De grammatische functie


auteur: Frida Balk-Smit Duyzentkunst


bron: Frida Balk-Smit Duyzentkunst, De grammatische functie. Methode van grammaticale analyse, aan het Nederlands gedemonstreerd. J.B. Wolters, Groningen 1963  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 99]

III. Beschrijving van enkele grammatische functies.

III. 1. De hiërarchie der functies. Zelfstandig naamwoord tegenover zelfstandig voornaamwoord.

Het is onze bedoeling, een begin te maken met de analyse van de grammatische functies van ‘het Nederlands’. Het bleek methodisch noodzakelijk, daarbij van de semanteemfuncties uit te gaan. Gezien het feit dat er een hiërarchie van functies bestaat kan het begin niet willekeurig zijn. De hiërarchie wordt bepaald door de mate van afhankelijkheid die de functies vertonen, deze bepaalt de volgorde waarin zij beschreven moeten worden. Een afhankelijke functie immers kan slechts beschreven worden in termen die de functie waarvan zij afhankelijk is bekend veronderstellen. De analyse van de bijvoegelijk-naamwoordsfunctie b.v. moet berusten op die van de zelfstandig-naamwoordsfunctie: de formulering ‘“soortelijk” kenmerk, toegevoegd aan de door een zelfstandig naamwoord “genoemde” “soortelijke” kenmerken’ is slechts dan zinvol, als de zelfstandig-naamwoordsfunctie gekend is; de functie van | paard | in | een klein paard | kan beschreven worden zonder gebruikmaking van die van | klein |, het omgekeerde is niet mogelijk. Dit neemt niet weg, dat van de bijvoegelijk-naamwoordsfunctie een andere functie op haar beurt afhankelijk kan zijn; b.v. | een zeer klein paard |. Hier kan de functie van | klein | beschreven worden onafhankelijk van die van | zeer | en niet omgekeerd. Het is dus mogelijk, dat een functie afhankelijk is van een afhankelijke functie. De term ‘zelfstandige functie’ zullen wij alleen toepassen op een functie die wij kunnen beschrijven zonder een beroep te doen op de eigenschappen van enige andere vervulde functie. Met een zelfstandige functie dient de analyse aan te vangen, d.w.z. met een functie waarbij men in de beschrijving alleen gebruik hoeft te maken van de éne in de voorstelling geschapen optimale genoemdheid waarop de functie betrokken is. Een voorbeeld is de zelfstandig-naamwoordsfunctie en wij zullen dus daarmee de analyse openen.

De analyse van de zelfstandig-naamwoordsfunctie werd voor het grootste gedeelte gemaakt door Reichling en wat wij doen (en deden, blz. 47 t/m 55) is derhalve daarvan een voortzetting. Wij reserveerden de term ‘zaak’ voor díe genoemdheden die te kennen worden gegeven

[p. 100]

als iets dat niet: uitsluitend aan iets anders wordt ervaren. Met deze beperking formuleerden wij: In | een klein paard | is de genoemdheid van | paard | een ‘zaak’ van een bepaalde ‘soort’. De zelfstandig-naamwoordsfunctie is niet de enige zelfstandige functie. Geen taalbeschouwer twijfelt eraan of evenals | paard | in | een klein paard | ‘noemt’ | hij | in | Hij loopt buiten. | een ‘zaak’. Toch vervult - stelt de taalbeschouwer - | hij | hier niet de zelfstandig-naamwoordsfunctie, maar de voornaamwoordsfunctie. Waardoor wordt het verschil bepaald? Is ook hier sprake van een ‘soort’? Teneinde deze vragen te kunnen beantwoorden zullen wij een vergelijking maken tussen de beide functies.

Voorbeelden van de voornaamwoordsfunctie zijn: | Hij won twee voetbalpools. |; | De man zag iets. |; | De jongen hoorde iemand. |. Wij substitueren voor elk gecursiveerd semanteem een zelfstandig naamwoord:

1 a | Hij won twee voetbalpools. |
1 b | Soldaat won twee voetbalpools. |

2 a | De man zag iets. |
2 b | De man zag sneeuw. |

3 a | De jongen hoorde iemand. |
3 b | De jongen hoorde lawaai. |.

In de zelfstandig-naamwoord-gevallen (b) is steeds sprake van een ‘zaak’ die bepaalde kenmerken bezit. O.a.:

1 b: mannelijk; militair; (| soldaat |)
2 b: wit; koud; (| sneeuw |)
3 b: de gehoororganen treffend; (| lawaai |).

Het ‘bezit van bepaalde kenmerken’ is echter niet typerend voor de zelfstandignaamwoordsfunctie, het geldt ook voor de a-gevallen. De in deze gevallen door de voornaamwoorden ‘genoemde’ ‘zaken’ worden te kennen gegeven als bezittende de volgende kenmerken:

1 a: mannelijk; (| hij |)
2 a: levenloos; (| iets |)
3 a: menselijk; (| iemand |).

[p. 101]

Om de analyse te kunnen voortzetten moeten wij nader ingaan op het ‘zaak’-begrip. Een ‘zaak’ is, zeiden wij, een eenheid die niet: uitsluitend aan een andere eenheid wordt ervaren. Een ‘zaak’ doet zich bovendien (als iedere genoemdheid) voor als een uniek iets. Stellen wij nogmaals | Hij won twee voetbalpools. | in oppositie tot | Soldaat won twee voetbalpools.|, dan blijkt het volgende. Ook al is het zo dat wij krachtens onze ervaring weten dat een ‘zaak’ nu eenmaal uniek moet zijn, daarom hoeft zij nog niet door ieder willekeurig taalteken als uniek te kennen gegeven te worden. Al weten wij b.v. dat het voorgestelde paard waarop wij ‘paard’ toepassen nog andere kenmerken zal bezitten dan die welke wij in ‘paard’ kennen (o.a. een bepaalde kleur, een bepaalde ouderdom), toch is de aanwezigheid van díe kenmerken niet door | paard | te kennen gegeven. Hetzelfde geldt voor de toepassing van ‘soldaat’. In ‘soldaat’ is de ‘zaak’ ‘genoemd’ als: bepaalde kenmerken bezittend (o.a. ‘mannelijk’); zij worden gegeven als kenmerken die andere ‘zaken’ ook bezitten. In ‘hij’ daarentegen is de ‘zaak’ te kennen gegeven als: bepaalde kenmerken bezittend die andere ‘zaken’ ook bezitten (o.a. ‘mannelijk’), maar bovendien unieke kenmerken bezittend. | Hij | geeft te kennen: de uniekheid1, de onderscheidenheid van de ‘zaak’; | soldaat |: een soortelijkheid, een algemeenheid. Het semanteem | hij | geeft niet te kennen wèlke de unieke kenmerken zijn, maar wel dàt zij er zijn. In ‘hij’ ‘denken’ wij de ‘zaak’ in zijn uniekheid, in ‘soldaat’ in een algemeenheid. Stellen wij nu tot elkaar in oppositie | De man zag iets. | en | De man zag sneeuw.|, dan treedt hetzelfde op: ‘iets’ is uniek, ‘sneeuw’ is algemeen. Wel merken wij een tegenstelling op tussen ‘hij’ en ‘iets’: in beide ‘denken’ wij de ‘zaak’ als uniek, maar in ‘hij’ ‘denken’ wij de uniekmakende kenmerken als gekend, in ‘iets’ als niet-gekend. Vergelijken wij het overige paar: | De jongen hoorde iemand. | / | De jongen hoorde lawaai. | dan komen wij tot dezelfde beschrijving. Wie ‘iemand’ hoort, herkent wat hij hoort als zijnde één unieke bepaalde grootheid (al

[p. 102]

weet hij niet waardoor de uniekheid wordt bepaald), wie ‘lawaai’ hoort herkent wat hij hoort als behorend tot een ‘soort’. Samenvattend kunnen wij zeggen: een semanteem dat eenzaak’ ‘noemtonder zijnsoortelijkaspect is een zelfstandig naamwoord. Een semanteem dat eenzaak’ ‘noemtonder zijn uniek aspect is een zelfstandig voornaamwoord.

Elk van de hieronder gecursiveerde semantemen is een zelfstandig voornaamwoord: | Er liep iemand buiten. |; | Wij zullen het hem vragen. |; | Wie zal dat betalen? |; | Kun jij voor de rest zorgen? |; | Men schrok. |; | Het zal wel. |; | Ik zag een klein paard, Jan! |. De uniekheid wordt niet alleen als zodanig te kennen gegeven, maar altijd hetzij als in haar kenmerken gekend, hetzij als in haar kenmerken niet gekend. Wat de classificatie betreft: er is een beperkt aantal semantemen dat op deze wijze kan functioneren. Er is dus behalve de functie ook een semanteem-klasse ‘zelfstand voornaamwoord’.

III. 2. De eigennaamsfunctie.

Een andere zelfstandige functie die wij kennen is de functie ‘eigennaam’. De volgende gecursiveerde semantemen vervullen deze functie: | Ik zag een klein paard, Jan! |; | Amsterdam is de hoofdstad van Nederland. |; | Wij zagen een film over Beatrix. |; | Hebben jullie Anna gezien? |; | Wij riepen Henk terug. |. Wij zullen de eigennaamsfunctie van die van zelfstandig naamwoord en zelfstandig voornaamwoord trachten te onderscheiden. Wij beginnen met de afgrenzing van het zelfstandig naamwoord; wij formuleerden: het zelfstandig naamwoord ‘noemt’ een ‘zaak’ onder zijn ‘soortelijk’ aspect. Dit doet de eigennaam niet. | Jan |, | Amsterdam | enz. ‘noemen’ in de gegeven combinaties een ‘zaak’ onder zijn uniek aspect. Daar dit echter ook het geval is met het zelfstandig voornaamwoord moeten wij binnen het als uniek ‘noemen’ het onderscheid vaststellen tussen eigennaam en zelfstandig voornaamwoord.

Eerder zeiden wij: het zelfstandig voornaamwoord geeft niet te kennen wèlke de unieke kenmerken zijn, maar wel dàt zij er zijn (blz. 101). Het is hierin dat het van de eigennaam verschilt: het geeft de uniekheid-als-zodanig te kennen, maar de eigennaam geeft in eenheid alle uniekmakende kenmerken te kennen. Er zijn weliswaar verschillende personen die ‘Beatrix’ heten, maar dat is een kwestie van homonymie. Het hangt er helemaal van af hoe men de vorm: Beatrix: beschouwt, wil men

[p. 103]

vaststellen met welk homoniem men te maken heeft. Men kan :Beatrix: beschouwen als vorm van het teken dat betekent ‘de oudste dochter van Koningin Juliana’; òf als vorm van het teken dat betekent ‘de jongste dochter van mijn buurvrouw’. Beschouwt men het als vorm van het teken dat betekent ‘bepaalde meisjesnaam’, dan heeft men een derde teken. Past men de betekenis ‘bepaalde meisjesnaam’ toe op Prinses Beatrix èn op de jongste dochter van mijn buurvrouw, dan is er geen sprake van homonymie, maar van toepassing van één betekeniseenheid op twee ‘zaken’. Past men echter de betekenis ‘Beatrix’ = ‘de oudste dochter van Koningin Juliana’ toe op Prinses Beatrix en ‘Beatrix’ = ‘de jongste dochter van mijn buurvrouw’ op een buurmeisje Beatrix, dan is er sprake van homonymie.

Men kan zijn dochter ‘naar Prinses Beatrix vernoemen’. Linguïstisch gezien voltrekken zich dan twee processen. 1e: ‘Beatrix’ = ‘bepaalde meisjesnaam’, welke betekenis is toegepast op persoon a (Prinses Beatrix) pas ik ook toe op persoon b (mijn dochter). 2e: De vorm van het teken waarvan de betekenisbeschrijving samenvalt met de beschrijving van Prinses Beatrix maak ik ook tot vorm van het teken waarvan de betekenisbeschrijving samenvalt met de beschrijving van mijn dochter (homonymie). Met namen stuiten wij dus op de eigenaardigheid dat wij het teken van de naam-als-zodanig hebben, b.v. ‘de meisjesnaam’ | Beatrix |, dat homoniem is met alle tekens die ieder als betekenis hebben de integrale biografie van telkens één persoon die die naam draagt. Als wij met de vorm van een eigennaam worden geconfronteerd moeten wij dus op onze hoede zijn en ons steeds in een kritische analyse afvragen: hebben wij het over een teken als bepaalde potentiële naam? Of over een teken als bepaalde individuele naam? En gegeven eenmaal dat wij dit weten, moeten wij vaststellen in welke functie dat teken is gebruikt. In het bijzonder hier is de noodzaak, te onderscheiden tussen ‘betekenis’ en ‘functie’ klemmend1.

[p. 104]

In het geval van de individuele eigennaam vallen de betekenisonderscheidingen samen met àl de individuele kenmerken van een bepaalde ‘zaak’. Dat men niet kan veronderstellen dat ‘alle’ kenmerken kunnen worden gekend doet niets af aan het feit dat wij ze, binnen de eigennaam als in eenheid kunnen ‘denken’. Willen wij de betekeniseenheid beschrijven, dan kunnen wij volstaan met het noemen van enkele gegevens welke de ‘genoemde’ ‘zaak’ uniek maken, dus b.v. ‘Beatrix’ is ‘prinses der Nederlanden, geboren 31 januari 1938’, aangezien er geen andere prinses der Nederlanden, geboren 31 januari 1938 bestaat. De volledige beschrijving echter van ‘Beatrix’ valt in dit geval samen met de volledige beschrijving van Prinses Beatrix van Nederland, geboren 31 januari 1938. Dit samenvallen wil natuurlijk niet zeggen dat Prinses Beatrix en haar naam identiek zijn: niemand zal beweren dat zij haar naam is, wij kunnen alleen zeggen dat zij in haar volledige identiteit in die naam wordt ‘gedacht’. Dit samenvallen van betekenis en genoemdheid maakt het de taalbeschouwers onmogelijk, de betekenisonderscheidingen van ‘Beatrix’ de facto te kennen. De ‘kracht’ (om met Reichling te spreken) van de eigennaam ligt evenwel juist hierin, dat zij nochtans die onderscheidingen als in eenheid te kennen geeft. Het is deze uitzonderlijkheid van de eigennaamsfunctie die Reichling over het hoofd ziet bij zijn uiteenzettingen over | Utrecht |.

‘Het gebruikte woord bestaat altijd in een grotere ervaringseenheid waarvan het moment uitmaakt, en in deze ervaring treedt het op, geassociëerd met andere ervaringsmomenten. En niet alleen omdat hij zich in de eenheid iets anders kan denken, maar ook tengevolge van dat associatief of toevallig ervaringsverband “ervaart” de schooljongen Utrecht anders dan de toerist, en de jaarbeursbezoeker anders dan de student. Het is echter een minder juiste opvatting, die te wijten valt aan de associatietheorie, al de momenten der ervaring die door 't woord “gewekt” worden, per se als peripherie onder het begrip “betekenis” te willen subsumeren;’ ... ‘Niet wat men “bij” het woord denkt, is de “betekenis”, doch wat men “in” het woord denkt.’ .... ‘Het essentiële aan de betekenis van het woord is, dat zij, als een heid bewaard, zich oppo-
[p. 105]
neert tegen alles wat als niet-Utrecht “gebruikt” wordt.’ (Het Woord, blz. 235, 236; spatiëringen en cursiveringen van Reichling.)

Alles wat Reichling hier beweert is geldig voor ieder woord, behalve voor de eigennaam, en het is dus niet mogelijk die eigenschappen juist aan een eigennaam, | Utrecht |, te demonstreren. ‘Alles wat als niet-Utrecht “gebruikt” wordt’ bestaat immers, behalve in alle semantemen die men in Van Dale aantreft, in alle mogelijke eigennamen waarmee elke mogelijke taalbeheerser elke mogelijke ‘zaak’ ‘noemt’. Tot de individualiteit van de stad Utrecht, corresponderend met de betekenisonderscheidingen van ‘Utrecht’ behoren de toevallige ervaringen van de schooljongen zo goed als die van toerist, jaarbeursbezoeker en student. Toch laat Reichling in zijn formulering enige ruimte voor de resultaten van de hier gegeven analyse van de eigennaam; immers, hij stelt nadrukkelijk dat de ‘betekenis’ van het woord niet is wat men ‘bij’, maar wat men ‘in’ het woord ‘denkt’, terwijl hij aanvankelijk zegt: ‘En niet alleen omdat hij zich in de eenheid iets anders kan denken [curs. van mij] ervaart de schooljongen Utrecht anders dan de toerist en de jaarbeursbezoeker anders dan de student’. De mogelijkheid dat de individuele ervaring der taalgebruikers misschien tòch de ‘betekenis’ van | Utrecht | mede zou bepalen, laat hij althans open: ‘niet alleen omdat ... maar ook ...’.

Rekenen wij al die semantemen waarvan de conjuncte toepassing de eigennaamsfunctie oplevert (zoals | Utrecht |, | Menuhin |) tot een klasse van eigennamen, dan blijkt dat deze klasse zich krachtens de kenmerkende functie ten enenmale aan inventarisatie onttrekt. Het samenvallen met ‘zaken’ immers maakt dat men zou moeten kennen: alle tekens die door enige Nederlandse taalbeheerser in een bepaald tijdsbestek in de eigennaamsfunctie zijn gebruikt. Het samenvallen met ‘zaken’ maakt ook dat geen enkele taalbeschouwer zelfs maar in theorie alle ‘eigen-naamssemantemen’ meent te kennen; indien de taalbeheerser in de aanvang van een verhaal leest: ‘Het was middernacht en Brissewassel begon slaapt te krijgen.’, dan vraagt hij zich niet af: ‘wie ter wereld is toch Brissewassel?’, maar hij accepteert | Brissewassel | onmiddellijk als een naam, integraal verwijzend naar een individu; leest hij daarentegen (eveneens in de aanvang van een roman): ‘De brissewassel viel met een plons in zee.’, dan valt het hem op zijn minst op dat hij de betekenis

[p. 106]

van | brissewassel | niet kent. Niet de fúnctie van ‘eigennaam’, maar wel de klasse valt buiten de eigenlijke ‘orde’ van ‘het Nederlands’-als-een-geheel-dat-beschouwd-kan-worden-als-een-gemeenschappelijk-bezit. Een ander geval is, dat er een klasse van semantemen is, die als betekenisonderscheiding hebben dat zij als eigennaam kùnnen functioneren: | Jan |, | Piet |, | Elizabeth |, | Ellen |, enz. Deze zijn met een onbeperkt aantal semantemen homoniem. ‘De’ naam | Jan | komt als zodanig (dus als potentiële eigennaam) in Van Dale voor. De naam | Menuhin | vermeldt Van Dale echter niet, omdat Van Dale een woordenboek is en geen encyclopedie. De potentiële eigennaams-semantemen (zoals | Jan |) kan men dus als een klasse beschouwen. Het verwarrende is, dat men in de traditie zowel | Jan | als | Menuhin | op zichzelf beschouwd een ‘eigennaam’ noemt.

Ook al onttrekken de feitelijke (de niet-gangbaar-potentiële) eigennamen (zoals | Menuhin |) zich aan inventarisatie, zij gedragen zich toch in overeenstemming met de systematiek van ‘het Nederlands’; zij kunnen andere functies dan de eigennaamsfunctie vervullen, b.v. de zelfstandig-naamwoordsfunctie. Zegt de vader van een veelbelovend violist ‘Mijn zoon is een Menuhin.’, dan functioneert | Menuhin | niet als eigennaam: de ‘zaak’ die | Menuhin | dan ‘noemt’ is namelijk een ‘zaak’, de ‘Menuhin’-kenmerken bezittende, en bovendien zijn eigen uniekmakende kenmerken. Met dit gebruik ‘denken’ wij de contradictio in terminis dat iemand de ‘Menuhin’-kenmerken zou bezitten en nochtans Menuhin niet zou zijn. Hier is sprake van disjuncte toepassing van ‘Menuhin’: er is slechts een enkele betekenisonderscheiding van toepassing: ‘groot, wereldberoemd violist’. Een andersoortig, maar evenzeer ‘substantivisch’ gebruik van een eigennaamssemanteem vindt men in | De grote Menuhin speelde adembenemend. |. Ook hier functioneert | Menuhin | niet als eigennaam. De ‘genoemde’ ‘zaak’ is wel de wereldvermaarde violist Jehudi Menuhin, maar deze wordt in | de grote Menuhin | te kennen gegeven als zou binnen de betekenis-onderscheidingen van | Menuhin | niet zijn grootheid vallen. In bepaald opzicht komt het gebruik van | de grote Menuhin | overeen met het gebruik van b.v. | nat water |; | water | heeft binnen zijn betekenisonderscheidingen ‘nat’. Als men | nat water | op water toepast, is | water | conjunct gebruikt: alle betekenisonderscheidingen zijn van toepassing; | nat | is eveneens conjunct gebruikt: een wezenlijk kenmerk van water is dat het nat is.

[p. 107]

Maar de taalgebruiker gedraagt zich hier alsof ‘nat’ geen betekenisonderscheiding van | water | zou zijn, zodat de natheid als een toegevoegd ‘soortelijk’ kenmerk ‘genoemd’ kan worden. Dit laatste is in werkelijkheid niet van toepassing. Er is hier dus sprake van een disjunct gebruik van de toevoegingsfunctie; bij een bepaald disjunct gebruik van een betekenis (‘paard’ voor een fiets) spreekt men van een metafoor; bij het hier gesignaleerde disjuncte gebruik van de toevoegingsfunctie van een pleonasme. Zo'n pleonasme vindt men ook in | de grote Menuhin |. In het laatste geval valt het pleonastisch karakter minder op, omdat het meer voor de hand ligt één van alle (in de praktijk niet integraal kenbare) individuele ‘Menuhin’-kenmerken over het hoofd te zien, dan één van de (gekend veronderstelde) ‘soortelijke’ ‘water’-kenmerken.

Het verschil tussen het gebruik van | Mijn zoon is een Menuhin. | en dat van | De grote Menuhin speelde adembenemend. | ligt niet in de betekenis van | Menuhin |: het ‘betekent’ in beide gevallen de grote violist Menuhin in al zijn kenmerken; evenmin in de functie van | Menuhin |; | Menuhin | ‘noemt’ in beide gevallen een ‘zaak’ onder zijn ‘soortelijk’ aspect. Het verschil ligt in de niet-linguale eigenschappen van de genoemdheid, die in het eerste geval niet, in het tweede wel Menuhin zelf is. De taalbeschouwer moet voortdurend zijn kennis van de genoemdheid analyseren, en daarbinnen vaststellen welke kennis correspondeert met de betekenis van een bepaald gebruikt taalteken, in onderscheid met de kennis, corresponderend met de gebruikte functie; wat overblijft is de niet-linguale kennis. Met niet-linguale kenmerken van genoemdheden bedoelen wij dus kenmerken waarvan wij weliswaar kennis kunnen hebben, maar niet krachtens het gebruik van het bestudeerde taalteken. Ik kan ‘deze Menuhin’ toepassen op de grote violist Jehudi Menuhin, maar ook op een veelbelovend neefje. Krachtens het gebruik van | deze Menuhin | als zodanig kan de taalbeheerser nooit weten op welke van de twee ‘Menuhin’ is toegepast. Hij weet alleen dat aan iedereen op wie hij het in | deze Menuhin | toepast, de ‘Menuhin’-kenmerken als ‘soortelijk’ worden toegekend. Anderzijds weet men, bij gebruik van b.v. | Daar gaat Menuhin! | evenmin op wie in de realiteit ‘Menuhin’ is toegepast. Aan | Daar gaat Menuhin! | als zodanig weet men niet of het conjunct dan wel disjunct is gebruikt. Iemand kan dat b.v. zeggen als hij Menuhin's dubbelganger ziet en ook als

[p. 108]

dubbelganger herkent. Het gebruik is dan disjunct. Zowel aan de dubbelganger echter als aan Menuhin zelf worden de ‘Menuhin’-kenmerken toegekend als de ‘zaak’ individueel onderscheidend van al het andere in onze ervaring. Dit kan men vaststellen op grond van eigenschappen van | Daar gaat Menuhin! | als zodanig: in | Daar gaat Menuhin! | geeft men ook de dubbelganger te kennen àls Menuhin zelf. Alleen in dat geval spreken wij van eigennaamsfunctie. Als men | Menuhin |, op zichzelf beschouwd, dus afgezien van een gegeven functie, ‘eigennaam’ wil noemen, moet ‘eigennaam’ noodzakelijk geïnterpreteerd worden als eigennaamssemanteem. In | de grote Menuhin | vervult het eigen-naamssemanteem | Menuhin | niet de eigennaamsfunctie, zoals b.v. het bijvoegelijk-naamwoordssemanteem | snel | in | Het jongetje loopt snel. | niet de bijvoegelijk-naamwoordsfunctie vervult. In dit verband vergelijke men ook Jespersen:

‘Thus we understand sentences like the following, which are very hard to account for under the assumption that proper names are strictly no-connotative: he felt convinced that Jonas was again the Jonas he had known a week ago, and not the Jonas of the intervening time (Dickens) / there were days when Sophia was the old Sophia - the forbidding difficult Sophia (Bennett) / Anna was astouned by the contrast between the Titus of Sunday and the Titus of Monday (id.) /’ (Jespersen, blz. 69.)

Uit dit citaat blijkt eens te meer, hoe noodzakelijk het is, niet alleen tussen betékenis en functie, maar ook tussen téken en functie expliciet te differentiëren. Jespersen vat, evenals de traditionele grammatica, zowel teken als betekenis als functie onder de term ‘proper name’. Evenwel beschouwd onder het functie-aspect is het eerste | Sophia | wèl, en zijn het tweede en derde | Sophia | niet een eigennaam. Zij het niet expliciet, toch beweegt Jespersen zich in de richting van differentiatie, getuige ‘I should venture to say that proper names (as actually used) “connote” the greatest number of attributes.’ (Jespersen, blz. 66; curs. van F.B.)

Nu wij voor het zelfstandig naamwoord formuleerden: het ‘noemt’ een ‘zaak’ onder zijn ‘soortelijk’ aspect; voor het zelfstandig voornaamwoord: het ‘noemt’ een ‘zaak’ onder zijn uniek aspect, daarbij in aanmerking nemend dat het de uniekheid voorzover gekend ‘noemt’, en niet: waarin die uniekheid bestaat, kiezen wij voor de beschrijving van

[p. 109]

de eigennaamsfunctie de term ‘individueel aspect’, waaronder verstaan wordt: het aspect waarbij alle individuele kenmerken zijn ‘genoemd’. Samengevat: een semanteem dat eenzaak’ ‘noemtonder het individueel aspect is een eigennaam.

III. 3. Het bijvoegelijk naamwoord. De vastlegging der termen. De volgorde der beschrijving.

In onze functiebeschrijving, waarbinnen de volgorde zoals wij zagen gedicteerd wordt door de aard der functies, is nu ruimte voor de bijvoegelijk-naamwoordsfunctie (| een klein paard |). Deze functie analyseerden wij reeds in II,2 (later toevoegingsfunctie genoemd). Als wij een semanteem dat deze functie vervult een ‘bijvoegelijk naamwoord’ noemen, kunnen wij formuleren: een semanteem dat een kenmerk van eenzaak’ ‘noemtals toegevoegd aan desoortelijkekenmerken van diezaak’ (‘genoemddoor een zelfstandig naamwoord) is een bijvoegelijk naamwoord.

Nu wij ons uitsluitend bezighouden met bepaalde semanteemfuncties en met de terminologie die wij daarbij zullen toepassen, dienen wij ons vooral inzake deze laatste, vóór wij verder gaan, expliciet te verantwoorden. De werkwijze is: wij onderscheiden een bepaalde grammatische functie in ‘het Nederlands’; wij maken de vorm waarneembaar van één of meer semanteemcombinaties waarbinnen die functie wordt vervuld; wij analyseren binnen die gegeven combinaties de toepassing van een bepaalde semanteembetekenis. Op grond van zo'n analyse leerden wij ‘de’ functie zelfstandig naamwoord, ‘de’ functie zelfstandig voor-naamwoord, ‘de’ functie eigennaam en ‘de’ functie bijvoegelijk naamwoord kennen. Wij moeten echter niet uit het oog verliezen dat wij ‘de’ functie steeds hebben gefixeerd aan enkele gevallen. Noemden wij eerst volgens een nog niet nader geanalyseerde reflexie op onze taalervaring iets een ‘zelfstandig naamwoord’, wij zijn nu in staat die term te verantwoorden, door de volgende beperking die wij aan het gebruik ervan opleggen: elk semanteem dat een ‘zaak’ ‘noemt’ onder zijn ‘soortelijk’ aspect duiden wij aan met ‘zelfstandig naamwoord’. Zodra wij geanalyseerd hebben is dus ‘de’ zelfstandig-naamwoordsfunctie niet meer: een functie die de taalbeschouwer in x gevallen zonder nadere analyse meent te onderscheiden, maar: één bepaalde, op grond van analyse wèl te omschrijven toepassingswijze die wij in gegeven gevallen aan-

[p. 110]

treffen. Indien wij een functie onder ogen krijgen die wij op het eerste gezicht een zelfstandig-naamwoordsfunctie zouden noemen, maar waarop onze beschrijving niet volledig van toepassing is, dan noemen wij deze nu niet meer zonder meer een zelfstandig-naamwoordsfunctie. Wordt een functie waarop wèl onze beschrijving van toepassing is niet vervuld door één semanteem maar door een semanteemcombinatie (b.v. | een paardje |), dan noemen wij die combinatie niet zonder meer (in dit stadium) een zelfstandig naamwoord. De niet nader gefundeerde functie-onderscheiding is uitgangspunt voor de analyse. Zodra er echter geanalyseerd is, is de analyse uitgangspunt voor de terminologische onderscheidingen: de geanalyseerde onderscheidingen fixeren wij in een term. Weliswaar worden vóór de analyse dezelfde termen gebruikt als erna, maar pas erna is in de term een bepaalde functiebeschrijving verdisconteerd.

Onze beschrijving b.v. dat het ‘bijvoegelijk naamwoord een aan de door het zelfstandig naamwoord “genoemde” “soortelijke” kenmerken toegevoegd kenmerk van een “zaak” “noemt”’, heeft zijn consequenties. Beschouwen wij | een klein paard | dan is | klein | daar een bijvoegelijk naamwoord, d.w.z. het vervult de functie die wij hierboven beschreven. Beschouwen wij | een mooi klein paard |, dan doet zich het probleem voor of | mooi | diezelfde bijvoegelijk-naamwoordsfunctie vervult. Is het ‘mooi’-kenmerk aan de ‘paard’-kenmerken toegevoegd, m.a.w. is het een kenmerk van een paard? of is het aan de ‘paard’-plus-‘klein’-kenmerken toegevoegd, m.a.w. is het een kenmerk van een klein paard? Of is het uitsluitend een kenmerk vàn het ‘klein’-kenmerk, m.a.w. is het een kenmerk van het paard dat het mooi-klein is? Samengevat zijn de mogelijkheden: 1e het paard is mooi en klein; 2e het kleine paard is mooi; 3e het paard is mooi klein. Er zijn derhalve drie tekens waarvan de vorm identiek is. In de vorm-als-zodanig :een mooi klein paard: is niet gegeven welke van de drie tekens er te kennen wordt gegeven, dus in de opeenvolging-puur zijn de drie mogelijkheden alle aanwezig. Invoeging van één enkele komma sluit de tekens 2e en 3e uit: :een mooi, klein paard:. Geval 3e kan buiten beschouwing blijven, omdat | mooi | daarin ook traditioneel geen bijvoegelijk naamwoord genoemd wordt; in 1e en 2e wel. De mogelijkheid bestaat evenwel dat zich binnen semanteemcombinaties semantemen voordoen die op het eerste gezicht een bepaalde functie lijken te vervullen, maar wier functie, bij confron-

[p. 111]

tatie met een reeds voltrokken functie-analyse, met die analyse in botsing komt. Wij herhalen daarom: iedere term die wij welomschreven gebruiken ter aanduiding van een geanalyseerde functie ligt vast, en kan voor geen andere taalverschijnselen worden gebruikt, tenzij een wijziging in de terminologie is aangekondigd en verantwoord.

Voorts moeten wij nader rekenschap afleggen van de keuze der functies die wij beschreven. Ook die keuze is gebaseerd op een eerste beschouwelijke reactie op de grammatische functies, en moet aan de resultaten van uitgebreidere analyse worden getoetst. Is de eerste stap op de weg der grammaticale beschouwing het onderscheiden van functies, de volgende is een vergelijking tussen onderscheiden functies, en wel een vergelijking van de aard en de graad hunner afhankelijkheid. Wie een poging doet, een functie te beschrijven, kan vaststellen in hoeverre daarbij kennis van andere functies vereist is. Wij onderscheiden b.v. de onderschikkendvoegwoordsfunctie in | Ik geloof dat hij komt. |. Verdiept men zich in de functie van | dat |, dan blijkt vrijwel onmiddellijk dat men deze niet benaderen kan zonder inzicht in de functie van | ik geloof | en van | hij komt |, en dat deze twee eenheden weer nauw samenhangen met de functies van | ik | en | geloof | resp. | hij | en | komt |, en dat | komt | bestaat uit | kom | en | t |. Het ligt dus voor de hand, de beschrijving niet te beginnen bij de onderschikkend-voegwoordsfunctie, maar bij één die geen kennis van andere functies vereist. Dat dit het geval is met de functies die bestaan in het ‘noemen’ van een ‘zaak’ is duidelijk. Dit zijn echter niet de enige functies die geen andere vooronderstellen. Ook de functie van b.v. | Loop! |, | Kom! |, | Wacht! | en | Lees! | is zelfstandig, in zoverre, dat zij geen andere toegepaste betekenis(-sen) vooronderstelt.

Het proces dat zich bij de passieve taalgebruiker voltrekt bij kennisneming van deze taaltekens (| Loop! | enz.) vertoont een verschil met de processen die wij tot nog toe bestudeerden. Bij deze laatste bevindt zich iedere genoemdheid in onze voorstelling omdat dat een onderdeel is van onze methode van taalbeschouwing. Wij weten dat het zich bevinden in de voorstelling van de passieve taalgebruiker niet door de taaltekens-als-zodanig (b.v. door | een klein paard |) te kennen gegeven wordt. Wij weten dat de ‘paard’-kenmerken evenzeer kunnen worden toegepast op een ervaringsgegeven buiten de voorstelling, en dat het verschil tussen een in de voorstelling geschapen genoemdheid en een in de ons omringen-

[p. 112]

de realiteit aanwezige genoemdheid niets toe- of afdoet aan de betekenis, noch aan de functie van het gebruikte teken. De zgn. imperatief vormt hierop een uitzondering. Indien de taalbeschouwer kennisneemt van | Lees! |, dan stelt hij vast dat er krachtens de functie van dit taalteken een individuele, concrete passieve taalgebruiker (dat is niet ‘de’ passieve taalgebruiker) aanwezig wordt ondersteld, en dat de betekenis wordt toegepast op iets binnen diens voorstelling. De wijze waarop de genoemdheid wordt ‘gedacht’ is: aanwezig in de voorstelling als iets waarvan geëist wordt dat het in enigerlei vorm zal worden ervaren aan (zal worden ‘gedaan door’) die ene onderstelde passieve taalgebruiker. Bij de imperatief wordt dus de genoemdheid ‘genoemd’ als aanwezig in de voorstelling. Bij het nog tot toe bestudeerde taalgebruik is dat niet het geval. De taalbeschouwer die zich het ‘zich voorstellen’ van genoemdheden tot methode maakt, komt hier terecht bij een zich voorstellen in de tweede graad: hij stelt zich een voorgestelde genoemdheid voor. Dit verschil met andere genoemdheden is zo opvallend, dat het hier niet genegeerd kon worden. Het feit dàt er een genoemdheid is geldt echter zowel voor de imperatief als voor de andere gevallen van taalgebruik.

Gebruik van een teken dat de imperatief-functie vervult onderstelt niet het gebruik van een ander teken dat een andere functie vervult. In zoverre kan men de imperatief-functie zelfstandig noemen. Een imperatief ‘noemt’ evenwel de genoemdheid als iets dat aan de onderstelde concrete passieve taalgebruiker zal zijn te ervaren: de genoemdheid van | Lees! | enz. is dus geen ‘zaak’. Die passieve taalgebruiker is niet expliciet door een ander teken, maar impliciet door | Lees! | ‘genoemd’.

Wij hebben niet eerst uitsluitend zelfstandig optredende functies gekozen, noch hebben wij de bedoeling, uitputtend alle ‘zaak’-‘noem’-functies te analyseren, en pas daarna afhankelijke. Het enige dat methodisch vastligt, is, dat in de beschrijving van iedere afhankelijke functie de kennis is geïmpliceerd van díe functie(s) waarvan zij afhankelijk is, en alleen in dit opzicht kan de volgorde van beschrijving niet willekeurig zijn. Voor het overige is zij toevallig.

[p. 113]

III. 4. Het distinctivum.

Een functiebeschrijving waarvoor wij nu voldoende voorkennis bezitten is die van | een | in | Ik zag een klein paard, Jan! |. Richten wij hierbinnen onze aandacht op | een klein paard |, dan constateren wij dat er van drie genoemdheden, maar van slechts één ‘zaak’ sprake is. M.a.w. evenals ‘klein’ is ook ‘een’ toegepast op een genoemdheid die uitsluitend aan de | paard |-‘zaak’ wordt ervaren. Kenmerken van die ‘zaak’ zijn, zoals bleek, primo de ‘soortelijke’ ‘paard’-kenmerken; secundo het daaraan toegevoegde ‘soortelijke’ ‘klein’-kenmerk. Ook in de eenheid ‘klein paard’ kennen wij de ‘zaak’ in ‘soortelijke’ kenmerken, d.w.z. in kenmerken die zij met andere ‘zaken’ gemeenschappelijk heeft. Als men echter | een | in de analyse betrekt, wordt het duidelijk dat het in de voorstelling aanwezige paard binnen zijn ‘soort’ is ‘los-gedacht’, te onderscheiden is; ‘een klein paard’ is ‘gedacht’ als een ‘zaak’ die niet alleen bepaalde kenmerken met elk ander ‘klein paard’ gemeen heeft (te kennen gegeven in ‘klein paard’), maar die zich ook door bepaalde kenmerken daarvan onderscheidt; die, m.a.w. binnen de ‘soort’ een zekere onderscheidbaarheid bezit, te kennen gegeven in ‘een’. Wie ‘klein paard’ op een ‘zaak’ toepast, ‘denkt’ die ‘zaak’ als uitsluitend te onderscheiden van alles wat niet ‘klein paard’ is; wie ‘een klein paard’ op een ‘zaak’ toepast ‘denkt’ die ‘zaak’ als te onderscheiden van alles wat ook ‘klein paard’ is. ‘Een klein paard’ is een specimen van de ‘soort’. Deze eigenschap van | een | blijkt o.a. uit het feit dat als wij, iemand op een paard attent makend, zeggen ‘Kijk, paard!’, óf onszelf kwalificeren als iemand die ‘het Nederlands’ niet helemaal beheerst (kleine kinderen o.a. zeggen het) óf dit paard (een tijd-ruimtelijk unicum) miskennen in zijn uniekheid, het dier uitsluitend onderscheidend van wat niet-paard is; dat is iets dat wij gewoonlijk niet doen bij een duidelijk aanwezig paard. Deze functie van | een | blijkt ook als men a | Men at haas. | in oppositie stelt tot b | Men at een haas. |. De ‘zaak’ waarop de taalbeheerser ‘haas’ toepast is in beide gevallen dat wat gegeten werd, maar in a is dat gegeven als iets dat ‘soortelijk’ bepaald is, maar dat niet één bepaalde haas geweest hoeft te zijn, wat in b wèl het geval is.

De hiervóór gegeven opposities laten zien dat er in ‘het Nederlands’ een grammatische functie voorkomt die bestaat in het ‘noemen’ van de onderscheidbaarheid ener ‘zaak’ binnen een te kennen gegeven

[p. 114]

‘soort’. Die functie treft men b.v. aan in alle gevallen waar sprake is van wat de traditionele grammatica een lidwoord noemt, b.v. | het huis |, | een prettig voorstel |, | de kleine wereld |. Er zijn evenwel nog andere semantemen dan | de |, | het | en | een | die deze functie vervullen kunnen, welke wij, gezien het onderscheidbaarheidsaspect dat zij vertegenwoordigt, de distinctieve functie zullen noemen. Daar waar de traditionele grammatica spreekt van bepaalde soorten voornaamwoorden (‘bijvoegelijk gebruikt’) is op dezelfde wijze sprake van het onderscheiden binnen een ‘soort’, vgl. | mijn huis |; | dat prettige voorstel |; | deze kleine wereld |. Hiervóór kwam reeds één en ander ter sprake (blz. 86, 87) dat er oorzaak van is dat de traditionele grammatica in bovengenoemde voorbeelden niet van ‘lidwoord’ spreekt. Daaraan kan nog toegevoegd worden het betekenis-verschil tussen ‘lidwoord’, ‘bezittelijk voornaamwoord’ en ‘aanwijzend voornaamwoord’: bij de lidwoorden wordt de onderscheidbaarheid ‘genoemd’ als: al of niet aan eigenschappen gekend; ‘een paard’ is een te onderscheiden paard, maar waardoor het te onderscheiden is is niet gekend; ‘het paard’ is een in zijn onderscheidende kenmerken gekend paard. Bij het bezittelijk voornaamwoord wordt de onderscheidbaarheid van een ‘zaak’ bovendien ‘genoemd’ als: gekend in een bepaalde relatie tot een andere impliciet ‘genoemde’ ‘zaak’: ‘mijn paard’ is een paard dat onderscheiden wordt door een bepaalde relatie tot een bijzonder soort van ‘zaak’, te weten iemand die zich als actieve taalgebruiker te kennen geeft, een ‘ik’. Bij ‘jouw paard’ is die ‘zaak’ iemand die als passieve taalgebruiker te kennen wordt gegeven, bij ‘zijn paard’ een ‘zaak’-zonder-meer, althans een ‘zaak’ die geen specifieke taalgebruiks-relatie bezit tot het gebruikte teken | zijn paard |. Bij het aanwijzend voornaamwoord wordt de onderscheidbaarheid ‘genoemd’ als: gekend in één of meer gereleveerde, van de andere kenmerken te onderscheiden, kenmerken: ‘dit paard’ is: het paard dat zojuist genoemd is, of: het paard dat u hier ziet staan. Het is intussen duidelijk wat er in alle gevallen van distinctieve functie wordt ‘genoemd’: de onderscheidbaarheid van een ‘zaak’ binnen een te kennen gegeven ‘soort’, onder het aspect van het al of niet gekend zijn van distinctieve kenmerken. De betekenis-verschillen komen tot uitdrukking in de termen ‘aanwijzend’ en ‘bezittelijk’; deze vertegenwoordigen echter een onderscheiding die in een grammatica niet thuishoort, zomin als men in de grammatica een

[p. 115]

‘kleur-bijvoegelijk-naamwoord’ (| een bruin paard |) tegenover een ‘afmetings-bijvoegelijk-naamwoord (| een klein paard |) stelt. Wij zullen een nieuwe term moeten invoeren voor de semantemen die de distinctieve functie vervullen. Wij kiezen daartoe de term distinctivum. Samengevat: Een semanteem dat van eenzaakbinnen een te kennen gegevensoortde onderscheidbaarheidnoemtonder het aspect van het al of niet gekend zijn der distinctieve kenmerken van diezaakis een distinctivum.

III. 5. De persoonsvorm.

Als enige ongeanalyseerde semanteemfunctie in | Ik zag een klein paard, Jan! | blijft nu over die van | zag |. Als de taalbeschouwer ‘Ik zag een klein paard, Jan!’ toepast zó, dat hij zichzelf representatief stelt voor de ‘zaak’ ‘genoemd’ door | ik |, dan constateert hij van | zag | in de eerste plaats dat het iets ‘noemt’ dat op één of andere manier aan hem (de ‘ik’) valt te ervaren. Men kan niet zonder meer zeggen dat dat ‘een kenmerk’ is, omdat deze term werd gebruikt voor de genoemdheid van | klein |. Als men nochtans beide genoemdheden voorlopig een ‘kenmerk’ noemt, moet van daaruit geanalyseerd worden waarin het markante verschil tussen beide ‘kenmerken’ bestaat. Om de functie van | zag | te kunnen beschouwen stellen wij haar dus in eerste instantie in oppositie tot die van | klein |. Beide ‘noemen’ een kenmerk van een ‘zaak’. De functie van | klein | echter onderstelt die van een zelfstandig naamwoord, die van | zag | doet dat niet. Beide onderstellen een ‘zaak’, alleen | klein | onderstelt een ‘zaak’ ‘genoemd’ onder het ‘soortelijk’ aspect. Als wij al de genoemdheid van | zag | een ‘kenmerk’ noemen, een ‘soortelijk’ kenmerk is het in ieder geval niet. De traditionele grammatica benoemt | zag | met de term ‘werkwoord’, of, uitgebreider ‘persoonsvorm van het werkwoord’, in dit geval: persoonsvorm van het werkwoord | zien |. Van een semanteem dat als persoonsvorm functioneert is b.v. sprake in de volgende gevallen: 1. | Het paard was bruin. |; 2. | Ik ga op straat. |; 3. | De vrouw had gelachen. |. Het valt taalbeschouwers (ook lagere-school-leerlingen) niet moeilijk, de ‘werkwoorden’ te noemen waarvan de hier gecursiveerde semantemen de ‘persoonsvorm’ zijn, namelijk: 1. | zijn |, 2. | gaan | en 3. | hebben |. Wij kunnen verder gaan en zeggen dat de taalbeschouwer van iedere ‘persoonsvorm’ zonder aarzelen het bijbehorende ‘werkwoord’ weet te vermelden. Wat eveneens ge-

[p. 116]

meengoed is bij de taalbeschouwers, is de differentiatie binnen de persoonsvormen, welke men aanduidt met de term ‘tegenwoordige tijd’ tegenover ‘verleden tijd’. De taalbeschouwer kan iedere persoonsvorm in oppositie stellen tot één van deze twee, b.v. 1. | was | tot | is |, 2. | ga | tot | ging | en 3. | had | tot | heeft |. Dit is een differentiatie binnen ‘de’ functie van ‘persoonsvorm’, d.w.z. zowel bij een ‘tegenwoordige tijd’ als bij een ‘verleden tijd’ ‘noemt’ de persoonsvorm iets dat onder een bepaald aspect op dezelfde wijze wordt ‘gedacht’. Waarin bestaan dit aspect en deze wijze?

De persoonsvorm is door Hellinga als volgt beschreven: ‘Het verbum finitum stelt het subject op specifieke wijze in de tijd’. Binnen de systematiek van onze analyse zouden wij genoodzaakt zijn, in deze formulering de term ‘subject’ te vervangen door ‘“genoemde” “zaak”’, omdat één van onze doelstellingen is, in de terminologie teken en genoemdheid niet te verwarren. Traditioneel heeft ‘subject’ zeer vaak betrekking op een grammatisch functionerend teken, terwijl het hier duidelijk is, dat niet het teken, maar de genoemdheid ‘in de tijd gesteld’ wordt. Ondanks deze onvermijdelijke afwijking van de letterlijke weergave van Hellinga's beschouwing, zal het duidelijk zijn dat onze analyse de invloed hiervan heeft ondergaan. (College 1951.)

Een ‘persoonsvorm’ is volgens elke schoolgrammatica op één of andere manier werkwoord. Sommige grammatica's vermelden van het werkwoord dat het de ‘naam’ is van een ‘werking als werking voorgesteld’, of de ‘naam’ van een handeling, maar dikwijls ook betuigt men zijn ontevredenheid daarover1. Eén eigenschap evenwel staat voor

[p. 117]

de grammatici vast, namelijk het feit dat de persoonsvorm ‘een element van tijd bevat’1. Het ‘element van tijd’ is in elk geval het enige dat men aantreft in elke persoonsvorm, wat tot uitdrukking komt in het feit dat elke persoonsvorm geopponeerd is aan een persoonsvorm in ‘verleden’ dan wel ‘tegenwoordige tijd’.

Keren wij nu terug tot | Ik zag een klein paard, Jan! |, dan kunnen wij opnieuw de functie van | zag | trachten te beschrijven. Behalve van ‘een element van tijd’ kan gesproken worden van een element van duur dat aan de genoemdheid van | zag | wordt ervaren. Die genoemdheid bestaat bij de gratie van de ‘zaak’ waaraan wij haar ervaren, en wij kunnen haar in ons kader nog niet anders beschrijven dan als iets dat duurt, bezig is, zich in tijd voltrekt. De genoemdheid van | zag |, het ‘zien’, wordt echter niet alleen te kennen gegeven als iets durends. Het is een aan een ‘zaak’ ervaren durend iets van een bepaalde soort, de ‘zie’-soort. Het is een durend ‘zie’-iets, onderscheiden van elk durend iets dat geen ‘zie’-iets is. Het iets, het ‘zien’ wordt, behalve in zijn duur-eigenschap ‘genoemd’ in zijn soort, maar het wordt bovendien nog ‘genoemd’ in zijn ‘tijd’. ‘Tijd’ is hier dus van ‘duur’ onderscheiden. De term ‘tijd’ ontlenen wij geheel aan de gangbare grammaticale terminologie. Een ‘tijds’-aspect is er in zoverre, dat elke taalbeheerser gebruik maakt van de oppositie tussen ‘tegenwoordige tijd’ (| zie |) en ‘verleden tijd’ (| zag |). Van die oppositie weten wij op dit ogenblik nauwelijks meer dan dàt zij bestaat. Dat de termen ‘tegenwoordige’ - en ‘verleden tijd’ niet simpelweg op een ‘heden’ resp. ‘verleden’ betrekking hebben, realiseert de taalbeschouwer zich als hij zich verdiept in b.v. de tekens | Als ik jou was deed ik het niet. |, | Gisteren, juist als ik uit wil gaan, staat daar ineens Tante op de stoep! | en | Volgend jaar kom ik met verlof. |.

[p. 118]

Van de genoemdheid van | zag | worden tenminste drie aspecten te kennen gegeven: het ‘soort’-aspect, het ‘duur’-aspect en het ‘tijds’-aspect. Eén aspect, het ‘soortelijk’, heeft de genoemdheid van | zag | gemeen met die van | paard | en | klein |; en evenals de genoemdheid van | klein | (in onderscheiding met die van | paard |) is die van | zag | te kennen gegeven als uitsluitend ervaren aan een ‘zaak’. Dit maakte het mogelijk, van beide genoemdheden te zeggen dat zij een kenmerk van een ‘zaak’ zijn, en wel, stelden wij nu vast, beide ‘genoemd’ onder een ‘soortelijk’ aspect; maar dan met dit verschil: dat alleen het ‘zie’-kenmerk ‘genoemd’ wordt als durend binnen een bepaaldetijd’. Kortom, | zag | ‘noemt’ van een ‘zaak’ een binnen een bepaalde ‘tijd’ durend kenmerk onder een ‘soortelijk’ aspect, hierna aangeduid als een ‘durend kenmerk’. Dit geldt voor elk binnen een semanteemcombinatie functionerend semanteem dat de taalbeschouwer zonder aarzelen als persoonsvorm herkent. Dit geldt ook voor díe persoonsvormen die hulpwerkwoorden worden genoemd, b.v. | Hij is gekomen. |, | Ik heb gewandeld. |, | Ik word geroepen. |, | Hij wil gaan. |. De functie ‘hulpwerkwoord’, die hier kan worden onderscheiden, is niet zonder meer een àndere functie dan die van persoonsvorm, maar is een differentiatie binnen de functie van persoonsvorm. De semantemen | is |, | heb |, | word | en | wil | ‘noemen’ namelijk evenals | zag | een in een ‘tijd’ durend kenmerk van een ‘zaak’; het durende kenmerk evenwel wordt bij het hulpwerkwoord bovendien te kennen gegeven als afhankelijk van nog een andere functie dan die welke alleen op de ‘genoemde’ ‘zaak’ betrekking heeft: in | Hij is gekomen. | is de functie van | is | niet alleen afhankelijk van die van | hij |, maar tegelijkertijd van die van | gekomen |. (In | Ik zag een klein paard, Jan! | is de functie van | zag | uitsluitend afhankelijk van die van | ik |. Een semanteemfunctie kan dus op verschillende wijze en in verschillende mate complex zijn. Het dubbelzijdig functioneren van | is | in | Hij is gekomen. | komt in de traditionele grammatica tot uitdrukking doordat men het op twee manieren benoemt, namelijk als persoonsvorm en als hulpwerkwoord, terwijl het functiemoment ‘tijd’ in de termen ‘tegenwoordige’ of ‘verleden tijd’ wordt vastgelegd. Ook zonder de functie hulpwerkwoord te analyseren (wat een analyse van de functie ‘hoofdwerkwoord’ (| gekomen |) zou onderstellen), kunnen wij zeggen dat een semanteem dat van een ‘zaak’ een in een ‘tijd’ durend kenmerk ‘noemt’ de persoonsvormfunctie vervult.

[p. 119]

III. 6. ‘Zaakenfeit’. Ruimte en tijd in de grammatische functies.

Dat in | Ik zag een klein paard, Jan! | het ‘zaak’-kenmerk (nl. van de ‘ik’) ‘genoemd’ door | zag | in een ‘tijd’ durend is, onderscheidt deze genoemdheid van het ‘zaak’-kenmerk (nl. van het paard) ‘genoemd’ door | klein |. Het ‘klein’-kenmerk wordt, zoals bleek (blz. 49 vlgg.), te kennen gegeven als toegevoegd aan te kennen gegeven ‘soortelijke’ kenmerken, iets wat onmogelijk van het ‘zie’-kenmerk beweerd kan worden. Het ‘klein’-kenmerk op zichzelf beschouwd, wordt onder een ‘soortelijk’ aspect ‘genoemd’, en ten opzichte van de ‘zaak’ (het kleine paard) beschouwd, is het eveneens ‘soortelijk’. Het ‘zie’-kenmerk op zichzelf beschouwd, wordt o.a. ook onder een ‘soortelijk’ aspect ‘genoemd’, maar ten opzichte van de ‘zaak’ (de ziende ‘ik’) beschouwd, is het niet ‘soortelijk’; het ‘zien’ vertegenwoordigt geen ‘soortelijk’ aspect van de taalgebruiker die zegt ‘Ik zie (of: “zag”) een klein paard, Jan!’. Hiermee geven wij slechts een negatieve formulering van datgene waarin het ene kenmerk van het andere afwijkt. Wij stellen immers tegenover het ‘soortelijke’ van het ‘klein’-kenmerk het ‘niet-soortelijke’ van het ‘zie’-kenmerk. Eerder gaven wij echter een positieve beschrijving van het ‘zie’-kenmerk, namelijk dat het in een bepaaldetijdduurt; en het is nu juist dit in een bepaalde ‘tijd’ duren, het ‘element van tijd’, dat maakt dat wij het ‘zie’-kenmerk niet als ‘soortelijk’ ervaren. Dit durende kenmerk namelijk doet de ‘zaak’ niet: binnen een bepaalde nader gespecificeerde ‘soort’ vallen, maar: zich in een bepaalde ‘tijd’ bevinden; de ‘ik’-‘zaak’ wordt door de genoemdheid van | zag | gesitueerd. Vergelijken wij | ik zag | met | een klein paard |, dan constateren wij het volgende.

a. | een klein paard |

Wij stellen ons één bepaalde ‘zaak’ (een paard) voor. Passen wij op die ‘zaak’ ‘een paard’ toe, en vervolgens, ter vergelijkking ‘een klein paard’, dan stellen wij vast, dat wij die ‘zaak’ in ‘een klein paard’ anders, en wel: nader bepaald, ‘denken’ dan in ‘een paard’. Het nader-bepaald-zijn bestaat hierin: wij ‘denken’ de ‘zaak’ in ‘een klein paard’ binnen een ‘soort’ die door ‘klein’ nader bepaald is dan de ‘soort’ ‘paard’, namelijk daar weer binnen.

b. | ik zag |

Wij stellen ons één bepaalde ‘zaak’ voor (b.v. ieder onszelf). Passen wij op die ‘zaak’ ‘ik’ toe, en vervolgens, ter vergelijking ‘ik zag’,

[p. 120]

dan stellen wij vast, dat wij die ‘zaak’ in ‘ik zag’ anders, en wel: nader bepaald, ‘denken’ dan in ‘ik’. Het nader-bepaald-zijn bestaat hierin: wij ‘denken’ de ‘zaak’ in ‘ik zag’ als zich bevindend in een tijdsduur, welke tijds-notie in ‘ik’ ontbreekt.

Doordat het ‘klein’-kenmerk ‘soortelijk’ is, is de ‘zaak’ van | een klein paard | ‘soortelijkgebleven. Doordat het ‘zie’-kenmerk durend is, is de ‘zaak’ van | ik zag | durend geworden. D.w.z. in | ik zag | wordt de ‘zaak’ te kennen gegeven als zich bevindend in detijdwaarin het zien zich voltrekt. Algemener: de ‘zaak’ wordt te kennen gegeven als zich bevindend in eentijd’. Deze eigenschap van de genoemdheid van | ik zag | onderscheidt haar van de genoemdheid van | een klein paard |. Wij naderen tot de oppositie ‘soortelijk’ (| klein |) tegenover ‘durend’ (| zag |) en concluderen dat de oppositie tussen | ik zag | en | een klein paard | in ieder geval die is van ‘zich bevindend in een “tijd”’ en ‘niet zich bevindend in een “tijd”’. Ook hier echter is de oppositie slechts negatief, zij het naar de andere kant, geformuleerd. Bij een poging tot een positieve beschrijving komen wij op het eerste gezicht tot de tegenstelling statisch (| een klein paard |) tegenover dynamisch (| ik zag |); men zou kunnen zeggen dat het kleine paard wel ‘aanwezig’ is, maar niet ‘optreedt’ terwijl de - eveneens aanwezige - ‘ik’ wèl optreedt’. Ons ‘denken’ van de ‘ik’ wordt door | zag | uitgebreid op een wijze waarop ook ons ‘denken’ van het kleine paard uitgebreid zou kunnen worden: | Een klein paard zag mij. | b.v.M.a.w.: zonder een persoonsvorm is de ‘zaak’ wel ‘aanwezig’, maar niet aanwezig-in-een ‘tijd’. Waarin dan wel? Het antwoord op deze vraag brengt ons tot een essentiële functie-oppositie in onze taal, het luidt namelijk: in ruimte.

Het is duidelijk dat een teken zonder persoonsvorm essentieel anders is dan een teken met een persoonsvorm. Dit anders-zijn wordt niet veroorzaakt door het feit dat | de trein | voor uitbreiding vatbaar is, want dat is ieder teken. | De trein reed op de route Amsterdam-Arnhem. | geeft iets te kennen als nader bepaald dan | De trein reed. |; het ‘noemt’ evenwel (als nader bepaald) iets dat door | De trein reed. | reeds ‘genoemd’ is. | De trein reed. | ‘noemt’ echter niet (als nader bepaald) iets dat door | De trein. | reeds ‘genoemd’ is. Weliswaar hebben wij hiervóór de gang van zaken als zodanig beschreven (| ik | tegenover | ik zag |), maar het blijkt nu dat onze analyse daarmee niet volledig was. Voorzover wij de verschijnselen op dit ogenblik kunnen beschrijven,

[p. 121]

moeten wij zeggen dat de genoemdheid van | ik | een ‘zaak’ is en dat die ‘zaak’ nader bepaald wordt door de genoemdheid van | zag |. Wij zeiden ook dat de genoemdheid van | paard | een ‘zaak’ is en dat deze nader bepaald wordt door de genoemdheid van | klein |. Voorts kunnen wij zeggen dat de genoemdheid van | paard | een eenheid is van een bepaalde aard (namelijk een ‘zaak’) en dat de genoemdheid van | een klein paard | een eenheid is van soortgelijke aard, maar voorzover het deze aard betreft nader bepaald (dus ook een ‘zaak’). M.a.w. de eenheid, ‘genoemd’ door | paard | is een ‘zaak’; de eenheid, ‘genoemd’ door | een klein paard | is ook een ‘zaak’. En dit laatste, namelijk dat de ‘genoemde’ eenheid bij nadere bepaling zichzelf blijft, dat gebeurt nu juist niet bij de nadere bepaling die door de persoonvorm tot stand komt. | De trein reed. | bezit in zijn persoonsvorm een kenmerk dat taalbeschouwers tot uitspraken brengt inhoudende dat ‘het werkwoord het levenwekkende element’ of ‘de ruggegraat van onze taal’ is. Dit evidente verschijnsel dwingt ons niet alleen tot nadere analyse, maar doet ons reeds nu dat markante verschil tussen de genoemdheden van | de trein |, | ik | en | een klein paard | enerzijds en | De trein reed. | en | ik zag | anderzijds, in de terminologie accentueren. Dat wil zeggen: als wij de genoemdheden van | de trein |, | ik | en | een klein paard | een ‘zaak’ noemen, dan gaat het niet aan om die van | De trein reed. | en | ik zag | óók een ‘zaak’ te noemen. Wij zullen in de laatste gevallen dan ook spreken van een feit. Het onderscheid tussen ‘zaak’ en ‘feit’ noodzaakt ons, onze vroegere verantwoording van wat wij onder ‘zaak’ verstaan te herzien. Bij die verantwoording immers was de oppositie tot ‘feit’ nog niet ter sprake. De oppositie die wij in ‘zaak’ tot niet-‘zaak’ stelden, was die van ‘eenheid, niet: uitsluitend aan één of meer andere eenheden ervaren’ tegenover ‘eenheid, uitsluitend aan één of meer andere eenheden ervaren’ (blz. 52). Deze onderscheiding was van kracht voor die genoemdheden die wij toen tegenover die van | paard | bestudeerden, maar geldt niet voor het verschil tussen ‘zaak’ en ‘feit’. | De trein reed. | immers ‘noemt’ een eenheid die evenzeer als onafhankelijk van enige andere eenheid ervaren te kennen wordt gegeven.

Wij wenden ons dus opnieuw tot de analyse van een ‘zaak’ en een ‘feit’, om tot een nader inzicht in deze twee verschijnselen te komen. Wij stellen de ‘zaak’ ‘genoemd’ door | de trein | tegenover het ‘feit’ ‘genoemd’ door | De trein reed. |. In beide gevallen is sprake van een

[p. 122]

‘zaak’. In | de trein | is de ‘zaak’ de enige eenheid, in | De trein reed. | is zij onderdeel van een ‘feit’. Gegegeven het ervaringsfeit dat de taalbeschouwers elkaar en zichzelf in staat achten, elke persoonsvorm als zodanig te kunnen onderscheiden, gegeven voorts, dat wij de genoemdheid van elk taalteken waarbinnen zich een persoonsvorm voordoet een ‘feit’ zullen noemen, stellen wij in het algemeen, dat ieder ‘feit’ een ‘zaak’ als impliciet of expliciet aanwezig vooronderstelt. Expliciet is een ‘zaak’ in de volgende ‘feiten’ aanwezig: | De man schrok. |, | Wij zijn niet thuis. |, | Lach jij? |. Impliciet is een ‘zaak’ in de volgende ‘feiten’ aanwezig: | Er werd gelachen. |, | Kom eens hier! |, | Is er gebeld? |. De laatste drie tekens dwingen de taalbeschouwer tot het ‘denken’ van een ‘zaak’ of ‘zaken’ waaraan het ‘lachen’, het ‘hier komen’ resp. het ‘bellen’ valt waar te nemen; dit dus ondanks het feit dat er binnen die tekens geen enkel teken is aan te wijzen dat een ‘zaak’-alszodanig ‘noemt’.

Met opzet kozen wij in beide groepen tekens één dat wij als een vraag herkennen. De term ‘feit’ immers is nog niets anders dan een ‘terminus technicus’, die niet altijd behoeft te stroken met het gewone gebruik: binnen dit laatste zou men misschien willen tegenwerpen dat een vraag (of een bevel, zoals de genoemdheid van | Kom eens hier! |) geen ‘feit’ is! Voor ons echter is een ‘feit’ uitsluitend de genoemdheid van een teken dat een persoonsvorm bevat. (Wij zouden dan ook liever zeggen i.p.v. ‘vraag’: ‘“feit” waarvan iets gevraagd wordt’ en i.p.v. ‘bevel’: ‘“feit” dat bevolen wordt’).

Eén verschil tussen ‘zaak’ en ‘feit’ is intussen duidelijk geworden: een ‘feit’ onderstelt een ‘zaak’ en niet omgekeerd. In een ‘feit’ wordt dus een ‘zaak’ als aanwezig ‘gedacht’ (al of niet expliciet ‘genoemd’), maar dat betekent dat eveneens in een ‘zaak’ de ‘zaak’ als aanwezig (expliciet ‘genoemd’) ‘gedacht’ wordt. Nemen wij derhalve als taalbeheerser kennis van | de trein |, dan is in ons ‘denken’ een trein aanwezig; nemen wij kennis van | De trein reed. | dan is óók een trein aanwezig. Wat beweegt ons om te zeggen ‘aanwezig’? In | De trein reed. | is de trein bovendien nog op andere wijze aanwezig dan in | de trein |. Die andere wijze bestaat hierin, dat de trein in | De trein reed. | behalve aanwezig, gesitueerd is. D.w.z. in | De trein reed. | ‘denken’ wij ons de trein als iets, zich ergens, waar dan ook, eens, wanneer dan ook bevindend; ‘ergens, waar dan ook’ betekent: in één ruimte (welke dan ook), ‘eens,

[p. 123]

wanneer dan ook’ betekent: in één tijd (welke dan ook). Daartegenover ‘denken’ wij ons in | de trein | de trein als op een bepaalde manier ruimtelijk begrensd, d.w.z. in enigerlei ruimte te situeren, in enigerlei ruimte zich kunnende voordoen. Deze trein echter wordt niet ‘gedacht’ als in feite binnen een bepaalde ruimte zich bevindend. De trein in concreto (ook die welke wij ons voorstellen) zal zich uiteraard wel ergens bevinden (het ‘ergens’ al of niet in onze voorstelling geschapen), maar niet krachtens het gebruik van | de trein |, het maakt geen deel uit van de wijze waarop wij hem ons inde trein’ ‘denken’, het maakt die trein niet optimaal voor het teken | de trein |. Evenmin als de grijze kleur van de trein die een individuele taalbeschouwer zich voorstelt, behoren de tijd en de ruimte waarin die in de voorstelling geschapen trein zich bevindt tot de optimaalmakende kenmerken van datgene waarop ‘de trein’ is toegepast. Het feit dat de trein grijs is, noch het feit dat hij zich in een tijd en een ruimte bevindt is optimaal voor de genoemdheid van | de trein |. Voor de genoemdheid van | De trein reed. | daarentegen is het feit dat de trein zich in een tijd en een ruimte bevindt typerend, het is optimaalmakend.

Het verschil derhalve tussen | de trein | en | De trein reed. | is, dat de genoemdheid van | de trein | weliswaar in zijn ruimtelijk te ervaren kenmerken wordt ‘gedacht’, maar meer ook niet, terwijl de genoemdheid van | De trein reed. | bovendien wordt ‘gedacht’ als zich op enig ogenblik in enige ruimte bevindend. In | De trein reed. | ‘denken’ wij ons de ruimte waarin de trein zich bevindt in eenheid met tijd. In | de trein | ‘denken’ wij ons de ruimtelijk te ervaren kenmerken los van tijd. Sommige grammatische functies doen ons het ruimtelijke-als-zodanig ‘denken’, andere in eenheid met tijd. Wij kunnen ons in onze grammatische functies echter het tijds-aspect uitluitend ‘denken’ in eenheid met ruimte. Vandaar dat een ‘feit’ (een tijds-gegeven) zoals | Kom hier! | een ‘zaak’ (een ruimtelijk gegeven) onderstelt en een ‘zaak’ | de trein | niet een ‘feit’. Vandaar ook dat het tijdelijke in zijn specifiek tijdelijk-zijn ongedaan gemaakt kan worden (niet ‘gedacht’ wordt) bij een ‘zaak’-‘noem’-functie: | het heden |, | het verleden |, terwijl het ruimtelijke in zijn specifiek ruimtelijk-zijn bij een ‘feit’-‘noem’-functie noodzakelijkerwijs wordt ‘gedacht’: | Er wordt gelachen. |, | Kom hier! |. De ‘zaak’ kàn niet ontbreken. Kortom: in onze grammatische functies impliceert het ruimtelijke niet het tijdelijke, maar het tij-

[p. 124]

delijke impliceert wel het ruimtelijke. Als men dit grammaticale verschil tussen het specifiek-ruimtelijke en het specifiek-tijdelijke verwaarloost ontstaat er verwarring: dàn is er namelijk geen verschil tussen ‘tijd’ en ‘ruimte’1. Wie echter | de trein | expliciet in oppositie stelt tot | De trein reed. | komt tot de conclusie dat het verschil het meest adequaat tot uitdrukking komt met behulp van de termen ‘ruimte’ (= geen tijd onderstellend) en ‘tijd’ (= ruimte onderstellend). Eén en ander wordt extra gecompliceerd door de mogelijkheid, een ruimtelijk begrip in een tijdelijke (werkwoordelijke) grammatische functie te ‘noemen’ (| ‘Ik heb ge-autoped en gekinderwagend!’ zei het kind. |) en een tijdelijk begrip in een ruimtelijke (nominale) grammatische functie (| het heden |, | het zijn |. Ook hier blijkt de noodzaak, het niet-linguale (begrippen) van het linguale (grammatische functies) te onderscheiden. Het heeft geen zin de termen ‘ruimte’ en ‘tijd’ als zodanig te verwerpen (b.v. als ‘geforceerd uitgebreid’) zonder de analyse in de critiek te betrekken. De analyse geeft ons tot genoemde termen aanleiding, juist omdat er zo'n gecompliceerde samenhang tussen ‘tijd’ en ‘ruimte’ bestaat.

III. 7. ‘Tijdals grammaticale term. De oppositie praesens/praeteritum.

Opmerkelijk is dat ‘tijd’ een grammaticale term is en ‘ruimte’ niet.

[p. 125]

De term ‘ruimte’ bezigden wij met vooralsnog geen andere bedoelingen dan die welke aan dat woord in ons dagelijks taalgebruik worden toegeschreven. Uit verschillende van onze formuleringen blijkt echter dat wij met onze term ‘tijd’ een speciaal verschijnsel op het oog hebben, dat buiten de linguïstiek niet zonder meer met die term wordt aangeduid. Voor ieder mens zijn de begrippen ‘ruimte’ en ‘tijd’ in elk geval onderscheiden van elkaar. In het voorafgaande evenwel is sprake van ‘ruimte’ inderdaad als onderscheiden van, namelijk los van ‘tijd’, en daartegenover ‘tijd’, voorzover gebonden aan ‘ruimte’. Wij bedoelen met ‘tijd’ niet tijd-zonder-meer, en zijn derhalve niet in overeenstemming met het gewone gebruik van die term. Wij zullen daarom ons gebruik van ‘tijd’ aan het niet-linguïstische, gangbare gebruik èn aan het traditioneelgrammaticale gebruik toetsen.

Normaliter duidt men met de term ‘tijd’ iets aan dat lineair is voor te stellen. Wij ervaren tijd als iets dat zich in één lijn voltrekt. Die lijn kan worden onderverdeeld in verleden, heden en toekomst. Wie zich in het fenomeen tijd verdiept weet hoe problematisch de scheiding tussen die drie tijdsonderdelen is, en hoe problematisch dus die onderdelen en het fenomeen zelf zijn. Dat neemt echter niet weg dat er gevallen zijn waarin die onderverdeling zich als geheel vanzelfsprekend voordoet. Als iemand het plan heeft om een brief te gaan schrijven, is het evident dat dat schrijven voor hem in de toekomst plaats vindt; is hij met die brief bezig dan gebeurt dat schrijven voor hem in het heden; en heeft hij de brief verzonden, dan twijfelt geen mens eraan dat het schrijven in het verleden is geschied. Grenst men op de tijdslijn één van die drie tijd-delen door twee punten af, dan liggen van de overige twee delen bepaalde plaatseigenschappen vast; het heden immers kan zich niet anders dan tussen verleden en toekomst bevinden. In zoverre zijn zij dus ten opzichte van elkaar volstrekt bepaald. Als wij iets vanuit een bepaald standpunt ‘verleden’ noemen, dan kan het niet vanuit datzelfde standpunt tegelijkertijd ‘heden’ of ‘toekomst’ zijn, en vice versa.

Zo is het duidelijk dat, vanuit het standpunt van de reële ervaring van dit ogenblik, de twaalfde verjaardag van een dertigjarige in het verleden plaats vond. Natuurlijk kan hij zich die verjaardag uitstekend als een heden voorstellen, maar zodra hij dat doet verlaat hij het hiervóór ingenomen standpunt.

Het grammaticale begrip ‘tijd’ sluit in zoverre bij het hierboven ge-

[p. 126]

noemde aan, dat er onder meer sprake is van dezelfde driedeling: de traditionele Nederlandse grammatica kent een verleden -, een tegenwoordige - en een toekomende tijd. Binnen de ‘tijden van het werkwoord’ vallen evenwel nog vele differentiaties die buiten de grammatica geen rol spelen. Men vindt daar b.v. de enigszins paradoxale ‘onvoltooid verleden toekomende tijd’. Zolang wij ons nog alleen met functies van semantemen en nog niet met die van combinaties bezighouden, kunnen wij zulke ‘samengestelde’ tijden terzijde laten, omdat het daarbij altijd om de functie van een combinatie gaat. Waar wij in onze analyse mee te maken hebben is een persoonsvorm. De genoemdheid van de persoonsvorm is, zeiden wij, een binnen een bepaalde ‘tijd’ durend kenmerk van een ‘zaak’. Dat wij met ‘tijd’ niet zonder meer het nietgrammaticale, lineair voor te stellen begrip aanduidden, bleek hiervóór (blz. 117). Wij zullen dus nu nagaan op welke wijze de grammaticale term ‘tijd’ op de persoonsvorm wordt toegepast, en in hoeverre die toepassing onze analyse kan steunen.

De persoonsvorm waar wij van uit gaan, | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! | staat volgens de traditionele grammatica in de ‘verleden tijd’. Elke persoonsvorm staat in een bepaalde ‘tijds’-oppositie tot een andere persoonsvorm; zo staat | zag | in oppositie tot | zie |. Bij de persoonsvormen zijn slechts twee ‘tijden’ ter sprake, de ‘tegenwoordige’ en de ‘verleden’. De zgn. ‘toekomende tijd’ treft men uitsluitend aan in de samengestelde werkwoordsvormen, maar ook daar geldt voor de persoonsvormen de oppositie ‘tegenwoordig’/‘verleden’: | Ik zal komen. | tegenover | Ik zou komen. |. Dat | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! | ‘in de verleden tijd staat’ moeten wij in onze termen als volgt interpreteren: het door | zag | ‘genoemde’ durende kenmerk van de ‘ik’ wordt te kennen gegeven als zich voltrekkend in het verleden. Het ‘in onze termen interpreteren’ betekent in dit geval twee dingen: 1e waar mogelijk gebruiken wij de nieuw ingevoerde termen; 2e voor het overige drukken wij ons zo nauwkeurig mogelijk uit in niet-linguïstische termen. De niet-linguïstische termen waarvan wij ons hier bedienden zijn: ‘zich voltrekkend in het verleden’. Hiervóór bleek (blz. 117), dat de grammaticale term ‘verleden tijd’ niet eenvoudigweg geïnterpreteerd kan worden als wat men in het dagelijks leven ‘verleden’ noemt. Wij zullen dus onderzoeken welke implicaties het grammaticale ‘verleden’ ten opzichte van het dagelijkse ‘verleden’ bezit.

[p. 127]

Zoals wij zeiden wordt het door | zag | ‘genoemde’ durende kenmerk te kennen gegeven als zich voltrekkend in het verleden. Nu kunnen wij alleen van een ‘verleden’ spreken vanuit een standpunt waarin op zijn minst het heden vastligt. Wij moeten dus in de eerste plaats nader preciseren ten opzichte van welk heden het durende ‘zie’-kenmerk verleden is. Wij interpreteren het verleden waarvan in de grammaticale traditie sprake is, als een verleden voorafgaand aan het heden van iemand die t.o.v. de semanteemcombinatie waarin de betreffende persoonsvorm functioneert, directe actieve taalgebruiker is. De passieve taalgebruiker stelt zich, bij het kennisnemen van een persoonsvorm, wat het ‘heden’ betreft op het standpunt van deze actieve taalgebruiker; dit blijkt b.v. als men een brief leest die enige dagen oud is en waarin een praesens is gebruikt, b.v. | Het is mooi weer. |. Het heden dat dan te kennen gegeven wordt is het reële heden van de briefschrijver; t.o.v. het reële heden van de lezer is dàt heden reeds verleden. (Wat voor de briefschrijver verleden is, is uiteraard ook verleden voor de lezer.) Er is dus voor ‘de’ passieve taalgebruiker sprake van een als zodanig ‘gedacht’ heden van een actieve taalgebruiker. Omdat hier het ‘gedachte’ tijdsstandpunt van de passieve, en het te kennen gegeven reële tijdsstandpunt van de actieve taalgebruiker samenvallen, spreken wij van het (tijds-) standpunt van de taalgebruiker. Met ‘heden’ en ‘verleden’, welke begrippen van nu af steeds volgens het reële tijdsstandpunt van de taalgebruiker tegen elkaar zijn afgegrensd, pogen wij de genoemdheden te benaderen die aan elkaar geopponeerd zijn bij gebruik van | zie | resp. | zag |. Algemener: de oppositie tussen ‘praesens’ en ‘praeteritum’ bestaat in het te kennen geven van iets in het heden resp. in het verleden. (Wij kozen hier de vaktermen praesens en praeteritum juist om verwarring met niet-linguale termen te voorkomen.) Het teken | Daar zie ik plotseling een klein paard voor mijn raam. |, toegepast op een gebeurtenis die in het verleden plaats vond, levert slechts moeilijkheden voor wie niet het teken van datgene waarop men de teken-betekenis toepast onderscheidt: | zie | -als-zodanig geeft geen verleden te kennen, maar datgene waarop ‘zie’ is toegepast bevindt zich in het verleden; dit verleden wordt dan als een heden te kennen gegeven (een zgn. ‘praesens historicum’; met het praesens als zodanig is overigens niets bijzonders aan de hand; opvallend is slechts de toepassing van de praesens-persoonsvorm). Parallel hiermee is het geval van de fiets waarop men ‘paard’ toepast: dat is (niet-linguaal

[p. 128]

gezien) een fiets, maar ‘op de wijze van de taal’ d.i. hier: voorzover te kennen gegeven door | paard | is het een paard. Niet-linguaal gezien is het verleden waarop ‘zie’ is toegepast een verleden - ‘op de wijze van de taal’, d.i. hier: voorzover te kennen gegeven door | zie | is het een heden. Tot hiertoe kan men de oppositie | zie | / | zag | wel in ‘heden’ - ‘verleden’ vatten. Moeilijker wordt het als wij ons verdiepen in | Gisteren zie ik plotseling een klein paard. |. Binnen één semanteemcombinatie is sprake van een verleden (| gisteren |) en een heden (| zie |). Geeft dit teken een tegenstrijdigheid te kennen? of schiet onze terminologie en dus onze analyse hier tekort? Dit laatste lijkt het geval bij: | Ik deed het vast als ik de kans kreeg. |. Hier immers wordt evident niet een verleden te kennen gegeven. Niettemin staat ook dit teken in oppositie tot | Ik doe het vast als ik de kans krijg. |, een oppositie die niet bevredigend beschreven wordt met behulp van de termen ‘heden’ en ‘verleden’. Dat deze termen niet de oppositie praesens/praeteritum dekken treedt duidelijker aan het licht bij kritische beschouwing van een eigenaardige grammaticale vakterm: ‘onvoltooid verleden tijd’. Als vakterm levert deze voor de taalbeschouwer geen probleem, de ‘onvoltooid verleden tijd’ wordt zonder aarzelen onderkend. Hoe echter moeten wij de strekking van die term verstaan? In de gangbare Nederlandse grammatica is | zag | een ‘onvoltooid verleden tijd’, en men is aan die term zo gewend geraakt als grammaticaal onderscheidingsmiddel, dat men vergeet dat hij - niet-grammaticaal bezien - een onmogelijkheid vertegenwoordigt, een ‘contradictio in terminis’ is. (Onder de grammaticale termen ‘onvoltooid’ en ‘voltooid’ moet uiteraard verstaan worden: ‘aan de gang zijnde’ resp. ‘niet meer aan de gang zijnde’; het al of niet volledig tot een als zodanig bedoeld einde gebracht-zijn (de ‘onvoltooide’ symfonie) blijft buiten beschouwing.) Immers: iets dat verleden is, is voltooid, en wat onvoltooid is is nog niet verleden. Indien wij dus zeggen dat het ‘zien’ in (Ik zag een klein paard, Jan! | verleden is ten opzichte van ons heden, dan impliceert dat dat het ook voltooid is ten opzichte van ons heden. Indien wij het nochtans onvoltooid noemen, is het dat in elk geval niet ten opzichte van ons heden. Ten opzichte waarvan dan wel? Van het verleden?

Wij verdiepen ons nogmaals in de genoemdheid van | zag | in | Ik zag een klein paard, Jan! |. Wij constateren opnieuw dat er sprake is van een durend kenmerk. Wij constateren nu evenwel voor het eerst,

[p. 129]

dat de duur van dat kenmerk verleden is. Onze formulering: dat het ‘zie’-kenmerk zich in (een bepaalde periode van) het verleden voltrekt, moeten wij herzien. Want die formulering suggereert dat er een verleden periode is, en dat daarbinnen een kleinere periode is, gedurende welke het ‘zie’-kenmerk als aan-de-gang-zijnde te kennen gegeven wordt. Als wij het verleden voorstellen door een lijn die door een bepaald punt van het heden is afgegrensd, dan moet vóór dat punt het punt liggen dat de ‘zie’-periode afgrenst.



illustratie

Wij zien nu echter dat ook de oplossing: ‘het “zien” is ten opzichte van het verleden onvoltooid’ geen oplossing is. Immers als het ‘zien’ binnen het verleden begrensd is, houdt het binnen het verleden op; m.a.w. ook ten opzichte van het verleden moet het ‘zie’-kenmerk voltooid zijn. Theoretisch is het onmogelijk dat iets dat zich afspeelt in een voorbije periode, daarbinnen iets onbegrensds (iets on-voltooids) zou zijn; het kenmerkende van het on-begrensde is nu eenmaal dat het zich niet binnen enige grens bevindt. Linguaal is het natuurlijk wèl mogelijk om iets onmogelijks, een paradox, te ‘denken’; de vraag is dus: ‘denken’ wij in | Ik zag een klein paard, Jan! | iets paradoxaals, iets niet-bestaands, te weten een on-begrensde periode als zich bevindend binnen een begrensde periode? ‘Denken’ wij daar werkelijk het ‘zie’-kenmerk als binnen het (voltooide) verleden onvoltooid? Neen. Geen taalbeschouwer zal verklaren dat | Ik zag een klein paard, Jan! | ook maar zweemt naar het paradoxale, zoals b.v. | droog water |. Het is dan ook niet zo dat men volgens de traditionele grammatica zegt: ‘het “zien” speelt zich af binnen het verleden’, maar: ‘het “zien” is verleden’; de ‘verleden tijd’ valt samen met de ‘zie’-tijd en het ‘zien’ is onvoltooid, derhalve het verleden is onvoltooid. Hier zijn wij weer op het punt van uitgang terug, namelijk dat een ‘onvoltooid verleden’ in de zin van ‘een nog aan de gang zijnd verleden’ vanuit het standpunt van het heden van de taalbeheerser (evenals het bovenstaande) een paradox is. En ook nu vragen wij: ‘denkt’ de taalbeheerser in | Ik zag een klein paard, Jan! | deze paradox? En ook hier luidt het antwoord:

[p. 130]

neen. De taalbeheerser ‘denkt’ iets geheel normaals, althans iets dat niet in zichzelf strijdig is. Wij kunnen derhalve, als wij onder ‘onvoltooid’ verstaan: ‘aan de gang zijnde’, de term ‘verleden’ niet interpreteren als een lineair voor te stellen periode voorafgaande aan het heden. Het enige dat overblijft voor verbetering van ons inzicht in de functie van | zag | is: te trachten een andere interpretatie te geven aan de term ‘verleden’. Wij vragen ons dus af: is er in | Ik zag een klein paard, Jan! | werkelijk sprake van een lineair voor te stellen, aan het heden voorafgaand verleden? Is de oppositie die zich binnen de persoonsvorm voordoet er een van zulk een ‘heden’ (| zie |) en ‘verleden’ (| zag |)? Voor het antwoord vinden wij steun bij onze analyse van ‘tijd’ en ‘ruimte’ voorzover deze in de grammatische functies ‘genoemd’ worden (blz. 116 t/m 124). Het is duidelijk dat elke persoonsvorm in een bepaalde oppositie staat tot een andere persoonsvorm, een oppositie die in de grammatica's bekend is als een verschil in ‘tijd’. Bij elke persoonsvorm is sprake van een bepaalde ‘tijd’. Preciezer: van elke persoonsvorm wordt de genoemdheid te kennen gegeven als zich voltrekkend in een bepaalde ‘tijd’, hetzij de ‘praesens-’, hetzij de ‘praeteritumtijd’. Hiervóór zeiden wij (blz. 123) dat de grammaticale term ‘tijd’ het fenomeen tijd betreft weliswaar als iets anders dan wat wij ervaren als ‘ruimte’, maar ‘gedacht’ in eenheid met ruimte. De oppositie nu, die er bestaat tussen ‘praesens’ en ‘praeteritum’ is de volgende: er is sprake van twee verschillende eenheden-van-tijd-en-ruimte, van twee verschillende tijd-ruimtelijke eenheden.

De taalbeheersers ervaren zichzelf als zich bevindend in wat zij noemen ‘de werkelijkheid’. De werkelijkheid is geconstitueerd door ruimte en tijd. Alles wat wij ervaren als geschiedend binnen de werkelijkheid geschiedt binnen ruimte en tijd. Wij kunnen de werkelijkheid schematisch voorstellen als een vlak waarvan de ene dimensie bestaat in ruimte en de andere in tijd. Ruimte en tijd zijn als zodanig onbegrensd, en in de werkelijkheid waarin wij ons bevinden tracht men die onbegrensdheid tot uitdrukking te brengen met behulp van de termen heelal en eeuwigheid, die resp. de onbegrensde ruimte en tijd representeren. De werkelijkheid is in zoverre te begrenzen, dat wij haar kunnen ondergaan binnen heelal en eeuwigheid. Vanuit een ander standpunt bekeken kunnen wij de werkelijkheid ‘een’ werkelijkheid noemen. Wij kennen immers momenten of periodes waarin wij onszelf ervaren als niet ons

[p. 131]

in de werkelijkheid bevindend, of althans niet uitsluitend. Op zulke momenten zijn wij ‘ergens anders’ d.w.z. in een andere dan ‘de’ werkelijkheid, één die geconstitueerd is door een andere ruimte-en-tijd. Zo kunnen wij ons allerlei verschillende werkelijkheden indenken, die ieder een unieke tijd-ruimtelijke eenheid zijn. De term ‘werkelijkheid’ reserveren wij voor een als zodanig door ons ervaren tijd-ruimtelijke eenheid, hetzij in de waarneming, hetzij in de voorstelling. Bij het gebruik van de term zien wij dus af van het al of niet ‘echt-zijn’ van die tijd-ruimtelijke eenheid, zien wij af van de verschillen tussen waargenomen en voorgestelde werkelijkheid.

De oppositie tussen de genoemdheid van de praesens- en die van de praeteritum-persoonsvorm is een ‘werkelijkheids’-oppositie. Het ‘zie’-kenmerk wordt in | Ik zie een klein paard, Jan! | ‘gedacht’ als durend binnen een ‘werkelijkheid’ die identiek is met de ‘werkelijkheid’ waarin de taalgebruiker zich bevindt op het ogenblik waarop hij van | Ik zie een klein paard, Jan! | kennisneemt. Het ‘zie’-kenmerk wordt in | Ik zag een klein paard, Jan! | ‘gedacht’ als durend binnen een andere ‘werkelijkheid’ dan die waarin de taalgebruiker zich bevindt. De ‘werkelijkheid-waarin-de-taalgebruiker-zich-bevindt’ moet niet verward worden met de reële, de èchte werkelijkheid-in-de-gewone-zin, waarin wij ons dagelijks bevinden. Als in een sprookje alle persoonsvormen in het praesens staan, wil dat niet zeggen dat de sprookjesgebeurtenissen te kennen gegeven worden als zich voltrekkend binnen het heden van onze dagelijkse realiteit, maar, omgekeerd, dat zij te kennen gegeven worden als zich voltrekkend binnen eenwerkelijkheidwaaraan de taalgebruiker deel heeft. Is het sprookje in het praeteritum gesteld (zoals gewoonlijk!) dan worden de gebeurtenissen te kennen gegeven als zich voltrekkend binnen eenwerkelijkheidwaaraan de taalgebruiker geen deel heeft. De oppositie tussen praesens en praeteritum is er dan ook niet één van ‘werkelijk’ tegenover ‘niet-werkelijk’, in vaktermen: ‘realis’ tegenover ‘irrealis’, maar van ‘werkelijkheid A’ tegenover ‘werkelijkheid non-A’, ‘realis’ tegenover ‘hetero-realis’ (om een nieuwe vakterm in te voeren). ‘Realis’ wil in dit geval, wij herhalen het, niet zeggen ‘reëel’, of ‘echt-gebeurend’, maar: in een tijd-ruimtelijke eenheid zich voltrekkend waaraan de taalgebruiker deel heeft; ‘hetero-realis’: in een àndere tijde-ruimtelijke eenheid zich voltrekkend dan één waaraan de taalgebruiker deel heeft.

[p. 132]

Het is nu ook duidelijk waarom de termen ‘heden’- en ‘verleden’-zonder-meer tekortschieten. Er is namelijk geen sprake van een lineair voor te stellen oppositie, maar van een oppositie die men moet voorstellen als twee evenwijdige vlakken, b.v. vlak A en vlak B, ieder geconstitueerd door een tijdsdimensie en een ruimtedimensie, tA en rA resp. tB en rB.



illustratie

Een persoonsvorm ‘noemt’ dus, schematisch gesproken, één vlak, in oppositie tot een daarmee evenwijdig vlak, en wel zó, als bevindt zich de passieve taalgebruiker (volgens dit schema tot een tweedimensionale grootheid gereduceerd) binnen één van beide vlakken.

Het gebruik van de voor deze oppositie tekortschietende termen ‘heden’ en ‘verleden’ vindt zijn oorsprong in het niet-onderscheiden tussen de door ons ‘genoemde’ niet-linguale gegevenheden als zodanig, en het (linguale) aspect waarònder zij ‘genoemd’ worden. Stel dat iemand gisteren een klein paard heeft gezien, dan is dat vandaag een gebeurtenis in het verleden. Deze gebeurtenis, deze niet-linguale gegevenheid, kan men ‘noemen’ door middel van | Ik zag een klein paard. |. Het niet-linguale gegeven waarvan sprake is, is inderdaad een verleden; dit verleden echter wordt niet zonder meer als ‘verleden’ (ééndimensionaal, lineair) te kennen gegeven, niet als zich bevindend op een lijn waarop de taalgebruiker (nu ééndimensionaal voorgesteld) zich óók bevindt, zij het op een ander punt; maar: als moment van een tweedimensionale eenheid waarbinnen de taalgebruiker zich níet bevindt. De taalgebruiker is krachtens | zag | in | Ik zag een klein paard. | onherroepelijk van de ‘zie’-‘werkelijkheid’ afgesloten, er is, op dit ‘werkelijkheids’-niveau, een onoverbrugbare distantie, vandaar dat wij zeggen: twee evenwijdige vlakken. Er zijn geen aanrakingspunten, zij snijden elkaar in het oneindige. In hoeverre er nu in ons taalgebruik nog sprake is van een driedimensionaal gegeven waarbinnen zich weer die evenwijdige vlakken bevinden, is een fascinerende vraag, die echter binnen de oppositie praesens/praeteritum niet beantwoord hoeft te worden. Een andere kwestie, die hier evenmin aan de orde is, maar die ter ver-

[p. 133]

heldering van het bovenstaande kan dienen, is deze: dat er zich in ‘het Nederlands’ wel degelijk een lineaire tijds-oppositie voordoet, namelijk die welke in de traditionele grammatica wordt aangeduid met de termen ‘onvoltooid’/‘voltooid’: | ik zie | staat niet alleen in oppositie tot | ik zag |, maar ook tot | ik heb gezien |: het ‘zie’-kenmerk van | ik zie | en dat van | ik heb gezien | liggen op éénzelfde tijdslijn, van elkaar gescheiden door een punt dat heden van verleden scheidt; zij liggen in hetzelfde ‘werkelijkheids’-vlak. Evenzo bestaat er de lineaire tijds-oppositie tussen | ik zag | en | ik had gezien |. Ook in de ‘voltooide tijden’ is sprake van een durend kenmerk binnen een ‘werkelijkheid’: datgene wat duurt namelijk is zowel in | ik heb gezien | als in | ik had gezien | het hebben, beter: het gezien-hebben; | heb | resp. | had | ‘noemt’ een zeer specifiek soort van durend kenmerk, te weten het voltooidheidskenmerk (van het ‘zien’). Het ‘zien’ is weliswaar voltooid, maar dat voltooid-zijn van het ‘zien’ wordt op zijn beurt ‘genoemd’ als durend, dat is als niet-voltooid. Ofwel: het ‘zien’ is voltooid, het ‘gezienhebben’ is onvoltooid. Door de persoonsvorm-oppositie | heb | / | had | blijft ook in de ‘voltooide tijden’ de ‘werkelijkheids’-oppositie gehandhaafd. Gebruikt men dus in plaats van | Ik zag een klein paard. |: | Ik heb een klein paard gezien. |, doelend op een gebeurtenis welke in het reële verleden van de ‘ik’ plaatsvond, dan geeft men dat reële verleden te kennen als moment van een ‘werkelijkheid’ waaraan de taalgebruiker wèl deel heeft. Het is duidelijk dat het praesens optimaal van toepassing is op ons reële heden: het reële heden bezit alle eigenschappen die door een praesens te kennen gegeven worden. Het bezit evenwel ook eigenschappen (b.v. dat het ‘werkelijk realiteit’ is) die het praesens niet te kennen geeft: het ‘deel hebben aan’ door de taalgebruiker onderstelt geen werkelijke realiteit (vandaar de mogelijkheid van zgn. dagdromen). Dat men gewoonlijk praesens ten onrechte met ‘heden’ laat samenvallen vindt zijn oorsprong in het niet-onderscheiden tussen functie en genoemdheid. Wie praesens volledig laat samenvallen met ‘heden’ gedraagt zich parallel aan hem die ‘begerenswaard voor padvinders’ als betekenis-onderscheiding van | kompas | kwalificeert (vgl. blz. 97).

De ‘werkelijkheids’-oppositie heeft ook haar konsekwenties voor de zgn. ‘uitspraken van algemene aard’, zoals ‘De mens is sterfelijk.’. Van zo'n mededeling zegt men b.v. dat zij ‘onafhankelijk is van de tijd

[p. 134]

omdat zij als algemeen geldig wordt beschouwd’1. Het is uiteraard niet waar dat iets algemeen geldigs onafhankelijk van de tijd is, omdat ook het meest algemene zich in tijd voltrekt. Wel is in het niet-linguale gegeven van de menselijke sterfelijkheid binnen de tijdsduur van het algemeen geldige geen periode af te bakenen waarin het feit dat de mens sterfelijk is zich exclusief voordoet; dat is b.v. wel het geval met het feit dat Meneer X blond is, een gegeven dat wij kunnen ‘noemen’ door middel van het teken | Hij is blond. |. De twee feiten ‘genoemd’ door | De mens is sterfelijk. | en | Hij is blond. | zijn in een bepaald soort tijdelijk opzicht geheel verschillend, maar dat verandert niets aan de grammatische functie van | is |; die is binnen | De mens is sterfelijk. | en | Hij is blond. | identiek. Zowel het feit dat de mens sterfelijk is, als het feit dat Meneer X blond is, wordt te kennen gegeven als zich bevindend in een ‘werkelijkheid’ waaraan de taalgebruiker deel heeft, d.w.z. door middel van een praesens. Want daarover laat geen enkele grammatica twijfel bestaan, dat het beide praesens is. Wij moeten dus niet zoeken naar het verschil tussen de niet-linguale gegevenheden, maar naar het overeenkomstig aspect waaronder zij te kennen gegeven worden. In onze niet-linguale ervaring is de menselijke sterfelijkheid een algemene geldigheid, maar in taalgebruik kunnen wij ons zo'n algemene geldigheid ‘denken’ als zich voltrekkend binnen een ‘werkelijkheid’ waaraan de taalgebruiker geen deel heeft. Wij kunnen ons indenken in een gefantaseerde wereld, en daarbinnen een verhaal vertellen dat als volgt begint: ‘Er was eens een heel wonderlijk land, er stonden huizen in en de mens was er sterfelijk.’ Ook kunnen wij de sterfelijkheid van de mens die wij nu ‘van alle tijden’ vinden, ‘denken’ als een algemene geldigheid welke in een lineair verleden bestond. Wij hoeven ons slechts in te denken in een plotseling ontstane onsterfelijkheid van de mens (science fiction) en wij kunnen zeggen ‘De mens is sterfelijk geweest.’. De algemene geldigheid

[p. 135]

geven wij dan te kennen als zich voltrokken hebbend in een ‘werkelijkheid’ waaraan wij (als taalgebruiker) deelhebben.

Uit het bovenstaande blijkt eens te meer, hoezeer wij ons bij het beschrijven van grammatische functies bewust moeten zijn van datgene waartoe wij de functie in oppositie stellen. Wij verwaarloosden b.v. de oppositie van | De mens is sterfelijk. | tot | De mens zij sterfelijk.1 |. Het enige dat wij expliciet stelden is dat de persoonsvorm tenminste de praesens-praeteritum-oppositie vertoont: | De mens ware sterfelijk. | (nu even afgezien van de ongebruikelijkheid der ‘aanvoegende wijs’). Gezien | De mens zij sterfelijk. | kunnen wij dan niet meer zeggen dat het gaat om een kenmerk zich voltrekkend binnen een ‘realis’, omdat reeds bij oppervlakkige beschouwing blijkt dat het niet gaat om iets dat zich binnen die ‘realis’ de facto voltrekt, maar om iets waarvan gewenst wordt dàt het zich voltrekt. In elk geval om iets dat binnen de ‘realis’ als niet de facto gegeven wordt, zoals er in | De mens ware sterfelijk. | sprake is van iets dat binnen een ‘hetero-realis’ als niet de facto gegeven wordt. Zoals blijkt, is in de oppositie | is | / | zij | resp. | was | / | ware | wèl sprake van een tegenstelling ‘wel-echt’ / ‘niet-echt’, maar dan altijd binnen een ‘realis’ hetzij een ‘hetero-realis’. De term ‘werkelijkheid’ reserveerden wij voor ‘tijd-ruimtelijke eenheid’. Voor al of niet echt-gebeurend binnen zo'n ‘werkelijkheid’ kunnen wij de term ‘de facto’ resp. ‘non de facto’ gebruiken. Wij hebben dus nu het volgende onderscheid:

1 Realis 2 Hetero-realis
a de facto b non de facto a de facto b non de facto

Al deze termen hebben betrekking op bepaalde soorten genoemdheden. Het onderscheid betekent dat een persoonsvorm is aan te duiden als ‘noemende’ hetzij 1a, 1b, 2a of 2b. De analyse vormt een verantwoording van wat wij kennen onder de traditionele termen:

[p. 136]

praesens, aantonende wijs (1a)
praesens, aanvoegende wijs (1b)
praeteritum, aantonende wijs (2a)
praeteritum, aanvoegende wijs (2b).

Deze termen betreffen niet de genoemdheden, maar de tekens voorzover zij bepaalde functies vervullen. De oppositie aantonende/aanvoegende wijs werd hier alleen gereleveerd om te demonstreren hoezeer de mate van volledigheid van een functie-analyse afhankelijk is van expliciet-gestelde of -vooronderstelde opposities. ‘Vooronderstelde’ wil in dit geval zeggen: ‘door de taalbeschouwer als zodanig aanvaarde’ opposities. Wij gaan dus niet uit van als absurd onderkende vooronderstellingen; wat niet onmogelijk is, is dat de vooronderstellingen bij een analytisch toetsen onjuist blijken te zijn. De oppositie aantonende/aanvoegende wijs b.v. is in zoverre problematisch, dat een aanvoegende wijs in veler taalgebruik uitermate zeldzaam is. Ook zonder dat wij een statistisch onderzoek instellen kunnen wij veilig aannemen dat de aanvoegende wijs in b.v. wat zich hedentendage als Nederlands proza aandient vrijwel is uitgestorven, hetgeen te interpreteren is als ‘niet of nauwelijks bestaande in “het Nederlands”’. In het geheel niet problematisch is de aanwezigheid van preaesens-persoonsvormen en van praeteritum-persoonsvormen, zodat wij in ons bestek die oppositie centraal stelden. Samenvattend kunnen wij haar als volgt verantwoorden: De oppositie praesens/praeteritum valt samen met de oppositie tussen:

a.genoemdheid, zich bevindend in eenwerkelijkheidwaaraan de taalgebruiker deel heeft (een realis) en:
b.genoemdheid, zich bevindend in eenwerkelijkheidwaaraan de taalgebruiker geen deel heeft (een hetero-realis).

III. 8. ‘Ruimteals grammaticale term.

Nu wij de term ‘tijd’ in zijn grammaticale implicaties analyseerden, zijn wij genoodzaakt ook ons grammaticale gebruik van de term ‘ruimte’ te verantwoorden.

Alle formuleringen die wij beproefden om het verschil aan te duiden tussen | de trein | en | de trein reed | komen er in eerste instantie op neer dat wij onder een ‘zaak’ verstaan: een zelfstandige genoemdheid, te kennen gegeven voorzover ruimtelijke kenmerken bezittende. Nu is dit voor het voorbeeld | de trein | een aanvaardbare formulering. Moei-

[p. 137]

lijker echter wordt het als wij die formulering willen toepassen op ‘zaken’ die abstract zijn, onwaarneembaar, zoals b.v. de optimale genoemdheden van | sfeer |, | haat |, | schrik |, | wil |, | idee |. Deze vertonen een opmerkelijk verschil met de optimale genoemdheden van | trein |, | fles |, | paard |, | piano |, | mes |, namelijk dat men ze niet kan aanwijzen. Een concrete genoemdheid bezit derhalve bepaalde ruimtelijke eigenschappen die een abstracte genoemdheid mist. Men kan een idee niet waarnemen zoals men een trein kan waarnemen, men kan het niet aanwijzen, noch fotograferen. Een idee is niet iets dat wij waarnemen, maar iets waartoe wij concluderen op basis van wat wij wèl waarnemen (in dit geval o.a. onszelf en elkaar). Niet-linguaal gezien verschilt een idee zozeer van een trein, dat men er gemakkelijk toe kan komen, te zeggen dat een trein ruimtelijk gekenmerkt is en een idee niet. Linguaal, en in het bijzonder grammaticaal, maakt het evenwel geen verschil of men zegt ‘Mijn trein gaat de kant op van Nijmegen.’, of ‘Mijn idee gaat de kant op van Nijhoff.’. In beide gevallen is er evident sprake van een ‘zaak’. Dat wil zeggen: hoeveel verschil er niet-linguaal gezien ook mag zijn tussen een trein en een idee, er móet iets overeenkomstigs zijn in de functie van | trein | en | idee | dat maakt dat wij in beide gevallen zo overtuigd spreken van een ‘zaak’ die ‘genoemd’ wordt door een zelfstandig naamwoord. Dat overeenkomstige is dat beide genoemdheden worden ‘gedacht’ als onder enig opzicht ruimtelijk gekenmerkt. Ook al is de trein iets waarvan men het bestaan waarneemt en een idee iets waarvan men tot het bestaan concludeert, gegeven eenmaal dat zij bestaan, worden zij door de taalbeheerser ‘gedacht’ als bestaande in de ruimte waarin hij, hun bestaan ervarende, zich bevindt. Wij stuiten hier op een paradoxale situatie. Men meent te moeten constateren dat er verschijnselen bestaan die niet ruimtelijk zijn, terwijl men, zodra men erover spreekt, ofwel: krachtens het feit dat men ze ‘noemt’, die verschijnselen te kennen geeft als in ruimte aanwezig. Ieder ‘zaak’-‘noemend’ teken kan op een bepaalde wijze met een persoonsvorm worden gecombineerd, vgl. | Dat idee lijkt nieuw. |. D.w.z.: iedere ‘zaak’ kan te kennen gegeven worden als zich bevindend in een ‘werkelijkheid’. Men zou een | idee |-genoemdheid niet binnen de specifieke ruimte van een ‘werkelijkheid’ kunnen ‘denken’ als die genoemdheid niet zèlf het algemene aspect bezat van ‘ruimtelijk’ te zijn. Als wij spreken van een ‘zaak’ gaat het om een genoemdheid, te kennen ge-

[p. 138]

geven voorzover ruimtelijk ervaren. Dit ‘ruimtelijk ervaren worden’ hebben wij op het oog met de term ‘ruimtelijk aspect’: Wij formuleren dus: eenzaakis een zelfstandige genoemdheid, te kennen gegeven onder hetruimtelijkaspect.

Tenslotte zullen wij trachten een nadere analyse van dat ‘ruimtelijk’ aspect te maken, in het bijzonder willen wij onderzoeken in hoeverre het ‘ruimtelijk’ aspect van een | idee |-‘zaak’ geopponeerd is aan dat van een | trein |-‘zaak’.

Wij spraken van het ‘ruimtelijk’ ervaren worden van een | trein |-‘zaak’. D.w.z. de ‘soort’ waarbinnen deze ‘zaak’ te kennen gegeven wordt is niet alleen ruimtelijk, maar is bovendien gekenmerkt door een bepaalde ruimtelijke verhouding tussen de dimensies. Deze verhouding maakt dat de ruimte die door een | trein |-‘zaak’ wordt bezet, krachtens het feit dat deze tot de | trein |-‘soort’ behoort, is afgegrensd van de omringende ruimte. De ‘soortelijke’ kenmerken van een | trein |-‘zaak’, gegeven in de betekenisonderscheidingen van | trein |, onderstellen omringende ruimte. De gegeven ruimtelijke verhouding en de onderstelde omringende ruimte liggen ten grondslag aan het feit dat de taalbeheerser in zekere mate kan voldoen aan de opdracht ‘Teken eens een trein.’ (of: ‘een paard’, ‘een boom’, ‘een fiets’). Geen mens kan op identieke wijze de opdracht uitvoeren: ‘Teken eens een idee.’ (of: ‘een wil’, ‘een schrik’, ‘een sfeer’). Men kan dan ook onmogelijk spreken van ‘de verhouding tussen de dimensies van een idee’. De ‘soortelijke’ kenmerken van een | idee |-‘zaak’, gegeven in de betekenisonderscheidingen van | idee |, onderstellen geen omringende ruimte. De vraag is nu, of dáárdoor tekens wier optimale genoemdheid een ‘abstracte’ ‘zaak’ is, zich onderscheiden van tekens wier optimale genoemdheid een ‘concrete’ ‘zaak’ is. Die vraag moeten wij ontkennend beantwoorden. Er zijn namelijk tekens waarvan de betekenisonderscheidingen zodanig zijn dat zij geen omringende ruimte - d.i.: geen ruimtelijke begrenzing - onderstellen, terwijl toch hun optimale ‘zaken’ concreet zijn. Dat zijn o.a. de tekens die in de traditionele grammatica te boek staan als ‘stofnamen’, zoals | water |, | goud |, | metaal |, | wol |. Wij zullen onze analyse daarom om te beginnen richten op tekens waarvan de optimale ‘zaken’ concreet zijn, maar die toch onderling een bepaalde ruimtelijke oppositie vertonen. Zo'n ruimtelijke oppositie bestaat er b.v. tussen | paard |, | trein |, | mes |, | piano | enerzijds en | water |, | goud |, | me-

[p. 139]

taal |, | wol | anderzijds. De laatste vier tekens bezitten ieder het kenmerk dat zij, bij conjuncte toepassing, op een bepaalde wijze zonder distinctivum voorkomen: | Ik zie water. |, | Ik zie goud. |, | Ik zie metaal. |, | Ik zie wol. |. Indien wij deze tekens in een gegeven situatie toepassen, hetzij in de waargenomen, hetzij in een voorgestelde ‘werkelijkheid’, dan hebben uiteraard de ‘zaken’, door de gecursiveerde tekens ‘genoemd’, een bepaalde ruimtelijke verhouding. Ik kan b.v. ‘“water”’ in | Ik zie water. | toepassen op bepááld water dat in een bepááld glas zit. Dat water bevindt zich dan in omringende ruimte, is ruimtelijk afgegrensd in een dimensieverhouding welke volledige gelijkenis vertoont met de dimensieverhouding van het glas waarin het zich bevindt. Die dimensieverhouding is evenwel geheel toevallig ten opzichte van de ‘soortelijke’ | water |-kenmerken; het teken | water | geeft de dimensieverhouding niet te kennen en de | water |-kenmerken onderstellen geen omringende ruimte. | Water | geeft te kennen dat de ‘zaak’ een eenheid is die ‘überhaupt’ ruimtelijk gekenmerkt is, maar over de wijze waarop de ruimtelijkheid van de ‘zaak’ geconstitueerd is doet | water | geen uitspraak. Of beter: | water | geeft de ruimtelijke verhoudingen te kennen als onbeperkt veranderlijk. Onbeperkt veranderlijk zijn de ruimtelijke kenmerken van de ‘soort’. Dat betekent ten opzichte van de | water |-‘zaak’ twee dingen. Namelijk: als men iets, b.v. de inhoud van een bepaald glas, aanwijst als een optimale | water |-‘zaak’, dan is dat water, na in een teil gegoten te zijn, nog altijd optimaal voor het teken | water |; het is duidelijk dat de dimensieverhouding in het glas verschilt van die in de teil. Dat optimaal-blijven geldt niet ingeval men een kachel aantreft die b.v. geheel in elkaar geslagen is. Hoewel er nog altijd sprake is van één ruimtelijke eenheid, is zo'n kachel dan - zegt men - ‘onherkenbaar’, d.w.z. onherkenbaar als kachel. Zolang water echter een ruimtelijke eenheid is, is het in iedere driedimensionale verhouding (uiteraard op voorwaarde dat het aan de andere waterkenmerken herkenbaar is) herkenbaar als water.

Niet alleen echter dat van iedere | water |-‘zaak’ de ruimtelijke verhouding toevallig is ten opzichte van de ‘soortelijke’ kenmerken, ook het feit dat er omringende ruimte is is toevallig. Indien men immers het water uit het glas in een teil vol water giet, ontstaat onherroepelijk een nieuwe | water |-‘zaak’, die evenzeer optimaal is voor | water | als wat zich in het glas resp. zich aanvankelijk in de teil bevond. Zo kan

[p. 140]

men dit nieuwe water in een grotere teil met water gieten en het proces herhaalt zich. Het kan zich zonder einde herhalen voorzover het gaat om optimale | water |-‘zaken’; voorzover het de ‘soortelijke’ eigenschappen betreft is een optimale | water |-‘zaak’ niet van andere optimale | water |-‘zaken’ te scheiden: zij zijn onbeperkt vermengbaar. De aanwijsbare vorm (de ruimtelijke verhouding) van water dat zich in een bepaald glas bevindt is dan ook niet optimaalmakend. Wel is er een ander niet-aanwijsbaar, optimaalmakend kenmerk, namelijk de willekeurigheid en toevalligheid van de aanwijsbare vorm. Door | water | wordt water te kennen gegeven als iets dat in iedere willekeurige ruimtelijke verhouding onbeperkt meer en minder kan worden. Het wordt te kennen gegeven als iets dat in de fysica ‘massa’ genoemd wordt: als samendrukbaar en kunnende uitzetten, maar dan: onbeperkt samendrukbaar en onbeperkt kunnende uitzetten. M.a.w. ‘massa’ is ruimtelijk, maar ruimtelijk niet nader specificeerbaar, het is niet-lokaliseerbaar. In oppositie tot de term ‘massa’ kiezen wij de stereometrische term ‘lichaam’. Een ‘lichaam’ is ruimtelijk specificeerbaar, is lokaliseerbaar. Wij maken dus het volgende onderscheid: een ‘zaak’ waarvan lokaliseerbaarheid een ‘soortelijk’ kenmerk is, is een ‘lichaam’; een ‘zaak’ waarvan niet-lokaliseerbaarheid een ‘soortelijk’ kenmerk is, is ‘massa’. Gezien dit alles is het niet verwonderlijk dat | water | op een bepaalde wijze zonder distinctivum kan functioneren. Een distinctivum immers geeft te kennen dat een ‘zaak’ binnen de ‘soort’ (d.i. van andere ‘soort’-gelijke ‘zaken’) te onderscheiden is. Opmerkelijk is, dat voor geen enkel semanteem de distinctivum-loze ‘noem’-wijze is uitgesloten. Het semanteem | meeuw | b.v. heeft betekenisonderscheidingen waaronder lokaliseerbaarheid valt. Toch laat Carmiggelt een poes zeggen ‘Hè, ik heb zo'n trek in meeuw.’. Wat gebeurt er in dat geval? Wij zullen dat analyseren door tot elkaar in oppositie te stellen a | Ik heb zo'n trek in een meeuw. | en b | Ik heb zo'n trek in meeuw. |. Wij stellen vast dat in beide gevallen de ‘zaak’ te kennen gegeven wordt als behorende tot de | meeuw |-‘soort’. Voorts, dat één der ‘soortelijke’ kenmerken van de ‘zaak’ ‘genoemd’ in a, is, dat het gaat om een vogel die staart, romp en kop bezit welke tot elkaar in een bepaalde ruimtelijke verhouding staan, hetgeen lokaliseerbaarheid impliceert. Krachtens deze eigenschappen is de | meeuw |-‘zaak’ in a te kennen gegeven als onderscheiden van de omringende ruimte. De ‘zaak’ in b, eveneens behorend

[p. 141]

tot de | meeuw |-‘soort’, bezit evenwel die kop-romp-staart-kenmerken niet. Waar de ‘ik’ die zegt ‘Ik heb zo'n trek in meeuw.’ trek in heeft, is een hoeveelheid voedsel die bepaalde ‘meeuw’-kenmerken bezit, maar die niet als lokaliseerbaar te kennen is gegeven. Kortom: wie zegt ‘Ik heb zo'n trek in een meeuw.’ heeft trek in een ‘lichaam’, wie zegt ‘Ik heb zo'n trek in meeuw.’ heeft trek in ‘massa’. Als | meeuw | functioneert als ‘noemer’ van ‘massa’ is er sprake van disjuncte toepassing van ‘“meeuw”’, omdat o.a. de betekenisonderscheiding ‘met kop, romp, staart in een bepaalde ruimtelijke verhouding ten opzichte van elkaar en van de omringende ruimte’ niet van toepassing is op de ‘genoemde’ ‘zaak’. Er zijn soortgelijke gevallen waarbij evenwel géén sprake is van disjuncte toepassing. Vgl. | Hij eet een konijn. | met | Hij eet konijn. |. | Konijn | is een homoniem, evenals | haas |, | vis |, | kreeft | enz. Het al of niet disjunct toegepast zijn (dat in vele gevallen een onmiskenbare samenhang vertoont met onze culinaire gewoonten) kan de taalbeschouwer in zijn ervaring toetsen aan de al of niet optredende verrassing bij bepaald gebruik. De reklame ‘Meer auto voor uw geld!’ is een voorbeeld van op genoemde wijze disjunct toegepast ‘“auto”’.

Een en ander betekent dat binnen de functie zelfstandig naamwoord een functiedifferentiatie bestaat: namelijk tussen die van het ‘noemen’ van een ‘lichaam’ en die van het ‘noemen’ van ‘massa’ (= lokaliseerbaar resp. niet-lokaliseerbaar). Déze tegenstelling binnen zelfstandige naamwoorden is een onderscheiding van grammaticale aard. In deze tegenstelling vinden wij iets terug van het niet-linguale onderscheid tussen ‘ruimtelijk’ en ‘niet-ruimtelijk’, in zóverre, dat bepaalde tekens die als optimale ‘zaak’ een abstractum hebben, bij conjuncte toepassing een ‘zaak’ als niet-lokaliseerbaar ‘noemen’: | Hij voelt angst. |, | Hij voelt haat. |, | Hij voelt vreugde. |, enz. De niet-ruimtelijkheid van de niet-linguale gegevens is in deze gevallen te kennen gegeven als een niet-lokaliseerbaar-zijn. Met het niet-linguale onderscheid ‘ruimtelijk’ tegenover ‘onruimtelijk’ als zodanig heeft dat niets te maken. Immers | angst |, | haat | en | vreugde | zijn hier, conjunct toegepast, grammaticaal identiek met | water |, | wind | en | sneeuw | in: | Hij voelt water. |, | Hij voelt wind. |, | Hij voelt sneeuw. |. Grammaticaal is er derhalve geen oppositie concreet/abstract, maar: lokaliseerbaar/niet-lokaliseerbaar. De mogelijkheid van disjuncte toepassing in aanmerking genomen,

[p. 142]

sluit de ene mogelijke wijze van ‘noemen’ de andere niet uit: in | Ik heb zo'n trek in meeuw. | ‘noemt’ | meeuw | de ‘zaak’ als niet-lokaliseerbaar. Wij formuleerden: een ‘zaak’ is een zelfstandige genoemdheid onder het ruimtelijk aspect; daaraan kunnen wij nu toevoegen: het ruimtelijk aspect is gespecificeerd als hetzij lokaliseerbaar hetzij nietlokaliseerbaar. Bij de andere geanalyseerde ‘zaak’-‘noem’-functies (zelfstandig voornaamwoord, eigennaam) treffen wij lokaliseerbaarheid aan; het verschil berust op de wijze waarop en de mate waarin de lokaliseerbaarheid te kennen is gegeven. Immers: door het zelfstandig voornaamwoord wordt de lokaliseerbaarheid te kennen gegeven voorzover in zijn uniekmakende eigenschappen gekend (vgl. blz. 101); door de eigennaam wordt de lokaliseerbaarheid te kennen gegeven in al zijn uniekmakende eigenschappen. Het ruimtelijke aspect waaronder een ‘zaak’ te kennen wordt gegeven bestaat derhalve in de mate van lokaliseerbaarheid. Die lokaliseerbaarheid is dus geïmpliceerd in de term ‘ruimtelijk aspect’. Met die implicatie vatten wij samen: eenzaakis een zelfstandige genoemdheid, te kennen gegeven onder het ruimtelijk aspect.

Nu wij het gebruik van de term ‘zaak’ aldus hebben vastgelegd, kunnen wij de functie persoonsvorm, vervuld door een semanteem, in het volgende tot uitdrukking brengen: een semanteem dat van eenzaakeen kenmerknoemthetzij als durend in een realis, hetzij als durend in een hetero-realis, is een persoonsvorm. Een persoonsvorm is te onderscheiden als praesens-persoonsvorm (voor de realis) dan wel als praeteritumpersoonsvorm (voor de hetero-realis).

III. 9. De plaats vanvormenbetekenisin de linguïstiek.

Onze voorlopig beëindigde analyse der semanteemfuncties, vervuld binnen | Ik zag een klein paard, Jan! |, leidden wij in met de mededeling dat wij een begin wilden maken met de beschrijving van de grammatische functies vanhet Nederlands’. Dit wekt de indruk alsof wij zouden menen dat nog nooit eerder iemand zich met de grammatische functies van ‘het Nederlands’ heeft beziggehouden. Niets is minder waar. Dat wij zeiden ‘een begin’ te willen maken, betekent dan ook niet dat wij een voor de linguïstiek nieuw object zouden bestuderen; het betekent wel dat wij opnieuw trachten te verantwoorden waarin ons object (het object van de ‘grammaticale’ studie) bestaat. Het betekent voorts dat wij zoe-

[p. 143]

ken naar richtlijnen die voor het grammaticaal analyseren gelden, naar systematische eisen waaraan een ‘grammatica’ moet voldoen. Dit impliceert, tenslotte, dat wij gangbare grammaticale opvattingen opnieuw beschouwen, teneinde het inzicht te verhelderen in wat linguïstisch gemeengoed pleegt te zijn (zoals de verschijnsels ‘woord’, ‘woordgroep’, ‘zin’ enz.). Onze beschouwingswijze is niets anders dan het op een bepaalde manier zich bezinnen op datgene wat uit een eeuwenlange grammaticale traditie in ons is tot stand gekomen. Het is die traditie, die ons ons studie-object als zodanig verschaft. Zonder die traditie zouden wij de basis voor alles: het onderscheiden van grammatische functies, missen. Slechts in bepaald opzicht maken wij een begin, dat evenwel niet anders dan een voortzetting kan zijn van de bestaande taalkunde. Als wij zeggen dat de functie van het persoonlijk voornaamwoord bestaat in ‘het “noemen” van een “zaak” onder zijn uniek aspect’ dan doen wij in principe hetzelfde als iemand die zegt: ‘Het persoonlijk voornaamwoord duidt iets aan.’. Het verschil bestaat in de mate waarin en de wijze waarop de grammaticus zich vooraf en naderhand verantwoordt. De grammaticale traditie ook is het die het centraal stellen van de functies heeft bewerkstelligd. De traditionele schoolgrammatica's houden zich met vrijwel niets anders bezig. Daarnaast poogt men het gegeven feit van het onderscheiden van tekens die een bepaalde functie vervullen, controleerbaarheid te verschaffen, door te referen aan uitsluitend vormelijke (aanschouwelijke) verschijnselen.

Hiermee geraken wij in een ander domein van de grammaticale traditie, het domein van het aanschouwelijke moment in het gebruik van grammatische functies. Ook al is onze studie gewijd aan het onaanschouwelijke moment (het semantische), wij verliezen niet uit het oog dàt dat een moment (of: aspect) is van taaltekens. Wij abstraheren b.v. de ‘betekenis’ en analyseren deze, terwijl wij de vorm buiten beschouwing laten. Desondanks doet betekenis zich niet anders voor dan als moment van een teken, d.i. als moment van een eenheid waarvan evenzeer vorm moment uitmaakt. De grammatische functie is een wijze van betekenis toepassen. D.w.z. een grammatische functie is het toepassen van iets dat moment is van een eenheid waaraan evenzeer een vormmoment te onderscheiden is. Zoals betekenis staat tot vorm, staat betekenis toepassen tot vormexemplaren voortbrengen (vgl. blz. 13, 14). Wij abstraheren de functie en analyseren deze, terwijl wij de vorm-

[p. 144]

exemplaren buiten beschouwing laten. Toch doet de functie zich niet anders voor dan als moment van taalgebruik, d.i. als moment van een proces waarvan evenzeer vormexemplaren moment uitmaken. Van gegeven taalgebruik kan de linguïst dus twee grammaticale aspecten bestuderen. Er zijn binnen de grammatica als het ware twee disciplines:

a.Het onderzoek naar de systematiek der in taalgebruik aangetroffen grammatische functies (waar wij ons mee bezighouden).
b.Het onderzoek naar de systematiek der vormexemplaren die in taalgebruik met grammatische functies samengaan.
Discipline a bestudeert het functionele, discipline b het formele aspect van taalgebruik. Waar in taalgebruik betekenis is, daar is vorm en omgekeerd; waar het functionele aspect is, daar is het formele aspect en omgekeerd.

Dat wil zeggen, het één bestaat niet zonder het ander. Dat wil niet zeggen dat het één niet bestudeerd kan worden zonder het ander. Men kan het één evenwel niet uit het ander verklaren. Als de taalbeschouwer eenmaal in zijn uitgangspunt heeft opgenomen dat zowel het aanschouwelijke als het onaanschouwelijke inherent is aan taal, weet hij, dat alles wat zich onder het ene, te onderzoeken aspect voordoet, noodzakelijkerwijs correleert met iets dat zich onder het andere, niet-teonderzoeken aspect voordoet; hij weet b.v. dat de ‘denk’-eenheid ‘“paard”’ correleert met de schriftvorm :paard:, beide moment van het taalteken | paard |.

Men kan de grammatische functie ook ‘grammatische betekenis’ noemen, aldus ook dit onaanschouwelijke moment onder de term ‘betekenis’ vattend, en daarbinnen onderscheidend tussen grammatische betekenis (= wat wij functie noemen) en lexicale betekenis (= wat wij zonder meer betekenis noemen). Zo kan men ook de lexicale vorm (ons ‘vorm’) onderscheiden van de grammatische vorm (ons formeel aspect). Terwille van de parallellie zullen wij hier even deze terminologie aanhouden. Ook de grammatische betekenis correleert met een aanschouwelijk verschijnsel. Zoals de grammatische betekenis is: de wijze waarop genoemdheden worden ‘gedacht’, zo is de grammatische vorm: de wijze waarop vormen waarneembaar worden gemaakt. Grammatische betekenis onderstelt lexicale betekenis, grammatische vorm onderstelt lexicale vorm. Hoe gecompliceerd het begrip ‘grammatische vorm’ is, moge blijken uit het volgende. Als wij het gebruik van de traditionele

[p. 145]

grammaticale termen analyseren, blijkt dat zij met zowel het onaanschouwelijke als het aanschouwelijke samenhangen. Met de term ‘bijvoegelijk naamwoord’ b.v. wordt traditioneel, zoals bleek, o.a. aangeduid een teken dat een bepaalde grammatische functie kan vervullen. Men verwijst met die term dus naar een teken en een teken heeft aanschouwelijke kenmerken. Zo is het een aanschouwelijke eigenschap (zij het negatief geformuleerd) van b.v. een ‘voorzetzel’ dat het niet de vorm heeft :fles: of :ik: of :wat:, etc., kortom, dat het (nu positief geformuleerd) als vorm heeft hetzij :op:, hetzij :achter:, hetzij :bij:, etc. Er is namelijk een beperkt aantal tekens die de voorzetselfunctie kunnen vervullen, en parallel daarmee, is er een beperkt aantal vormen die, waarneembaar gemaakt, de taalbeheerser met de voorzetselfuntie kunnen confronteren. Zoals wij - het onaanschouwelijke moment centraal stellend - zeggen: ‘een voorzetsel is een teken dat een bepaalde functie vervult’, kan een andere taalbeschouwer - het aanschouwelijke moment centraal stellend - zeggen: een ‘voorzetsel’ is een teken dat één van die en die (met name te noemen) vormen heeft. De term ‘voorzetsel’ heeft dus behalve functionele ook formele implicaties. Zo kan men een grammatische klasse representeren door zowel het onaanschouwelijke (de mogelijke functie) als het aanschouwelijke (de mogelijke vorm). Gegeven eenmaal dat, bij een indeling in grammatische klassen, het aspect van de mogelijke functie correleert met het aspect van de mogelijke vorm, kan het niet anders of een feitelijke functie correleert met een feitelijke vorm. Indien de grammatica b.v. zegt dat ‘een voorzetsel voorafgaat (al of niet direct) aan het zelfstandige woord’ is dat een benadering van het formele aspect die wij als volgt kunnen interpreteren: indien wij spreken van een ‘voorzetsel’ is er sprake van die-of-die vorm, die, waarneembaar gemaakt, voorafgaat aan deze-of-deze vorm. Als wij zeggen: ‘Een ‘voorzetsel’ is een teken dat een bepaalde functie vervult ten opzichte van een ‘zaak’-‘noemend’ teken dan leggen wij de nadruk op: ‘een teken van die-of-die betekenis (b.v. niet van de betekenis “glas”)’. Zo bedoelt men met ‘een “voorzetsel” staat vóór het zelfstandige woord’: die-of-die vorm neemt een bepaalde plaats in ten opzichte van deze-of-deze vorm. De (onaanschouwelijke) functie van het voorzetsel correleert dus met de (aanschouwelijke) plaats die de vorm t.o.v. andere vormen inneemt. Met een functie correleert een formeel kenmerk. Zoals wij trachten het beschrijven en classificeren der

[p. 146]

functies te onderwerpen aan de systematiek van deze (van de functies nl.), tot uitdrukking komend in de hiërarchie der genoemdheden, zo kan er ook een methode ontworpen worden om de grammatische vormen te beschrijven in overeenstemming met hùn systematiek. Zoals het functieonderzoek uitgaat van gegeven semantemen in hun gegeven vorm en de aard van de functie problematisch stelt, zo moet het grammatische-vormonderzoek uitgaan van gegeven semantemen in hun gegeven betekenis en de aard van de vorm problematisch stellen. Een systematisch onderzoek naar de grammatische vorm moet uitgaan van de lexicale vorm (studieobject van de fonologie), omdat grammatische vorm bestaat in de wijze waarop de lexicale vormen zich gedragen, en dus lexicale vorm(-en) onderstelt.

Hoewel het bestaan van vorm het bestaan van betekenis onderstelt en omgekeerd, kunnen beide in hun eigen eigenschappen (die dus per definitie hetzij aanschouwelijk hetzij onaanschouwelijk zijn) onderzocht worden. Als men in de linguïstiek dit moment-zijn van zowel ‘vorm’ als ‘betekenis’ volledig in aanmerking nam, evenals het feit dat elk van die momenten om een eigensoortige beschrijving vragen, zou dat enige verheldering kunnen brengen in de discussie over de vraag of ‘de vorm het zonder de betekenis kan stellen’ (of omgekeerd). Wij kunnen immers déze onderscheiding maken: ‘vorm’ doet zich in taalgebruik niet voor zonder ‘betekenis’ en ‘betekenis’ niet zonder ‘vorm’; in taalgebruik kunnen ‘vorm’ en ‘betekenis’ het dus niet zonder elkaar stellen. ‘Vorm’ kan echter bestudeerd worden afgezien van ‘betekenis’, d.w.z. zonder ‘betekenis’ expliciet in de beschouwing te betrekken en omgekeerd (inherent aan wetenschappelijk onderzoek is nu eenmaal dat men ‘ergens van afziet’). In taalbeschouwing derhalve kunnen ‘vorm’ en ‘betekenis’ het wèl zonder elkaar stellen, ja, zij móeten het zonder elkaar stellen, omdat beide een eigen beschouwingswijze eisen: het aanschouwelijke kan nu eenmaal niet beschreven worden in termen, het onaanschouwelijke betreffende, noch omgekeerd; de twee beschouwingswijzen zijn complementair (vgl. de Inleiding).

Doordat hij met dit laatste geen rekening houdt, komt Chomsky tot de volgende uitspraak.

‘Once we have recognized that a semantically based theory is by no means an immediate alternative to a non-semantic theory, and that in fact a semantic theory must receive a painstaking and elabo-
[p. 147]
rate development and must meet the strict criteria of significance that are rightly posed for a non-semantic approach, then the semantic orientation loses a good deal of its attractiveness. In place of the customary challenge “how can you carry out linguistic analysis without meaning,” it is perfectly proper to ask “how can you carry out linguistic analysis with meaning?” It is not al all evident that there is any way to meet this challenge.’ (Chomsky, Semantic Considerations, blz. 148.)

Het tegendeel van de zeer persoonlijke mening van Chomsky, dat ‘then the semantic approach loses a good deal of its attractiveness’ ligt voor de linguïst meer voor de hand, namelijk dat de semantische benadering daaraan juist haar aantrekkelijkheid ontleent. In zijn redeneertrant blijvend kan men bovendien, naar aanleiding van de vraag ‘How can you carry out linguistic analysis with meaning?’ opmerken: ‘It is not at all evident that there is no way to meet this challenge.’

Een andere vraag, die de strijdende partijen wellicht eigenlijk op het oog hebben, maar toch niet altijd als zodanig expliceren, is, of de ‘vorm’ dan wel de ‘betekenis’ prioriteit bezit in taalgebruik, m.a.w. welke van beide het meest essentieel is voor het fenomeen taal. Een taal is een middel (vgl. blz. 7), en wel een middel om wàt-dan-ook-uit-onzeervaring aan anderen (of onszelf) ter kennis te brengen. Taalgebruik is ‘plaatsvervangend’: het gebruik van taaltekens kan bij ons een reaktie teweegbrengen die sterk overeenkomt met onze reaktie op de door die tekens ‘genoemde’ feiten. Zo kan de mededeling ‘Je sleutels zijn terecht!’ iemand even opgelucht maken als de aanblik van de sleutels zelf. Het is de betekenis die plaatsvervangend is voor wat wij ter kennis willen brengen (de genoemdheden). Wij kunnen de betekenis dan ook alleen beschrijven wanneer wij ons op de genoemdheden beroepen en de beschrijving doen samenvallen met de beschrijving van (bepaalde kenmerken van) de genoemdheden. Als men ziet als het uiteindelijk doel van taalgebruik: het ter kennis brengen van ervaringsgegevens (genoemdheden) dan is het duidelijk dat de betekenis voor dat doel primair is t.o.v. de vorm. Primair in zoverre: dat de betekenis een nauwere samenhang bezit met genoemdheden dan de vorm, die immers zonder enig beroep op genoemdheden, maar in termen, uitsluitend tweedimensionale beelden (het schrift), of gearticuleerde klanken (de spraak) betreffende, beschreven kan worden. Met de vormen alleen kan men nooit tot de genoemdheden

[p. 148]

komen: gebruik van een ons vreemde taal confronteert ons met vormen, niet met genoemdheden. Wij kunnen geconfronteerd worden met vorm zonder betekenis, niet met betekenis zonder vorm. Zoals evenwel de genoemdheden niet tot ons komen zonder betekenis, zo komt betekenis niet tot ons zonder vorm. Gebruik van een teken is geconditioneerd door het waarneembaar maken van de vorm (vgl. blz. 18). Een vormexemplaar is voorwaarde voor het toepassen van betekenis. De bestaansreden van taalgebruik zijn de genoemdheden; plaatsvervangend voor de genoemdheden is de betekenis. Als wij dus stellen dat betekenis het meest essentieel is voor taal en prioriteit bezit boven vorm, bedoelen wij, dat van een handelingsmiddel een moment dat plaatsvervangend is voor de bestaansreden van de handeling, het meest essentieel is voor dat handelingsmiddel. De rol die, zo gezien, de vorm speelt, is die van het middel waarmee de betekenis kenbaar wordt gemaakt aan de taalbeheerser. (Een verdediging van het tegenovergestelde, namelijk het middel te laten praevaleren boven het doel, blijft natuurlijk denkbaar. Inderdaad kiezen wij hier ‘partij’ voor een bepaalde opvatting van ‘essentieel’.)

Dat wij voor de essentie van taal de betekenis primair stellen t.o.v. de vorm wil natuurlijk in het geheel niet zeggen dat het taalkundig onderzoek volgens die opvatting alleen zou moeten bestaan in betekenisonderzoek; integendeel, zonder studie van de vorm is linguïstiek onvolledig. Het betekent wel dat, waar primair de vorm beschouwd wordt, de betekenis niet wezenlijk kan worden uitgeschakeld. Het omgekeerde is evenmin het geval. Juist echter omdat er in de hedendaagse taalkunde een stroming is waarbij de formele (of ‘betekenisloze’) grammatica op de voorgrond treedt, en waarbij aan de bestaanmogelijkheid van een grammatica, gebaseerd op betekenis, ernstig wordt getwijfeld, leggen wij de nadruk op het feit dat vorm en betekenis wel onafhankelijk van elkaar beschouwd moeten worden, maar dat beide elkaar als uitgangspunt over en weer onderstellen. En óók voor de stroming der ‘betekenisloze’ grammatica geldt: dat in de selectie van de te beschrijven vormen een zekere (gebruiks-)kennis van de betekenis is geimpliceerd.