|
|
|
| | | | | |
Gijsbreght in den bloeitijd van het Amsterdamsche tooneel
1795-1820.
| |
De komst der ‘Romantiek’.
De groote omwentelingen in het maatschappelijke en cultureele
leven tegen het einde der 18e eeuw, gingen aan het Amsterdamsche tooneel niet
ongemerkt voorbij. In dezen tijd deed ook daar de Romantiek haar
intrede. Reeds na 1760 hadden
Corver en zijn aanhangers de strenge
wetmatigheid van het Klassicisme bestreden en de volgende generatie zette dien
strijd voort.
Zelden is een tijd zoo gunstig voor den bloei van het tooneel
geweest als deze woelige periode. Het theatrale hing in de lucht; men hield van
het groote gebaar, van heldenfiguren en nobele daden.
Ook in ons land gevoelde men behoefte aan een nationale,
heroïsche tooneelkunst. Op het tooneel wilde het publiek de groote
vaderlandsche heldenfiguren zien, die het in de werkelijkheid miste. In dit
nationale repertoire paste Gijsbreght van Aemstel volkomen; temeer, omdat men
een groote voorliefde toonde voor middeleeuwsche onderwerpen. Gijsbreght werd
het ideaal van den nationalen held, Badeloch het voorbeeld van de
echt-Hollandsche vrouw. Zoo zien wij in dezen tijd weer nieuwe kanten van het
treurspel naar voren komen. Het romantische, historische element wordt in den
loop van de 19e eeuw steeds sterker geaccentueerd. Vooral in de aankleeding
uitte zich de Romantiek. Het streven naar juiste historische costumeering,
waarmee Corver reeds een aanvang had gemaakt, werd met groote nauwkeurigheid
voortgezet, en bereikte in de 19e eeuw zijn hoogtepunt. Ook in de
tooneeldécoratiekunst uitte zich de historische romantiek.
Toch bleef de 18e-eeuwsche, klassicistische wetmatigheid nog
| | | | langen tijd nawerken. De tooneelspeelkunst en de wijze van
voordragen sloten in dezen tijd nog geheel aan bij het oude klassicisme van
Jan Punt. Uit die merkwaardige mengeling
van romantische vernieuwing èn voortzetting der klassieke tradities,
ontstond het neo-klassieke tooneel: ‘romantisch’ van inhoud, maar
‘klassiek’ van vorm.
| |
De tooneelspeelkunst en de tooneelspelers omstreeks
1800.
Met den val van de Stadhouderlijke regeering in 1795 kwam Ook in
het schouwburgbestuur verandering: voortaan was het gebouw
Stadsschouwburg. Met de nieuwe heeren konden eenige acteurs het echter
nog niet goed vinden, en het resultaat was, dat in dit jaar
Bingley,
Wattier en het echtpaar Sardet-Wouters
uittraden. Aanvulling van het tableau de la troupe werd dus toen zeer
noodzakelijk. Toevallig trok nu juist in een klein amateurtheater, ‘Utile
et amusant’, de begaafde jonge Rotterdamsche tooneelspeler
Andries Snoek met zijn troep, de
aandacht van de Amsterdamsche tooneelliefhebbers, zoodat de Regenten zich
haastten, dit gezelschap te engageeren. Toen bovendien Wattier en het echtpaar
Sardet in 1796 terugkeerden, beschikte
de Amsterdamsche Schouwburg over de grootste Nederlandsche tooneelspelers. Een
nieuwe bloeitijd brak aan.
Alvorens de uitbeeldingen der rollen in ‘Gijsbreght van
Aemstel’ door die beroemde acteurs te bespreken, dient nog een enkel
woord aan den stijl van de toenmalige tooneelspeelkunst te worden gewijd.
Een merkwaardig verschijnsel van de thans besproken periode is het
feit, dat de toenmalige tooneelschrijfkunst alleen van beteekenis voor
dien tijd zelf is geweest, terwijl de kunst van het tooneelspel ons ook
thans nog interesseert. Aan het einde der 18e eeuw kreeg de bewegingskunst een
zelfstandig karakter: de pantomime en het ballet beheerschten het tooneel.
Daardoor werd | | | | ook aan de techniek van het toneelspel grooter
aandacht besteed dan tevoren.
De acteur
Jelgerhuis, over wien straks nog
uitvoeriger zal worden gesproken, schreef een uitgebreid werk
‘Theoretische lessen over de gesticulatie en
mimiek’, waarin het ideaal der tooneelspeelkunst omstreeks 1800,
aan de hand van tallooze teekeningen, uitvoerig is beschreven
1. Jelgerhuis bouwde
voort op de theorieën, zooals Jan Punt en in zekeren zin ook Corver ze
toepasten (vgl. bl. 51). Hij richtte zich, evenals Punt, naar de wenken van
Karel van Mander en
De Lairesse, maar werkte deze opvattingen
nog consequenter uit.
De leer der contrasten vormde ook voor den tooneelspeler omstreeks
1800 den grondslag van zijn tooneelspeelkunst. De houdingen der armen en
beenen; van boven- en onderarm moesten onderling zooveel mogelijk tegengesteld
zijn, zoodat een plastische houding werd verkregen. De bewegingen waren daarbij
altijd ‘gracieus’, ‘zwierig’ en ‘bevallig’
en als balletdans gestyleerd. Toch gaf dit spel meermalen een indruk van
angstwekkende realiteit. Vooral van de grooten uit dien tijd vernemen wij
merkwaardige voorbeelden van een bijna sensationeel realisme in het spel,
zooals Wattier's sterfscène in ‘Semiramis’,
haar slaapwandelscène in ‘Macbeth’ en
détails in Snoek's
Hamlet.
De voordrachtkunst was even streng gestyleerd als het tooneelspel.
Van het Fransche tooneel nam men de gewoonte over, om een versregel vlug achter
elkaar te spreken, en op de laatste mannelijke lettergreep aan te houden
2. Deze wijze van voor- | | | | dragen, waartoe het Nederlandsch
zich minder goed leende, werd meermalen becritiseerd, o.a. door Prof.
Siegenbeek. Als voorbeeld haalt deze de
rol van den Bode aan: bv. de regels
‘Wie zou 't godvruchtigh hoofd een hair bezeeren
konnen
Omheint met eenen muur van godverloofde nonnen,
Gestrengelt arm in arm! O Christelijcken knoop!’
waarin de woorden konnen, nonnen en knoop teveel nadruk kregen,
zoodat de beteekenis van den zin niet tot haar recht kwam.
Evenals voorheen werden de rollen in emplooien verdeeld. Deze
droegen nu Fransche namen: de rol van Gijsbreght werd in 1808 gespeeld door den
‘1r rôle’:
Andries Snoek, maar in 1812 door den
‘père noble’:
Westerman en den ‘raisonneur’:
Jelgerhuis. Als Badeloch trad
Wattier-Ziesenis op, de ‘premier
rôle distingué et mère noble’; in 1812 de
‘amoureuse’:
Grevelink-Hilverdink. Voor den Bode
speelde de ‘1r rôle’: Snoek, voor Klaeris de ‘2me
amoureuse’: Mejuffrouw
Adams; voor Gozewijn de ‘père
noble’:
Majofsky; voor Willebord en broer Peter de
‘3me rôle marqué et caricature’:Rombach, die later dikwijls als Vosmeer optrad; voor
Diedrick de ‘1r comique’.
Het is niet mogelijk, alle acteurs te noemen, die wel eens in den
‘Gijsbreght’ hebben meegespeeld. Evenals voorheen, veranderde ook
in de 19e eeuw de rolverdeeling bij iedere voorstelling.
De rol van Gijsbreght van Aemstel werd tusschen 1795 en 1820
vervuld door:
Andries Roos (vòòr 1801),
Ward Bingley (tot 1803, zie hiervoor, bl.
72),Samuel Cruys (tot 1805),
Dirk Sardet (tot 1810, zie hiervoor, bl.
72),
Andries Snoek (na 1803 tot 1827),
Johannes Jelgerhuis (na 1805 tot 1836), en
Maarten Westerman (na 1808 tot 1852).
De meesten dezer acteurs speelden om beurten ook voor den Bode.
Andries Roos (1766- 1801), die met den troep van Snoek naar
den Amsterdamschen Schouwburg was overgegaan, moet | | | | ‘een
uitmuntend vorst, père noble en raisonneur’ zijn geweest.
Samuel Cruys († 1808) speelde in de laatste jaren van de 18e eeuw
voor Gijsbreght, ‘en partage’ met Bingley. Hij was een
hartstochtelijk, romantisch tooneelspeler en werd beroemd in de titelrol van
den draak, die destijds opgang maakte: Aballino, of de groote bandiet. Daarin
heeft Cruys zijn stem door te hard schreeuwen voorgoed bedorven. In 1808 is
hij, krankzinnig, gestorven.
De groote Gijsbreght-spelers waren echter Andries Snoek en Johannes
Jelgerhuis.
Andries Snoek (1766-1829) (afb.
14) was geboren te Rotterdam, waar hij met zijn zuster Helena, de directie van
den schouwburg heeft gevoerd. Zij hadden daar zelfs al eens ‘Gijsbreght
van Aemstel’ gespeeld. Na eenige jaren te hebben rondgereisd, werden
Snoek en zijn troep zooals wij reeds eerder zagen, aan den Amsterdamschen
Schouwburg verbonden. Hier kwam hij langzamerhand naar voren als speler van
klassieke heldenrollen; sinds Punt had men in den schouwburg niet meer zulk
monumentaal spel kunnen bewonderen. Volgens een tijdgenoot bezat hij een
‘majestueuze gestalte, een edele houding, en een grootsch orgaan’.
Snoek was het ideale type van den neo-klassieken tooneelheld, zooals Talma in
Frankrijk; zijn glansrollen waren dan ook de vaderlandsche en klassieke helden,
en ook Gijsbreght van Aemstel paste in dit repertoire. Een van zijn mooiste
détails in die rol was het heroïsche tooneel met den heer van
Vooren, waarin Snoek op bijzonder indrukwekkende wijze zijn vijand van repliek
diende. Snoek's mooie stem en zijn expressieve zeggingskunst maakten hem ook
zeer geschikt voor de rol van den Bode. In later jaren is het bewogen verhaal
zelden op zulk een indrukwekkende en ontroerende wijze gezegd, als door hem.
Zijn voordracht had een zangerig karakter, en schijnt Punt's
‘heldentoon’ weer nabij te zijn gekomen. Snoek, aldus de criticus
Barbaz, ‘schilderde elk tafreel door
woorden en door standen’.
Daarbij merkt de schrijver in een noot op:
| | | | ‘Alle de verhalen in den Gijsbrecht zijn
volstrekt in den heldentoon geschreven en behooren dierhalve eenigszins te
worden opgezongen, inzonderheid dat van den Bode. 't Moet hier de gewoone toon
des treurspels niet zijn, maar de welsprekendheid van den katheder, die wel een
weinig declamatie vereischt.’
1
Deze opvatting van den neo-klassicist Barbaz sluit dus volkomen aan
bij de declamatiekunst van Jan Punt, welke op bl. 50 is besproken. De
tooneelspeelkunst van dezen tijd was echter beweeglijker, minder stijf en
afgemeten dan die van Punt.
De zeer deskundige schouwburgregent
Hieronymus, Baron van Slingelandt schrijft
in zijn particuliere tooneelaanteekeningen, in December 1813:
‘Allerfraayst speelde Snoek in de heerlijke Rol van den Bode. Welke
uitdrukking en welke gebaarden! het is alles zoo schoon en fraay dat men geen
woorden genoeg heeft om het uittedrukken’.
Volgens een anderen tijdgenoot bracht Snoek een fijn détail
in zijn spel, door bij den regel: ‘En boet'er schendigh meê zijn
godvergeten lust.’ (r. 1475), Gijsbreght bij de hand te nemen en hem de
woorden in het oor te fluisteren, ‘zoodat Badeloch gecenseerd was ze niet
te verstaan; een takt, die bijdroeg tot de grootheid van Snoek in deze
rol’. (De Spektator 's-Grav. 1845).
Johannes Jelgerhuis (1770-1836)
was de stamvader van een uitgebreide tooneelfamilie, waartoe o.a. Mevrouw
Kleine-Gartman en
Morin behoorden. Zijn beteekenis voor het
nageslacht is zeer groot geweest. Nog op hoogen leeftijd vertelde zijn leerling
Veltman met groote bewondering van
hem.
‘Nog zie ik boven den muur den helm van Jelgerhuis uitkomen en
hoe mooi hij opkwam. Want Jelgerhuis mocht geen krachtig geluid hebben, - hij
behield ook een ietwat Friesch accent, - zijn zeggen was voortreffelijk en zijn
gebaren en standen waren vol uitdrukking.’
2
Zijn spel was buitengewoon suggestief: ‘hij sleepte je mee.
Zonder | | | | te spreken, wist hij te toonen, wat hij ging doen. Hij was
een man, die je de illusie van de werkelijkheid gaf - hij was een groot
artist.’
1
De rol van den Bode werd door hem, zooals destijds de gewoonte was,
met breede gebaren gespeeld. Nog aan het einde van de vorige eeuw wist, volgens
Rössing ‘
Alberdingk Thijm te verhalen, of eigenlijk
met gebaarden-en-al na te doen, hoe indertijd Jelgerhuys op de vraag:
“Hoe droeg Klarisse zich” - het antwoord: “Zij holp den degen
trekken uit Ooms bebloede zijde” zeide op eene wijze en met een gebaar
alsof men het zag’- -
2
Maarten Westerman (1775-1852), die
veel stukken schreef en vertaalde, en meestal ook den Nieuwjaarswensch
samenstelde, heeft dikwijls de titelrol gespeeld, ofschoon hij meer voor de
‘pères nobles’ in de blijspelen, zijn eigenlijk emplooi,
geschikt was.
De acteur
Croese († 1809), een zeer
verdienstelijk ‘raisonneur’ speelde ook wel eens voor den Bode.
Omdat hij bijzonder goed voordroeg en door zijn lange figuur voor weinig rollen
geschikt was, liet men hem meestal gelegenheidsgedichten reciteeren, zooals in
1802 een Hulde aan Vondel.
De rol van Badeloch is tusschen 1795 en 1825 gespeeld door
Jacoba Sardet-Wouters (tot 1812), Johanna Cornelia Wattier-Ziesenis (tot 1812),
Helena Snoeck-Snoek (tot 1807), Anna Maria Kamphuizen-Snoek (tot 1845) en
Geertruida Grevelink-Hilverdink (tusschen 1808 en 1827).
Jacoba Sardet-Wouters (zie ook
hiervoor, bl. 72) († 1812) speelde Badeloch ‘met vuur, kracht en
waardigheid’. ‘De edele moeders behoren nog altijd, mitsgaders de
tedere echtgenoten, haar bij uitsluiting toe’, schreef in 1805 een
tijdgenoot
3.
De grootste Nederlandsche tooneelspeelster van alle eeuwen is | | | |
Afb. 12.

Vroeg-19e-eeuwsche gravure van den Amsterdamschen
Schouwburg met de scène uit het 4e bedrijf “Gijsbreght van
Aemstel”.
| | | | Afb. 13 en 14.

Links: Vosmeer de Spie aan het einde der 18e eeuw volgens
een teekening uit dien tijd. (Coll. Rondel, Parijs.) Rechts: Een volgens
Jelgerhuis goedgelijkend portret van Andries Snoek als Gijsbreght van Aemstel
in December 1818. (Vondelmuseum.)
| | | |
Johanna Cornelia Wattier-Ziesenis
(1762-1827) geweest. Geen Nederlandsche actrice was zoo algemeen gevierd als
zij. Alle achtereenvolgende regeerders van ons land in deze veelbewogen periode
wilden haar zien spelen, en lieten van hun groote bewondering, door aanbieding
van geschenken en eerbewijzen, blijken.
Napoleon noemde haar zelfs de grootste
actrice van Europa. Er moet een bijna hypnotische kracht van haar spel zijn
uitgegaan; niemand kon zich daaraan onttrekken. Als Wattier speelde, was het op
alle rangen doodstil in de zaal, hetgeen destijds maar zelden voorkwam
1. Haar tooneelspel
gaf vaak een angstwekkenden indruk van echtheid en toch bleef het altijd binnen
de perken van het neo-klassieke schoonheidsideaal: zwierig en bevallig.
Wattier's stem moet zeer doordringend zijn geweest; haar voordrachtkunst
buitengewoon suggestief. De houding van deze actrice was steeds vorstelijk,
waardig en statig, de mimiek en vooral de uitdrukking van haar oogen, zeer
expressief. Wattier's veelzijdigheid was merkwaardig groot: in de meest
uiteenloopende rollen schitterde zij.
Over haar Badeloch-vertolking schrijven vele tijdgenooten vol lof.
Vooral moet haar stil spel in deze rol bijzonder goed verzorgd zijn geweest,
zooals in de droom-scène en tijdens het verhaal van den Bode. Wattier
bracht geheel nieuwe kanten van de figuur naar voren; schoonheden, waaraan men
nimmer eerder had gedacht.
Aan Prof.
Siegenbeek moet zij er zich eens over
hebben beklaagd, dat de rol van Badeloch zelden naar behooren werd uitgevoerd.
Als het belangrijkste deel ervan beschouwde zij de ‘verschillende
gewaarwordingen en gemoedsbewegingen, welke Badeloch, onder de uitvoerige
verhalen van Arend en Gijsbrecht van Amstel en vooral van den Bode, moet
uitdrukken’
2. Door dit stille spel
van | | | | Wattier en de boeiende voordrachtkunst van Snoek werd het
verhaal van den Bode een der hoogtepunten van het stuk. Wattier's verschijning
was echter wel iets té vorstelijk voor de rol van Badeloch. Eenigszins
zonderling was de gewoonte van dezen tijd om ook de Rey: ‘Waer werd
oprechter trouw’, door Badeloch zélf te doen voordragen; misschien
om een onderbreking van de handeling te vermijden.
Andries Snoek's zuster
Helena Snoeck-Snoek (1764-1807) was meer
dan Wattier de Hollandsche vrouw in de rol van Badeloch. Het echt-vrouwelijke
‘zachte en teedere’ karakter van Vondel's figuur kwam door haar
spel bijzonder goed tot zijn recht; zij speelde Badeloch zeer natuurlijk en
menschelijk. Nog enkele dagen voor haar dood is zij als Badeloch opgetreden;
haar laatste woorden op het tooneel waren: ‘Wij gaan en keeren nimmer
weer’....
1
Een zuster van Andries Snoek en een leerling van Wattier was
Anna Maria Kamphuizen-Snoek
(1779-1849). Zij is een halve eeuw lang aan den schouwburg verbonden geweest,
en vervulde gewoonlijk de ‘teedere rollen’ en de
‘amoureuses’.
‘Een bevallig voorkomen, een zagte, gevoelvolle toon,
uitdrukking en kracht, zuivere uitspraak en voortreffelyke gebaarden, geven
deze tooneelspeelster reeds de rechtmatigste aanspraak op de onverdeelde
goedkeuring, die haar ten deel valt’, zegt een tijdgenoot. ‘Eene
edele houding, bevalligheid, hooge waardigheid, en haare yverige pogingen om
zich naar groote voorbeelden te vormen, billyken deze met haare verdienste
overeenkomstige achting nog meer.’
2
Een andere leerling en een waardige opvolgster van Wattier was
Geertruida Jacoba
Grevelink-Hilverdink († 1827), die in 1813 volgens een
tijdgenoot uitmuntend voor Badeloch | | | | speelde. Ook zij bracht het
Hollandsche karakter van Vondel's figuur sterk naar voren.
Van de overige personen dient in de eerste plaats Gozewijn te
worden genoemd. Deze kleine rol werd jarenlang voorbeeldig vervuld door den
vooraanstaanden acteur:
Theodorus Johannes Majofsky
(1770-1836).
Majofsky speelde meestal de ‘pères nobles’ in het
blijspel. Treurspel en blijspel waren vóór dezen tijd nog streng
gescheiden, en men verwachtte in een comedie nimmer een tragische noot. Aan het
einde der 18e eeuw deed echter de ‘comédie larmoyante’, de
tragi-comedie, haar intrede. Majofsky nu, is in ons land de eerste
tooneelspeler geweest, die in een blijspel wist te ontroeren. Zijn natuurlijke,
‘gewone’, menschelijke spel was iets nieuws voor dezen tijd, maar
paste volkomen in de door Corver geschapen traditie. Men kan hem dan ook als
een van de eerste moderne, naturalistische acteurs beschouwen. Terwijl de
klassieke, gestyleerde tooneelspeelkunst in den loop van de 19e eeuw is
afgestorven, ontwikkelde het tooneel zich steeds meer in de richting van het
realisme. De kunst van Majofsky en zijn nazaten (tot wie de actrice
Marie van Westerhoven behoort), muntte
altijd door deze echt-Hollandsche natuurlijkheid uit.
Van Majofsky's Bisschop Gozewijn roemt een tijdgenoot ‘de
waardigheid, de majestueuze houding, het eerbied- en liefde inboezemende
gelaat, de zieltreffende stem des herders’. Een ander schrijft:
‘hoewel niet zeer geschikt tot het vaersen reciteeren, speeld de heer
Majofsky de rol van den Bisschop fraaij en ik geloof er weinig zullen gevonden
worden, die deze Rol met zo veele eerwaardigheid speelen’
1
Majofsky is ook een uitstekende Thomasvaer geweest. Deze
oudhollandsche blijspelfiguur was steeds de tegenhanger van den nationalen held
Gijsbreght van Aemstel; Majofsky's gemoedelijke | | | | Thomasvaer paste
geheel en al in dit onderdeel der Gijsbreghttraditie.
Nog altijd werd de rol van Vosmeer de Spie met
‘belagchelijke gebaren’ en in het ‘Gooische
boerendialect’ gespeeld. Ook nu werd deze verkeerde opvatting
herhaaldelijk becritiseerd. De ‘Tooneelkijker’ (1816) acht Vosmeer
een vermomd edelman, ‘die voor het algemeen belang de rol van eenen
overlooper aanneemt, en, zooals het blijkt, de geheele krijgslist
bestiert’.
Het komische emplooi veranderde echter langzamerhand van karakter,
en werd meer geschakeerd: er waren nu ‘haut-, bas- en fin
comiques’. Aan het begin van de 19e eeuw ontstonden nieuwe emplooien
zooals de ‘rôle marqué et caricature’, waarbij ook de
romantische verradersrollen werden ingedeeld. Zoo is op den duur Vosmeer een
rol voor den ‘marqué’ geworden. Nog in 1910 werd de Spie
echter door den ‘karakterkomiek’ gespeeld, en zelfs Louis
Bouwmeester sprak nog met het ‘boerenaccent’.
Omstreeks 1800 traden de beroemde karakterkomiek Gerrit Carel
Rombach (1784-1833) en de komiek Rosenveldt († 1847) als
Vosmeer op. Laatstgenoemde is de stamvader der Bouwmeesters geweest.
‘Alles aan dezen kunstenaar’, schrijft een tijdgenoot
1, ‘want dat was hij in den volsten zin des woords, - zijn
gestalte, zijn houding, zijn gebaar, zijn oogopslag, zijn stem, zijn spreken
was Ur-komisch. - Bij ‘Heer Gijzelbreght, gena. Ick geef mij in uw
schut’, en bij ‘'t Is doncker, ick ben nat’ daverde de zaal
van het lachen’......
De rol van Arend van Aemstel werd door de 2ds amoureux
vervuld, o.a. door
Van Hulst, die ‘met kracht en warmte
speelde’, en
Evers, wiens voordracht van het verhaal in
het vierde bedrijf vooral zeer goed was.
| | | | | |
De tooneelaankleeding omstreeks 1800.
De décors bleven na 1800 nog in hoofdzaak dezelfde
als vroeger. Volgens een prentje uit het begin van de 19e eeuw (afb. 12) werd
de kerkscène nog altijd in Barbiers' kloosterkapel gespeeld (afb. 10).
Maar voor de weergave van het burchtvertrek beschikte men sinds 1785 over een
décor van
Waldorp: ‘het Gotisch
Paleis’. Dit werd meestal gebruikt in de historische stukken, welke
destijds opgang maakten. De zaal bestond uit eenige zijcoulissen met
ridderbeelden, een quasi-gothische poort en gothische vensters, en een
achtergrond met drie bogen, waardoor men in een ander vertrek zag. De stijl van
dit décor was nogal vreemdsoortig, maar er blijkt uit, hoezeer men in
deze vroegromantische periode, ook op het tooneel de behoefte aan
‘gothiek’ gevoelde.
Het eerste bedrijf werd nog altijd in ‘het
Winterbosch’ gespeeld (afb. 9); terwijl vóór 1813
Rafaël dikwijls in.... ‘de Italiaansche Straat’ neerdaalde.
Omstreeks 1815 zag men volgens een tijdgenoot in het laatste bedrijf een
‘slotplein met eene poort in den muur op den achtergrond, boven welke
muur men de brug kon zien uitsteken’. Badeloch kwam uit dit slot en
Arend's sterfscène speelde zich in de poortopening af (vgl. afb. 7).
Rafaël daalde nog altijd in ‘de Wolk’ neer. Een
beginneling, die nog niet met het toestel vertrouwd was, hield zich eens bij
het neerdalen aan een touw vast, om niet te veel heen en weer te
schommelen!
In 1817 werd ‘Gijsbreght van Aemstel’ in geheel nieuwe
décors, van
J. Wennink en
W. de Vries, vertoond. De toeloop was
enorm: veertien keer achtereen is het stuk toen gespeeld.
Volgens een affiche voor een opvoering op Kerstavond van het jaar
1803 was het treurspel toen voor het eerst ‘vercierd met costumes en
wapenrustingen van dien tijd’. In dat jaar had blijkbaar de 16e-eeuwsche
costumeering eindelijk voor een middeleeuwsche plaats gemaakt.
| | | | De grootste verbeteringen in het
tooneelcostuum zijn aangebracht door
Jelgerhuis, die sinds 1804 aan
den schouwburg verbonden was. Hij streefde naar een zoo getrouw mogelijke
weergave van de historie. Jelgerhuis ging hierin veel verder dan
Corver en maakte zeer uitvoerige en
diepgaande studies van het historische costuum, hetwelk hij zijn leerlingen
nauwkeurig voorteekende. ‘De kleeding van de vorige generatie was nog
niet wat zij wezen moest’, zegt Jelgerhuis in 1808: ‘Achilles was
gepoederd; - Gijsbrecht van Amstel in het kleed van Ao. 1600. Zoo verwaarloosde
men toen het zoeken naar waarheid’
1. Tot zelfs de kleinste détails
van het costuum werden door hem beschreven. Zoo vond hij ergens vermeld, dat
Gijsbrecht van Amstel tot de Orde van St. Jakob behoorde; daarom kon de acteur,
die deze rol speelde, ‘zich met die orde versieren’.
De helm, dien
Snoek volgens de teekening in 1818 droeg
(afb. 14), ziet er echter nog niet zeer middeleeuwsch uit. ‘Jacoba van Beieren’ werd trouwens ook nog in
costuums van drie stijlen door elkaar gespeeld (vgl. ook bl. 96; Hoedt als
Arend).
Jelgerhuis' ontwerp voor het costuum van Badeloch (afb. 15),
vertoont een nog half 18e-eeuwsch kapsel, ofschoon hij wel voorschrijft, dat
‘Badeloch ongepoederd blijve’. Het zwart fluweelen costuum was met
wit bont afgezet. Jelgerhuis' Badeloch-costuum is blijkbaar de voortzetting van
een traditie: Mejuffrouw Punt droeg immers al in deze rol een met bont
afgezette japon. Het fluweelen gewaad, met een hermelijnen rand is nog tot in
onzen tijd het traditioneele costuum gebleven: zelfs
Christine Poolman en
Theo Mann-Bouwmeester hebben het nog
gedragen (Zie de caricatuur uit 1895: afb. 19).
De in afb. 13 gereproduceerde kop van Vosmeer is vermoedelijk ook
van Jelgerhuis
2. Hij ziet er kwaadaardig uit met zijn loerende
| | | | oogen en rooden neus, en draagt een vreemdsoortige roode puntmuts
met bont vóór en achter, en een groote veer; het hemd is blauw
geruit. Er bestaat uit denzelfden tijd ook een teekening van ‘den Engel
Rafael’: een vrouwefiguur in een Grieksch gewaad (vgl. afb. 11), met
naakte armen en een naakt been, een doek over het hoofd; met hangende haren en
aan de schouders groote vleugels
1.
Klaeris verscheen evenals Gozewijn met een staf.
Tegen het einde der 18e eeuw werkten 15 personen mede aan de
‘Stomme Vertooning’, die in 1808 een keer is weggelaten.
In de jaren 1815/1816 en 1816/1817 werd voor het eerst weer eens
de Rey van Amsterdamsche Maeghden aan het eind van het 1e bedrijf
uitgesproken. Sinds 1825 is deze Rey weer jaarlijks voorgedragen.
Hoe ‘Gijsbreght van Aemstel’ vóór 1815
werd gespeeld, beschrijft een tijdgenoot uitvoerig in het Leeskabinet van 1846.
Een samenvatting van dit verhaal moge hier, ter illustratie van het
bovenstaande, volgen.
Voor het gesloten gordijn speelde eerst muziek, die vervolgens
eenige oogenblikken zweeg, om dadelijk weer een zachtere melodie aan te heffen.
Er klonk een schel, waarna de groote kaarsenkroon als door een onzichtbare
macht door een opening in het plafond naar boven getrokken werd; onderwijl ging
het gordijn omhoog. Het tooneel stelde een wintersch landschap voor, met de
oude Haarlemmer Poort in het midden. Een van koude bibberende portier ontsloot
het buitenhek, waarna Gijsbrecht, voorafgegaan door zijn lijfwacht, naar buiten
trad. Thans eerst zweeg de muziek.
Met een dankbaren blik omhoog ving de held den proloog aan als
iemand, die aan zijn overkropten boezem lucht geeft; die door zijn gevoel
meegesleept zijn gevolg vergeet en zijn hart uitstort, als stond hij daar
alleen, door niemand opgemerkt. Tot slot van het bedrijf kwam door | | | |
de geopende poort, deftig en waardig een Rei van Amsterdamsche Maeghden, om de
moedige krijgers te verwelkomen.
Het volgende tooneel vertoonde in plaats van de poort een
eerwaardig klooster met een lagen buitenmuur. Vosmeer kwam door de gracht naar
buiten gezwommen. In het derde bedrijf zag men Badeloch, die aan een tafel was
ingeslapen, ontwaken. Door Wattier's suggestieve voordracht van den droom
vergat men, dat het spel was, wat men aanschouwde.
Het drama speelde zich op zeer boeiende wijze af; men leefde
geheel en al mee met het gebeuren op het tooneel.
| |
De populariteit
De bloeiperiode van ons tooneel, kort na 1800, is ook voor de
waardeering van Vondel een bijzonder gunstige tijd geweest: zoowel in 1802, als
in 1818 werd na ‘Gijsbreght van Aemstel’ een hulde aan Vondel
gebracht.
Hoe populair ‘Gijsbreght’ in den Franschen tijd was,
blijkt ook uit de vertooningen van het treurspel door marionetten in het
beroemde kermistheater ‘De Vier Kroonen’, dat meer dan een eeuw
lang bestaan heeft.
Op de Amsterdamsche Botermarkt, tusschen het Kabinet van wassen
beelden en een dwergenherberg; tegenover een beestenspel en achter goochelaars,
wonderdokters en koorddansers, stond de bontbeschilderde tent van ‘De
Vier Kroonen’, waar op Zaterdag, den avond van den grootsten toeloop,
Vondel's ‘Gijsbreght van Aemstel’ werd vertoond als hoofdnummer van
het uitgebreide programma!
1
De geheele 19e eeuw door, bleef de ‘Gijsbreght’ en
vooral de ‘Stomme Vertooning’ daaruit, een geliefd onderdeel van
het Amsterdamsche kermisvermaak.
De opvoering van het treurspel in het bevrijdingsjaar 1813 werd
een nationale gebeurtenis. Ter eere van den Prins | | | | van
Oranje, die erbij aanwezig was, reciteerde Rafaël eenige toepasselijke
versregels betreffende den band tusschen Nederland en Oranje; deze verzen waren
door Prof.
D.J. van Lennep vervaardigd.
MejuffrouwKamphuizen-Snoek, die ze moest uitspreken,
nam uit angst om te blijven steken, haar man in de ‘wolk’ mee om
zoo noodig te souffleeren, tot grooten schrik van den tooneelmeester, aangezien
het toestel niet voor twee personen was gebouwd! De Schouwburg daverde van het
enthousiasme na Rafaël's actueele voorspelling, en bij den zeer
hartelijken Nieuwjaarswensch van Thomasvaer werd de Prins opnieuw langdurig
toegejuicht. De eerste heropvoering van het nationale treurspel in het
onafhankelijke Nederland werd een uiting van warme vaderlandsliefde!
Zoo heeft dus ook Gijsbreght van Aemstel de vreugde om het herstel
van de Nederlandsche onafhankelijkheid in zijn onmiddellijke nabijheid mogen
beleven. Doch niettegenstaande nu de rust in het maatschappelijk leven was
teruggekeerd, kwam er, door verschillende oorzaken, spoedig een einde aan den
grooten bloeitijd van ons tooneel.
|
1Zie ‘Johannes Jelgerhuis’ in de
Nieuwe Rotterdamsche Courant van 6/10 1936 avbl.
2Onder de regeering van
Napoleonsprak men zelfs in het
dagelijksche leven zoo. De Keizer zélf moet een keer aan
Bilderdijk hebben gevraagd: Etes vous
connu dans la république des Lettres? met nadruk op u en op het
laatste woord. Bilderdijk gaf een rijmend antwoord op denzelfden toon: Au moins
j'ai fait ce que j'ai pu pour L'être, waarover Napoleon hem
vreemd, en niet wetende hoe hij dit moest opnemen, aanzag. (Is. da Costa,
De mensch en de dichter Bilderdijk, H'lem, 1859 bl.
144.)
1Barbaz, A.L., Gedenkzuil voor Neêrlands
hoogverdienstelijken tooneelkunstenaar, Andries Snoek. Amst. 1829.
2J.H. Rössing in het Nieuws van den Dag,
5/1/1904.
1Justus van Maurik, Toen ik nog jong was, Amst.
1901.
2J.H. Rössing in het Nieuws van den Dag.
12/1 1905.
3C.F. Haug, Brieven uit Amsteldam, enz. A'dam,.
1805.
1Op Nieuwjaarsdag van het jaar 1826 gingen,
volgens een tijdgenoot, door de groote herrie de eerste bedrijven van
‘Gijsbreght van Aemstel’ geheel verloren!
2M. Siegenbeek, Wattier-Ziesenis, Eerste
Tooneelkunstenaresse van Nederland. Haarlem 1828.
1Zie haar portret in de rol van Badeloch
in: Worp-Sterck, Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg.
2Haug, Brieven uit Amsteldam, bl.
107.
1H. Baron van Slingelandt in zijn
Tooneelaanteekeningen.
1M. Wijbrands in De Kunstwereld van Nov.
1894.
1Jelgerhuis, J., Antwoord op de vraag: Welke
was de verleden staat van het Nederlandsch Tooneel enz. (1/1/1808) in: Noord-
en Zuid-Holl. Tooneelalmanak 1877.
2Het origineel is aanwezig in de Collection
Rondel te Parijs.
1Eveneens in de Collection Rondel.
1Zie ‘Een oudhollandsch
kermis-poppentheater’ in Het Tooneel van Aug. 1934 en het Alg.
Handelsblad van 16/8/1934 av.
|
|