|
|
|
| |
| | | |
De bedroefde Moeder getroost.
Wijze: Wij draagen met gelijke zinnen.
Nu kan ik ongehinderd treuren,
Daar 's niemant, die mijn traanen ziet
Ik voel mijn teder hart verscheuren,
ô Harde slag! ô zwaar verdriet!
Mijn kind, de wellust mijner dagen
Wordt naar het aklig graf gedragen,
Ach! 'k zie hem nimmer weêr,
Hoe dikwerf - God! gij hoort mijn klagten,
Heeft mij de stille hoop gevleid,
Hij zou nog eens mijn lot verzagten!
Vergeefs heb ik dit heil verbeid.
Met traanen smeekte ik om zijn leven,
Hij heeft mij voor altoos begeven!
Voor 't moederlijke hart!
| | | |
Maar, is dan al mijn hoop vervlogen?
Schiep God hem niet voor de Eeuwigheid?
Moest niet zijn heil mijn traanen droogen?
Hij leeft bij God in veiligheid.
Zo vroeg ontheft van smart en lijden
Geen ondeugd zal zijn hart bestrijden.
Verr' boven aarde en stof,
Zingt hij zijn scheppers lof,
Maar kan ik mij hier op verlaaten,
Is ook voor hem dit heil bereid?
ô Ja! zou God zijn schepsel haaten;
Hij stierf in zijn onnozelheid?
God is de liefde, en heeft het leven
Gewis niet aan mijn kind gegeeven,
In 't eindeloos verdriet;
Daar ons Gods zoon aan 't onsterflijk leven
En 't eeuwig heil heeft aangebragt,
Zal dit mijn hart gerustheid geeven;
Terwijl ik met geduld verwagt,
Dat ik in 't zalig rijk hier boven,
Eens met mijn kind'ren God zal looven,
Voor 't Eeuwig heilgenot.
Dus troost mij in mijn lot,
|
|
|