Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis. Deel 2


auteur: C.P. Serrure en [tijdschrift] Vaderlandsch Museum


bron: C.P. Serrure (red.), Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis (Tweede deel). C. Annoot-Braeckman, Gent 1858


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 136]

De klooster-zuster Hadewig, dichteres der XLV liederen uit de XIIIe eeuw.

Op de Bibliothèque de Bourgogne te Brussel, berust een Codex die tot heden slecht beschreven, en nog slechter gekend is. Hy is klein in-8o, in twee kolommen, op perkament, beslaende 101 blad., of 202 bladz., en was op den ouden inventaris bekend onder nr 806, maer op den nieuwen staet hy onder nr 2879-80 aengeteekend. Hy bevat:

1. ‘Niederländische Betrachtungen über die Liebe Göttes in reicher, fliessender Prosa’

gelyk Mone die stukken kenschetst, fo 1.

2. Visioenen, fo XLII-LXI, kol. b.
3. XLV liederen; fo LXII-LXXXVII, kol. b.

Deze liederen zijn als proza geschreven. De strofen zijn met eene roode aenvangletter, en de verzen met een kleine, met rood doorstreepte letter, van elkander gescheiden.

4. Verzameling van XVI minnebrieven; fo LXXXVII, kol. b. - ad. fin. (fo CI, verso, kol. b.)

De naem ‘Verzameling van XVI minnebrieven’ heb ik aen Mone(1) ontleend; Snellaert ziet het geheel voor één en zelfde gedicht van 1720 verzen aen(2), en ik hel naer zijn gevoelen over,

[p. 137]

want sommige der hoofdstukken (het gedicht, byaldien het één stuk is, bevat er zestien) kunnen toch langs geene kanten voor minnebrieven doorgaen.

Willems(1), Mone(2), Snellaert(3), en na hen Alberdingk Thijm(4) aenzien de liederen voor het werk eener vrouw, eener non. Zy zelve zegt in het 25e vers van het eerste lied:

 
Ay! wat salic doen ellendech wijf!

C.A. Serrure(5) nochtans en Dr Jonckbloet(6) vragen ‘of geheel de bundel (namelyk de bundel liederen) van éénen dichter is?’ De vraeg is zeer natuerlyk, maer al wie het Hs. gezien en de liederen gelezen heeft, zal bevestigend kunnen antwoorden. De liederen zijn genummerd van I tot XLV, alle in denzelfden trant geschreven en, in het Hs., zoo nauw aen elkander verbonden dat er zelden meer plaets tusschen is, dan om den nummer van het lied te plaetsen.

Omtrent nr 4 of de ‘16 Liebegrüssen oder-Briefen’ bestaet die eenheid van gevoelens niet. Mone, die den geheelen bundel als het werk eener vrouw aenziet, vindt veel overeenkomst tusschen de ‘Niederländische Betrachtungen’ en de ‘Liebegrüssen.’ ‘Darin (namelyk in de Betrachtungen), zegt hy, kommen viele Gedanken, Ausdrücke, Bilder, Wendungen u. dergl. vor, die man in den 16 Liebegrüssen oder-Briefen, welche auf die Minnelieder folgen, und unter Nr 299 verzeichnet sind, wieder antrifft, so dass man einen Zusammenhang zwischen beiden annehmen darf(7).’ Integendeel volgends Snellaert ‘schijnt het

[p. 138]

gedicht, dat op de liederen volgt, door eenen manspersoon te zijn opgesteld,’ en tot bewijs zyner meening haelt hy deze regels aen:

 
Dit en segghic niet om dattic prise,
 
maer omme dattic den wech der minnen wise;
 
Joncfrouwe, oic niet dat ic u wise;
 
maer der minnen vriheit prise(1).

Ik geloof dat men aen dit enkel woord joncfrouwe zoo veel geen prijs dient te hechten, want in der daed om dat er aen eene joncvrouw gesproken wordt volgt daeruit niet noodzakelyk dat het een man is, die spreekt. Ik houde my liever aen het gevoelen van Mone, die beide stukken ‘Betrachtungen’ en ‘Liebegrüssen’ afgeschreven en onder elkander vergeleken heeft.

De visioenen zijn, naer het gevoelen van professor Mone, in denzelfden trant geschreven als de ‘Betrachtungen,’ en dat valt niet te betwyfelen; daerenboven dragen zy onmiskenbare sporen eener vrouwenhand. In het eerste visioen (fo 42 verso, col. b.), zegt een engel tot de schrijfster:

‘O serfherteghe om de avonturen vanden mesvalle dijns toecomens! O suchtende om die dolinghe der menschen die ghemaket sijn ter minnen Gods ende van hem dolen ende eldere gheraken! O stervende metter doot dijns lieves, diere hi starf, verstant dese .iij. nederste telghere.....

‘Ende die inghel seide echt te mi:

‘Reine colomme in die kerke der heilighen die dinen lichame pure gehouden heves van al dien saken die nietne ghetamen inden heilighen tempel Gods! O onnosele ende troosterse elker nosen enz.’

.................... (folio 45, verso kol. b.) ‘Ende die inghel seide echt te mi:

[p. 139]

O meersterse, vanden beghinne toten inde opclemmende desen boem.......

Deze bewyzen, alle uit het eerste visioen getrokken, zullen, vertrouw ik, voldoende wezen. En nu, na alles rijp overwogen te hebben, ben ik zeer genegen met Mone te zeggen: ‘Es ist sehr wahrscheinlich dass der ganze Inhalt der Hs. von einer einzigen Verfasserin herrührt(1).’ Maer wie is nu die ‘Verfasserin?’ Langs de liederen zag ik er geen uitkomen aen, en zocht dan of ik niemand kon vinden, die in de XIIIe eeuw visioenen geschreven had. De eerste, die zich aenbood, was Ida Van Leeuwe, en in der daed hare leeftijd komt met het tijdstip van de vervaerdiging der onderhavige visioenen daer of daer overeen; doch wanneer ik by Rosweydus(2) en by Henriquez(3) gelezen had, dat Ida verhaelde op Kerstnacht, in een harer visioenen Onze-Lieve-Vrouw gezien te hebben, die haer het kind Jesus in handen gaf, en niets dergelyks in de door my gekopijëerde visioenen ontmoette, begreep ik terstond dat er aen haer niet meer te denken was. Ook was de hoop van eens de schrijfster te ontdekken my nagenoeg ontvlogen, wanneer ik, by het nabladeren van Alberdingk Thijms Dietsche Warande(4), Stallaerts artiekeltjen over de klooster-bibliotheken aentrof. In den inventaris der dietsche boeken, gedurende de XIVe eeuw, in de priory van Roode-klooster bewaerd, leest men:

‘Item noch drie boeke van Hadewighen, die beghinnen aldus: God die de clare minne.’

[p. 140]

De drie boeken van Hadewighen vangen dus aen met de woorden: God die de clare minne enz., en het Hs., dat ik hier boven beschreven heb, begint juist met de zelfde woorden. Ik schrijf de eerste regels af:

‘God die de clare minne, die onbekint was, verclaerde bi siere doghet daer hi alle doghet bi verlichte in siere claerheit der minnen; Hi moete u verlichten ende verclaren metter claerre claerheit daer hi hem selven claer met es....’

Beide Hss., de drie boeken van Hadewijch en de brusselsche Codex, hebben juist denzelfden aenvang; de drie boeken van Hadewijch waren in de XIVe eeuw op de bibliotheek der priory van Roode-klooster en de brusselsche Codex was er waerschijnlyk ook; immers hy heeft er geweest blykens dit opschrift:

‘Dit boec es der broederen van S. Pauwels in Zonninghen, gheheeten de Roede cluse.’

Iets dat de zaek nog waerschijnlyker maekt, is dat geheel de Codex van een' hoogen ouderdom getuigt, en dat Mone niet aerzelt te verklaren dat hy nog tot de XIIIe eeuw behoort.

Er bestaet by my geen twyfel meer of de ‘Drie boeke van Hadewighen’ zijn teruggevonden en, naer mijn oordeel, het Hs. zelf dat op den besproken inventaris vermeld is. Maer hoe komt het dat de brusselsche Codex vier boeken bevat, terwijl de inventaris slechts van drie spreekt? Dat zal, denk ik, geene andere oorzaek hebben dan dat de bibliothekaris twee stukken voor één zal genomen hebben, gelyk het kan 't geval zijn met de liedjens en het daerop volgende gedicht; want beide, liedjens en gedicht, zijn slechts door eenen enkelen onbeschreven en witgelaten regel van elkander gescheiden. Denzelfden misslag, indien ik het zoo heeten mag, hebben de cataloogmakers der Bibliothèque de Bourgogne, met het zelfde handschrift begaen, dewijl zy er niet alleen geen vier, maer slechts twee boeken in gezien hebben, gelyk het blijkt uit de nummers welke het Hs. draegt:

[p. 141]

2879-80; daer het integendeel, hadden zy er meer boeken ingezien, de nummers 2879-82 zou gehad hebben.

Men zou misschien nog kunnen zeggen dat die boeken niet door Hadewijch gemaekt, maer door haer aen 't klooster gegeven waren. Dit kan niet beter stand houden; want dan ware de gift in andere woorden vervat, en juist dezelfde inventaris geeft er ons een voorbeeld van:

‘Item een boec dat ons meester Peter Vander Raecken gaf.’

Men verwachte een breeder verslag over de boeken van Hadewijch in de inleiding der XLV liederen, welke ik spoedig zal onder de pers leggen.

En nu, de eer dezer ontdekking, indien er ontdekking is, komt te recht den heere K. Stallaert toe. Heb ik de ‘drie boeke van Hadewijch’ doen kennen, hy is het die den inventaris gevonden heeft, zonder welken ik misschien nooit aen den naem dier schrijfster gekomen ware.

 

A. Angz. Angillis.

 

 

Het hiervoren door den heer Angillis medegedeelde, bevat eene gelukkige ontdekking, waervan de belangrijkheid door al de vrienden der oude nederlandsche letterkunde hoog zal geschat worden. Sedert dat ik met de twee handschriften der burgondische bibliotheek, nrs 2877-78 en 2879-80 nader bekend geraekte, verviel by my de twyfel vroeger geopperd1, of wel al de liederen hierin bevat, door één en den zelfden persoon gemaekt werden; en ik bleef overtuigd, met Mone en Snellaert, dat zy alle van eene kloosterlinge waren.

[p. 142]

Maer er schoot nog over te weten hoe die non heette, die reeds vóór Maerlant, wist zoo dichterlyk de lier te bespelen, en met zoo veel gloed en sierlykheid de moedertael te gebruiken. Dank den heere Angillis, is thands zuster Hadewig een naem te meer voor onze letterkundige geschiedenis des voortijds aengewonnen.

Wie is echter die Hadewig? Zy is volgends my de zelfde als die cistercienser nonne, waerop mijn vader, over eenige jaren de aendacht trok(1), en waervan Henricus Gandavensis spreekt, als hebbende in het nederlandsch iets geschreven, dat een geestelyke, vóór 1280 gestorven, Willem, monik en later prior te Afflighem, in het latijn vertaelde. Zie hier de woorden van den beroemden vlaemschen wijsgeer der XIIIe eeuw(2): Wilhelmus, monachus Affligeniensis et ibidem aliquando prior, vitam dominae Lutgardis, a fratre Thoma (Cantipratano) latine scriptam, convertit in Teutonicum rithmice, duobus sibi semper rithmis consonantibus. Dictavit etiam latine quandam materiam satis eleganter de quadam moniali Cisterciensis ordinis, quae Teutonice multa satis mirabilia scripserat de se ipsa.

De bekende duitscher, Joannes Trithemius, abt van Spanheim, die een Catalogus Scriptorum ecclesiasticorum(3) samenstelde, telt onder de werken van Willem van Afflighem op: ‘Visiones cujusdam monialis, L.I.’ Hetgeen Willem uit het nederlandsch van eene cistercienser nonne vertaelde, waren dus visioenen. Welnu, zooals het uit Mones Uebersicht en uit het bovengezegde van den heer Angillis blijkt, beide gemelde handschriften der burgondische bibliotheek, zuster Hadewigs proza en verzen behelzende, ‘vangen aen met eene reeks leerredenen over de liefde Gods en eenige visioenen.’

[p. 143]

Dat Hadewig onder de orde des heiligen Benedictus leefde, schijnt my das eene uitgemaekte zaek; doch dewijl er in Nederland tydens de XIIIe eeuw een groot getal cistercienser vrouwenkloosters bestonden, zijn wy door het gezegde van Henricus Gandavensis nog niet verre gevorderd.

Edoch, Willems en al die de brusselsche manuscripten doorlazen, zijn het eens om de tael er van als brabandsch aen te zien. Wy moeten gevolgentlyk by voorkeur, in een brabandsch klooster onze Hadewig trachten te vinden.

De naem Hadewig of Hadewich komt zeer zelden in onze streken voor tydens de XIIIe eeuw; hy was op verre na niet zoo verspreid, als het bykans gelykluidende Heilewich of Heilewijf, afgeleid van het oudere Hildewig.

In 1248 stierf als abtdis in het cistercienser vrouwengesticht te Aywiers, in Waelsch-Brabant, op vier uren afstands van Brussel, eene Hadewig, wiens grafschrift over honderd jaer in de kerk van dat klooster nog te lezen stond, en aldus was luidende:

 
Plangat Aquiria! Mater enim provida, tuta,
 
hic jacet obruta, vermibus auxiliando tributa.
 
Christe, patrociniis hanc tibi junge piis.
 
Vivere desiit. ao MCCXLVIIJ. 1 kal. junii(1).

In dit zelfde klooster van Aywiers verbleef langen tyd en stierf op den 16 juny 1246, aldus twee jaer vroeger dan abtdis Hadewig, de heilige Lutgardis, wiens leven, zooals ik aenhaelde, Willem van Afflighem, uit het latijn in het vlaemsch overbracht(2).

Broeder Willem, wanneer hy aen de vertaling van Cantipratanus werk arbeidde, heeft wellicht de boekery van het Aywier-

[p. 144]

sche gesticht, dat onder den zelfden regel als het zyne stond, doorzocht, om de berichten, die Thomas over de Heilige had neêrgeschreven, na te gaen, en, als het mogelyk was, te volledigen. Want Aywiers en Afflighem liggen toch maer een zevental uren van elkander. By een bezoek van dit niet verre afgelegen vrouwenklooster zal broeder Willem bekend geraekt zijn met de visioenen en de mystieke liederen van Hadewig, de dichteresse, die hoogst vermoedelyk niemand anders was dan Hadewig, de abtdis.

Eene vlaemsche non aen het hoofd van een klooster op de uiterste grenzen van het Walenland gelegen, is geene onmogelykheid. De heilige Lutgardis, die een groot deel van haer leven te Aywiers sleet, was te Sint-Truiden geboren, en de eenige reden waerom zy geene abtdis in het waelsche gesticht werd, is dat zy geen woord waelsch kende, noch ooit wilde leeren.

Onder vijf andere brabandsche cistercienser nonnen uit de XIIIe eeuw, die om hun vroom leven, hunne mirakels of visioenen bekend bleven, namelyk Beatrix Van Thienen of van Nazareth, Aleidis van Schaerbeek, Ida van Leuven, Ida van Leeuwe en Ida van Nyvel, werd deze laetste, alhoewel eene walin van geboorte, Theutonica bygenaemd. Het was om dat zy de nederlandsche tael, die zy in het klooster te Kerckhem (tusschen Leuven en Thienen) had leeren kennen, zeer wel verstond, en door haer verblijf aldaer byna eene dietsche geworden was. Wanneer Ida van Nyvel zich te Kerckhem bevond, spraken meest al de zusters uitsluitelyk vlaemsch, zoodat zy in het eerste van hunne gesprekken niets kon begrypen. ‘Audiebat sorores barbara quadam et ignota sibi verba loquentes, nec intelligebat linguam eam eo quod omnes fere lingua theutonica loquerentur(1).’ Welnu nau-

[p. 145]

welyks verbleef zy eenige jaren aldaer, of het heele klooster met dietsche nonnen veranderde van verblijf, en vestigde zich in Waelsch-Braband, in de nabyheid van Geldenaken (Jodoigne), alwaer het onder den naem van la Ramée bekend werd.

De vlaemsche kloosterzusters in Waelsch-Braband gevestigd waren aldus zeer talrijk; en de omstandigheid dat de door my hervonden Hadewig te Aywiers, op een half uer afstands van den dietschen bodem, als abdis stierf, bewijst niets tegen myne beweering.

Wat er ook van deze gissing zijn moge, morgen zoo niet heden, moet de ontdekking van onzen schranderen vriend en letterbroeder Angillis, op het spoor zetten van de zoo lang gezochte kloosterlinge, van de voortreffelyke middeleeuwsche zangster, die ik, met den schryver des Reinaerts, met Maerlant en Ruusbroec, aen het hoofd onzer oude letterkunde durf stellen.

 

C.A. Serrure.