|
|
|
| |
| | | | | | | |
F.T. Marinetti: Eerste futuristisch manifest (1909)
De bekende 11 punten uit dit manifest, die we hier laten volgen, verwekten onrust
zoowel in het atelier der schilders, als aan de schrijftafel der sentimenteele
dichters, die in verbruikte beelden 'n totaal vergane levensbeschouwing
trachtten te handhaven. De, destijds nieuwe, dynamische levensbeschouwing werd
in de volgende punten geproclameerd:
| 1. | Nous voulons chanter l'amour du danger, l'habitude de l'énergie et de la
témérité. |
| 2. | Les éléments essentiels de notre poésie seront le courage, l'audace et la
révolte. |
| 3. | La littérature ayant jusqu'ici magnifié l'im-mobilité pensive, l'extase et
le sommeil, nous voulons exalter le mouvement agressif, l'insommie
fiévreuse, le pas gymnastique, le saut périlleux la gifle et le coup de
poing. |
| 4. | Nous déclarons que la splendeur du monde s'est enrichie d'une beauté
nouvelle: la beauté de la vitesse. Une automobile de course avec son coffre
orné de gros tuyaux tels des serpents à l'haleine explosive.... une
automobile rugissante, qui a l'air de courir sur la mitraille, est plus
belle que la Victoire de Samothrace. |
| 5. | Nous voulons chanter l'homme qui tient le volant dont la tige idéale
traverse la Terre, lancée elle-même sur le circuit de son orbite. |
| 6. | Il faut que le poète se dépense avec chaleur, éclat et prodigalité, pour
augmenter la ferveur enthousiaste des éléments primordiaux. |
| 7. | Il n'y a plus de beauté que dans la lutte. Pas de chef-d'oeuvre sans un
caractére agressif. La poésie doit être un assaut violent contre les forces
inconnues, pour les sommer de se coucher devant l'homme. |
| | | |
| 8. | Nous sommes sur le promontoire extrême des siècles!.... A quoi bon
regarder derrière nous, du moment qu'il nous faut défoncer les vantaux
mystérieux de l'Impossible? Le Temps et l'Espace sont morts hier. Nous
vivons déjà dans l'absolu, puisque nous avons déjà créé l'éternelle vitesse
omniprésente. |
| 9. | Nous voulons glorifier la guerre, - seule hygiène du monde, - le
militarisme, le patriotisme, le geste destructeur des anarchistes, les
belles Idées qui tuent, et le mépris de la femme. |
| 10. | Nous voulons démolir les musées, les bibliothèques, combattre le
moralisme, le féminisme et toutes les lâchetés opportunistes et utilitaires. |
| 11. | Nous chanterons les grandes foules agitées par le travail, le plaisir ou
la révolte; les ressacs multicolores et polyphoniques des révolutions dans
les capitales modernes, la vibration nocturne des arsenaux et des chantiers
sous leurs violentes lunes électriques; les gares gloutonnes avaleuses de
serpents qui fument; les usines suspendues aux nuages par les ficelles de
leurs fumées; les ponts aux bonds de gymnastes lancés sur la coutellerie
diabolique des fleuves ensoleillés; les paquebots aventureux flairant
l'horizon; les locomotives au grand poitrail, qui piaffent sur les rails,
tels d'énormes cheveaux d'acier bridés de longs tuyaux, et le vol glissant
des aéroplanes, dont l'hélice a des claquements de drapeau et des
applaudissements de foule enthousiaste. |
| | | |

Literatuurmanifest van De stijl (1920)
DE STIJL MAANDBLAD GEWIJD AAN DE MODERNE BEELDENDE VAKKEN EN
KULTUUR REDACTIE: THEO VAN DOESBURG.
3E JAARGANG. APRIL NEGENTIENHONDERDTWINGITG.
NUMMER 6.
MANIFEST II VAN ‘DE STIJL’ 1920 DE LITERATUUR
het organisme van onze hedendaagsche literatuur teert nog geheel op de
sentimenteele gevoelens eener verzwakte generatie
HET WOORD IS DOOD
de naturalistische cliché's en de dramatische woordfilms
die de boekenfabrikanten ons leveren per meter en per pond
bevatten niets van de nieuwe handgrepen van ons leven
HET WOORD IS MACHTELOOS
de asthmatische en sentimenteele ik- en zij-poesie
die overal en vooral in holland
nog gepleegd wordt onder de invloeden van een ruimteschuw individualisme
gegist overblijfsel van een verouderden tijd
vervullen ons met weerzin
de psychologie in onze romanliteratuur
slechts berustend op subjectieve inbeelding
de psychologische analyse
en meer belemmerende spraakrethoriek
hebben ook de BETEEKENIS VAN HET WOORD GEDOOD
de netjes naast en onder elkaar geplaatste zinnen
deze dorre FRONTALE zinsbouw
waarin de vroegere realisten hun tot zichzelf beperkte ervaringen
uitdrukten
| | | |

zijn ten eenenmale ontoereikend en onmachtig om de collectieve ervaringen van
onzen tijd
tot uitdrukking te brengen
evenals de oude opvatting van het leven
zijn de boeken op de
LENGTE den DUUR gebaseerd
ze zijn
DIK
de nieuwe levensopvatting berust op de
DIEPTE en de INTENSITEIT
zóó willen wij de poesie
om de menigvuldige gebeurtenissen
om en door ons heen
literair te construeeren
is het noodig dat het woord
zoowel volgens het begrip als volgens de klank
hersteld wordt
is in de oude poesie
door overheersching van relatieve en subjectieve aandoeningen
de innerlijke beteekenis van het woord te gronde gegaan
wij willen met alle middelen die ons ten dienste staan
syntaxis prosodie typografie arithmetica
orthografie
het woord een nieuwe beteekenis en een nieuwe uitdrukkingskracht geven
de dualiteit tusschen proza en vers kan niet voortbestaan
de dualiteit tusschen inhoud en vorm kan niet voortbestaan
daarom zal voor den modernen schrijver de vorm een direct-spiritueele beteekenis
hebben
hij zal geen handeling beschrijven
hij zal in het geheel niet beschrijven
maar SCHRIJVEN zal hij
het collectief der handelingen herscheppen tot woord:
constructieve eenheid van inhoud en vorm
wij rekenen op de moreele en aesthetische medewerking van hen die medewerken aan
de
geestelijke hernieuwing der wereld
leiden april 1920 theo van doesburg/ piet
mondriaan/ antony kok
| | | |

Frederik Chasalle: Het barokke leven
(1917)
Het barokke leven door Frederik Chasalle
Pang! Pang! De feestklok barst onder het slaan. - De tijd is ontwricht; en een
brutale herrie neemt wraak in een grandioze razernij! Vensters springen,
zwierend als bliksemschichten, onder den druk van een zeldzamen storm, open.
Dwarrelend in den wind, als marionetten uit een omgekeerde doos der dwaasheid,
tuimelt het leven door elkaar. Pierrot, beenen in de lucht, schreeuwt om de
maan, die achter het tooneel staat te flakkeren. Verwoede muskieten doelpunten
op monsterlijke minnaressen in, die gillend opspringen en zwellen als
gasballons. Onder de voet geloopen, kindsche wijzen liggen stijf op hun neus
gevallen en murmelen in een laatsten snik verdoemenis van alle philosophie. Ach,
over het leege tooneel dansen eenzame balletteuses, op hol geslagen uurwerken,
zich idioot in hun verstrikking van serpentines. Als zij omliggen, sleept men ze
uitbundig weg aan de trillende voeten, en dekt met servetten hun wassen
gezichten toe van eeuwig onnoozele Gretchens. - Zie, een dronken-gevoerde
papagaai klimt omhoog in een los fladderend lint, en een accrobatische aap
jongleert aan het laagste uiteinde. De zaal, in opschudding, brult om dit
schouwspel. Een duivelsch orkestje, diep verdoken, speelt zich van plezier tot
louter ellebogen en vliegende haren. Een paukenist begint een felleren slag te
roffelen; de muziek gilt een nieuw oproer uit. - Maar men kan niet meer. Alles
hijgt van uitputting. Het bloed overstroomt de oogen en ooren. - Dan rennen -
als reddende engelen -, dwars door de confetti, een razende wolk voor zich
uitstuivend, twee reusachtige kalkwitte doggen en, als gedresseerd, springen zij
de lampen uit, die rinkelend naar beneden komen.
| | | |

Boris Mestchersky: illustratie uit De clowns en de
fantasten van Frederik Chasalle (1924)
| | | |

Eerste bladzijde van het verhaal Kromming uit de
bundel Novellen van Roel Houwink (1924)
Deuren werden opengeschoven.
Hun hoofden verstarden in het licht. Schaduwen legden zich over den vloer en de
geel-houten lessenaars. Het machinetikken - zondoorflitst - brak af. Stemgonzen
overspon de stilte.
Hij stond op. Draaide het licht aan in de kleedkamer, greep hoed en stok. De
portier grinnikte om zijn haast.
Op zijn kamer was koele schemer. Het koffiemaal stond gereed.
Dezen dag zou hij vieren.
Uit de grijze keien sloeg hitte bedwelmend. Wemeling van kleurvlekken dreef
voorbij. Zijn lendenen doorvlijmd. Dan zonken moedeloos-slap zijn armen. Hij
ging als een slaapwandelaar, achter zich de hoon: gek. En toch zijn wil.
Minderend rumoer bracht zijn vreugde groot. Het ademnauw kantoor, de stage
kringloop der leege dagen: kerkering.
Vlak in de zon zijn jeugd. Met dezen tocht zou hij jaren breken, tot weer de kern
van zijn leven grijpbaar lag.
Een stille landweg leidde zijn voeten.
| | | |
J.M. van der Mey: het Scheepvaarthuis te Amsterdam
(1911-1916)
| | | |

Twee bladzijden uit Stad van Ben
Stroman
In het tastbare licht van den herfstochtend gaan de eerste winkels open. De
werksters vegen de vloeren der kantoren. Voor het loket in de leege hal van het
postkantoor wachten de loopers. De bestellers hebben de post gesorteerd, de
manden klaar gezet. De loopers gooien de brieven over in hun groote reiskoffers.
Telkens dragen twee mannen een zwaren koffer weg. De ochtendpost voor de banken,
de reederijen, de werven en de fabrieken. - Woningen worden geopend. Bij de
tramhaltes wachten kleine groepjes. De bussen kunnen niemand meer bergen. De
hoofdstraten geraken vol fietsen. De kantoren openen, de scholen gaan aan. - De
stad werkt. - Tegen tien uur in den ochtend komen de onderwijzers met hun
klassen op straat. Bij stille pleintjes staat de jeugd in een kring, zingt
speelsche liedjes en danst. In rijen van vier zwenken de kinderen rond
straathoeken. - De café's loopen vol. Koffieuur. Alle telefooncellen zijn bezet.
En als een celdeur geopend wordt, schiet een brok zakenleven naar buiten:
- Nee, dat is uiterste prijs ...
- Hallo! met Amsterdam? Hallo!! ...
- Geen denken aan, meneer ...
-... dus over vijf minuten hier. Ik wacht ...
De stations spuwen de menschen uit, ze zuigen ze op, de treinen zijn vol. Over de
lange viaduct slaat het zware rhythme van een trein:
AMSTERDAM-BRUXELLES-PARIS. De kok staart over de stad. Zijn witte muts springt
over in de vensters van pakhuizen en logementen. Op het Beursplein hoort hij het
sjilpen van de musschen. Dan komen de bruggen, de havens. De troostelooze
achtergevels van de Rosestraat. Het emplacement Feijenoord ... Er jaagt een
trein achter hem langs, terug naar de stad.
| | | |

kozijnen glanzen als het wit van gebroken oogen. Reeds hebben de auto's lichten
op. De reclamezuilen prijzen de vreugden des levens:
ETHOVEN-AVOND
GEEF MIJ MAAR MI
H.O.
DON
KOZ RADIO
op
ieders
Lip!
BLAUW
WIT
GROEN
GEEL
ROOD
ZWART
De avond strijkt over de stad.
De kleuren vergaan, maar in de plassen en in het nat van keien en asphalt
beginnen de vele schakeeringen van licht uit winkels en wagens en trams ril te
leven. Nu fonkelen tallooze lichten op de Maas. Overdag was ze bruin-grijs en de
koppen der golven waren wit. Dreigend en hoog lagen de zeeschepen voor de lood-
| | | |

Theo van Doesburg: Compositie in zwart en wit (1918)
| | | |

J.J.P. Oud: woningen te Hoek van Holland (1924-1927)
| | | |

J.A. Brinkman en L.C. van der Vlugt: fabriek te Rotterdam
1925-1930)
| | | |

Pyke Koch: Achterbuurtrapsodie (1929)
|
|
|