De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 43]

II. De taaltekens en hun grammatische functies

II. 1. Toepasbaarheid van Reichling's woordtheorie op het semanteem.

‘Het Nederlands’ leerden wij kennen als een geheel van onderling combineerbare semantemen. Om in dit geheel een nader inzicht te verkrijgen beschouwen wij de aard der semantemen nu uitvoeriger.

Op grond van het voorafgaande weten wij dat elk semanteem op bepaalde wijze teken is. Die bepaalde wijze komt tot uitdrukking in het feit dat de taalbeheerser in staat is, semantemen te onderscheiden. Daarmee wordt echter nog allerminst duidelijk waarin die bepaalde wijze bestaat. Wij weten wèl dat een semanteem ‘betekenis’ heeft, die nader gekend kan worden door beschouwing van wat de waarneembaar gemaakte vorm te kennen geeft. Wij zullen ons dus, gegeven de waarneembaar gemaakte semanteemvorm, met de semanteembetekenis bezighouden. De semantemen geven echter, geïsoleerd beschouwd, lang niet alle op gelijke wijze aanleiding tot een doeltreffend beschrijven van hun ‘betekenis’. Indien men de taalbeschouwer vraagt: ‘Beschrijf eens de betekenis van | fiets |’, dan komt hij tot een min of meer bevredigend resultaat als ‘tweewielig voertuig, met de benen voort te bewegen’. Probeert hij hetzelfde met de betekenis van | t | (vgl. | Jan komt. |, | Jan loopt. |, | Jan roept. |), dan is het resultaat vrijwel nihil. Toch kan de taalbeschouwer de semantemen | fiets | zowel als | t | onderscheiden. Is de mogelijkheid, als zodanig onderscheiden te worden, het enige gemeenschappelijke kenmerk? Is de oorzaak van die onderscheidingsmogelijkheid op te sporen? Zijn alle semantemen op dezelfde wijze ‘teken’? Zo ja, waarin bestaat dan die wijze, zo nee, waarin bestaan dan die verschillende wijzen? Het zijn deze vragen waarop wij een antwoord zullen trachten te vinden. Wij gaan daarbij uit van de onderzoekingen van Reichling, die van een bepaald soort taalteken, het ‘woord’, het specifieke tekenkarakter aan een beschouwing onderwierp.

Reichling gaat uit van de veronderstelling dat een taalbeheerser in zekere mate taalbeschouwelijk kan worden. Men kan er b.v. zonder meer van uitgaan dat er Nederlandse taaltekens bestaan die voor elke optimale taalbeheerser evident ‘woorden’ zijn; en: dat er Nederlandse taaltekens bestaan die voor elke optimale taalbeheerser evident geen

[p. 44]

‘woorden’ zijn1. Deze twee feiten liggen aan Reichling's woordtheorie ten grondslag, en moeten ook de grondslag zijn voor elke studie die betrekking heeft op taaltekens waarbij deze evidentie ontbreekt. Wat Reichling doet is, een beschrijving geven van het bijzondere tekenkarakter van evidente ‘woorden’, van ‘het’ woord. Wij zullen moeten zien in hoeverre wij de door Reichling centraal gestelde eigenschappen van het woord aantreffen in het semanteem. Wij stellen daarbij voorop dat wij de vorm van de te bestuderen taaltekens als gegeven beschouwen. Voorts beschouwen wij als gegeven dat die - waarneembaar gemaakte - vorm ons iets te kennen geeft. Dat ‘iets’ noemen wij ‘de’ betekenis. De betekenis ‘passen wij toe’. De wijze van toepassen stellen wij problematisch, daarop is dus ons onderzoek gericht. De principes van het vaststellen wat een taalvorm te kennen geeft, geformuleerd op blz. 28 t/m 30, herhalen wij hier in het kort. Van een bepaald Nederlands taalteken wordt de vorm waarneembaar gemaakt. Wie als taalbeheerser van die vorm kennisneemt kan zich in de voorstelling een optimale genoemdheid scheppen waarop hij de betekenis toepast. Die genoemdheid ervaart hij als iets dat door het bezit van bepaalde kenmerken optimaal is. Die kenmerken worden als het ware aan de genoemdheid toegekend door het gebruiken van het taalteken. Zij blijken zich dan ook voor te doen als berustend op de betekenisonderscheidingen van het gebruikte taalteken. Opsomming van die kenmerken valt volledig samen met opsomming der betekenisonderscheidingen, d.i. met betekenisbeschrijving. De betekeniseenheid dus kan door de taalbeschouwer worden gekend aan de hand van bepaalde kenmerken van de in de voorstelling geschapen optimale genoemdheid waarop hij de betekenis toepast.

[p. 45]

Er zijn verschillende taaltekens waaraan Reichling de karakteristica van het woord demonstreert, o.a. | water |, | biljartbal |, | aap |, | vogel |, | pap |, | bank |, | spel |. Behalve | biljartbal | zijn al deze woorden semantemen. Om de eigenschappen van ‘het’ woord op te sporen gaat Reichling uit van gevallen waarin één der bovengenoemde woorden wordt gebruikt in de normale zin, d.w.z. hij gaat uit van de situaties waarin de betekenis van het woord wordt toegepast. Het fundamentele verschil met onze werkwijze is, dat Reichling de genoemdheid presenteert als een concreet, binnen één bepaalde situatie bestaand gegeven, en niet als het in de voorstelling geschapen optimale ‘iets’ dat in de ervaring van de taalbeschouwer optreedt als hij van de waarneembaar gemaakte vorm - afgezien van enige concrete situatie - als taalbeheerser kennisneemt. In beide gevallen evenwel is sprake van een genoemdheid waarop betekenis is toegepast.

Reichling maakt een analyse van de wijze waarop de betekenis op het ‘iets’ wordt toegepast. Het gaat er hier om, vast te stellen in hoeverre er overeenkomst bestaat tussen de wijze van toepassing die Reichling heeft geanalyseerd, en de wijze van toepassing van een semanteembetekenis welke wíj zullen aantreffen. De genoemdheid die Reichling bestudeert duidt hij aan met de term ‘zaak’. Als iemand, wijzend naar het Paleis op de Dam, zegt: ‘Dat is een mooi paleis!’, dan is het Paleis op de Dam de ‘zaak’ waarop de betekenis van het woord | paleis | is toegepast. Indien men zonder meer neerschrijft | paleis |, en de taalbeheerser die het leest past de betekenis op een ‘zaak’ toe, dan is er dit verschil, dat hij niet in concreto een gebouw waarneemt, maar er zich een voorstelling van kan scheppen. In beide gevallen echter wordt de genoemdheid te kennen gegeven als een ‘zaak’ die de typische paleis-kenmerken bezit. Onder dit opzicht beschouwd is dus de wijze van toepassing van ‘paleis’ dezelfde. Indien de taalbeheerser kennisneemt van | Die man woonde in een prachtig paleis. | of van | rood paleis |, ook dan is de in de voorstelling geschapen optimale genoemdheid waarop hij de | paleis |-betekenis toepast een ‘zaak’ die de ‘paleis’-kenmerken bezit. Reichling noemt als essentiële eigenschap van het woord het verschijnsel dat wij de betekenis ervan op bovengenoemde wijze op ‘zaken’ toepassen. Hij analyseert vele variaties binnen die mogelijkheid, zoals polysemie, en conjuncte tegenover disjuncte toepassing, maar het accent ligt op het eenheidskarakter en de constantheid van de be-

[p. 46]

tekenis, op het verschijnsel van betekenisonderscheidingen en het toepassen daarvan op ‘zaken’. Afgezien van het feit dat de ‘zaak’ in de gevallen die Reichling laat zien, als een gegeven binnen een concrete situatie wordt beschouwd, terwijl wij in onze analyse steeds met een in de voorstelling geschapen optimale genoemdheid te maken hebben, blijken de beide wijzen van betekenistoepassing gelijk. Wij kunnen dus dit vaststellen: dat er semantemen zijn die de mogelijkheid bezitten, gebruikt te worden op de wijze van het woord zoals Reichling die heeft bestudeerd. Ter illustratie geven wij hier nog enige taaltekens waarbinnen de betekenis der gecursiveerde semantemen op de genoemde wijze van ‘het woord’ wordt toegepast. | Zij dansen de polka. |, | Mijn pen schrijft uitstekend. |, | Lelijke heks! |, | Kind, kind! |, | grote vreugde |, | De wereld een dansfeest. |. Dat het woord niet zonder meer samenvalt met het semanteem blijkt uit legio gevallen, waarvan wij er hier ook enkele laten volgen: | De biljartbal lag op de grond. |, | Zij kampeerden in een bruin tentje. |. Semantemen, zowel als combinaties van semantemen kunnen woord zijn; een semanteem is echter niet noodzakelijk altijd woord; | bal | en | tent | binnen resp. | biljartbal | en | tentje | geven daarvan duidelijk blijk. De vraag is nu, in hoeverre van alle semantemen die wij als woord aantreffen, de betekenis op een ‘zaak’ is toegepast op de wijze van | polka |, | pen | etc. in bovengenoemde voorbeelden. Om die vraag te kunnen beantwoorden zullen wij onze beschouwing richten op een taalteken waarvan de taalbeschouwer zonder aarzeling zal beamen dat er precies zes semantemen in te onderscheiden zijn die als woorden zijn gebruikt: | Ik zag een klein paard, Jan! |.

Als wij ons afvragen wat de taalbeheerser te kennen gegeven wordt bij waarneembaarmaking van de vorm van | Ik zag een klein paard, Jan! |, dan kunnen wij ons een voorstelling scheppen van iets dat wij in ervaring kennen, namelijk van de situatie waarin, naar iemand aan zekere Jan vertelt, hij een klein paard gezien heeft. Krachtens het gebruikte | Ik zag een klein paard, Jan! | is die - in onze voorstelling aanwezige - situatie van een bepaalde aard. Wij zullen onderzoeken welke situatie-momenten berusten op het gebruikt-zijn van telkens één bepaald semanteem; wij zoeken dus naar optimale kenmerken. Wij zullen allereerst beschouwen dàt wat ons van die situatie te kennen gegeven is krachtens het feit dat | paard | gebruikt is; vervolgens: wat ons te kennen gegeven is krachtens het feit dat | klein | gebruikt is. Wij onderzoeken dus telkens de betekenis

[p. 47]

van | Ik zag een klein paard, Jan! |, voorzover die geconstitueerd wordt door één der semantemen.

De betekenis van | paard |, die wij toepassen op een voorgestelde optimale ‘zaak’, passen wij toe op een bepaalde wijze. Wij ‘denken’ - om met Reichling te spreken - ons die ‘zaak’ als een ‘paard’. Dat impliceert, dat in ons ‘denken’ die ‘zaak’ één of meer bepaalde eigenschappen bezit welke gegeven zijn in het teken | paard |. Richten wij onze aandacht op | klein |, dan stellen wij vast dat wij ‘klein’ toepassen op het dier waarop wij ook ‘paard’ toepassen. Dat dier is de ‘zaak’. Passen wij nu ‘klein’ en ‘paard’ op dezelfde wijze op die ‘zaak’ toe?

Wij stelden dat de ‘zaak’ waarop de betekenis van | paard | in | Ik zag een klein paard, Jan! | is toegepast, één-en-dezelfde is als die waarop de betekenis van | klein | is toegepast. In bepaald opzicht is dat juist. Dat willen zeggen: wij worden gedwongen ons een ‘zaak’ voor te stellen die bepaalde kenmerken bezit, en bij nadere beschouwing blijken die kenmerken o.a. te zijn gegeven in ‘paard’ en ‘klein’. Wij constateren nu evenwel ook, dat de wijze waarop het kenmerk ‘het-gaat-over-iets-dat-paard-is’ aan de ‘zaak’ wordt toegekend, verschilt van de wijze waarop het kenmerk ‘het-gaat-over-iets-dat-klein-is’ aan de ‘zaak’ wordt toegekend. Waarin bestaat dit verschil?

Reichling licht ons uitvoerig in over de wijze waarop ‘paard’ wordt toegepast. Wij vatten het resultaat van zijn analyse samen.

De ‘zaak’ doet zich aan ons voor met bepaalde kenmerken; o.a. als zoogdier; met het vermogen tot galopperen; met het vermogen tot hinniken. Deze kenmerken kennen wij in analytische beschouwing van het teken | paard |, met welks betekenisonderscheidingen zij samenvallen. ‘En, de betekenisonderscheidingen zijn geen som van verbonden ken-momenten, doch zij maken de kennis uit van de ken-bare momenten ineen. We kennen de betekenis “koe” niet als 'n staart, horens, uiers, 'n wei, geloei en andere eigenschappen samen, maar we kennen die eigenschappen in-één. De notie eenheid is voor 't betekenisbegrip essentiëel, omdat zij essentiëel is voor alle denken.’ (Het Woord, blz. 247. Curs. v. Reichling.) (Wij hebben in ons voorbeeld niet | koe | maar | paard | gekozen, omdat het er ons voorlopig om gaat, de eigenschappen van het woord aan die van het semanteem te toetsen. In | een kleine koe | treedt de complicatie op dat | kleine | uit twee semantemen bestaat en toch als één woord wordt beschouwd. Het is intussen duidelijk dat alles

[p. 48]

wat Reichling aan | koe | demonstreert ook geldt voor | paard |.) Wij kennen dus ‘paard’ als een eenheid en de momenten van die eenheid passen wij op de ‘zaak’ toe zonder dat de eenheid verloren gaat. Met ‘toepassen’ is echter nog niet alles gezegd. Dat wij de | paard |-betekenis toepassen op de ‘zaak’ wil niet alleen zeggen dat de ‘zaak’ bepaalde kenmerken bezit, maar ook dat die ‘zaak’ te kennen gegeven wordt als daardoor behorende tot een ‘soort’ (of, zoals Reichling het noemt, vallende binnen een bepaalde categorie1), te weten de ‘soort’ ‘paard’. De ‘soort’ ‘paard’ is gekenmerkt door de betekenisonderscheidingen van ‘paard’, en deze worden - als momenten van de eenheid ‘paard’ - niet gegeven als kenmerken-zonder-meer, maar als ‘soortelijke’ kenmerken. Het doet daarbij niet ter zake of de ‘zaak’ waarop wij ‘paard’ toepassen wel een paard is. De ‘zaak’ kan best iets anders zijn; als wij van onze fiets zeggen ‘Buiten staat mijn paard!’ dan is de ‘soort’ ‘paard’ gegeven als de ‘soort’ waarbinnen die fiets valt. Passen wij, in het algemeen, ‘paard’ toe op een ‘zaak’, dan vindt de taalbeschouwer dat meer of minder betekenisonderscheidingen de facto van toepassing zijn (in het geval van de fiets minder dan in het geval van het paard), maar dat in beide gevallen de onderscheidingen worden toegepast als kenmerken die maken dat de ‘zaak’ valt binnen de ‘soort’ die in de betekeniseenheid is gegeven2.

[p. 49]

Omdat de taalbeschouwer de indruk heeft dat ‘“klein”’ in | Ik zag een klein paard, Jan! | niet op identieke wijze op het paard wordt toegepast als ‘“paard”’, zullen wij trachten een analyse te maken van de toepassingswijze van ‘“klein”’, althans voorzover die van die van ‘“paard”’ verschilt.

Wij stellen in de eerste plaats vast dat wij in | klein | niet de ‘soort’ kennen waarbinnen de ‘zaak’, in casu het in de voorstelling geschapen paard, valt. Wèl wordt het dier gekenmerkt door iets dat in ‘“klein”’ gegeven is, maar dat ‘iets’ is op een andere wijze kenmerk dan de kenmerken die in ‘“paard”’ gegeven zijn.

II. 2. ‘Zaaken genoemdheid.

Uitgaande van het ‘zaak’-begrip, dat wij aan Reichling ontlenen, komen wij nu voor een probleem. Het is immers een feit dat wij ons een ‘zaak’ ‘denken’ die bepaalde kenmerken bezit. Het is evenzeer een feit dat die kenmerken in ‘“paard”’ en in ‘“klein”’ gegeven zijn. Er lijkt dus vooralsnog niets op tegen om van beide betekenissen te zeggen dat zij zijn toegepast op de ‘zaak’. Een andere beschrijving blijkt echter eveneens mogelijk: ‘“paard”’ is op het paard toegepast, maar ‘“klein”’ is op de afmeting van het paard toegepast. In dat geval hebben wij twee ‘zaken’, het paard en de afmeting van het paard. Indien wij het zo formuleren moeten wij er rekening mee houden dat die twee ‘zaken’ als twee niet-gelijkwaardige ‘zaken’ te kennen worden gegeven; de ene ‘zaak’ is het kenmerk van de andere; de afmeting is een kenmerk van het dier, en niet omgekeerd. De ‘“klein”’-‘zaak’ wordt afhankelijk gesteld1 van de ‘“paard”’-‘zaak’; er bestaat een zekere hiërarchie die deze ‘zaken’ beheerst. Tot hiertoe lijkt het betoog te sluiten. Het ‘zaak’-begrip dreigt zo echter in de verdrukking te geraken. Indien wij het dier dat wij ons voorstellen, of, in concreto - om bij Reichling aan te sluiten - het dier dat wij in de wei aantreffen, de ‘zaak’ noemen waarop

[p. 50]

wij ‘“paard”’ toepassen, dan impliceert dat, zoals Reichling ons leert, en zoals reeds eerder ter sprake kwam, het volgende. Het dier bezit bepaalde kenmerken, lichaamsvormkenmerken, geluidgevingskenmerken, etc. Deze worden ‘genoemd’1, en wel als kenmerken die de ‘zaak’ binnen de ‘soort’ ‘paard’ doen vallen. Voorts bezit het dier een bepaald afmetingskenmerk; ook deze afmeting wordt ‘genoemd’ en wel als een kenmerk dat toegevoegd is aan de ‘“paard”’-kenmerken.

Zowel | klein | als | paard | ‘noemen’ kenmerken van een ‘zaak’. (Het doet er niet toe, of een teken één of meer kenmerken ‘noemt’, dat is afhankelijk van de betekeniseenheid zelf, die niet noodzakelijk onderscheidingen behoeft te vertonen2. Dat | klein | slechts één kenmerk ‘noemt’ is in elk geval niet typerend voor de wijze waarop in | Ik zag een klein paard, Jan! | de ‘“klein”’-toepassing van de ‘“paard”’-toepassing verschilt.) Zoals wij zagen worden in | Ik zag een klein paard, Jan! | bepaalde kenmerken van een ‘zaak’, in casu een dier, op verschillende wijze ‘genoemd’. Het zou terminologisch te verdedigen zijn, het klein-zijn ook een ‘zaak’ (een ‘niet-ik’3) te noemen. Men kan im-

[p. 51]

mers elke eigenschap of elk complex van eigenschappen beschouwen als een ‘zaak’ en onder dit aspect bestaat er tussen het paard en de afmeting van het paard geen enkel verschil. Men kan dan ook, om dit aspect tot uitdrukking te doen komen, het ‘genoemde’ dier en zijn ‘genoemde’ afmeting beide met ‘zaak’ aanduiden. De wijze van ‘noemen’ is dan in zoverre overeenkomstig dat:

a.het dier (de | paard |-‘zaak’) wordt ‘genoemd’ als vallende onder de ‘soort’ ‘paard’ en
b.zijn afmeting (de | klein |-‘zaak’) wordt ‘genoemd’ als vallende onder de ‘soort’ ‘klein’.

Immers alles wat wij ervaren is één unieke gegevenheid, zoals dat ene paard dat wij ons voorstellen, of dat ene paard dat wij in de wei zien staan, en géén ander, en dat ene klein-zijn dat wij aan één bepaald paard waarnemen en géén ander; dat alles zijn de ‘zaken’ die wij door middel van taaltekens kunnen ‘noemen’, zó, dat zij te kennen gegeven worden als vallende onder een bepaalde ‘soort’, waarvan de kenmerken samenvallen met de betekenisonderscheidingen van het ‘noemende’ teken. Dit zijn dan de kenmerken die een ànder, even uniek paard, en een ànder, even uniek klein-zijn ook tot de ‘soort’ ‘paard’ resp. de ‘soort’ ‘klein’ doen behoren, zodra ze ‘paard’ resp. ‘klein’ worden ‘genoemd’. Als wij zulk ‘noemen’ zich doen voltrekken, als wij ‘“paard”’ toepassen op een in de voorstelling geschapen dier en ‘“klein”’ op de afmeting van dat dier, dan is er sprake van twee ‘genoemde’ ‘zaken’.

Als wij de term ‘zaak’ op bovenomschreven wijze gebruiken, is onze terminologie in overeenstemming met die van Reichling1. In

[p. 52]

‘Het Woord’ echter is het verschil tussen ‘zaken’ die worden ‘genoemd’ als kenmerken van, of relaties tussen door andere tekens ‘genoemde’ ‘zaken’, en ‘zaken’ die dat niet worden, nog nauwelijks aan de orde. ‘Het Woord’ is een studie over het principe van het betekenissen toepassen op ‘zaken’. De verschillen die er binnen dit principe bestaan, kunnen pas na ‘Het Woord’ en met ‘Het Woord’ als grondslag aan de orde worden gesteld. Nu wij er, uitgaande van de gegevens die ‘Het Woord’ ons verschaft, toe zijn gekomen ons juist met de verschillen bezig te houden, zien wij ons genoodzaakt, het gebruik van de term ‘zaak’ te wijzigen. In plaats van bij elk ‘iets’ dat ‘genoemd’ wordt of kan worden van een ‘zaak’ te spreken, spreken wij (alleen wanneer er sprake is van ‘genoemd’-zijn) van een genoemdheid. Een genoemdheid is dus iets waarop een taalteken-betekenis is toegepast. Bij gebruik van | Ik zag een klein paard, Jan! | onderscheidt de taalbeschouwer o.a. twee genoemdheden: le het paard, 2e de aan dat paard waar te nemen afmeting. Het paard wordt ‘genoemd’ als vallende binnen een ‘soort’ zonder meer. De afmeting echter wordt ‘genoemd’ als vallende binnen een ‘soort’ en bovendien als zijnde een kenmerk van een door een ander semanteemgenoemdegenoemdheid. Binnen de genoemdheden onderscheiden wij derhalve twee categorieën:

1e.die welke te kennen worden gegeven als uitsluitend ervaren aan één of meer andere genoemdheden en
2e.die welke dat niet doen.

Dit is een fundamentele onderscheiding, die in ieder taalgebruik tot uitdrukking komt: een genoemdheid hoort hetzij tot de eerste, hetzij tot de tweede categorie. De sub le genoemde categorie onderstelt de sub 2e genoemde categorie (de genoemdheid van | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! | onderstelt daarin de genoemdheid van | paard |). Indien een teken een genoemdheid ‘noemt’ als iets dat niet uitsluitend ervaren is aan één of meer andere genoemdheden, dan ‘noemt’ dat teken zelfstandig. De term ‘zaak’ zullen wij voortaan alleen toepassen op een zelfstandig ‘genoemde’ genoemdheid. Bij gebruik van | Ik zag een klein paard, Jan! | onderscheiden wij, voorzover het de semantemen | klein | en | paard | betreft, twee genoemdheden, waarvan er één (die van | paard |) een ‘zaak’ is.

Dit alles impliceert dat wij de term ‘zaak’ gebruiken voor een ‘iets’

[p. 53]

(een ‘niet-ik’), voorzover ditgenoemdis, en wel voorzover het zelfstandiggenoemdis.

Ons gebruik van de termen ‘zaak’ en ‘soort’ noodzaakt ons, aandacht te schenken aan de verhouding tussen vaktermen en andere aanduidingen. Zowel ‘zaak’ als ‘soort’ zijn woorden die ook buiten de taalkunde voorkomen. ‘Zaak’ gebruikt men gewoonlijk om iets aan te duiden dat geen specifieke kenmerken bezit van een levend wezen. In ons taalkundig gebruik duidt ‘zaak’ iets zodanig aan, dat er geen uitspraak wordt gedaan over het al of niet levend zijn. Het duidt een zelfstandige genoemdheid aan. Ook de term ‘genoemdheid’ passen wij toe op iets waarvan het al of niet levend zijn in het midden wordt gelaten en zij is in zoverre gelukkiger dan ‘zaak’, dat zij in gewone omgangstaal niet gebruikelijk is. De taalkunde ontleent ‘zaak’ aan de gewone omgangstaal ter aanduiding van een genoemdheid onder een bepaald aspect, nadat door analyse is vastgesteld dat er een verschijnsel bestaat dat het best met ‘genoemdheid’ aangeduid kan worden, en dat er een genoemdheid bestaat, die efficiënt met ‘zaak’ aangeduid kan worden. De notie ‘levenloos’, geldig bij het gangbare gebruik van de term ‘zaak’, is niet van kracht bij het linguïstische gebruik.

Hetzelfde geldt voor ‘soort’. Wanneer wij in | Ik zag een klein paard, Jan! | | paard | toepassen op een dier, dan valt het ons niet moeilijk, te zeggen dat dat dier ‘genoemd’ is als een ‘zaak’ die tot de ‘paard’-soort behoort. M.a.w. het valt ons niet moeilijk, te beamen dat het dier een ‘zaak’ is en dat de ‘zaak’ iets anders is dan de ‘soort’ waaronder zij valt. Indien wij ons niet nadrukkelijk realiseren dat ‘soort’ hier een linguïstische vakterm is, kunnen wij voor een schijnprobleem komen te staan dat zeer voor de hand ligt. Immers als wij afzien van het strikt linguïstische termgebruik, is er niets tegen de redenering dat men ‘“paard”’ kan toepassen op eensoort’, b.v. in | Het paard is een edel dier. |. Inderdaad kan de genoemdheid een ‘soort’ zijn, een soort evenwel, die niet identiek is met het linguïstische begrip ‘soort’. Ten opzichte van het linguïstische begrip ‘soort’ is de genoemdheid van | paard | in | Het paard is een edel dier. | evenzeer een ‘zaak’ als in | Ik zag een klein paard, Jan! |, ook al zijn die twee ‘zaken’, niet-linguaal gezien, van geheel verschillende orde1. Hoe is de verhouding tussen de linguïs-

[p. 54]

tische ‘soort’ en het ‘genoemde’ dier in | Ik zag een klein paard, Jan! |? Die verhouding is deze: de betekenisonderscheidingen van ‘“paard”’ worden toegepast op een genoemdheid, zó, dat die genoemdheid te kennen wordt gegeven als bezittende bepaalde kenmerken gemeenschappelijk met andere mogelijke genoemdheden. Deze gemeenschappelijke kenmerken doen die genoemdheden tot de ‘soort’ ‘paard’ behoren, terwijl er in het geheel geen sprake is van het al of niet aanwezig zijn van enig kenmerk dat de genoemdheden binnen die ‘soort’ van elkaar onderscheidt. In | Ik zag een klein paard, Jan! | is het dier dat wij ons voorstellen door | paard | uitsluitend onderscheiden van alles wat niet-paard is, terwijl | paard | in deze functie niets te kennen geeft over enige onderscheiding ten opzichte van wat óók-paard is. De genoemdheid als niet-linguaal gegeven (d.w.z. als gegeven dat beschouwd wordt afgezien van de wijze waarop het door | paard | wordt ‘genoemd’) is natuurlijk wèl onderscheiden van alles wat óók-paard is (o.a. door een bepaalde kleur, b.v. zwart), maar als zodanig geeft | paard | deze niet te kennen. De notie ‘zwart’ wordt in | Ik zag een klein paard, Jan! | door | paard | niet te kennen gegeven. Precies hetzelfde geldt voor de genoemdheid van | paard | in | Het paard is een edel dier. |. Niet-linguaal gezien kan men die genoemdheid best een ‘soort’ noemen, maar ten opzichte van de linguïstische ‘soort’ ‘paard’ vertoont zij dezelfde eigenschappen als het ene bepaalde dier waarop wij ‘“paard”’ toepassen in | Ik zag een klein paard, Jan! |. Ter voorkoming van spraakverwarring noemen wij de niet-linguale soort een type. Het type waarvan sprake is in | Het paard is een edel dier. | heeft eigenschappen die dat type van alles wat óók-paard is onderscheiden en welke niet door | paard | te kennen zijn gegeven. Het type onderscheidt zich namelijk van andere paarden doordat het een type is, een paard dat alle paarden representeert. De noties ‘type’, ‘representant’ worden door | paard |-als-zodanig níet te kennen gegeven. In dat opzicht onderscheidt dus het ‘genoemde’ representerende type zich niet van het ‘genoemde’ individuele dier, en daarom is het in de voorstelling geschapen dier-als-type, evenals het dier-als-individu een ‘zaak’, vallend onder de ‘soort’ ‘paard’. De

[p. 55]

taalbeschouwer immers kan, kennisnemend van b.v. | het paard | zich een voorstelling scheppen van een paard als lijfelijk aanwezig zonder meer; maar ook van dat paard als representant van alle individuele paarden. Deze representant wordt dan, evenals een individueel paard, te kennen gegeven als bezittende de ‘paard’-kenmerken. Ook de representant is zoogdier, kan hinniken, galopperen, etc. Maar representant zowel als individu zijn onderscheiden van de teken-‘soort’ ‘paard’. Dat wat wij ‘noemen’ als wij, doelend op een representant van de biologische paard-soort, zeggen ‘Het paard is een edel dier.’, is geen moment van het taalteken | paard |, is niet de betekenis van | paard |, m.a.w. is niet de linguïstische ‘soort’ ‘paard’. Ook al bezitten de biologische soort en de linguïstische ‘soort’ ‘paard’ overeenkomstige eigenschappen, zij zijn geenszins identiek. Als vakterm plaatsen wij ‘soort’ tussen aanhalingstekens, om het verschijnsel ‘linguïstische soort’ nadrukkelijk te onderscheiden van alle niet-linguale gegevens die gewoonlijk ook een ‘soort’ worden genoemd.

De hiervóór geschetste verhouding tussen vaktermen en andere termen geldt voor alle gevallen waarin wij een vakterm aan de dagelijkse omgangstaal ontlenen. Wij plaatsen dan ook elke term die wij gebruiken ter aanduiding van een geanalyseerd taalverschijnsel tussen aanhalingstekens, indien er aanleiding bestaat tot verwarring met de aanduiding van een niet-taalverschijnsel.

 

Voor de afhankelijke genoemdheden, dus voor die welke niet als ‘zaak’ te kennen worden gegeven, zullen wij trachten andere termen te vinden, waarin zoveel mogelijk de wijze van ‘noemen’ wordt uitgedrukt. De genoemdheid van | klein | is b.v. te kennen gegeven als een aan door een ander teken ‘genoemde’ ‘soortelijke’ kenmerken toegevoegd kenmerk. Wij kunnen deze aanduiden met de term ‘soortelijk plus-kenmerk’. Gebruik makend van de hiervóór verantwoorde terminologie kunnen wij nu de geanalyseerde ‘denk’-acten die zich voltrekken krachtens het gebruik van | klein | en | paard | binnen | Ik zag een klein paard, Jan! | als volgt beschrijven.

In | Ik zag een klein paard, Jan! | wordt

a.de genoemdheid van | paard | te kennen gegeven als een ‘zaak’ die behoort tot een bepaalde ‘soort’;
b.de genoemdheid van | klein | te kennen gegeven als een ‘soortelijk
[p. 56]
plus-kenmerk’ van de ‘zaak’ die te kennen gegeven wordt als behorende tot een bepaalde ‘soort’.

Voor de zinsnede in b. ‘“zaak” die te kennen gegeven wordt als behorende tot een bepaalde “soort”’ gebruiken wij liever een kortere formulering; de term ‘soortelijk plus-kenmerk’ sluit immers in dat de ‘zaak’ reeds binnen een ‘soort’ wordt te kennen gegeven; wij kunnen b. dus veranderen in:

de genoemdheid van | klein | wordt te kennen gegeven als een ‘soortelijk plus-kenmerk’ van een ‘zaak’.

Wij kunnen kortheidshalve in plaats van ‘de genoemdheid wordt te kennen gegeven als een “zaak” behorende tot een bepaalde “soort”’, zeggen: ‘de genoemdheid is een “zaak” behorend tot een bepaalde “soort”’. Dat ‘is’ onderstelt dan echter het voorbehoud: voorzover door een taalteken te kennen wordt gegeven. Wij hebben het in dit linguïstisch betoog vrijwel uitsluitend over genoemdheden voorzover zij door taaltekens te kennen gegeven worden; indien niet-linguale eigenschappen van genoemdheden ter sprake komen wordt dat expliciet aangegeven; indien er niets wordt aangegeven, impliceert dat ‘voorzover te kennen gegeven’. Passen wij b.v. ‘“mijn paard!”’ toe op onze fiets1, en zeggen wij ‘de genoemdheid van | paard | is een “zaak” die

[p. 57]

tot de “paard”-“soort” behoort’, dan blijkt duidelijk dat wij niet zonder meer kunnen zeggen dat zij - in werkelijkheid - een paard is. Zij ‘is’ slechts paard voorzover zij binnen | mijn paard! | door | paard | te kennen gegeven wordt. (Slechts van een optimale genoemdheid van | paard | geldt dat deze - in werkelijkheid - een paard is.)

Met dit voorbehoud kunnen wij nu de verschillende toepassing van ‘“klein”’ en ‘“paard”’ als volgt beschrijven. Bij gebruik van | Ik zag een klein paard, Jan! | is

a.de genoemdheid van | paard | eenzaakbehorende tot een bepaaldesoort’;
b.de genoemdheid van | klein | eensoortelijk plus-kenmerkvan eenzaak’.

II. 3. Betekenis en betekenistoepassing.

Wij keren terug naar de probleemstelling van het begin van dit hoofdstuk. Wij leerden ‘het Nederlands’ kennen als een geheel van onderling combineerbare semantemen. Van de semantemen wetend dat zij op bepaalde wijze ‘teken’ zijn, vroegen wij ons af: zijn alle semantemen op dezelfde wijze ‘teken’? Zo ja, waarin bestaat dan die wijze, en zo nee, waarin bestaan dan die verschillende wijzen?

Dat een semanteem op bepaalde wijze ‘teken’ is, wil zeggen dat zijn betekenis op bepaalde wijze kan worden toegepast. Wij ontleenden aan Reichling dat de betekenissen van semantemen die zich in gegeven taalgebruik als woorden voordoen, op een bepaalde wijze worden toegepast, namelijk als de eenheid waarin een genoemdheid wordt ‘gedacht’. Hierop voortbouwend constateerden wij dat er taalgebruik bestaat waarbij de betekenis van een woord onder een bepaald aspect anders wordt toegepast dan de betekenis van een ander woord, b.v. ‘“paard”’ anders dan ‘“klein”’, en wel onder het aspect der te kennen gegeven hiërarchie die de genoemdheden beheerst. Dit voert ons naar de conclusie die een eerste antwoord vormt op de vraag ‘zijn alle semantemen op gelijke wijze teken?’. Die conclusie is, dat er gevallen van taalgebruik zijn waarbij de semanteembetekenissen, onder het aspect der te kennen gegeven hiërarchie die de genoemdheden beheerst, op verschillende wijze zijn toegepast. Dat betekent dat, onder dit aspect, de semantemen niet in alle gevallen van taalgebruik op dezelfde wijze teken zijn. Bestaat er nu ook een aspect waaronder de semantemen wèl

[p. 58]

op dezelfde wijze teken zijn, b.v. op de wijze van de woorden, waarvan immers de betekenis wordt toegepast als de eenheid waarin een genoemdheid wordt ‘gedacht’?

Het komt ons voor, dat dat inderdaad het geval is. D.w.z.: als de taalbeheerser een semanteem gebruikt past hij de betekenis toe als een eenheid waarin hij een genoemdheid ‘denkt’. Het is noodzakelijk, deze ervaring nauwkeuriger te beschrijven, zodat de taalbeschouwers weten waaraan zij hun ervaring kunnen toetsen. Te beamen dat zij ‘“paard”’ en ‘“klein”’ toepassen als eenheden waarin zij genoemdheden ‘denken’ zal, na de voorafgaande bladzijden, niet moeilijk vallen. Het bleek hiervóór mogelijk, de aard van de twee genoemdheden te onderzoeken en met elkaar te vergelijken.

Reichling gaat er van uit dat de betekenis van ieder woord wordt toegepast als een eenheid waarin de taalgebruiker een genoemdheid (door Reichling met ‘zaak’ aangeduid) ‘denkt’, ook in die gevallen waarin eenheid en genoemdheid minder gemakkelijk onderkenbaar zijn dan bij toepassing van ‘“paard”’ of ‘“klein”’. Zo noemt hij b.v. | dat | in | Ik geloof dat hij komt. | een

‘term’ ... ‘die 'n bepaalde afhankelikheid symboliseert, een uiterst scherpe onderscheiding, die de taalgebruiker zich geschapen heeft in dit schijnbaar onbeduidend voegwoord. Er is natuurlik geen sterveling die zich in z'n taal van alledag reflex realiseert wat hij doet; en, we herhalen het uit den treure: dat is ook helemaal niet nodig om van denkend taalgebruik te spreken. Doch, een dieper gravende linguistiek is niet verantwoord, als zij niet geheel de betekenis tracht te ontraadselen van de processen die zich in het taalgebruik voltrekken. Men mag haar van gemakzucht verdenken als zij van bepaalde verschijnselen niet ook een verklaring in het denken zoekt, zolang zij niet van elders bewezen heeft, dat alleen irrelevante Gestaltfactoren hier een volledige verklaring bieden. En, voor ons nederlandse voegwoord dat b.v., heeft dit vooralsnog geen sterveling gedaan. We hebben te maken met een uitgesproken “synsemanties” woord, waarvan de zaak bestaat in een in het denken zelf te voltrekken onderschikking en te poneren “afhankelikheid”,’ ... (Het Woord, blz. 281.)

Reichling geeft in deze passage duidelijk te verstaan, dat er een genoemdheid is (‘zaak’) die in ‘“dat”’ wordt ‘gedacht’. Hij geeft ook

[p. 59]

een beschrijving van die genoemdheid: ‘een in het denken zelf te voltrekken onderschikking en te poneren “afhankelikheid”’. Eerder laat hij zien, dat deze genoemdheid op andere wijze wordt ‘gedacht’ dan die van | paard | in | Ik zag een klein paard, Jan! |:

‘Het woord dat is niet “zakelik” in deze zin, dat wij het gebruiken om er die betrekking [d.i. de genoemdheid] zelfstandig mee te noemen, doch wel symboliseert het 'n zekere afhankelikheid, die we ook in ons taaldenken willen gesteld zien.’ (Het Woord, blz. 280.)

Met deze uitspraak refereert Reichling aan de tegenstelling tot de toepassingswijze van ‘“paard”’ in | Ik zag een klein paard, Jan! |, dat wij immers wèl gebruiken om er de genoemdheid zelfstandig mee te ‘noemen’. Er is dus zowel bij | dat | als bij | paard | sprake van iets dat ‘genoemd’ wordt, alleen in het laatste geval wordt het zelfstandig ‘genoemd’, in het eerste niet. Het komt echter voor, dat de vraag naar de aanwezigheid van een genoemdheid en de aard ervan nog gecompliceerder is dan met betrekking tot | dat | in | Ik geloof dat hij komt. |. Dat is b.v. het geval bij gebruik van díe semantemen díe niet als lemmateken bij Van Dale voorkomen, maar wel binnen lemmatekens, b.v. | en | in | stoelen | en | loos | in | rookloos |. Het gebruik van zulke semantemen, met name van | loos | zullen wij trachten te beschrijven, om onze bewering te kunnen staven, of althans toe te lichten, dat bij elk gebruikt semanteem de betekenis is toegepast als de eenheid waarbinnen een bepaalde genoemdheid wordt te kennen gegeven.

Reichling geeft om te beginnen de volgende beschrijving in dit verband: ‘Rookloos symboliseert “zonder rook”,’ .... (Het Woord, blz. 353.) Dit moet aldus worden geïnterpreteerd: ‘de betekenis van | rookloos | is “zonder rook”’.

De betekenis kunnen wij kennen door ‘“rookloos”’ toe te passen op een in de voorstelling geschapen optimale genoemdheid. Indien de taalbeschouwer dit doet, past hij ‘“rookloos”’ b.v. toe op een ‘soortelijk plus-kenmerk’ van een ‘zaak’ vgl. | een rookloos vertrek |. Dat | rookloos | ‘zonder rook’ betekent is evident. Is het ook evident wat de betekenis is van | rook | en van | loos |? De betekenis van | rook | vindt een beschrijving bij Van Dale: ‘zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij het verbranden van lichamen opstijgt en zich in de atmosfeer verspreidt’. Maar nu | loos |? Voordat wij een

[p. 60]

betekenisbeschrijving van | loos | beproeven keren wij terug naar het teken | rookloos | als geheel en naar wat Reichling daarover zegt. Reichling laat zien dat het betekenis-geheel ‘“rookloos”’ bepaalde onderscheidingen vertoont, welke bestaan in ‘rook’ en ‘zonder’. Voorts betoogt hij, dat er een samenhang bestaat tussen het vormmoment :loos: en het betekenismoment ‘zonder’, maar dat dat niet impliceert dat de betekenis van | rookloos | identiek is met die van | zonder rook |:

‘“loos” symboliseert niet “zonder”. In het geheel echter wordt de onderscheiding “zonder” betrokken op -loos, als een ten opzichte van het betekenis-geheel constant functionerend Gestalt-moment waaraan een bepaald moment van de betekenisstructuur is gebonden, zó dat dit moment alleen betrokken op de structuur-kern, waarvan het afhankelik is, kan worden “gepraediceerd” [d.i. “toegepast”]: Het is niet mogelik dergelike onderscheidingen disjunct toe te passen. Hier dus hebben we te maken met “onzelfstandig symboliserende” taalmomenten; een onzelfstandig symboliserend woord is een contradictio in terminis.’ (Het Woord, blz. 353, spat. v. Reichling.)

In dit citaat behandelt Reichling het verschil tussen de toepassingswijze van ‘“loos”’ en die van de betekenis van een woord. Bij ‘“loos”’ is, aldus Reichling, sprake van onzelfstandige betekenis; ‘onzelfstandige betekenis hebben’ staat op één lijn met ‘onzelfstandig symboliseren’. ‘Onzelfstandig symboliseren’ moet onderscheiden worden van ‘onzelfstandig noemen’. ‘Onzelfstandig noemen’ immers doet | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! | en | dat | in | Ik geloof dat hij komt. |, en dat wil niets anders zeggen dan dat de genoemdheid van | klein | evenals die van | dat | te kennen wordt gegeven als afhankelijk van andere genoemdheden. De (onderstelde) genoemdheid van | loos | in | een rookloos vertrek | is evenzeer onzelfstandig, maar bovendien is er met de betekenisstructuur van | rookloos | iets aan de hand waardoor de relatie tussen ‘“rook”’ en ‘“loos”’ in | rookloos | van andere aard is dan die tussen ‘“rook”’ en ‘“zonder”’ in | zonder rook |; | rook | en | zonder | verhouden zich hier als twee woorden en | rook | en | loos | als twee woorddelen. Dit maakt dat de betekenis van | loos | een onzelfstandige betekenis is1.

[p. 61]

Reichling's uiteenzetting werpt enige problemen op. In de eerste plaats het probleem hoe wij de betekenis van | rook | in | rookloos | moeten opvatten: als zelfstandig of als onzelfstandig. Het moment ‘“rook”’ in de structuur van ‘“rookloos”’ maakt, aldus Reichling, de kern uit, en ook ‘kernen’ zijn alleen ‘praediceerbaar [= toepasbaar] via het woordgeheel’. (Het Woord blz. 354.), en alléén toepasbaar via het woordgeheel is - aldus Reichling - een onzelfstandige betekenis. Is echter de betekenis van | rook | (‘zichtbaar mengsel van gassen’ etc.) onzelfstandig? En is dan de betekenis van | rook | in | zonder rook | zelfstandig? Maar - er is toch maar één betekenis van | rook |, en wij kunnen slechts zeggen dat de taalgebruiker die éne betekenis in | rookloos | anders toepast dan in | zonder rook |, een verschil dat men wellicht kan aanduiden als zelfstandig en onzelfstandig toepassen; ‘betekenissen’ vertonen op zichzelf beschouwd geen onderscheid in zelfstandige en onzelfstandige; dit onderscheid krijgt pas recht van bestaan bij betekenistoepassing, en een ‘onzelfstandige betekenis’ is evenzeer een contradictio in terminis als een ‘onzelfstandig symboliserend woord’. Het woord zoals Reichling dat bestudeert, is een verschijnsel dat weliswaar een ‘taalbouwsel’ of, een taalteken is, maar dan een taalteken beschouwd onder het aspect van het gebruikt-zijn, van het toegepast-zijn van de betekenis. ‘De’ betekenis van een semanteem (b.v. van | rook |) leert de taalbeschouwer kennen door die betekenis toe te passen, maar zij bestaat los van die toepassing. ‘De’ betekenis echter van | rookloos |, van een combinatie van semantemen dus, die de taalbeschouwer eveneens leert kennen door haar toe te passen, sluit het toegepast hebben van de betekenissen der constituerende semantemen in en bestaat niet los van die toepassing. De moeilijkheid schuilt vooral in het gebruik van de term ‘de’ betekenis. Niemand ontkent dat een semanteemcombinatie (b.v. | Het vertrek stond vol rook. |) ‘betekenis’ heeft, noch dat dit het geval is met semantemen (b.v. | rook |). Wel is er een groot verschil tussen beider betekenis-structuur, zo groot, dat zulk een structuur het best afwezig genoemd kan worden in | rook |. Dat er daarenboven verschil

[p. 62]

is tussen de betekenisstructuur van | rookloos | en die van | zonder rook | is een andere kwestie, waarop wij later terugkomen. Wij zullen eerst trachten vast te stellen, in hoeverre het een onderscheidend kenmerk is, dat het, zoals Reichling betoogt, niet mogelijk is de betekenis van | loos | (door Reichling aangeduid met de term ‘onderscheiding’, vgl. het citaat op blz. 60) disjunct toe te passen; dat is immers geen kenmerk speciaal van het woorddeel: het is evenmin mogelijk, de betekenis van | dat | zoals wij die leren kennen in | Ik geloof dat hij komt. |, een door Reichling duidelijk als zodanig beschouwd woord, disjunct toe te passen. Wel kunnen wij ons - mèt Reichling - houden aan het feit dat ook | loos | ‘betekenis’ heeft. De taalbeheerser die | een rookloos vertrek | gebruikt past ‘“loos”’ toe op een moment binnen de gesteldheid van een ‘zaak’ die binnen de ‘soort’ ‘vertrek’ valt, een moment dat men zou kunnen beschrijven als ‘het tegenwoordigheidsaspect’ (van rook). Hoe onvolledig die beschrijving ook mag zijn, het feit dat een beschrijving mogelijk kan worden geacht van een ‘iets’ waarop ‘“loos”’ wordt toegepast doet ons concluderen dàt er zulk een ‘iets’ bestaat, m.a.w. dàt er een genoemdheid van | loos | in | rookloos | bestaat, van welke aard dan ook. Die genoemdheid is zoiets als een tegenwoordigheidsaspect en het tegenwoordigheidsaspect wordt te kennen gegeven als negatief: de rook is niet-tegenwoordig, is afwezig. Het negatief-zijn als zodanig wordt te kennen gegeven krachtens de betekenis van | loos |, waarvan de notie ‘negatief’ moment uitmaakt. In | een rookvol vertrek | treedt een soortgelijke betekenisstructuur op: de genoemdheid van | vol | is eveneens het tegenwoordigheidsaspect van de rook, maar dit wordt nu te kennen gegeven als positief: de rook is weltegenwoordig, is aanwezig. Wie de betekenis wil beschrijven van deze semantemen | loos | en | vol |, wie beschrijven wil wàt zij ‘symboliseren’, kan dat doen in termen als ‘zonder’ resp. ‘met’. Met de betekenis van | zonder | en | met | hebben | loos | resp. | vol | wel degelijk iets gemeen; het onderscheid evenwel dat ten grondslag ligt aan de stelling van Reichling: ‘-loos symboliseert niet “zonder”’, is gelegen in de wijze waarop de betekenissen worden toegepast.

II. 4. De zelfstandigheid der betekenis.

Keren wij nu terug tot de vraag of alle semantemen op gelijke wijze teken zijn, dan concluderen wij uit de voorafgaande analyse, dat dit

[p. 63]

onder bepaald opzicht beschouwd inderdaad het geval is; en wel beschouwd als volgt: semantemen hebben een betekenis die de taalbeheerser op een genoemdheid pleegt toe te passen. Dit impliceert dat van de taalbeschouwer wordt ondersteld dat hij van elk gebruikt semanteem de genoemdheid kan beschrijven in een dusdanige vorm dat de andere taalbeschouwers met die beschrijving kunnen mee-‘denken’ en na kunnen gaan in hoeverre die beschrijving met hun eigen taalervaring klopt. Het is al gebleken dat de beschrijving van de ene genoemdheid minder grote moeilijkheden biedt dan die van de andere; het is minder gecompliceerd om tot de genoemdheid van | paard | in | Ik zag een klein paard, Jan! | door te dringen dan tot die van | dat | in | Ik geloof dat hij komt. |, of tot die van | loos | in | rookloos |. Evenmin derhalve is het voor alle semantemen even eenvoudig om hun betekenis vast te stellen. Men vergelijke b.v. betekenis en genoemdheid van | paard | in | Ik zag een klein paard, Jan! | met die van | er | in | een kleiner paard | of met die van | t | in | Mijn paard steigert. |. Deze semantemen hebben een zeer subtiel aandeel in de betekenis (of: betekenisstructuur) van de semanteemcombinatie die zij mede-constitueren. Maar ook een zo subtiel aandeel bestaat krachtens de eigen betekenis van het betreffende semanteem. Reichling echter zegt hierover:

‘dit’ ... ‘betrokken-zijn op bepaalde betekenis-onderscheidingen geeft hun [d.i. zulke semantemen] weliswaar “betekenis”, doch alleen, en in elk geval weer opnieuw, via het betekenisgeheel.’ (Het Woord, blz. 353.)

Reichling stelt de ‘betekenis’ van een semanteem als | loos | en | t | (vgl. | rookloos | en | Mijn paard steigert. |, dat zijn betekenis ontvangt ‘via het betekenis-geheel’, tegenover die van een woord. Tegenover de door sommigen gekoesterde mening, dat een woord pas ‘betekenis’ krijgt door, of krachtens, of via de zin1, toont hij het primaat ofwel de autonomie van de woordbetekenis als volgt aan:

‘Verander, in de zin van een vertoornde vader maar eens de voor-

[p. 64]

zetsels: “Jij gaat maar van (zonder) mijn centen op reis!” Het is totaal onmogelik, dat de voorzetsels uit de samenhang der termen hun betekenis halen, want is de betekenis van de rest een andere als de vader 'n ander voorzetsel gebruikt? Integendeel, niet de rest modificeert van of zonder, maar van of zonder modificeren de rest essentiëel. Het is waar dat het gebruik van van of zonder verschillende situaties veronderstelt, maar het veronderstelt juist niet verschillende vergezellende taalmomenten. En daarover gaat het. Zo draagt de praepositie aan het geheel der gebruikte taalmomenten haar deel bij. Zij bestaat op “deze bepaalde wijze”, omdat het in haar eigen betekenis ligt te kunnen bestaan.’ (Het Woord, blz. 275.)

Zulk vervangen als Reichling hier doet is in de taalkunde een bijna automatische handeling, die in zeer vele beschouwingen impliciet of expliciet tot uiting komt, en die, evenals het taalbeheersers-criterium (vgl. blz. 22, 23) een grondregel vormt van de taalkundige methode. Als zodanig zullen wij de substitutie ter sprake brengen in II, 9.

Alles wat in de geciteerde passage over het woord (in dit geval een prepositie) gezegd wordt, is van toepassing ook op taaltekens die geen woorden zijn. Dit is zo essentiëel dat wij de passage herhalen met vervanging van de woorden door niet-woorden. Zoals Reichling | Jij gaat maar van mijn centen op reis! | stelt tegenover | Jij gaat maar zonder mijn centen op reis! | zullen wij | Mijn paard steigert. | stellen tegenover | Mijn paard steigerde. |. Met deze vervanging citeren wij: ‘Het is totaal onmogelijk dat de semantemen | t | en | de | uit de samenhang der termen hun betekenis halen, want is de betekenis van de rest een andere als wij in plaats van | t | | de | gebruiken? Integendeel, niet de rest modificeert | t | of | de |, maar | t | of | de | modificeren de rest essentieel. Het is waar dat het gebruik van | t | of | de | verschillende situaties veronderstelt, maar het veronderstelt juist niet verschillende vergezellende taalmomenten. En daarover gaat het. Zo draagt zulk een semanteem aan het geheel der gebruikte taalmomenten zijn deel bij, en wel een concreet bepaald deel. Het bestaat op “deze bepaalde wijze”, omdat het in zijn eigen betekenis ligt te kunnen bestaan.’

De semantemen | loos |, | vol |, | t | en | de | zijn in de gegeven voorbeelden geen woorden, het is echter wèl zo, dat zij op zichzelf beschouwd, dus vóór de gebruiksfase, ‘betekenis’ bezitten. Het verschil tussen een semanteem dat ‘woord’ is en een semanteem dat ‘woorddeel’ is, ligt

[p. 65]

in de gebruiksfase. Men kan niet zonder meer zeggen ‘| paard | is een woord en | isme | is een woorddeel’, maar pas als | paard | en | isme | gebruikt worden kan men aan de toepassingswijze van hun betekenis vaststellen of ze al of niet als woord gebruikt worden. In | een paardachtig dier | is | paard | niet gebruikt als woord, maar als woorddeel en in | Hij is een verwoed aanhanger van één of ander vreemd ‘isme’. | is | isme | niet gebruikt als woorddeel maar als woord. Dat de beschrijving van de betekenis van een semanteem en van de genoemdheid waarop die betekenis wordt toegepast in sommige gevallen bijna onmogelijk schijnt, doet niets toe of af aan de eigenschappen van ‘het’ semanteem.

Ten tweeden male terugkerend tot de vraag of alle semantemen op gelijke wijze ‘teken’ zijn, concluderen wij dat dit, beschouwd onder het hier geanalyseerde aspect, inderdaad het geval is.

Alle semantemen zijn in zóverre op gelijke wijzeteken’, dat zij onontleedbare taaltekens zijn die ieder eenbetekenisbezitten, welke in taalgebruik op een genoemdheid wordt toegepast.

II. 5. Betekenisovereenkomst en betekenisidentiteit.

Met het voorafgaande hebben wij één eigenschap van het semanteem beschreven en daarmee in één opzicht antwoord gegeven op de vraag of alle semantemen op gelijke wijze teken zijn. Dit antwoord was bevestigend. Wij zullen nu onderzoeken in hoeverre de semantemen nog meer eigenschappen bezitten die maken dat zij in bepaald opzicht op gelijke wijze teken zijn.

Ons stilzwijgend ingenomen uitgangspunt, dat men een axioma van de linguïstiek kan noemen, is, dat ieder semanteem - een twee-eenheid van ‘vorm’ en ‘betekenis’ - een unieke twee-eenheid van vorm-enbetekenis is. Zoals reeds in I, 7 ter sprake kwam, bestaan er verschillende semantemen met dezelfde vorm (b.v. | bank |-1 en | bank |-2); een semanteem waarvan de vorm identiek is met die van een ander semanteem is een homoniem; het criterium voor het semanteem-zijn ligt dus niet in de vorm-puur, maar in de twee-eenheid waarvan de vorm moment uitmaakt. Anderzijds komt nu de vraag op of er ook semantemen bestaan, waarvan de vorm verschilt, maar de betekenis identiek is. Dat zou b.v. het geval zijn met de semantemen | boot | en | schip |. Inderdaad constateert de taalbeschouwer een bepaalde overeenkomst tussen de betekenis van | boot | en die van | schip |, maar dat

[p. 66]

‘maakt hun betekenis-eenheid nog niet identiek. Het verschil blijkt uit het verschil in gebruiksmogelikheden van schip en boot. Wij kunnen wel met de boot van half twaalf uit Hoek van Holland naar Harwich vertrekken, maar niet met het schip, omdat boot in zijn betekenis-eenheid de onderscheiding omsluit van 'n vaartuig, dat 'n bepaalde dienst onderhoudt. Zo vaart voor 'n Nijmegenaar de Nijmeegse boot naar Rotterdam, en niet het Nijmeegse schip; zo vertrekt de boot uit Enkhuizen naar Stavoren. Onder de betekenisonderscheidingen van boot’ ... ‘komt voor, zo iets van: 'n bepaalde dienst onderhoudend, 'n relevantie, die volstrekt niet in alle gebruik hoeft geactueerd te worden.’ (Het Woord, blz. 325.)

Wij voegen hier aan toe: een onderscheiding waardoor de betekeniseenheid ‘“boot”’ zich onderscheidt van ‘“schip”’. Al eerder is de wijze waarop de taalbeschouwer vat krijgt op de betekenis van een taalteken ter sprake gekomen. Wij formuleerden dit als volgt (vgl. blz. 28 vlgg.): de taalbeschouwer kan de betekenis leren kennen door een optimaal ‘iets’ waarop hij de betekenis van het betreffende taalteken toepast, te beschouwen. Hij ervaart dan dat zulk een optimaal ‘iets’ kenmerken bezit die het optimaal maken. Het zijn die kenmerken waarvan de beschrijving samenvalt met die van de betekenisonderscheidingen der toegepaste betekeniseenheid. Wij zagen dit proces zich voltrekken in Reichling's analyse van het verschil tussen ‘“boot”’ en ‘“schip”’; wij kunnen mee-‘denken’ en ons inderdaad twee verschillende optimale vaartuigen voorstellen, die ieder representatief zijn voor | boot | resp. | schip |, b.v. de boot van Enkhuizen naar Stavoren resp. een oorlogsschip. Dat een oorlogsschip optimaal is voor | schip | en niet voor | boot | wordt niet alleen veroorzaakt door een waarneembaar kenmerk van dit vaartuig, maar vooral door taak en capaciteit, door ons ook onder de noemer ‘kenmerken’ gebracht. Zolang men niet expliciet | boot | en | schip | tot elkaar in oppositie stelt schijnt het dat voor beide éénzelfde vaartuig optimaal kan zijn. Wij noemen iets echter slechts optimaal voor een bepaalde semanteembetekenis, als ieder optimaal-makend kenmerk in aanmerking genomen is, gegeven het feit dat de kenmerken in hun geheel in oppositie staan tot ieder kenmerkengeheel van iets dat optimaal is voor enige andere semanteembetekenis. Het doet er niet toe hóe wij de kenmerken van de twee vaartuigen (b.v. ‘een geregelde dienst onderhoudend’) ervaren en kennen; of wij het kennen door vormkenmerken

[p. 67]

van het vaartuig, door de afmetingen, door een opschrift erop, door de plaats waar het zich bevindt, of doordat wij die kennis omtrent die urendienst eenvoudig ‘bezitten’, het feit blijft dat wij tot twee optimale vaartuigen komen bij waarneembaarmaking van de vorm van | boot | tegenover die van | schip |. Alles waarin de ene ‘optimaliteit’ verschilt van de andere noemen wij een ‘kenmerk’. Nu valt het bij de ene vergelijking tussen ‘synoniemen’ moeilijker, tot de beschrijving der verschillen tussen de ‘optimaliteiten’ te komen dan bij de andere. Men vergelijke b.v. de semantemen | arts | en | dokter |. Als de taalbeschouwer zich een optimaal iemand voorstelt op wie hij ‘“dokter”’ toepast, heeft hij aanvankelijk de indruk dat de optimaal-makende kenmerken in geen enkel opzicht verschillen van die van iemand op wie hij ‘“arts”’ toepast; hij zou daaruit willen concluderen dat de betekenisonderscheidingen van ‘“arts”’ dezelfde zijn als die van ‘“dokter”’ en deze conclusie op haar beurt zou tot de conclusie leiden dat de betekeniseenheid van | arts | en die van | dokter | identiek zijn. Bij nadere beschouwing echter blijkt, dat het toch niet om het even is of men op een persoon ‘“arts”’ dan wel ‘“dokter”’ toepast. Met | arts | ‘noemen’ wij iemand onder een officieel aspect als uitoefenaar van een bepaald beroep, een officieel aspect dat althans de genoemdheid van | dokter | mist. De koningin ontbiedt een arts, maar een huismoeder roept de dokter. Dat betekent natuurlijk helemaal niet dat dat koningin niet eens zou zeggen ‘ik zal de dokter laten komen’, of een huismoeder ‘ik zal het de arts vragen’, maar het betekent wel dat de koningin zich dan enigszins ‘in de richting van’ een huismoeder (dus minder officieel) en de huismoeder zich ‘in de richting van’ een koningin (dus meer officieel) kwalificeert. Dit kwalificeren berust op eigenschappen van | dokter | en | arts |. Zo is het ook een eigenschap van | dokter |, dat het bruikbaar is om een dokter mee aan te spreken, welke eigenschap | arts | mist. Wij gebruiken | dokter | in het persoonlijk contact en | arts | in het neutrale geval als het over de arts-als-een-‘derde’ gaat. Wie het over de ‘arts’ heeft geeft zich te kennen als op neutralere, onpersoonlijker wijze van deze man of vrouw gedistantieerd dan wie het over de dokter heeft, en wie een dokter aanspreekt met ‘arts’ kwalificeert zichzelf of de betreffende dokter of beide als een belachelijk persoon, omdat dit taalteken een distantie tussen hemzelf en die ‘aangesproken persoon’ te kennen geeft die niet van toepassing is op de verhouding waarin zij zich krachtens de aanspreeksituatie bevinden. Men

[p. 68]

kan hier van een disjunct toegepast ‘“arts”’ spreken. Een belangrijk methodisch punt is, dat speciaal waar de aard van de betekenis in bepaald opzicht problematisch is, disjuncte toepassing een zeer bruikbare toets is waaraan de zuivere betekenis-eigenschappen kunnen worden gemeten. Bij disjuncte toepassing immers worden die eigenschappen geaccentueerd, omdat dan een niet-optimale genoemdheid tegen de optimale wordt afgezet. Door de afwijking wordt men zich bewust waar van afgeweken wordt, en waar van afgeweken wordt is gerepresenteerd in de optimale genoemdheid, waarvan de beschrijving samenvalt met de beschrijving van de betekenis.

Betekenisonderscheidingen van | arts | zijn: ‘universitair opgeleid, tot het uitoefenen van een geneeskundige praktijk bevoegd persoon, gezien onder een bepaald neutraal onpersoonlijk officieel aspect’. Betekenisonderscheidingen van | dokter | zijn: universitair opgeleid, tot het uitoefenen van een geneeskundige praktijk bevoegd persoon, gezien onder een bepaald, enigszins met persoonlijk contact samenhangend aspect’. De semantemen | arts | en | dokter | hebben dus betekenisonderscheidingen gemeen, maar niet alle betekenisonderscheidingen. Spreken wij van ‘kenmerken’ van een optimale genoemdheid, dan moet de term ‘kenmerk’ in de ruimst mogelijke zin worden opgevat; wij beschouwen het aspect waaronder een genoemdheid wordt gezien krachtens het feit dat deze ‘genoemd’ wordt door | arts | resp. | dokter | ook als een ‘kenmerk’ van die genoemdheid. Een ‘kenmerk’ derhalve is letterlijk alles waardoor een genoemdheid zich onderscheidt, voorzover dat door taaltekens te kennen gegeven wordt. Het aspect waaronder een taalteken een genoemdheid te kennen geeft beschouwen wij derhalve als een moment van de betekenis. Iedere willekeurige arts kan optimaal zijn voor | arts | zowel als voor | dokter |. Zij kunnen dat echter niet onder alle omstandigheden. Blijft dus het feit dat de medicus met | arts | onder een ander aspect te kennen gegeven wordt dan met | dokter |. Ook al maakt het in bepaalde gegeven omstandigheden en in bepaald opzicht niet uit of men het één of het ander gebruikt (b.v. als het uitsluitend gaat om het aanduiden van 's mans beroep), dan nog wordt hij in dat beroep onder een ander aspect aangeduid door | arts | dan door | dokter |, d.w.z. in dàt opzicht maakt het wel uit welk van de twee semantemen men gebruikt, en om dàt opzicht gaat het in onze beschouwing. Ook zulk een ‘aspect’, dat zich bij ieder ‘noemen’ van deze semantemen voordoet, opvallend of

[p. 69]

niet, is moment van de betekenis, maakt deel uit van het ‘te kennen geven als’ en is dus een betekenisonderscheiding. (Dat de betekenisonderscheidingen van een semanteem mogelijk een zekere onderlinge hiërarchie vertonen is een kwestie waar wij niet op in zullen gaan. Deze studie is niet gericht op analyse binnen betekeniseenheden van semantemen, maar op de oppositie die er tussen de eenheden bestaat.)

De hiervóór gecursiveerde onderscheidingen van ‘“arts”’ en ‘“dokter”’ zijn evenzeer betekenisonderscheidingen als die welke wij niet cursiveerden. Wij cursiveerden ze alleen omdat zij het verschil tussen ‘“arts”’ en ‘“dokter”’ vormen en om te laten opvallen dat zij binnen de eenheid der semantemen-zelf thuishoren. Wanneer wij met reële artsen, d.i. in de werkelijkheid, en dus afgezien van de taal, worden geconfronteerd, merken wij het ook buiten de taal te kennen kenmerk ‘een persoon’, op andere wijze op dan het kenmerk ‘gezien onder een bepaald aspect’, en hetzelfde geldt voor de optimale artsen die wij ons voorstellen. Binnen de taal echter vigeren deze onderscheidingen alle op gelijkwaardige wijze, in zoverre, dat zij alle moment uitmaken van de constante betekeniseenheid.

Uit bovenstaande analyse blijkt dat ook voor de ‘synoniemen’ | arts | en | dokter | geldt wat Reichling zegt over | boot | en | schip |: de betekenisovereenkomst ‘maakt hun betekeniseenheid nog niet identiek’. Dit feit doet ons een verschijnsel van algemener strekking op het spoor komen: van geen twee taaltekens die voor elkaar gesubstitueerd kunnen worden is de betekeniseenheid identiek. Dat dit geldt voor de twee tekens | dak | en | schrik | is evident. Een bewijs echter voor de algemeenheid van deze stelling wordt van de taalbeschouwer geëist telkens wanneer zich twee taaltekens voordoen die bij oppervlakkige beschouwing de indruk wekken een identieke betekenis te bezitten, zoals | boot | en | schip |, | dokter | en | arts |. Dat bewijs bestaat dan hierin: dat de taalbeschouwer de twee betekenissen in hun toepasbaarheid onderzoekt, en ze op grond daarvan, in hun onderlinge relatie beschrijft, zó, dat betekenisonderscheidingen die niet voor beide gelden, aan de mede-taalbeschouwer kunnen worden voorgelegd. Een dergelijk bewijs vindt men in ‘Het Woord’ voor | boot | en | schip | en hiervóór voor | arts | en | dokter |. Overal waar het semanteem wordt gesubstitueerd door een ander, wordt de taalbeheerser geconfronteerd met achtereenvolgens twee betekeniseenheden. Zo kan men vergelijken | en |

[p. 70]

in | vingeren | met | s | in | vingers |, en deze substitutie in andere tekens voortzetten: | tafelen | / | tafels |, | druppelen | / | druppels |. Men kan m.a.w. de betekenis van twee semantemen ‘zuiver’ vergelijken als men het ene door het andere substitueert. Op deze manier vergeleek Reichling | van | met | zonder | en vergeleken wij | t | met | de | (blz. 85, 86). Vergelijkt men, substituerend, | s | met | en | dan treedt een bepaald betekenis-verschil op. De mogelijkheid tot dit betekenisverschil hangt o.a. samen met vormelijke eigenschappen van de semantemen | vinger | enz. (de eindvorm: er:, :el:), maar het ligt in de betekenis der semantemen | en | en | s | als zodanig, dat zij in staat zijn de ‘meer-dan-één’-notie onder een plechtiger resp. een minder plechtig aspect te ‘noemen’. Waar het mogelijk is, twee semantemen tot elkaar in zulk een oppositie te stellen, is het duidelijk dat hun betekenis niet identiek is. Niet altijd evenwel is het mogelijk, een semanteem binnen enig taalteken door zijn ‘synoniem’ te vervangen: een substitutie met de ‘meervoudssemantemen’ | s | en | eren | kan men niet tot stand brengen. D.w.z. indien men | kinderen | verandert in | kinds | geeft | s | geen meervoudsnotie te kennen. Toch wordt de genoemdheid van | eren | in | kinderen | ‘genoemd’ onder een aspect dat, en op een wijze die niet verschilt van die van | s | in | tekens |, terwijl | tekeneren | niet: ‘meer dan één teken’ te kennen geeft. Hetzelfde geldt voor de ‘verkleinsemantemen’ | pje | en | tje |. Men vergelijke | oompje | en | biertje | met het onmogelijke | oomtje | en | bierpje |. Slechts in zulke gevallen kan men van werkelijke synoniemen spreken; d.w.z. voorwaarde voor het identiek zijn van de betekenis van twee semantemen is, dat het de taalbeschouwer niet mogelijk is, die semantemen in hun betekenis aan elkaar op enigerlei wijze te opponeren. Het onderscheid tussen semantemen die werkelijk synoniem zijn, zoals | pje | en | tje | is uitsluitend vormelijk gebonden; het verschil tussen schijnsynoniemen, zoals | arts | en | dokter | niet. Een probleem apart vormen de gevallen waarbij de vraag naar de homonimie nog onbeantwoord blijft. Het is b.v. niet mogelijk | en | in | boeken | te substitueren door | s |. Hieruit blijkt dat het al of niet ‘plechtig’ zijn van de betekeniseenheid van | en | afhankelijk is van eigenschappen van de semanteemvorm waarop de meervoudssemanteemvorm volgt. Wèl kan men vaststellen dat er twee betekeniseenheden bestaan, moment uitmakend van | s | resp. | en |. Een onderzoek naar de homonimie kan slechts een antwoord leveren op de vraag of | en | in

[p. 71]

|boeken |, dat immers niet kan worden gesubstitueerd door | s |, hetzelfde semanteem is als | en | in | vingeren |.

Stellen wij het verschijnsel der synonymie naast dat der homonymie, dan blijkt eens te meer hoezeer een semanteem een twee-eenheid van vorm-en-betekenis is. Immers, het criterium voor de identiteit van een semanteem ligt noch in de vorm-puur (getuige de homoniemen), noch in de betekenis-puur (getuige de synoniemen), maar in de vorm-en-betekenis als twee-eenheid.

II. 6. Verschillende toepassingen van één semanteem.

In de vorige paragrafen onderzochten wij semanteem-eigenschappen die ten grondslag liggen aan het feit dat de taalbeschouwer ‘het semanteem’ kan onderscheiden. Ons inzicht in deze eigenschappen is dus van nu aan verdisconteerd in wat wij systematisch van ‘het Nederlands’ weten en als volgt formuleerden: ‘“Het Nederlandsis een geheel van onderling combineerbare semantemen.’ Met deze formulering is onze kennis van ‘het Nederlands’ uiteraard niet uitgeput, integendeel, daar begint zij. Deze begin-kennis op zichzelf doet alle mogelijke vragen rijzen. Hoe moeten wij het verschijnsel van de ‘onderlinge combineerbaarheid’ verstaan? Hoe is de relatie tussen het semanteem en de ‘onderlinge combinatie’ van semantemen? Kunnen alle semantemen op gelijke wijze ‘gecombineerd’ worden?

Terwijl wij ons in het voorafgaande afvroegen in hoeverre alle semantemen op gelijke wijze ‘teken’ zijn, zullen wij ons nu bezighouden met de vraag: Waarin verschillen de semantemen van elkaar? Om dit probleem aan te vatten zullen wij uiteraard verschillende semantemen met elkaar moeten vergelijken. Niet alle semantemen komen op dezelfde wijze geïsoleerd voor. Wel kunnen alle semantemen met andere gecombineerd worden, en daarom zullen wij, als uitgangspunt voor de vergelijking, combinaties van semantemen kiezen om, aan de hand van de wijze waarop zij in combinaties gebruikt worden, eigenschappen der semantemen te kunnen vaststellen. Bij het onderzoeken van de eigenschappen der semantemen gaan wij dus uit van gegeven semanteemcombinaties. Het beschouwen van wat een semanteem telkens in één gegeven combinatie doet vormt een essentieel onderdeel van de gevolgde methode, dat wij hierna zullen uitwerken.

Een ‘semanteemcombinatie’ is wat wij noemden een ‘ontleedbaar

[p. 72]

taalteken’. Vooralsnog weten wij van de semanteemcombinatie niets anders, dan dat het een taalteken is, geconstitueerd door semantemen waarvan de vormen, waarneembaar gemaakt, elkaar opvolgen. Het vergelijkend onderzoek van verschillende semantemen binnen zulke combinaties zal ons niet alleen verschillende semanteem-eigenschappen moeten doen kennen, maar ons bovendien moeten leren of de ‘semanteemcombinatie’ nog andere eigenschappen bezit dan de hierboven genoemde (cursief). De vraag, waarin de semantemen van elkaar verschillen werd al op zeer voorlopige wijze beantwoord in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Daarin bleek namelijk dat er gevallen van taalgebruik zijn waarbij semanteembetekenissen, onder het aspect der te kennen gegeven hiërarchie die hun genoemdheden beheerst, op verschillende wijze zijn toegepast. Dat ontleenden wij aan de analyse van het gebruik van | paard | en | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! |. Het resultaat van de vergelijking tussen deze en alle andere semantemen die wij tot nu toe beschouwden kunnen wij als volgt samenvatten. Van ieder gebruikt semanteem wordt de betekenis op een genoemdheid toegepast. De wijze waarop de betekenis op een genoemdheid wordt toegepast is onder het hiërarchisch aspect niet in alle gebruiksgevallen dezelfde. Het komt ook voor, dat de betekenis van één semanteem onder dat hiërarchisch aspect op verschillende manieren kan worden toegepast. Ook het semanteem | paard | kan op meer dan één wijze worden toegepast, zoals blijkt in de voorbeelden | een klein paard | en | een paardje |. Wij zullen trachten vast te stellen, waardoor het verschil in toepassingswijze van ‘“paard”’ in de twee laatst genoemde taaltekens wordt bepaald.

De genoemdheid van | paard | in | een klein paard | is een ‘zaak’ die tot de ‘paard’-‘soort’ behoort (zie blz. 57). Het lijkt of deze beschrijving eveneens van toepassing is op de genoemdheid van | paard | in | een paardje |. In een ander verband zou die formulering misschien te verdedigen zijn, maar in elk geval niet hier: de taalbeschouwer wordt door zijn taalbeheersing ertoe gebracht, te stellen dat de toepassingswijzen van | paard | in | een klein paard | en | een paardje | verschillen. Het is ons juist om dit verschil te doen, en als wij voor één van beide toepassingswijzen genoegen nemen met de formulering ‘een “zaak” die tot de “paard”-“soort” behoort’, dan zullen wij voor de andere een andere formulering moeten vinden. Wij zullen dus analyseren van welke ‘denk’-act er sprake is bij gebruik van | een paardje | (in oppositie tot | een

[p. 73]

klein paard |). Daarbij constateren wij in de eerste plaats dat het dier dat wij ons krachtens | een paardje | voorstellen inderdaad ‘paard’-kenmerken bezit. Toch is het niet een dier dat, zoals het dier van | een klein paard |, zonder meer onder de ‘paard’-‘soort’ valt. Het blijkt een bepaald kenmerk, namelijk het kenmerk van relatief kleine afmetingen, te bezitten. Relatief in zoverre dat een paardje kleiner is dan een paard (d.i. als kleiner te kennen gegeven wordt). Het kenmerk van de relatief kleine afmetingen is de genoemdheid waarop de betekenis van | je | is toegepast in | een paardje |. Tot hiertoe laat de analyse nog altijd ruimte voor de mogelijkheid om de ‘denk’-act die optreedt bij gebruik van | een klein paard | over één kam te scheren met die welke optreedt bij gebruik van | een paardje |: het dier van | een klein paard | immers heeft ‘paard’-kenmerken, deze zijn gegeven in het semanteem | paard |; voorts heeft het afmetingskenmerken, deze zijn gegeven in het semanteem | klein |. Het dier van | een paardje | heeft ‘paard’-kenmerken, deze zijn gegeven in het semanteem | paard |; voorts heeft het afmetingskenmerken, deze zijn gegeven in het semanteem | je |. Is nu een paardje inderdaad een paard, d.w.z. op de wijze waarop een klein paard een paard is? Het komt ons voor van niet. Dat de combinatie met | klein | niet op één lijn te stellen is met die met | je | blijkt vooral als men voor | paard | nog andere semantemen substitueert: | een klein lied | / | een liedje |; | een klein bed | / | een bedje |; | een klein geluid | / | een geluidje |; | een klein gezelschap | / | een gezelschapje |; | een klein verlies | / | een verliesje |. De wijze waarop een klein paard een paard is beschreven wij als de wijze van het te kennen gegeven worden als een genoemdheid die niet ‘uitsluitend aan één of meer andere genoemdheden wordt ervaren’, dus als een ‘zaak’ (vgl. blz. 52). Beschouwen wij nu het gebruik van | een paardje | dan constateren wij iets anders. Namelijk dat het dier waar wij het over hebben op dezelfde wijze onder desoort’ ‘paardjevalt als het dier van | een klein paard | onder desoort’ ‘paard’. Wij constateren vervolgens dat de ‘soort’ waar een paardje onder valt te kennen wordt gegeven als een van de ‘soort’ ‘paard’ afgeleide ‘soort’, en verder dat het kenmerkende voor deze laatste ‘soort’ is: ‘van relatief geringe afmeting’ en dat het relatieve bestaat in de relatie tussen de ‘soort’ ‘paard’ en de daarvan afgeleide ‘soort’ ‘paardje’. In | een paardje | ‘noemt’ dus | paard | de eenheid-der-paard-kenmerken (aan het paardje ervaren) niet zonder meer als kenmerken van de ‘soort’

[p. 74]

waartoe het paardje behoort, maar als kenmerken van de ‘soort’ waarvan desoortwaartoe het paardje behoort, is afgeleid. De eenheid ‘“paard”’ is hier toegepast op de ‘oorspronkelijke soort’ voor de ‘paardje’-‘soort’; de ‘“paard”’-kenmerken worden dus niet onmiddellijk, maar middellijk (namelijk middels | paardje |) op de ‘zaak’ toegepast; de genoemdheid van | paard | is hier dus geen ‘zaak’. Het verschil tussen de ‘oorspronkelijke’ en de ‘afgeleide soort’ is vooralsnog moeilijk geheel bevredigend onder woorden te brengen. Beter dan als een verschil in afmeting kan het beschreven worden als een verschil in mate. De term ‘afmeting’ doet meer dan ‘mate’ denken aan meetbare grootheden: ‘de afmetingen van een huis’, maar: ‘de mate van intelligentie’. De afgeleide ‘soort’ verschilt in elk geval hierin van de oorspronkelijke, dat zij één of meer kenmerken in een andere mate bezit. Dat kúnnen afmetingskenmerken zijn, maar het hoeft niet; vgl. | bruid | / | bruidje |; | zaak | / | zaakje |; | lief | / | liefje |. Het verschil in de toepassingswijze van ‘“paard”’ in | een klein paard | resp. | een paardje | kunnen wij evenwel als volgt beschrijven.

a.In | een klein paard | is de genoemdheid van | paard | eenzaakvan een bepaaldesoort’.
b.In | een paardje | is de genoemdheid van | paard | deoorspronkelijke soortwaarvan desoortwaaronder eenzaakvalt, is afgeleid.

II. 7. Betekenis en functie.

Uit het voorafgaande blijkt dat de betekenis van één semanteem op verschillende wijzen kan worden toegepast. Behalve de twee geanalyseerde toepassingswijzen zijn er nog andere mogelijkheden voor ‘“paard”’. Zonder dat wij nu de andere toepassingswijzen ook analyseren, blijken in de volgende voorbeelden nog enkele mogelijkheden: | een paardachtig dier |; | raspaard |. De betekenis van het semanteem | paard | wordt bij gebruik van deze tekens op verschillende manieren toegepast, maar die betekenis is en blijft ‘de’ (ene) betekenis van ‘het’ semanteem | paard |. De wijze waarop de betekenis is toegepast werd bestudeerd onder het aspect van de hiërarchie die de genoemdheden beheerst. De wijze van toepassing, voorzover met deze hiërarchie samenhangend, zullen wij in het vervolg aanduiden met de term functie1. De functie

[p. 75]

van een semanteem onderstelt dus altijd het toegepast-zijn van de betekenis, en is dan ook uitdrukkelijk van de ‘betekenis’ onderscheiden (ook al zijn beide semantische momenten in taalgebruik). Bij gebruik van | een klein paard |, | een paardachtig dier |, | een paardje | en | raspaard | treft de taalbeschouwer ‘de’ (en dat is er maar één) betekenis van | paard | aan en vier functies. Een semanteem heeft, op zichzelf beschouwd, betekenis, en het heeft, in een bepaald geval van taalgebruik beschouwd, een functie.

Bij het bestuderen van enkele functies maakten wij steeds gebruik van het feit dat verschillende semantemen met elkaar gecombineerd waren. Aan het gebruik van | een klein paard | demonstreerden wij hoe ‘de hiërarchie die de genoemdheden beheerst’ moet worden verstaan. Nu wij de term functie ter beschikking hebben, kunnen wij beter spreken van de hiërarchie der functies. Wij beschouwen de genoemdheid immers als iets voorzover dat door een taalteken te kennen wordt gegeven; en in de wijzen van te kennen geven ligt de hiërarchie. Deze hiërarchie, waarvan het principe tot uitdrukking komt in | klein | tegenover | paard | bij gebruik van | Ik zag een klein paard, Jan! |, treffen wij aan in functies die door semantemen vervuld worden bij gebruik van een gegeven taalteken waarbinnen zij voorkomen. De hiërarchie openbaart zich uiteraard wanneer men de functies beschouwt ten opzichte van elkaar. De functie van | paard | is in | Ik zag een klein paard, Jan! | zelfstandig ten opzichte van die van | klein |; omgekeerd is die van | klein | afhankelijk ten opzichte van die van | paard |. De semantemen functioneren binnen een gegeven taalteken niet alleen ten opzichte van de genoemdheden, maar ook ten opzichte van elkaar. Indien er binnen een gegeven taalteken sprake is van hiërarchie der semanteemfuncties dan functioneren de semantemen ten opzichte van elkaar. Er zijn taaltekens (volgens ons criterium van ‘taalteken’) waarbinnen een hiërarchie der functies ontbreekt, b.v. | ik jij hij wij gij zij |; d.w.z. alle der hierin vervulde semanteemfuncties zijn aan elkaar gelijkwaardig. In dat geval functioneren de semantemen niet ten opzichte van elkáar. Wij zullen in het vervolg alleen van het ‘gecombineerd’-zijn van semantemen spreken als er sprake is van een teken waarbinnen de semantemen functioneren ten

[p. 76]

opzichte van elkaar. Alleen zo'n taalteken duiden wij aan met de term ‘semanteemcombinatie’.

Dat een semanteemcombinatie is geconstitueerd door semantemen die ten opzichte van elkaar functioneren, wil zeggen dat elke semanteemcombinatie het vervuld zijn van verschillende semanteemfuncties onderstelt. De ‘betekenis’ van een semanteemcombinatie kan men, evenals die van een semanteem, vaststellen door de combinatie te gebruiken (in de zin van: als taalbeheerser van de waarneembaar gemaakte vorm kennisnemen) en de optimaal-makende kenmerken van een in de voorstelling geschapen genoemdheid op te sporen. Wij brachten dit in praktijk aan de hand van een zeer gedeeltelijke analyse van | Ik zag een klein paard, Jan! |. Er doet zich daarbij een belangrijk onderscheid voor, namelijk dit: dat wij ‘de’ betekenis van | paard | of van | klein |, die in normale, niet-taalbeschouwelijke situaties wordt toegepast, kunnen beschouwen (in een taalbeschouwelijke situatie, zoals de onze) los van de toepassing, dus als nog niet toegepast. In het algemeen: wij leren ‘de’ betekenis van welk taalteken dan ook, kennen aan feitelijk taalgebruik en kunnen haar, gegeven eenmaal die kennis, abstraheren van elk gebruik, wij kunnen haar beschouwen in het vóór-gebruikelijke stadium, in een voor-gebruik-gereed-liggende staat. De geabstraheerde ‘betekenis’ als zodanig bestaat niet krachtens het feit dat zij gebruikt wordt, maar krachtens het feit dat zij gebruikt kan worden. Wij kunnen echter ‘de’ betekenis van een semanteemcombinatie niet beschouwen los van de betekenistoepassing (op in de voorstelling geschapen optimale genoemdheden) der constituerende semantemen. Wij kunnen niet ‘de’ betekenis abstraheren van het taalbeschouwelijke gebruik of liever gebruikt-zijn van de constituerende semantemen. De betekenis van een semanteemcombinatie bestaat krachtens het feit dat de betekenissen der constituerende semantemen toegepast zijn. ‘De’ betekenis van | een klein paard | verschilt van die van | een paardje | o.a. krachtens het feit dat de taalbeheerser de betekenis van | paard | in het ene geval anders toepast dan in het andere. Zonder zo'n actuele, gegeven toepassing kan ‘de’ betekenis van een semanteemcombinatie niet bestaan. Samengevat: De betekenis van een semanteemcombinatie is geconditioneerd door verschillende functies, vervuld door de constituerende semantemen.

[p. 77]

II. 8. De functie in verhouding tot taal en taalgebruik.

Beschikkend over het hiervóór ontwikkelde begrip functie stellen wij nu opnieuw de vraag: waarin verschillen de semantemen van elkaar?

Zoals wij zagen heeft | paard | in | een klein paard | een andere functie dan in | een paardje |. De mogelijkheid om deze twee functies te vervullen is niet uitsluitend beperkt tot het semanteem | paard |. Integendeel, de taalbeschouwer kan zonder moeite andere semantemen noemen die deze zelfde twee functies kunnen vervullen; vgl. | een klein kind | / | een kindje |; | een klein hoofd | / | een hoofdje |; | een klein huis | / | een huisje |, enz. Wij concluderen hieruit deze algemene regel: dat er semantemen bestaan die meer dan één functie kunnen vervullen.

Als wij een binnen een semanteemcombinatie gebruikt semanteem bestuderen, constateren wij, dat het in dat geval één bepaalde functie vervult; wij beschouwen dan het semanteem als moment van taalgebruik. Als wij, met gebruikmaking van de daarmee verworven kennis, datzelfde semanteem beschouwen als moment van taal (dus in de voor-gebruikgereed-liggende staat), dan constateren wij dat het een eigenschap van dat semanteem is, dat het een bepaalde functie kàn vervullen. Tot de eigenschappen der semantemen behoren de functiemogelijkheden. Tot de eigenschappen van de taal waarvan zij deel uitmaken behoren de functies die zij kunnen vervullen en die door ons als taalbeheersers kunnen worden gebruikt. Zoals wij zagen hebben | paard |, | kind |, | hoofd | en | huis | deze eigenschap gemeen dat zij twee bepaalde functies kunnen vervullen. Als wij ons een ogenblik verdiepen in welke Nederlandse tekst dan ook, dan weten wij dat er in ‘het Nederlands’ zeer veel meer semanteemfuncties bestaan dan die paar welke wij bestudeerden. Als wij willen weten waarin de semantemen van elkaar verschillen, vragen wij ons in de eerste plaats af: hebben alle semantemen dezelfde functiemogelijkheden? Aangezien wij niet in staat zijn alle semantemen op dat punt te onderzoeken, kunnen wij om te beginnen beter onze vraag negatief stellen: zijn er semanteemfuncties die door bepaalde semantemen niet kunnen worden vervuld? Om dit te onderzoeken bepalen wij ons eerst tot de functie van | paard | in | een klein paard |, welke wij de ‘“zelfstandige soort”-functie’ zullen noemen. Wij vragen nu: zijn er semantemen die de zelfstandige ‘soort’-functie niet kunnen vervullen? Bij een eerste beschouwing lijkt het, of díe semantemen die zich voordoen als wat Reichling noemt een ‘taal-technisch woord’ de mogelijk-

[p. 78]

heid voor de zelfstandige ‘soort’-functie missen. Zo'n woord is b.v. | dat | in | Hij weet niet dat zij komt. |. Het is onmogelijk om met dezelfde vanzelfsprekendheid als waarmee wij spreken van ‘een paard’, te spreken van ‘een dat’. De vanzelfsprekendheid echter waarmee wij een semanteem in een bepaalde functie gebruiken, is geen criterium óm het in die functie te kunnen gebruiken. En als wij | Hij weet niet dat zij komt. | in oppositie stellen tot | Hij weet niet of zij komt. | dan kunnen wij, ‘gegeven eenmaal dat wij’ .... ‘duidelijk doen verstaan dat we over de zin | Hij weet niet dat zij komt. | spreken, gerust zeggen, dat de betrekking tussen “zijn” weten en “haar” komen een dat is en geen of1. Daarbij merken wij op dat de dat-betrekking er één van feitelijkheid is, tegenover de of-betrekking, die er één van mogelijkheid is. Iedere taalbeheerser kent de uitdrukking ‘er is een máár bij’; | maar | is één van die semantemen waarvan men aanvankelijk meent dat zij de zelfstandige ‘soort’-functie niet kunnen vervullen, maar ook hierbij blijkt dat wel het geval te zijn, al is hier dan, zoals Reichling het noemt, sprake van ‘anomaal “noemen”’. Tekens als | Het mooi is er af. |, | Die hij waar Mevrouw het over heeft is haar buurman. |, | Er was geen terug meer mogelijk. | en | het | laten zien dat er allerlei woorden zijn die, anomaal ‘noemend’, de zelfstandige ‘soort’-functie vervullen.

Aangezien wij nog niet weten waar het anomaal ‘noemen’ op berust, zullen wij het hier buiten beschouwing laten, en ons verdiepen in de vraag of, afgezien daarvan, er semantemen zijn die bepaalde functiemogelijkheden niet bezitten. Daartoe beschouwen wij de functie van | klein | in | een klein paard |. Zoals gezegd (blz. 57) is de genoemdheid van | klein | een kenmerk, toegevoegd aan de ‘soortelijke’ kenmerken van een ‘zaak’. Wij zullen deze functie met de term toevoegingsfunctie aanduiden. Dat er nog andere semantemen zijn die de toevoegingsfunctie kunnen vervullen wordt duidelijk aan de volgende voorbeelden: | een klein paard |, | een groot paard |, | een vreemd paard |, | een mooi paard |, | een snel paard |, enz.

[p. 79]

II. 9. ‘Het Nederlandseen systeem.

Zoals bleek, is een efficiënte wijze om te onderzoeken of twee semantemen dezelfde functie kunnen vervullen, het binnen een bepaald taalteken substitueren van het ene semanteem door het andere. De substitutie van | klein | door | groot |, | vreemd | enz. laat zien dat deze semantemen alle dezelfde functie kunnen vervullen. De betekenisstructuur van de genoemde vijf semanteemcombinaties is dezelfde. In het algemeen stellen wij vast, dat waar sprake is van betekenisstructuur, sprake is van een semanteemcombinatie, en dat de betekenisstructuur bestaat in de wijze waarop de functies der constituerende semantemen met elkaar samenhangen. Indien door substitutie van een semanteem de gegeven betekenisstructuur gehandhaafd blijft, spreken wij van adequate substitutie. Indien dat niet het geval is van inadequate substitutie. Gegeven één als onderscheiden herkende functie binnen één bepaalde semanteemcombinatie, kan de taalbeschouwer het betreffende semanteem door andere substitueren, om vast te stellen of die onderscheiden functie gehandhaafd blijft. Want dàt is het belangrijke a-priori bij substitutie: dat de taalbeschouwer in staat is de adequaatheid van de substitutie te beoordelen.

Om terug te keren naar de toevoegingsfunctie: wij zullen in verschilende semanteemcombinaties waarin deze functie zich voordoet, de betreffende semantemen door andere substitueren: | een klein paard | / | een zon paard |; | Men voorspelde mooi weer. | / | Men voorspelde ik weer. |; | een dun waas | / | een en waas |; | zulk luid gepraat | / | zulk drink gepraat |; | een groen potlood | / | een dit potlood |. Uit deze voorbeelden blijkt duidelijk een inadequate substitutie. Wij gaan verder en stellen: dat geen taalbeschouwer in staat is, in enig teken waarin een semanteem de toevoegingsfunctie vervult, voor dat semanteem één der vervangende semantemen (| zon |, | en | enz.) adequaat te substitueren. (Het is duidelijk dat hier geen sprake is van een conventie, ten grondslag liggend aan synoniemen, vgl. blz. 70.) M.a.w. de taalbeschouwer is niet in staat, deze semantemen de toevoegingsfunctie te doen vervullen. Wij beschouwen dit niet als een vorm van machteloosheid van de taalbeschouwer, maar als een criterium voor een bepaalde (negatieve) eigenschap van deze semantemen, namelijk dat zij het vermogen tot het vervullen van de toevoegingsfunctie missen. In positieve zin betekent dit, dat er in ‘het Nederlands’ een bepaalde groep van semantemen is die zich van de andere semantemen onderscheiden doordat zij de toe-

[p. 80]

voegingsfunctie kunnen vervullen. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als wij de functie bestuderen van | dat | in | Hij weet niet dat zij komt. |. Wij ontlenen aan Reichling dat de genoemdheid van | dat | is: een zekere ‘relatie’ tussen ‘zijn’ weten en ‘haar’ komen. Algemener: zonder in staat te zijn de aard van de relatie op dit ogenblik precies te beschrijven, kunnen wij zeggen dat de genoemdheid van | dat | bestaat in een relatie tussen twee gegevens. (Vgl. | Zij zagen dat het regende. |, | De man hoorde dat er iemand riep. |, | Ik zeg dat het waar is. |, | Ik kon niet merken dat het waaide. |.) De functie van | dat | zullen wij aanduiden met de term ‘relatie-functie’. Het volgende voorbeeld laat zien dat er adequate substitutie mogelijk is van | dat |: | Ik kon niet merken dat het waaide. | / | Ik kon niet merken of het waaide. |. Substitueren wij nu enige van de semantemen die wij hiervóór ook aan een substitutieproef onderwierpen: | Zij zagen dat het regende. | / | Zij zagen zon het regende. |; | De man hoorde dat er iemand riep. | / | De man hoorde mooi er iemand riep. |; | Ik zeg dat het waar is. | / | Ik zeg ik het waar is. |; | Ik kon niet merken dat het waaide. | / | Ik kon niet merken en het waaide. |.

In al deze gevallen is de substitutie inadequaat. Wij stellen ook hier dat geen enkele taalbeschouwer in staat is, een semanteem dat de relatiefunctie vervult adequaat door | zon |, | mooi | enz. te substitueren; dat betekent dat die semantemen de relatie-functie niet kunnen vervullen. De semantemen die dat wel kunnen zijn veel kleiner in aantal dan die welke de toevoegingsfunctie kunnen vervullen, maar evenals bij de toevoegingsfunctie geldt, dat er een bepaalde groep is van semantemen die zich van alle andere semantemen onderscheiden doordat zij de relatiefunctie kunnen vervullen.

Dat er, behalve de door ons onderzochte functies, zich nog veel meer semanteemfuncties in ‘het Nederlands’ voordoen, is voor elke taalbeschouwer zonder meer duidelijk. Een confrontatie met andere functies geven de volgende semanteemcombinaties, genoteerd in groepen van drie, waarbinnen steeds de gecursiveerde semantemen dezelfde functie vervullen.

| Hij danste met een Grieks meisje. |
| Het schilderij hing aan de muur. |
| Wij spreken over Uw vriendin. |
[p. 81]

| Hij wandelde langs het water. |
| Hebt U het niet koud? |
| Maak haar maar aan het lachen. |

| Het huis is zeer groot. |
| Mijn horloge is heel klein. |
| Vandaag is het tamelijk warm. |

Het komt voor dat de taalbeschouwer gevallen krijgt waarbij hij twijfelt of er sprake is van één-en-dezelfde of van twee verschillende (zij het in bepaald opzicht overeenkomende) functies. B.v.:

| Behalve Jan zweeg iedereen. |
| Na Jan zweeg iedereen. |

In zulke gevallen moet uiteraard een functie-analyse èn analyse van de functiemogelijkheden der betreffende taaltekens opheldering brengen. En de analyse begint altijd daar waar de twijfel zich nog niet voordoet.

Afgezien van de problematische gevallen, die van later orde zijn, geeft het verschijnsel der functies in het algemeen ons inzicht in een bepaalde eigenschap van de taal die wij onderzoeken, en wel deze: ieder semanteem behoort tot een onderscheiden groep van semantemen op grond van één of meer bepaalde functiemogelijkheden die deze semantemen van de andere semantemen onderscheiden. Het is deze eigenschap die maakt dat wij van ‘het Nederlands’ kunnen zeggen dat het een systeem is, een ‘geheel van geordende gegevens’1, waarbij het geheel is: ‘het Nederlands’ en de ‘geordende gegevens’ zijn: de semantemen. ‘Orde’ immers is ‘een gevarieerde veelheid van gegevens, verenigd volgens één principe’, of liever: het volgens één principe verenigd zijn van een gevarieerde veelheid van gegevens. De gevarieerde veelheid van gegevens zijn de semantemen, en het éne principe is het principe van het bezit van onderscheidende functiemogelijkheden.

[p. 82]

De orde die de semantemen beheerst is niet de enige die ‘het Nederlands’ beheerst. Bestudering van semantemen leidt b.v. onherroepelijk tot bestudering van semanteemcombinaties en tot het vaststellen van bepaalde ‘klassen’ dáárvan, eveneens op grond van hun functiemogegelijkheden. En dat leidt weer tot het vaststellen van een bepaalde orde die de semanteemcombinaties beheerst. Vanzelfsprekend hangt deze orde samen met die welke de semantemen-als-zodanig beheerst. Immers ‘het Nederlands’ kan (vgl. blz. 33 vlgg.) alleen als een geheel worden beschouwd, indien wij uitgaan van de semantemen-als-zodanig. De orde die aan ‘het Nederlands’ eigen is strekt evenwel verder dan de semantemen alleen. De eigenschap van een-systeem-te-zijn, de systematiek, openbaart zich aan ieder Nederlands taalteken, openbaart zich ook aan de functies zelf. ‘Het Nederlands’ derhalve is een systeem van semantemen die deel kunnen uitmaken van semanteemcombinaties, welke op hun beurt aan een bepaalde systematiek onderworpen zijn. De systematiek van ‘het Nederlands’ komt tot uitdrukking in de functies. Dit en de resultaten van ons onderzoek in aanmerking nemend kunnen wij, met alle implicaties van dien, formuleren: ‘Het Nederlandsis een tekensysteem.

II. 10. De niet-linguale ervaring blijft buiten de linguïstische beschouwing der genoemdheden.

Ons object van onderzoek, ‘het Nederlands’, is, zoals bleek, een tekensysteem. De orde die ons in staat stelt tot een eerste classificatie binnen dat systeem, is bepaald door de functiemogelijkheden van de semantemen. Op grond van zijn functiemogelijkheden behoort een semanteem tot een bepaalde klasse. Zo onderscheiden wij b.v. de klasse, laten wij haar klasse A noemen, waartoe o.a. behoren de semantemen | mooi |, | lelijk |, | scheef |, | dom |, | zuiver | en | lomp |. Vgl.:

| een mooi huis |
| een lelijk huis |
| een scheef huis |
| een dom huis |
| een zuiver huis |
| een lomp huis |

Alle semantemen die in een bepaalde semanteemcombinatie voor een gegeven semanteem adequaat gesubstitueerd kunnen worden vormen

[p. 83]

tezamen met dat gegeven semanteem een bepaalde klasse, gemarkeerd door die ene functiemogelijkheid. Dat is zowel positief als negatief het criterium voor een klasse: elk semanteem dat in een bepaalde semanteemcombinatie voor een gegeven semanteem niet adequaat gesubstitueerd kan worden behoort niet tot die ene bepaalde klasse, gemarkeerd door die ene functiemogelijkheid. (Afgezien van de synoniemen, vgl. blz. 70).

Of een semanteem al of niet adequaat gesubstitueerd ‘kan’ worden hangt af van wat aan de taalbeheerser te kennen wordt gegeven, d.w.z. van de optimale genoemdheden, ongeacht de relatie die er tussen deze genoemdheden en de door ons gekende werkelijkheid bestaat. Wij gaan b.v. uit van de semanteemcombinatie | helder water |. Dat wij | helder | door | vuil |, | schoon |, | fris |, | warm |, | koud |, | lauw | en | bruin | adequaat kunnen substitueren is evident. ‘Kunnen’ wij nu ook | helder | adequaat substitueren door | droog |? Functioneert | droog | in | droog water | op dezelfde wijze als | helder | in | helder water |? Als men zich niet strikt houdt aan de mogelijkheden van de taal-als-taal en de taalcriteria niet vrij weet te houden van niet-linguale gegevens, dan meent men misschien dat | droog | geen adequate substitutie is voor | helder |, omdat ‘droog water niet bestaat’.

De grens tussen linguale en niet-linguale ervaring wordt bepaald door het verschil tussen

a.de eigenschappen die wij aan het bestaande en bestaanbare kunnen vaststellen resp. onderstellen als werkelijk aanwezig, en:
b.de eigenschappen die wij aan het al of niet bestaande en het al of niet bestaanbare door middel van taalgebruik kunnen toekennen alsof zij aanwezig zijn (ongeacht het feit of dat in werkelijkheid zo is).

Het is evident dat de linguale mogelijkheden niet alle samenvallen met de niet-linguale. Als dat wel zo was zou er immers geen enkel sprookje bestaan. Wij weten derhalve dàt er een grens is; het is ons echter niet mogelijk, in enkele woorden aan te geven wáár precies die grens ligt. Integendeel, onze studie in haar geheel is een poging om te komen tot een grondslag voor de nadere bepaling van die grens. Wij stelden immers vast dat de linguale en niet-linguale mogelijkheden weliswaar niet samenvallen, maar wel samenhangen (vgl. de passage over optimale genoemdheden, blz. 28 vlgg.). Wij moeten voor de verschillende gevallen van taalgebruik vaststellen wat de taaltekens te kennen geven en kunnen

[p. 84]

dat, om tot nadere bepaling van de grens te komen, toetsen aan de mogelijkheden der werkelijkheid, waarmee het al of niet kan samenvallen. Dat ook in bepaalde opzichten de linguale mogelijkheden niet onbeperkt zijn is eveneens evident: de semantemen kunnen niet alle dezelfde functies vervullen, d.w.z. elk semanteem heeft beperkte functiemogelijkheden.

Het enige dat voor het inzicht in de (uiteraard linguale) mogelijkheden van | droog | van belang is, is of de taalbeheerser de ‘droogheid’ van de ‘zaak’ die binnen de | water |-‘soort’ valt, ‘denkt’ als een aan de ‘soortelijke’ water-kenmerken toegevoegd kenmerk. En dat is inderdaad het geval, ondanks het feit dat het toegevoegde kenmerk met een | water |-kenmerk in tegenspraak is. Juist die specifieke manier waarop droog water wordt ‘gedacht’ brengt de taalbeschouwer tot de conclusie, dat een zodanig ‘gedacht’ ‘iets’ paradoxaal is, iets ongerijmds, zoals ook een vierkante cirkel ongerijmd is; maar hij constateert dat het in taalgebruik uitstekend kan werken: er zijn b.v. huisvrouwen en winkeliers die soda ‘droog water’ noemen. En iemand die, bang voor water, toch wil leren zwemmen, kan verzuchten dat hij voorkeur heeft voor droog water. Men zou dan ook nooit de ongerijmdheid van dergelijke semanteemcombinaties kunnen vaststellen, als niet de functie reeds zijn werk had gedaan. De ongerijmdheid schakelt de functie niet uit, maar accentueert haar. De substitutie van | droog | voor | helder | is adequaat, omdat in | helder water | de genoemdheid van | water | zich tot die van | helder | verhoudt als in | droog water | de genoemdheid van | water | tot die van | droog |. Een inadequate substitutie is er alleen wanneer die verhouding wordt opgeheven, zoals b.v. het geval is bij substitutie door | doch |: | doch water |. Zegt men, aannemende dat deze substitutie wèl adequaat is, ter adstructie tot de taalbeheerser ‘kijk, er is helder water, schoon water, troebel water en doch water’, dan is het deze bij | doch water | niet duidelijk wat de genoemdheid van | doch | is, en nog minder op welke wijze die genoemdheid te kennen wordt gegeven, terwijl hij wel het Nederlandse semanteem | doch | kent. Niet alleen dat een | doch |-genoemdheid als toegevoegd ‘soortelijk’ kenmerk van een ‘zaak’ niet bestaat, maar de taalbeheerser kan een | doch |-genoemdheid niet als toegevoegdsoortelijkkenmerkdenken’. Zegt men b.v. ‘bier drink ik graag, doch water drink ik liever niet’, dan is het duidelijk dat | doch | niet de toevoegingsfunctie vervult. Zegt men daarentegen ‘kijk, er is

[p. 85]

helder water, schoon water, troebel water en droog water’, dan weet de taalbeheerser weldegelijk wat de genoemdheid van | droog | is, (namelijk een eigenschap van een ‘zaak’) en ook op welke wijze deze te kennen wordt gegeven (namelijk als toegevoegd aan de ‘water’-kenmerken). Ondanks het feit dat droog water niet ‘bestaat’, kan de taalbeheerser droog water ‘denken’. Kenmerkend voor een taal is dat de ‘denk’-mogelijkheden die zij de taalbeheerser biedt, niet aan dezelfde grenzen gebonden zijn als zijn ervaringsmogelijkheden buiten de taal. Waar wij mee te maken hebben zijn de grenzen der ‘denk’-mogelijkheden die ‘het Nederlands’ verschaft. Een functiemogelijkheid is een bepaald soort ‘denk’-mogelijkheid. Inadequaatheid van een bepaalde semanteemsubstitutie stelt ons voor de grens van de wijze waarop wij genoemdheden in een bepaalde eenheid, en wel in de betekenis van het semanteem, kunnen ‘denken’. Samengevat: Een functie is de wijze waarop de taalbeheerser een genoemdheid binnen een bepaalde betekeniseenheiddenkt’.

II. 11. Het vaststellen van semanteemklassen.

Alleen wanneer de functies der semantemen op bovengenoemde wijze worden verstaan, kunnen wij semanteemklassen opsporen die een orde vertegenwoordigen, eigen aan het taalsysteem zelf, d.i. onafhankelijk van niet-linguale factoren. Uitgaande van één bepaalde semanteemcombinatie kan men verschillende semanteemklassen vinden. Vgl.:

1. | Hij liep op de straat. |
2. | Jij ging over een brug. |
3. | Zij zong met haar broer. |
4. | Ik viel naast mijn stoel. |
5. | Men dacht aan dat raam. |

Deze vijf semanteemcombinaties vertonen in het geheel vijf functies, waarvan wij er slechts één bestudeerden, namelijk die van telkens het laatste semanteem. Van de overige vier functies kunnen wij nog niet meer zeggen dan dat wij ze onderkennen als onderscheiden van elkaar en van de ‘zelfstandige soort-functie’. D.w.z. het komt ons voor, dat de verhouding tussen de semanteemfuncties in combinatie 1. onder bepaald opzicht overeenkomt met die tussen de semanteemfuncties van 2, 3, 4 en 5. Wij zeggen ‘onder bepaald opzicht’ omdat wij, afgezien van de ‘zelfstandige soort-functie’ dat opzicht nog niet nader kennen.

[p. 86]

‘Onder bepaald opzicht’ sluit dus niet uit dat die verhouding ‘in alle opzichten’ overeen zou komen en dus identiek zou zijn.

Wanneer men eenmaal een bepaalde klasse heeft opgespoord, kan men de ertoe behorende semantemen op andere functiemogelijkheden onderzoeken. Het blijkt b.v. dat het tweede semanteem uit de voorbeelden nog een andere functie kan vervullen. Vgl.

| Zij liepen op de straat. |
| Zij gingen over de brug. |
| Zij zongen met haar broer. |
| Zij vielen naast mijn stoel. |
| Zij dachten aan dat raam. |

Deze eigenschap strekt zich uit over vele andere semantemen.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, is de eerste fase van het functies onderscheiden, het onderkennen van functieverhoudingen. Van daaruit kan een begin gemaakt worden met functiebeschrijving. Die eerste fase stelt ons b.v. in staat, vast te stellen dat | liep |, | ging | etc. tenminste twee functiemogelijkheden gemeen hebben, en dat er dus een semanteemklasse bestaat, gemarkeerd door deze twee functiemogelijkheden. Dit brengt ons tot een feit van algemene aard: dat er semanteemklassen zijn die door meer dan één functiemogelijkheid worden gemarkeerd. Dat verschijnsel treft men b.v. aan bij de semantemen die in dezelfde klasse thuishoren als het door ons op één functie geanalyseerde | klein |; vgl.:

| een klein paard | | een kleiner paard |
| een mooi paard | | een mooier paard |
| een zwart paard | | een zwarter paard |

| Het paard lijkt klein.| | Het kleine paard. |
| Het paard lijkt mooi.| | Het mooie paard. |
| Het paard lijkt zwart.| | Het zwarte paard. |

Hier zijn reeds vier functies die deze semanteemklasse kenmerken.

Er bestaat een klasse waarin o.a. | een |, | de |, | mijn |, | zijn |, | deze | en | die | thuishoren, vgl.

| een kamer |
| de kamer |
| uw kamer |
[p. 87]

| mijn kamer |
| zijn kamer |
| die kamer |
| deze kamer |

De gecursiveerde semantemen vormen een klasse, op grond van de hier gereleveerde, en overigens nog onbekende functie. Sommige van deze semantemen bezitten nog een bepaalde andere functiemogelijkheid, vgl.

| die kamer is de mijne |
| die kamer is de zijne |
| die kamer is de uwe |

Deze mogelijkheid missen de overige semantemen. Voorts is er binnen de groep nòg een sub-groep, zoals blijkt uit:

| zij kozen die |
| zij kozen deze |

Ook de hier gereleveerde functie kunnen de andere semantemen niet vervullen.

Dat bepaalde semantemen op grond van één functiemogelijkheid een klasse vormen, wil dus in het geheel niet zeggen dat zij uitsluitend gemeenschappelijke functiemogelijkheden bezitten. Algemener: binnen sommige semanteemklassen zijn sub-klassen te onderscheiden. Dit verschijnsel is even algemeen als het hiervóór vermelde, t.w. dat sommige semanteemklassen door meer dan één functiemogelijkheid zijn gemarkeerd, zodat ons nu, samengevat, de volgende twee feiten ter beschikking staan:

1.Er bestaan semanteemklassen die door meer dan één functie-mogelijkheid zijn gemarkeerd.
2.Er bestaan semanteemklassen waarbinnen sub-semanteemklassen te onderscheiden zijn.

II. 12. Feitelijke en potentiële functie.

Dat ‘het Nederlands’ een tekensysteem is hangt, zoals wij zagen, samen met de functies die in taalgebruik door de verschillende taaltekens worden vervuld. De semantemen kunnen worden geclassificeerd op grond van hun functiemogelijkheden. De classificatie begint bij het

[p. 88]

onderscheiden en herkennen van functies. Dat is niet alleen het begin van iedere classificatie, maar ook van ieder nader onderzoek van de functies zelf: aan het bestuderen van de toevoegingsfunctie gaat noodzakelijkerwijs een - nog onverantwoord en ongecontroleerd - herkennen van die functie vooraf. Alleen al dit begin, dit onderscheiden en herkennen zonder intensief onderzoek, stelt zoals bleek de beschouwer in staat tot een - allicht onvolledige - indeling in semanteemklassen. Deze vertonen op hun beurt een bepaalde orde, de hiërarchie der functies die de klassen markeren. Kortom: de functies zijn bepalend voor de systematiek van het onaanschouwelijke moment in ‘het Nederlands’. Wat ligt dus meer voor de hand dan dat de taalbeschouwer de functies bestudeert en deze tracht te beschrijven? Indien hij bepaalde functies onderzoekt, kan hij de indeling van de semanteemklassen verantwoorden; hij kan de verhouding der functies onderling, hun hiërarchie, bepalen, en zo tot een hiërarchie van semanteemklassen komen. De functie is bij uitstek het object van de ‘dieper gravende linguïstiek’, die ‘niet verantwoord is als zij niet alle processen tracht te ontraadselen die zich in taalgebruik voltrekken’ en die ‘men van gemakzucht verdenken mag, als zij van bepaalde verschijnselen niet ook een verklaring in het denken zoekt’ .... (Het Woord, blz. 281.) Een functie immers is de wijze waarop een genoemdheid binnen een betekeniseenheid wordt ‘gedacht’. Het is deze wijze van ‘denken’ die wij willen leren kennen bij de benadering van de taal-als-tekensysteem. Het is deze wijze van ‘denken’, ons met ‘het Nederlands’ gegeven, waarop wij in het komende gedeelte van deze studie voornamelijk onze beschouwing zullen richten. Niet alleen omdat dit ‘denken’ de grondslag is voor de classificaties, maar omdat het essentieel is voor al ons taalgebruik.

Er zijn twee specifiek met elkaar samenhangende factoren die de systematiek van ‘het Nederlands’ bepalen, namelijk de tekens en de functies. De hiervóór besproken classificatie der tekens berust op functies. Bij de tekens bestaat er onderscheid tussen die waarvan de betekenis niet, en die waarvan de betekenis wèl vervulde functies onderstelt, de semantemen resp. de semanteemcombinaties. Wij beginnen met de eerste, en houden ons dus bezig met semantemen en hun functies. Hoe nauw deze twee ook met elkaar samenhangen, zij zijn volstrekt niet hetzelfde en moeten dus steeds worden onderscheiden. Maar ook binnen de functies bestaat een onderscheid dat wij niet mogen verwaarlozen, na-

[p. 89]

melijk: het onderscheid tussen de functie die een semanteem in een gegeven geval van taalgebruik vervult, en: de functie die een semanteem in een potentieel geval van taalgebruik kan vervullen. Wij moeten onderscheid maken tussen de potentiële toevoegingsfunctie van | groen |, welke dit semanteem in één klasse plaatst met | mooi |, | scheef |, | zacht | enz. en de vervulde toevoegingsfunctie van | groen | in | groen gras |. Dit onderscheid is nodig voor een zuivere terminologie. Wij zullen een term moeten gebruiken om de semantemen van een bepaalde klasse (en ook die klasse zelf) te benoemen, en wij kunnen die term baseren op die waarmee wij de markerende functie benoemen. Zo zouden wij | groen |, | klein |, | mooi | en | zacht | ‘toevoegingssemantemen’ kunnen noemen. In | groen gras | vervult het toevoegingssemanteem | groen | de toevoegingsfunctie; hier valt dus de markerende potentiële functie met de feitelijke samen. Dat is echter lang niet altijd het geval, zoals blijkt uit | Dit is een groen dat mij bijzonder bevalt. |. Bovendien kunnen semanteemklassen meer dan één markerende functie hebben, terwijl de efficiëntie ons noopt tot één term om die klasse mee aan te duiden: het ‘toevoegingssemanteem’ | groen | vervult wel een markerende, maar toch niet de toevoegingsfunctie in | groener gras |.

Treffen wij in taalgebruik een bepaald semanteem aan, dan moet de analyse die het semanteem binnen het systeem kan plaatsen leiden tot het vaststellen van: 1. de klasse waartoe het semanteem behoort, en 2. de in feite vervulde functie.

Het analyseren van taaleenheden ter opsporing van functies en klassen is een onderdeel van de linguïstiek dat tot het terrein van de grammatica wordt gerekend. Zonder dat het expliciet als zodanig wordt gesteld valt immers het ‘woordbenoemen’ en ‘zinsontleden’, dat in alles wat zich als ‘grammatica’ aandient, op enigerlei wijze wordt beoefend, samen met het onderscheiden van functies van taaltekens. Dat de grammatica's over het algemeen een wat chaotische indruk maken heeft uiteraard verschillende oorzaken, waarvan echter déze opvallend is: dat nooit consequent onderscheid wordt gemaakt tussen potentiële en feitelijke functie. Zo noemt men b.v. in | Hij gaf mij deze brief. | | deze | een aanwijzend voornaamwoord. Die term kan ons op het ogenblik alleen dienen als technische term, die het taalteken | deze | onderscheidt van b.v. het taalteken | chocola |. In een eventuele strekking van de term kunnen wij ons vooralsnog niet verdiepen. In | Hij gaf mij deze. | noemt

[p. 90]

men | deze | eveneens een aanwijzend voornaamwoord. Een feit is, dat er van twee verschillende functies sprake is. Wel is er sprake van één semanteem, dat met | die |, | dat | en | dit | tot een bepaalde klasse behoort. Men kan de functie die | deze | in | Hij gaf mij deze brief. | vervult, de ‘aanwijzend-voornaamwoordsfunctie’ noemen, en de semantemen die haar kunnen vervullen ‘aanwijzende voornaamwoorden’. Maar het ‘aanwijzende voornaamwoord’ | deze | vervult in | Hij gaf mij deze. | niet de aanwijzend-voornaamwoordsfunctie. Nu komt men in de meeste grammatica's aan deze moeilijkheid tegemoet, doordat men zegt: ‘In | Hij gaf mij deze. | is | deze | een aanwijzend voornaamwoord, zelfstandig gebruikt.’ Hier is dus, zij het niet-verantwoord en wellicht onbedoeld, sprake van een onderscheid tussen de klasse waartoe het semanteem behoort (berustend op een markerende potentiële functie) en de feitelijke functie. Zo'n onderscheid vindt men echter slechts incidenteel. Het semanteem | snel | b.v. noemt men in | een snel jongetje | een ‘bijvoegelijk naamwoord’, maar in | Het jongetje loopt snel. | spreekt men van een ‘bijwoord’. Men zegt dan niet ‘bijvoegelijk naamwoord, bijwoordelijk gebruikt’ of zo iets, en maakt dus daar geen onderscheid tussen de klasse waartoe | snel | behoort en de functie die het in een bepaald geval vervult. Alle grammaticale terminologie is trouwens in dit opzicht moeilijk interpreteerbaar. Niet ongewoon is b.v. de formulering dat een bijvoegelijk naamwoord als bijwoord gebruikt kan worden. Hoe moeten wij dat opvatten? In onze gedachtengang als volgt: er zijn semantemen die tot de klasse der bijvoegelijke naamwoorden behoren, op grond van de mogelijkheid, de ‘bijvoegelijk-naamwoordsfunctie’ (door ons eerst ‘toevoegingsfunctie’ genoemd) te vervullen. Deze semantemen kunnen, behalve die ‘bijvoegelijk-naamwoordsfunctie’ nog een andere functie vervullen, die wij ‘bijwoordsfunctie’ zullen noemen. De formulering ‘bijvoegelijke naamwoorden kunnen als bijwoord worden gebruikt’ kunnen wij zo wel interpreteren, maar schiet in hoge mate tekort, omdat verzuimd wordt te vermelden dat het ‘bijvoegelijk naamwoord’ als ... ‘bijvoegelijk naamwoord’ kan worden gebruikt. De term ‘bijvoegelijk naamwoord’ wordt immers zonder onderscheid gehanteerd voor een bepaalde klasse van semantemen èn voor een bepaalde functie. Dat die functie bovendien nog door semanteemcombinaties vervuld kan worden (| geelachtig |) maakt de terminologische verwarring slechts groter. Een andersoortig voorbeeld

[p. 91]

van het niet-onderscheiden tussen klasse en functie kwam, in ander verband, hiervóór reeds ter sprake (blz. 86, 87). De semantemen | mijn |, | deze | en | de | b.v. vervullen in | mijn kamer |, | deze kamer | en | de kamer | dezelfde functie. Zij worden echter bij een grammaticale analyse aangeduid als resp. ‘bezittelijk voornaamwoord’, ‘aanwijzend voornaamwoord’ en ‘lidwoord’. Hier gaat het negeren van de functie-overeenkomst samen met het feit dat deze drie semantemen tot verschillende (sub)-klassen behoren: | het mijne | toont een functie die | de | noch | deze | kunnen vervullen, | deze is mooi | toont een functie die | de | noch | mijn | kunnen vervullen.

Een andere oorzaak voor het niet consequent hanteren van grammaticale termen is dat men niet expliciet uitgaat van een taal-als-geheel, en dus ook niet bij de semantemen begint en van daar uit de beschrijving systematisch voortzet. Integendeel, men gaat uit van het nog altijd omstreden begrip ‘zin’ of, zonder de resultaten van Reichling's studie te verdisconteren, van het al evenmin ongecompliceerde begrip ‘woord’. Voorts wordt niet expliciet het onderscheid tussen ‘betekenis’ en ‘functie’ gemaakt, een onderscheid dat wij hier dan ook nog eens accentueren, althans voorzover het het semanteem betreft. De betekenis van een semanteem is de eenheid waarin genoemdheden kunnen wordengedacht’; de functie van een semanteem is de wijze waarop in een bepaald geval van taalgebruik een genoemdheid in de betekeniseenheid wordtgedacht’, onder het aspect der te kennen gegeven hiërarchie die de genoemdheden beheerst.

Behalve over de orde der tekens vindt men in de grammatica's beschouwingen over de - evenmin als zodanig aangekondigde - functies. Ook hier is het gebruik der termen niet doorzichtig. In vrijwel elke Nederlandse schoolgrammatica vindt men pogingen tot beschrijving van alle mogelijke functies. B.v. van die van | paard | of van | klein | in | een klein paard |. De functie van | paard | valt dan onder ‘zelfstandig naamwoord’. Een ‘zelfstandig naamwoord’ zegt men gewoonlijk, ‘noemt een zelfstandigheid’, een formulering die vooral niet opgevat moet worden als een definitie (afgezien van het willekeurige gebruik van de term ‘noemen’). Men kan immers plausibel maken dat | hij | in | Hij loopt op straat. | ook ‘een zelfstandigheid noemt’, | hij | evenwel is geen zelfstandig naamwoord, maar een ‘persoonlijk voornaamwoord’. Van | klein | (in | een klein paard |), een bijvoegelijk naamwoord,

[p. 92]

zegt men meestal dat het ‘iets zegt van een zelfstandig naamwoord’. Men negeert dan in de eerste plaats dat het niet ‘iets zegt’ over het zelfstandig naamwoord, maar over het door het zelfstandig naamwoord ‘genoemde’, men maakt geen onderscheid tussen ‘teken’ en ‘genoemdheid’. Afgezien daarvan moet ook deze beschrijving niet verward worden met een ‘definitie’: in | De verse koek smaakte lekker. | ‘zeggen’ | de |, | smaakte | en | lekker | ook wel ‘iets over’ de koek, zonder nochtans dezelfde functie te vervullen als | verse |. Dat zulke formuleringen niet voldoen is overigens geen wonder, als men bedenkt hoe gecompliceerd de analyse is voor een algemene beschrijving van ‘het woord’ (dat wij als een gebruikt teken onderkenden), of van de zelfstandig-naamwoordsfunctie zoals Reichling die - impliciet gesteld - geeft. Dat, anderzijds, die onvolledige formuleringen door de taalbeschouwers toch op enigerlei wijze bevredigend kunnen worden geïnterpreteerd, komt doordat zij, evenals de makers dier formuleringen, ‘het Nederlands’ als hun moedertaal beheersen, en dus die functie reeds op bepaalde wijze kennen. Het is evenwel noodzakelijk, de meer of minder vage overeenstemmingen die de taalbeschouwers bereikten, stelselmatig door een methodische gang van zaken te vervangen, waarbij o.a. het substitutieprincipe een primair aandeel heeft in de analyse.

Reichling toont met zijn beschrijvingen aan, dat alle gebruik van taal een kwestie is van het binnen bepaalde eenheden ‘denken’ van wat wij ervaren. Van welke ‘denk’-wijze (functie) er sprake is bij ‘ons Nederlandse voegwoord dat’ (vgl. Het Woord, blz. 281) zou b.v. onderzocht moeten worden, maar dat heeft ‘tot dusver geen sterveling gedaan’, schreef Reichling; en nu, bijna dertig jaar later, geldt dat nog. En niet alleen van ‘ons Nederlandse voegwoord dat’ ... In ons land leverde in 1934 Langeveld reeds een fundamentele bijdrage tot deze ‘dieper gravende’ linguïstiek, met zijn studie ‘Taal en Denken’.

Op het taal-‘denken’ gerichte functie-analyses zullen niet alleen een grondslag vormen voor een classificatie inherent aan het tekensysteem, maar zullen ook een nieuw licht kunnen werpen op de algemene taalkundige begrippen waarvan in grammatica's en andere taalkundige geschriften aan één stuk door sprake is, terwijl er in de studies onderling, noch binnen de studies afzonderlijk, een sluitende eenheid heerst in het gebruik der termen (zoals: woord, woorddeel (morfeem), woordsoort, woordgroep, zin, zinsdeel).

[p. 93]

Door een begin te maken met functie-analyses willen wij trachten een basis te scheppen voor een grammatica die gericht is op de systematiek van dat in hoge mate gedifferentieerde ‘denk’-middel ‘het Nederlands’, en tevens willen wij, aan de hand van die analyses, enkele taalkundige begrippen opnieuw toetsen.

II. 13. Functie-onderscheiding voorondersteld. Functie-oppositie noodzakelijk.

Bij onze functie-analyses, die - methodisch - beginnen moeten met semanteemfuncties, is het uitgangspunt, dat er onderscheiden functies bestaan. Dit bestaan is een feit dat de taalbeheersers zich reeds op de lagere school hebben leren realiseren. Hoe onoverkomelijk moeilijk het vak ‘taal’ of ‘grammatica’ zich soms ook mag voordoen1, er zijn bepaalde (‘eenvoudige’) semanteemcombinaties, waarvan de semantemen door alle leerlingen die voor het eerst déze semanteemcombinatie ter ontleding onder ogen krijgen, op identieke wijze (‘foutloos’) worden benoemd, b.v. | Ik zit op een stoel. |. De benoeming luidt:

| ik | - persoonlijk voornaamwoord;

| zit | - werkwoord;

| op | - voorzetsel;

| een | - lidwoord;

| stoel | - zelfstandig naamwoord.

Iedere taalbeschouwer kan dit voorbeeld met reeksen andere aanvullen. Ondanks de vele gevallen waarin leerlingen en vaak ook docenten met de benoeming geen raad weten, zijn de vele ‘juiste’ benoemingen een belangrijke aanwijzing voor de linguïstiek. Deze is althans niet verantwoord, indien zij voor dit opvallende ervaringsfeit ‘niet ook een verklaring in het denken zoekt, zolang zij niet van elders bewezen heeft, dat alleen irrelevante Gestaltfactoren hier een volledige verklaring bieden’. (‘Gestaltfactoren’ kunnen wij vertalen met: vorm-momenten.) Wij vinden dan ook in het merkwaardige verschijnsel der conflictloze ontledingen aanleiding, aan te nemen dat zij o.a. voortkomen uit een meer of minder bewust herkennen van functies, d.i. van ‘denk’-wijzen; en dat de ‘moeilijkheid’ of zelfs ‘onontleedbaarheid’ van vele seman-

[p. 94]

teemcombinaties samenhangt met de gecompliceerdheid en het daardoor onvoldoende doorzien van de betrokken ‘denk’-wijzen.

Met de term ‘denken’ verwijzen wij naar een geestelijke activiteit waarmee iedere taalgebruiker vertrouwd is en waarbij gebruik wordt gemaakt van het onaanschouwelijke moment van taaltekens. Als taalgebruiker doet men iets dat men, als taalbeschouwer, als volgt kan beschrijven. In het gebruiken van taaltekens kent men aan genoemdheden bepaalde kenmerken toe (‘kenmerken’ in zo ruim mogelijke zin opgevat). Een voorbeeld waaruit dit ‘kenmerken toekennen’ duidelijk blijkt, is de belediging. Meneer X kan, uitgescholden voor ‘sufferd’, alleen boos worden omdat hij weigert, de onderscheidende kenmerken die hem (de genoemdheid) daarmee worden toegekend, als zodanig te aanvaarden. Niet alleen het betekenis-toepassen zonder meer, maar ook de wijze waarop het geschiedt, ofwel: het grammatisch doen functioneren van een taalteken, is een handeling die wij met de term ‘denken’ aanduiden. Ook de implicaties hiervan komen in dagelijks taalgebruik tot uitdrukking door de weigering, ze te aanvaarden. Indien b.v. Jan zegt: ‘Wat een mooi meisje!’ en Piet zegt: ‘Nee, zij is niet mooi, zij loopt alleen maar mooi.’, dan is Piet het oneens met het feit dat het toekennen van de | mooi |-kenmerken in | Wat een mooi meisje! | geschiedt als zijnde van toepassing op een ‘soortelijk plus-kenmerk’ van het meisje, hij is het niet eens met de functie van | mooi |. De term ‘denken’, tussen aanhalingstekens geplaatst, heeft uitsluitend betrekking op het krachtens het gebruiken van taaltekens op hiërarchische wijze toekennen van ‘kenmerken’ aan genoemdheden.

Dit ‘denk’-moment van taalgebruik speelt in de traditionele benadering een onmisbare rol. Dat de verklaring voor juiste ontleding wel eens uitsluitend in vorm-momenten gezocht wordt (ook door de leerlingen), werkt maar al te vaak ‘foute’ ontledingen in de hand. Zo geeft het sommige leerlingen moeite, in | Niettegenstaande vele waarschuwingen klommen zij op de toren. | | niettegenstaande | als een ‘voorzetsel’ te herkennen, waaraan het feit dat | niettegenstaande | een ‘lang woord’ is, niet vreemd is. ‘Voorzetsels’ immers zijn altijd van die ‘kleine woordjes’, zoals | op |, | in |, | aan |, enz. Anderzijds noemen de leerlingen in ander verband een ‘klein woordje’ ten onrechte een ‘voorzetsel’: | Wij kregen ijs toe. |, | toe | - ‘voorzetsel’. Een duidelijk voorbeeld van het ten onrechte centraal stellen van het vormmoment is ook de benoeming | het | -

[p. 95]

‘lidwoord’ in | Het regent. |, een fout die, bij de minste reflexie op de ‘denk’-act achterwege blijft. Wij merken hier nadrukkelijk op, dat ‘ontleden’ helemaal niet een volledige analyse van de betreffende ‘denk’-acten vereist. Schoolkinderen zijn in staat | klein | in | Ik zag een klein paard, Jan! | als ‘bijvoegelijk naamwoord’ te onderkennen, zonder dat zij de door ons gemaakte analyse hebben voltrokken, of zelfs zonder dat zij de door ons gemaakte analyse tot hun bezit kunnen maken. D.w.z. zij ‘weten’ wat een bijvoegelijk naamwoord is op een andere wijze dan waarop wij het nu ‘weten’. Er is het ‘onderscheidende weten’ der schoolkinderen tegenover het ‘analytische weten’ der taalbeschouwers. Zo blijkt op wéér andere wijze ook een kleuter te ‘weten’ wat een bijvoegelijk naamwoord is, als hij gebruikt | Wat een mooi fietsje! |; hier is sprake van ‘gebruiksweten’. Men kan spreken van verschillende niveau's van ‘weten’, die in nauwe relatie tot elkaar staan. Analytisch weten onderstelt onderscheidend weten, en dit op zijn beurt onderstelt gebruiksweten. Omgekeerd geldt het tegendeel: iemand kan een taal als zijn moedertaal beheersen zonder enige grammaticale kennis. Taalbeheersing gaat noodzakelijkerwijs aan taalbeschouwing vooraf. Weliswaar is het bij het meeste onderwijs in de vreemde talen gewoonte, ‘te beginnen’ met het bijbrengen van grammaticale kennis, maar bij dit beginnen wordt een beroep gedaan op het gebruiksweten, of op het, dit laatste onderstellende, kennen van grammaticale categorieën in de moedertaal waarvan wordt aangenomen dat zij ook in de te onderwijzen vreemde taal bestaan. Van ‘grammaticale kennis’ spreken wij alleen bij het onderscheidende en het analytische weten. Grammaticale kennis bestaat o.a. in het onderscheiden van functies en wordt uitgebreid door het analyseren van onderscheiden functies. De analyse onderstelt de onderscheiding en niet omgekeerd. Door oppositie en substitutie is het mogelijk, tot allerlei functie-onderscheidingen te komen, zonder dat men verder op die onderscheidingen ingaat. Verreweg de meeste in de schoolgrammatica's genoemde ‘woordsoorten’ vertegenwoordigen dan ook ieder een onderscheiden semanteemfunctie. Wij kunnen er van uitgaan dat de taalbeschouwers het eens zijn over het bestaan van de functies zelfstandig naamwoord, bijvoegelijk naamwoord, persoonsvorm van het werkwoord, persoonlijk voornaamwoord, bijwoord, voegwoord, voorzetsel. D.w.z. er zijn semanteemcombinaties in overvloed, waarbij alle taalbeschouwers van bepaalde semanteemfuncties een iden-

[p. 96]

tieke benoeming (in bovengenoemde termen) zullen geven. Wat ons te doen staat is: de semanteemfuncties aan een beschouwing onderwerpen, en trachten, van de ‘denk’-act een beschrijving te geven.

Wanneer kan zo'n beschrijving als juist aanvaard worden? De beaming der taalbeschouwers heeft ook hier het laatste woord. Maar in welke richting dienen de formuleringen en redeneringen die hun ter beaming worden voorgelegd, te worden gezocht? Van welke argumenten moet gebruik gemaakt worden? Hiervoor geldt in de eerste en de laatste plaats: dat iedere functiebeschrijving alleen dàn adequaat is, indien zij niet van kracht is voor enige ‘denk’-act die door de taalbeschouwer als een evident andere functie wordt onderkend. Indien men er b.v. van uit gaat dat | man | in | De man lachte. | een andere functie vervult dan | hij | in | Hij lachte. |, is de beschrijving van de zelfstandig-naamwoordsfunctie in de volgende formulering onvolledig en dus niet juist: ‘de genoemdheid is een zelfstandigheid’. Nu is aan de eis dat elke functiebeschrijving zodanig moet zijn dat zij de beschreven functie van alle andere functies onderscheidt, in de praktijk van het onderzoek niet gemakkelijk te voldoen. Geen enkele taalbeschouwer immers zal pretenderen dat hij zonder meer in staat is alle functies van ‘het Nederlands’ te onderkennen. Indien er dus een poging tot functie-analyse gedaan wordt, impliceert dat altijd dat de beschrijving geldig is voor zover de grammaticale kennis van dat ogenblik reikt. Men zou met de beschrijving van de zelfstandig-naamwoordsfunctie: ‘het “noemt” een zelfstandigheid’1, best genoegen kunnen nemen als een juiste onderscheiding tegenover b.v. de voegwoordsfunctie (waarbij evident geen sprake van een ‘zelfstandigheid’ is), zolang men geen kennis had van het bestaan van de functie van het persoonlijk voornaamwoord, en zolang men de functie niet in oppositie stelt tot die van het persoonlijk voornaamwoord. Het is mogelijk dat een taalbeschouwer eenvoudig niet in staat is het anders te formuleren.

[p. 97]

Maar dan moet hij, kennishebbende van het bestaan der persoonlijk-voornaamwoordsfunctie, zijn beschrijving als onvolkomen aandienen. Hij heeft dan een begin gemaakt met een beschrijving die door andere taalbeschouwers zal moeten worden uitgebreid.

De functiebeschrijving moet ook niet méér zijn dan een onderscheiden van andere functies. Wie zich in de functie van de ‘persoonsvorm van het werkwoord’ verdiept, houdt zich met een zo fundamentele en gecompliceerde ‘denk’-categorie bezig, dat het niet ver gezocht schijnt om daarbij b.v. Heidegger's ‘Sein und Zeit’ te bestuderen. Maar Heidegger's analyses hebben betrekking op denk- en ervaringsonderscheidingen die niet exclusief gebaseerd zijn op functies, en zijn dus voor de linguïstiek niet van direct belang. Elke ‘denk’-act-beschrijving die meer is dan een onderscheiding van de andere ‘denk’-acten valt buiten de linguïstiek. Hetzelfde principe geldt voor betekenisbeschrijving. Aangezien deze laatste over het algemeen minder complicaties ontmoet dan functiebeschrijving, kunnen wij het principe, dat voor beide geldt, het beste aan de betekenis demonstreren; b.v. aan de betekenis van het semanteem | kompas |. Gezien binnen de taal waarvan dit semanteem deel uitmaakt, doet zich binnen de betekeniseenheid de notie ‘instrument waarmee men zich aan de wijzerstand kan oriënteren’ voor. Gezien binnen onze ervaring met kompassen doet zich het feit voor, dat die instrumenten voor padvinders begerenswaard zijn. Toch is ‘begerenswaard voor padvinders’ geen betekenisonderscheiding van | kompas |, en waarom niet? Omdat er niet een ánder Nederlands semanteem is met de betekenisinstrument waarmee men zich aan de wijzerstand kan oriënteren níet begerenswaard voor padvinders’. De notie ‘waarmee men zich kan oriënteren’ daarentegen behoort wèl tot de betekenis, omdat ‘kompas’ daarmee in oppositie staat tot b.v. ‘klok’: ‘instrument (niet: waarmee men zich kan oriënteren, maar:) waarop men kan zien hoe laat het is’. Betekenisbeschrijving moet dus niet verward worden met zaakbeschrijving1; ‘nuttig in de menselijke samenleving’

[p. 98]

is geen betekenisonderscheiding van | klok |, er is geen oppositie tot een andere semanteembetekenis ‘instrument waarop men aan de wijzerstand kan zien hoe laat het is, niet nuttig in de menselijke samenleving’. Elke betekenis en elke functie staat in oppositie tot iedere andere betekenis resp. functie. Binnen deze algemene oppositie bestaan weer specifieke oppositieverhoudingen, die bepalend zijn voor de orde der betekenissen en functies. Zij zijn alle in eerste en laatste instantie afgegrensd tegen elkaar.

Iedere betekenis en functie moet beschreven worden in termen waarmee wij bepaalde trekken der genoemdheden vastleggen. De genoemdheden zelf behoren niet tot de taal. Wij worden immers ook met eigenschappen geconfronteerd (de niet-optimaalmakende) die niet samenvallen met het linguale moment en die dus onder zaakbeschrijving vallen. Betekenisbeschrijving is slechts zaakbeschrijving voorzover de zaken zich als een genoemdheid voordoen. Zo kunnen wij ook in het algemeen verschillende van onze denk-wijzen beschrijven. Zulke beschrijvingen vindt men in filosofische en psychologische literatuur. ‘Functies’ echter vertegenwoordigen denk-wijzen die uitsluitend op een bepaald aspect van het ‘genoemd’-zijn der genoemdheden betrekking hebben, namelijk op de plaats die deze genoemdheden in een bepaalde hiërarchie innemen. Zaakbeschrijving-in-het-algemeen valt buiten de linguïstiek en hoort thuis in een encyclopedie. Betekenisbeschrijving valt binnen de linguïstiek en hoort thuis in een woordenboek. Denkbeschrijving-in-het-algemeen valt buiten de linguïstiek en hoort thuis in filosofie en psychologie. Functiebeschrijving valt binnen de linguïstiek en hoort thuis in een grammatica. Wij zullen dan ook, onderscheidend binnen het algemene begrip ‘functie’, spreken van grammatische functie.