|
|
|
| |
Namen ende vverckingen van de Wout en
Zee-Goddinnen.
D'Aeren van het coren vet
Zijn op Ceres hooft gheset,
Als Goddinne van te voren
Voor de granen uytvercoren.
5
'tGroene wout is int ghewelt,
Van de Goden wilt ghestelt,
Die by bocken vergheleken,
Selden goede reden spreken.
'tIonghe gras en teere cruyt
10
Eerst gesproten opwaert uyt,
Flore jeuchdich toe-gheschreven
Heeft de wijse Const-Goddin.
15
Lauwre-boomen haren broeder
Phoebus hebben tot behoeder.
Groeyen op de Pijnen doet.
'tSoet gerucht dat om de boomen
20
En de clare water-stroomen
In de somer-daghen sweeft,
Zephyr in sijn handen heeft.
Van het mont-ghewas Goddinne
25
Op de somer-vruchten wacht,
Ende gheeftse rijpdom sacht.
De Goddinnen die ghevonden
Werden onder 'swaters gronden
30
En wat meer daer onder is.
Flora, Lentes outste dochter
Doet de velden werden fochter,
Gheeftse kruyden ende blom,
En soo menich bladt rontom.
35
Maer de tranen en het suchten,
Sorgen, vreesen, ende duchten,
Heeft alleen ghenomen in.
|
|
|