathiareim,
Καριαθιαριμ en
andere.
Maar hoe kon ie uit Goth. iu (ui) ontstaan?
Wij zagen die Goth. diphthong in het Angelsaksisch tot û
(oe) afdalen. Deze klank nu ging door die wijziging, welke in de
Hoogduitsche spaakkunstige taal Umlaut heet, in eu (als in
geneugte) of ue over, en hoe nabij deze klank aan ie
verwant is, leert ons de Hoogduitsche dichtkunst, waar de beide vokalen
ü en ie op elkander rijmen.
Deze Umlaut is eene verzwakking der vokaal, daar zij bestaat in de
toevoeging van dien j-klank, in welken, zoo als wij zeiden, de vokalen
wegsterven. Ook zien wij in den tijd, dat de wording van het Oudhoogduitsch
haar hoogste punt had bereikt, den Umlaut opkomen, en sedert al meer en meer
veld winnen.
Om dit vluchtig overzicht over de gedaanteverwisseling der
Gothische vokalen nagenoeg volledig te maken, vermeld ik nog den gewonen
overgang der Gothische i tot e, en der Gothische u
(oe) tot o.
Het is niet anders mogelijk, dan in dezen overgang een uitwerksel
te erkennen van hetzelfde streven naar klankversterking, welke het Oudduitsch
van het Gothisch onderscheidt. Immers is de wijziging van i tot
e, en van u (oe) tot o, in den grond niets anders
dan de inmenging van de zuivere keelvokaal a bij de i en de
u (oe), waardoor de i tot ai, de u
(oe) tot au wordt, eene ai en au evenwel met geen
meer waarde dan die van eene enkele vokaal, en daarom met het teeken der korte
Grieksche en Latijnsche e en o geschreven. Hoe de klank ai
de waarde van eene enkele vokaal krijgen kan, toont ons dialekt, waar de Goth.
âi, Hoogd. ei, bijna in e (ee) overgaat, als
dails, Theil, deel; ains, ein, een.
| | | | | |
II.
Bestendiger voorzeker, dan de vokalen, zijn de konzonanten. Zijn
gene met eene vloeistof te vergelijken; de konzonanten zijn, als het ware, de
vaste deelen van de spraak. Niettemin zijn ook zij aan wijziging, zijn ook zij
zoowel aan verharding als aan verweeking onderhevig, en het liet zich wachten,
dat de omwenteling, sedert het ontstaan van het Frankische Rijk, in het element
van het Germaansch tot stand gekomen, zich ook bij de medeklinkers niet
onbetuigd zou laten.
Zoo sprekende heb ik het verschijnsel der klankverschuiving op het
oog. Dat ook de met dezen naam bestempelde wijziging der konzonanten, welke het
Opperduitsch van het Gothisch en Nederduitsch onderscheidt, niet hooger
opklimt, dan tot den tijd, waarop zich de Duitsche landaard een verzekerd
bestaan op het voormalig grondgebied van het Romeinsche Rijk had verworven,
blijkt uit de verandering, welke de vorm van zekere eigennamen ondergaan heeft
in den tijd, tusschen het nog ongekrenkt bestaan der Romeinsche heerschappij en
de eerste en stoutste ontwikkeling van het Frankische Rijk verloopen. In dien
tusschentijd verandert de naam van Battau (Batavie) in
Passau (het Batava castra bij den zamenvloed van Inn en Donau),
de naam Katten in Hessen, Gelduba in Keltapa, Tolbiacum in
Zülpich. Hier, zoo als over het algemeen, wanneer men Opperduitsche
met Gothische woorden vergelijkt, bespeurt men de tenuis of harde stomme letter
in eene geaspireerde overgegaan
1), en de media of weeke in eene harde. Dus had die
wijziging de strekking om de taal harder en forscher te maken: de aspiratie,
aan de tenuis toegevoegd, getuigt van een luiden keelklank daaraan bijgezet, en
de media, in eene tenuis veranderd, spreekt van een steviger werking der
spraakorganen. De klankverschuiving zou volkomen zijn, wanneer nu ook | | | | de aspirata in eene media overging; maar deze verandering zou dat
karakter van klankversterking niet bezitten; integendeel, zij zou de spraak
weeker gemaakt hebben. Ook zien wij juist dezen regel van de wet der
klankverschuiving, volgens welken ook de aspirata in eene media moet overgaan,
bij de vervorming van Gothisch tot Opperduitsch verwaarloosd. De Gothische
f wordt wel is waar v (fôtus, voet, wordt
vuoz), maar, vooreerst, de v is geene b, en die v
zal, gelijk nog in het Hoogduitsch, meer van eene f, dan van onze
v gehad hebben. De Gothische h (ch) blijft in het
Opperduitsch eene h (b.v. haubith, hoofd, houpit; hairto,
hart, herza); en zoo de Gothische th in het Opperduitsch geregeld
in eene d overgaat, is dit verschijnsel niet aan klankverschuiving te
wijten: immers ook in het Nederlandsch, hetwelk de Gothische klanken
onverschoven bewaard heeft, ziet men de th steeds in d ontaard.
Die wijziging van th tot d, tot welke men de strekking reeds in
het Gothisch zelve bespeurt, is voorzeker een bewijs, dat de aspiratae reeds in
het Gothisch iets van hare kracht hadden verloren. Zoo ziet men het Gothisch
mede wel eens eene b vertoonen, waar eene f behoorde te staan,
als in het telwoord sibun (zeven), hetwelk, blijkens het Sanskr.
saptan, Gr. επτα, Lat. septem,
volgens den regel der klankverschuiving, waaraan ook het Gothisch gehoor
gegeven heeft, sifun zou moeten zijn. Ook dit, dat in het Gothische
alphabet de geaspireerde gehemelteletter niet de gedaante ch, maar
h heeft, zal wel een bewijs zijn, dat de aspiratie in het Gothisch alles
behalve krachtig was. De slotsom is, dat het Opperduitsch de Gothische
aspiratae heeft gelaten, zoo als zij waren. Zij waren nagenoeg tot den rang van
mediae afgedaald, en zoo behield de Opperduitsche spraak ten minste een zweem
van mediae, welke anders tot schade van het evenwicht geheel uit de taal zouden
geweerd geworden zijn. Slechts in het Angelsaksisch is de geaspireerde
tongletter (th) krachtig hersteld en daardoor in het Engelsch bewaard
gebleven.
Het schijnt geen twijfel te lijden, of de bewuste
klank- | | | | verschuiving is een teeken van vermeerderde nationale
fierheid, en heeft gepaard gegaan met een krachtig optreden der natie op een
tooneel, waar het haar inspanning van kracht vorderde om hare nationaliteit te
handhaven. Waar de Franken geen Romanisch aanleerden als in Neustrie, maar
hunne taal behielden als in Austrasie, kwam hare taal versterkt en gehard uit
den strijd, en aan dien strijd, zegevierend gestreden, is, zooals het schijnt,
het Frankisch met zijn van het Gothisch verschillend karakter te danken.
Maar ook het Gothisch zelf is, bij vergelijking met het Sanskrit,
Grieksch, Latijn, Keltisch, Slavisch, door klankverschuiving gekenmerkt. Zou
het te vermetel zijn, daarvan den geheimen grond te zoeken in een optreden der
Gothen van denzelfden aard, als dat der Franken eenige eeuwen later?
De Gothen vertoonen ons boven andere Stammen het toonbeeld van een
volk, dat zich stort in het element van andere natien, en zich in landen
onthoudt, verre van zijne oorspronkelijke woonplaatsen verwijderd, en dat
daarbij zijne spraak in ongekende zuiverheid handhaaft. Zou ook hunne taal de
sporen van de inspanning niet vertoonen, die het kosten moest de voorvaderlijke
tong, te midden van den verslappenden invloed van het vreemde taalelement, bij
hare eigenaardigheid te bewaren? Ook de Kelten, het is waar, hebben zich bij
hunne verbreiding westwaarts nog vóór de Gothen, in vreemde
landen en onder volken van een andere spraak begeven. Zij behielden hunne taal,
en toch heeft het Keltisch geene klankverschuiving ondergaan. Maar ook hoe veel
heeft het door zijne aanraking met het vreemde in zuiverheid van phonetische en
grammatische vormen verloren! Onder Finnische of Iberische Stammen zetten de
Kelten zich als heerschers neder; maar zij namen tot hunne groote schade het
een en ander over van de taal dier Stammen, welke tot den grooten groep der van
eigenlijke verbuiging verstokene suffixentalen behoort
1). Zoo mist dan | | | | ook hunne
taal de klankverschuiving en daarmede het teeken der inspanning, welke het kost
om de spraak in het vreemde element onvervalscht te bewaren.
Eene volkomen overeenkomst evenwel met de wijziging, die aan het
Frankisch zijn karakter gaf, levert het Gothisch niet, in zooverre hier de
aspiratae van het Sanskrit, Grieksch en Latijn, enz. zuiver in mediae zijn
overgegaan (b.v. bhri, φερω, fero, baíra,
baren; frater, brôthar, broeder; frango, brikan, breken;
θυρα, daúr, deur; χην,
gans; εχειν, aigan). Waaraan deze verzwakking
te wijten, terwijl toch de klankverschuiving, volgens onze beschouwing, het
karakter van taalversterking medebrengt? Zou mogelijk het verschijnsel van den
overgang van de aspiratae der Sanskrittaal en der klassieke talen in de
Gothische mediae meer in schijn dan in wezen bestaan, en zouden mogelijk de
Gothische mediae met eenige aspiratie zijn uitgesproken (b als bh,
d als dh, g als gh), zoo evenwel, dat zij altijd nog genoeg
van de jeugdige kracht der Gothische aspiratae onderscheiden waren, om van deze
in het schrift, door de gedaante van mediae, onderscheiden te blijven? Zoo veel
is zeker, dat de Nederduitsche talen, te weten het Nederlandsch, het Engelsch
en het Noordsch, behalve in het begin van het woord, voor de Gothische b
eene v vertoonen (b.v. giban, Nederl. geven, Eng. en
Deensch give); dat de g, ten minste in het Nederlandsch, geene
stomme letter is, maar een zachte blaasletter, en dat de d zoo weinig
vastheid heeft, dat zij, bepaaldelijk in ons dialekt, onderhevig is aan een
wegsmelten tot j, ja aan een gansch verdwijnen (b.v. goeje voor
goede, daân voor daden). Eindelijk, er bestaat eene
opmerkelijke overeenkomst tusschen de Nederduitsche en de Romanische talen ten
opzichte van de waardij der mediae. Ook hier gaat de b in 't midden des
woords in v over (habere, Ital. avere, Fr. avoir;
bibere, Ital. bevere); in het Spaansch kost het zelfs moeite, om die
b van de v te onderscheiden. Ook in de Romanische talen heeft de
g, ten minste vóór e en i, haar karakter van
stomme letter verloren, en de d ondergaat de- | | | | zelfde verzwakking tot verdwijnens toe, als bij ons, in het Fransch en het
Spaansch (b.v. in het Fransche en Spaansche cruel van crudelis;
in het Fransche croire en Spaansche creer van het Lat.
credere). Zouden het Spaansch, het Italiaansch en het Fransch in deze
verschijnselen niet een spoor verraden van de wijze, waarop de Latijnsche
mediae klonken in den Gothischen of Noormanschen mond?
Doch genoeg! Men toetse de stellingen en meeningen in deze
beschouwing vervat.
W.G. Brill.
De Redactie acht zich verpligt aan te merken, dat zij in het
gevoelen van den ook bij haar hoog geachten inzender der bijdragen over het
Gothische vocaalstelsel niet deelt. Volgens den door haar aangenomen stelregel
echter, geene stukken van bevoegde band te weigeren, al zijn zij ook strijdig
met hare eigene inzichten, heeft zij niet geaarzeld die bijdragen te plaatsen;
te minder, daar de Hooggeleerde schrijver zelf zijne theorie slechts als bloote
gissing, niet als wel bewezene waarheid opgeeft.
Red.
|
1)Zie Graff, althd.
Sprachsch. VI, 854.
1)Zoodanige neuskeelklank is de Sanskr.
nga ( n̈).
1)De geassibileerde tongletter ( s of
z) vervangt in 't Opperduitsch de geaspireerde( th): vandaar
Hessen voor Heththen of Cheththen, Zülpich voor
Thulpich.
1)Zie Meijer, die keltischen
Völkerschaften, S. 13. Dit boekje bevat bij veel ondoordachts het een
en ander, dat opmerking verdient.
|
|