De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

Inleiding

Het is bij veel Nederlandse taalkundigen gewoonte geworden een onderscheid te maken tussen ‘schoolgrammatica’ en ‘wetenschappelijke grammatica’. Dit onderscheid vindt men zowel in de opvattingen van de Europese als in die van de Amerikaanse hedendaagse linguïstiek. Het hangt nauw samen met het verschil in doelstelling: een schoolgrammatica heeft een normatieve, een wetenschappelijke grammatica een descriptieve strekking. Men verwacht evenwel dat een schoolgrammatica, hoezeer ook in doelstelling van wetenschappelijke grammatica onderscheiden, aan de resultaten van de wetenschap beantwoordt. Er bestaat echter een grammaticale traditie, waaraan de voor het onderwijs bestemde Nederlandse grammaticaboeken voldoen, terwijl de moderne linguïsten de traditionele grammaticale verantwoordingen als onhoudbaar verwerpen en door houdbare trachten te vervangen. Er is dus een discrepantie tussen traditionele en moderne grammatica. Reeds in 1934 overigens toonde Langeveld aan: ‘Als geheel is de gangbare grammatika inadaequaat’1.

Volgens de traditie wordt er gesproken van woordsoorten en zinsdelen. Dit berust op het algemeen aanvaarde feit dat er woorden en zinnen bestaan, wat dan ook noch in de Europese, noch in de Amerikaanse linguïstiek wordt betwijfeld. Weliswaar wil men dikwijls de termen ‘woord’ en ‘zin’ vermijden, en vervangt men deze door b.v. de term ‘taaluiting’ (‘utterance’), maar ook met ‘taaluiting’ heeft men iets op het oog dat traditioneel nu eens met ‘woord’, dan weer met ‘zin’ wordt aangeduid.

Wie kennis neemt van de moderne onderzoekingen stelt vast dat ook de hedendaagse linguïsten zich beroepen op noties uit de traditionele indeling, of op noties die met de traditionele indeling niet in tegenspraak zijn. Die omstandigheid vormt de primaire aanleiding tot de probleemstelling van deze studie. Het probleem bestaat in de verhouding tussen moderne taalwetenschap en grammaticale traditie. Het is uitgewerkt in een analyse van verschillende grammatische verschijnselen. Aan de resultaten hiervan werden enige traditionele opvattingen en begrippen getoetst. Wij zijn daarbij aanvankelijk te werk gegaan alsof wij ons, met

[p. 2]

een grammaticaal onderzoek van het Nederlands, op maagdelijk terrein begaven. D.w.z. wij zijn, gebruik makend van een algemeen wetenschappelijk beginsel, uitgegaan van expliciet geformuleerde vooronderstellingen, waarin geen enkel beroep is gedaan op grammaticale kennis, maar uitsluitend op taalbeheersing. Het is evenwel aannemelijk, althans niet uitgesloten, dat grammaticale kennis in zekere zin bepalend is voor onze taalbeheersing, aangezien wij nu eenmaal ‘hebben schoolgegaan’. Wij hebben daarom in het tweede gedeelte de analyse zelf weer aan een analyse onderworpen, om te kunnen vaststellen in hoeverre in onze beschouwing de traditie van woordbenoeming en zinsontleding een rol speelt, èn in hoeverre zij zich van de traditionele benadering distantieert. Het resultaat is dat enkele grammaticale gangbaarheden niet alleen verworpen, maar ook verklaard konden worden, terwijl andere konden worden geverifieerd als uitkomsten van een onderzoeksmethode waarvan de systematiek in de traditionele grammatica niet expliciet aan de orde wordt gesteld. Door het opsporen van noodzakelijke beginstadia in de grammaticale analyse hebben wij getracht de systematiek van die onderzoeksmethode toegankelijk te maken. Hierbij werd de beschouwingswijze toegepast welke in de methodeleer te boek staat als de spiritualistische beschouwingswijze en gesteld wordt tegenover de naturalistische beschouwingswijze. De plaats die onze analyse in de methodologie inneemt kan het duidelijkst worden gekarakteriseerd aan de hand van enkele uitspraken van de methodoloog Beth1.

‘Men pleegt bij het zoeken naar een verklaring voor de menselijke gedragingen gebruik te maken van twee zeer verschillende beschouwingswijzen. Ten eerste kan men deze gedragingen opvatten als processen, die in ruimte en tijd verlopen en die derhalve met behulp van de in de natuurwetenschappen gangbare werkwijze kunnen worden onderzocht (naturalistische beschouwingswijze).
Ten tweede kan men bij de verklaring van die gedragingen uitgaan van de toelichtingen, die de betreffende personen zelf ervan vermogen te geven (spiritualistische beschouwingswijze).’

De ‘betreffende personen’ worden in ons werk gerepresenteerd door ‘wie het Nederlands als zijn moedertaal beheerst’, waarvoor, op hun beurt, de lezers zich representatief kunnen stellen.

‘De naturalistische en de spiritualistische beschouwing van de
[p. 3]
menselijke gedragingen zijn complementaire beschouwingswijzen, zoals ook de deeltjestheorie en de continuumtheorie van de stof aan complementaire beschouwingswijzen beantwoorden.
Dat deze opvatting de juiste is, kan in het huidige stadium van de ontwikkeling niet worden bewezen. Men kan het echter als volgt plausibel maken. Zijn de spiritualistische en de naturalistische beschouwingswijze complementair, dan is te verwachten, dat drie groepen van menselijke gedragingen te onderscheiden zullen zijn, nl.
1. gedragingen, die uitsluitend met behulp van de naturalistische,
2. gedragingen, die uitsluitend met behulp van de spiritualistische,
3. gedragingen, die naar keuze met behulp van de naturalistische of van de spiritualistische beschouwingswijze kunnen worden behandeld.
Nu dringt zich evenwel een dergelijke onderscheiding van de menselijke gedragingen ook werkelijk bijna onweerstaanbaar aan ons op!’

In de linguïstiek komt deze complementariteit tot uitdrukking in de studie van vorm en betekenis als momenten van taalgebruik. Onder ‘vorm’ vallen díe verschijnselen in taalgebruik die in specifiek-ruimtelijke en -tijdelijke eigenschappen kunnen worden beschreven (klank- en schriftbeeld o.a.). Onder ‘betekenis’ vallen díe verschijnselen in taalgebruik die zich, afgezien van ruimte en tijd, in het menselijk denken voltrekken, en dus spiritualistisch bezien kunnen worden.

‘Wat de nadere bepaling van de spiritualistische beschouwingswijze betreft, haar uitgangspunt is, naar het me voorkomt, door Plato voor alle tijden aangewezen: het is de tot de medemens gerichte aansporing tot rekenschap afleggen (logon didonai) omtrent de drijfveren van zijn handelingen. De verklaringen, die men op deze wijze verkrijgt, vormen de empirische grondslag voor het verdere onderzoek. Dit materiaal behoeft natuurlijk niet altijd door directe ondervraging te worden verkregen; het kan in vele gevallen ook aan autobiografieën e.d. worden ontleend.
Een door iemand van zijn handelen gegeven verklaring kan onbevredigend of innerlijk tegenstrijdig zijn. Een of meer personen kunnen van soortgelijke handelingen zeer verschillende verklaringen geven. Dit leidt tot een nadere bewerking van het verkregen materiaal, waardoor bv. een karakterleer kan worden verkregen.
[p. 4]
Een deel van deze arbeid verricht ieder van ons in een vóór-wetenschappelijk stadium.
Een moeilijker probleem is dan nog weer, een handeling te verklaren van iemand, die van deze handeling zelf geen verklaring geeft. Nog verdergaande problemen doen zich voor, als tot één handeling verschillende personen hebben samengewerkt.
Zeer vaak komt het voor, dat niet de handeling zelf, doch alleen haar resultaat - bv. een kunstwerk - is gegeven. Problemen van deze en aanverwante aard worden door de zg. geestelijke wetenschappen met veel succes behandeld. Uit de aard der zaak is het hier moeilijker om tot objectieve resultaten te geraken, dan bij de toepassing van de naturalistische beschouwingswijze. Toch leert een kennisneming van hetgeen is bereikt, dat het verkrijgen van objectieve resultaten ook bij toepassing van de spiritualistische beschouwingswijze zeer wel mogelijk is. Men kan dan ook zonder twijfel zeggen, dat - inzonderheid gedurende de laatste eeuw - de spiritualistische beschouwingswijze is ontwikkeld tot een wetenschappelijke werkwijze, waarmee op het gebied van de zg. geestelijke wetenschappen overtuigende resultaten zijn verkregen.
Minder gunstig moet het oordeel luiden omtrent de huidige stand van de theorie van deze werkwijze, de methodologie der geestelijke wetenschappen.
Zeer belangrijk werk is op dit gebied verricht door W. Dilthey. Dilthey stelt naast en tegenover het “Erklären”, zoals dit door de natuurwetenschappen geschiedt, het “Verstehen” als taak van de geestelijke wetenschappen. Deze onderscheiding is ter zake, vooral, omdat hij de term “Erklären”, in overeenstemming met de toenmalige stand van de natuurwetenschap, opvat in de zin van het leveren van een mechanische verklaring. Neemt men de term “verklaren” in de ruimere zin, dan kan er geen enkel bezwaar tegen zijn, hem ook in de geestelijke wetenschappen te gebruiken.
Minder zakelijk wordt het onderscheid tussen naturalistische en spiritualistische beschouwingswijze door sommige andere auteurs uitgewerkt. Daarbij zit vaak een onmiskenbare animositeit ten opzichte van de natuurwetenschappen voor, terwijl bovendien onjuiste opvattingen ten aanzien van de methodologie der laatstbedoelde wetenschappen grote invloed hebben. In de regel aanvaardt men
[p. 5]
kritiekloos Mill's logica der inductie, merkt op, dat haar methodes in de geesteswetenschappen niet worden toegepast, en concludeert nu, dat de methode der geesteswetenschappen diametraal van die der natuurwetenschappen moet verschillen.
In aansluiting daarbij wordt elk streven naar exactheid op het gebied van de geestelijke wetenschappen verworpen. In deze zin stelt Jakob Grimm de geestelijke wetenschappen als de “ungenauen Wissenschaften” tegenover de natuurwetenschap. Treitschke schrijft, “dass die Geisteswissenschaft nicht wie die Naturwissenschaft allein der Gesetzen der Logik folgen darf, dass sie ihre letzten und höchsten Gedanken nur ahnen, nicht ganz erweisen kann”. Volgens A. Harnack zijn de geestelijke wetenschappen “nicht reine Wissenschaften, sondern ein Gemisch von Wissenschaften und Lebensweisheit”.
Dergelijke opvattingen, die geschikt zijn, om het meest onwetenschappelijke irrationalisme en subjectivisme goed te praten, moeten met de meeste nadruk worden verworpen.’....
‘In verband met de practische toepassing van de spiritualistische beschouwingswijze bij het wetenschappelijk onderzoek moet worden gewezen op de wenselijkheid, als wetenschappelijke kennis slechts die kennis aan te merken, die aan anderen mededeelbaar en door anderen toetsbaar is. De eis der mededeelbaarheid is trouwens klassiek; reeds de Ouden beschouwden de “leerbaarheid” als kenmerk van de wetenschappelijke kennis en duidden daarom de wetenschappen als disciplinae aan.
Elk wetenschappelijk onderzoeker bezit, naast zijn wetenschappelijke kennis, een grote hoeveelheid vóór- of niet-wetenschappelijke, zg. “intuïtieve” kennis. Van deze intuïtieve kennis - experimentele vaardigheid, vertrouwdheid met lexica e.d. - maakt hij bij zijn onderzoekingen op zeer uitgebreide schaal gebruik, maar bij het trekken van zijn definitieve conclusies doet hij op haar geen beroep. De aankomende onderzoeker moet zich deze intuïtieve kennis door geduldig oefenen als een soort ambacht eigen maken; in deze noodzakelijkheid ligt de voornaamste grond voor de steeds toenemende specialisering van het wetenschappelijk onderzoek; de techniek van het onderzoek wordt meer en meer verfijnd en gedifferentieerd, zodat de individuele onderzoeker zich slechts met
[p. 6]
een beperkt gedeelte ervan volkomen vertrouwd kan maken.
Het - onvermijdelijk - gebruik-maken van de slechts intuïtief gekende wetenschapstechniek brengt in het wetenschappelijk onderzoek een subjectief element, dat echter uit het eindresultaat dient te worden geëlimineerd. Dit laatste wordt in de geestelijke wetenschappen nog al eens nagelaten, wat wel verband zal houden, dat deze wetenschappen ten dele nog zeer jong zijn, zodat de noodzaak van een scherpe scheiding tussen wetenschappelijke en vóór-wetenschappelijke kennis zich hier nog niet zo sterk heeft doen gevoelen, als dit in de natuurwetenschap het geval is geweest. Door een en ander wordt echter de indruk gevestigd, dat aan de geestelijke wetenschappen een subjectief karakter eigen is, dat de natuurwetenschappen zouden missen. Men komt er zo toe, in de aanwezigheid van een element van subjectiviteit een onderscheidend kenmerk, ja, het hoofdkenmerk, van de geestelijke wetenschappen te zien.’...
‘M.i. moet’ .... ‘het subjectieve element uit de geestelijke wetenschappen evenzeer als uit de natuurwetenschappen verwijderd worden gehouden. Van het feit, dat in de geestelijke wetenschappen, vaker dan in de natuurwetenschappen, subjectieve elementen doordringen, werd in het bovenstaande al een verklaring beproefd. Ik merkte daar op, dat in de geestelijke wetenschappen niet altijd een scherpe scheiding tussen wetenschappelijke en vóór-wetenschappelijke kennis wordt gemaakt.’

Wat in ons onderzoek aan de orde is kan aangeduid worden met de term ‘grammatische betekenis’. Een bezwaar dat van naturalistische zijde tegen grammaticaal betekenis-onderzoek wordt geopperd, is, dat betekenis een ‘vaag’ begrip is1. Deze vaagheid is dan ook van dien aard, dat de linguïst die zegt de betekenis uit te schakelen, haar zijns ondanks ongenoemd in zijn beschouwing betrekt. Het is dus de taak van de linguïstiek, het begrip betekenis te verhelderen, in plaats van het te negeren. Als bijdrage tot die verheldering is deze studie een ‘spiritualistische’ analyse van taalgebruik, waarin expliciet een poging is gedaan, ‘het subjectieve element verwijderd te houden’.