Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Gedicht van de selve Ionck-vrouw aen de Zeeusche Poëten.

 
DE heuchelicke son, die bralt, en climt om hooch;
 
De wegen nat, en glat, die werden hart, en drooch;
 
De wijngaert oogen crijcht, en aen der boomen toppen
 
Daer berst te met een blat uyt dick-gheswollen knoppen:
5
De bruyne voester-vrouw, de vette groeysaem aerdt
 
Die heeft haer eerste cruyt en bloemen al gebaert:
 
Het luchtich pluym-gediert, al t'ilpende comt swieren,
 
En springt van tack op telgh, met vrolick tierelieren.
 
Dees Somer-teyckens die verneem ick altemael,
10
En noch verneem ick niet u Zeeusche Nachtegael.