Zeeusche Nachtegael


auteur: anoniem Zeeusche Nachtegael


editeur: P.J. Verkruijsse en P.J. Meertens


bron: P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse (eds.), Zeeusche Nachtegael en bijgevoegd A. vande Venne Tafereel van Sinne-mal, Drukkerij Verhage & Zoon, Middelburg, 1982  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Namen ende vverckingen van de Wout en Zee-Goddinnen.

 
D'Aeren van het coren vet
 
Zijn op Ceres hooft gheset,
 
Als Goddinne van te voren
 
Voor de granen uytvercoren.
5
'tGroene wout is int ghewelt,
 
Van de Goden wilt ghestelt,
 
Die by bocken vergheleken,
 
Selden goede reden spreken.
 
'tIonghe gras en teere cruyt
10
Eerst gesproten opwaert uyt,
 
Flore jeuchdich toe-gheschreven
 
Te bewaren is ghegeven.
 
In Olijven haren sin
 
Heeft de wijse Const-Goddin.
15
Lauwre-boomen haren broeder
 
Phoebus hebben tot behoeder.
 
D'oude Gode-moeder vroet
 
Groeyen op de Pijnen doet.
 
'tSoet gerucht dat om de boomen
20
En de clare water-stroomen
 
In de somer-daghen sweeft,
 
Zephyr in sijn handen heeft.
 
Ceres trouwe ghesellinne
 
Van het mont-ghewas Goddinne
25
Op de somer-vruchten wacht,
 
Ende gheeftse rijpdom sacht.
 
De Goddinnen die ghevonden
 
Werden onder 'swaters gronden
 
Heerschen over al de vis
30
En wat meer daer onder is.
 
Flora, Lentes outste dochter
 
Doet de velden werden fochter,
 
Gheeftse kruyden ende blom,
 
En soo menich bladt rontom.
35
Maer de tranen en het suchten,
 
Sorgen, vreesen, ende duchten,
 
De Goddinne van de min
 
Heeft alleen ghenomen in.