|
|
|
| |
Blijmoedigheid.
Wijze: ô Zielverrukkende avondstond.
Hoe goed is niet een vrolijk hart,
Al treft ons ziekte en pijn;
Men kan, na mind'ring van de smart,
Weêr dubbeld blijde zijn.
Want hij, die dikwerf ziek'lijk is,
Der vriendschap, en dat groot gemis
Verzwaart zijn droevig lot.
| | | |
Een heldere opgewekte geest,
Brengt hem veel voordeel toe;
En schoon zijn kwaal al niet geneest
Als hij somtijds een' troost geniet,
Die hem een vriend toedeelt;
Is 't, of hij 't eind' der smarte ziet
Zo wordt zijn hoop gestreeld.
Want is 'er wel een grooter goed,
Dan als men wordt gemind,
Van vrienden, die in zuur en zoet,
Ik dank u God! gij gaaft aan mij
Een vreugd-gevoelgen aart
En waare vrienden aan mijn zij',
Bemin'lijk, trouw, bedaard.
ô Godsdienst! bron van zuivre vreugd!
Werk steeds op mijn gemoed,
Bekroon mijn wensch en sterk mijn deugd
|
|
|