Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 4: Supplément (ed. C. de Waard)


auteur: Isaac Beeckman


editeur: Cornelis de Waard


bron: Isaac Beeckman, Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634. Tome 4: Supplément (ed. Cornelis de Waard). Martinus Nijhoff, Den Haag 1953  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[1626]

[12 maart 1626]

Actes du ‘Classis’ de Schieland, 1610-1626. - Cf. ci-avant p. 86.

 

Classis extraordinaria, gehouden binnen Rotterdam, den 12den Martij 1626.

 

Praeses D. Gruterus, scriba Olivarius Hircinus5). Absentes syn D. Donteclock ende D. Adrianus Johannis6). Sero venientes: D. de Stercke, D. Petraeus, D. Theod. Leeuwius, D. Hasius7) <ende>a) D. Crucius8).

[p. 97]
+

Is by den Gedeputeerden des Classis rappoort gedaen hoe data) by hunluyden de Classis was beschreven met den E. Gedeputeerdenb) des Synodi op het versoeck van de predicanten van Rotterdam. Dewelcke binnen gestaen synde, voor redenen hebben verclaert dat merckelycke swarigheden in haere kercke waren ontstaen, die geen langer uytstel en conden lyden ende datter oock Synodale saecken te verhandelen souden voorvallen.

Dese redenen aldus voor gewightigh opgenomen synde, is by den Classe, ten overstaen van de E. Gedeputeerden goetgevonden de predicanten van Rotterdamc) gesamentlycken binnen te roepen, om te vraegen naer het comportement van Weymans naer het afscheyden van de E. Gedeputeerden des Synodi. Dewelcke (binnen gestaen synde) hebben verclaert, dat de voorszeyde Weymans seyde, dat hy niet en conde, niet en wilde, noch niet en soude sich gedraegen aen het oordeel van de E. Gedeputeerden des Synodi. Dat hy oock den E. Gedeputeerdend) beschuldighde van heerschappye, tyrannye etc. Daerenbenevens dat in hare vergaderingen meestendeel synne aenleydingen hebben gestreckt tot verstoring invougen van dieselve vruchteloos syn uytgevallen; waerby noch comt dat verscheyden lidmaeten groot miscontement tonen door syn aenraden ende ophitsen.

Hierop is by den E. Gedeputeerden des Synodi goetgevonden, dat men de ouderlingen van Rotterdam (uytgesondert Weymans) souden binnen roepen ende is hunlieden aengeseyt dat dese saecke wel ende wettelycken tot dese vergaderinge was gebrachte). Ende is hunlieden verders afgevraecht off sy gesamentlycken noch acquiesceerden in de acte van reconciliatie, den 26en September laestleden by den E. Gedeputeerden des Synodi beraemt1). Waerop sy gesamentlycken hebben geantwoort Ja, dat sy alsnoch die acte aennamen sose daer leyde, maer verclaerden, dat de saecke van Weymans de minste swaricheyt was; dat het principalycken aenquam op het beroep van een predicant, waerinne sy versochten dat de E. vergaderinge ordre wilde stellen.

De E. Gedeputeerden met den Classe antwoorden dat men in dat stuck niet gevoeghelycken en conde treden voor ende aleer de vrede getroffen sy. Weshalven de ouderlingen aengenomen hebben tot preparatie van de reconciliatie deur alle mogelycke redenen van inductie hem daertoe te bewegen. Ende hebben daernae uyt de name van de voorseyde Weymans gerapporteert dat hy tevreden was (also syne medebroeders sulcks geraden vonden) de reconciliatie, sose daer leye, aen te nemen, mits dat de censure2) opgehouden ende geannuleert werde.

Is goetgevonden van de E. Gedeputeerden des Synodi Weymans binnen te

[p. 98]

+ roepen om hem te induceren tot de reconciliatie met schultbekenninge, also de Classis die censure ten judicature van hare E. gestelt hadde, doch dat de andere dingen na den 26en September voorgevallen, gelyckelyken by den Classem met de E. Gedeputeerden des Synodi souden verhandelt worden.

Daerop Weymans ingeroepen synde, vermaent is dat hy de saecke met een ander oge wilde insien als hy tot nochtoe hadde gedaen, ende deselve in de vrese des Heren overwegende, willigh ende bereyt wilde syn de reconciliatie an te nemen als syne mede-broederen hadden gedaen, heeft geantwoort dat hy de sake in syner medebroederen handen hadde gegeven, tevreden synde dat de saecke met hem soude staen alsse met syne medebroeders tot den tyt van den 26en September hadde gestaen, verclarende dat hy niet anders daerby en wiste te seggen. Naerder vermaent synde dat hy hem met de broederen in presentie soude versoenen ende verclaren hem leet te syn dat hy op dien tyt sulcks niet en hadde gedaen, maer nu bereyt was tselvige te doen, heeft geantwoort dat hy hem daerop soude moeten bedencken, ende buyten staen.

Daernae wederom binnengestaen synde, heeft verclaert met syne medebroederen gesproocken te hebben, die hem hebben geseyt niet anders gehoort, ofte in last ontfangen te hebben, dan dat hy soude moeten aennemen de algemeyne reconciliatie, waerby hy hem oock wilde houden, beswaert synde verder te comen ende in presentie enige leedschap te bethonen, deselve weygeringe dickwils repeterende.

De vyff ouderlingen van Rotterdam1) binnen geroepen synde, is hunlieden aengeseyt hoe dat de vergaderinge Weymans hadde vermaent dat hy hem in presentie van syne medebroederen soude versoenen, met verclaringe dat hy wenschte sulcks in den eersten gedaen te hebben ende dat hem sulcks in leet was. Waerinne, also hy verclaerde hem beswaert te vinden, syn sy vermaent andermael haer devoor te willen doen om daertoe te comen, also hem tyt van bedencken tot morgen gegeven was.

 

Den 13en Martij.

Is Weymans wederomme binnengeroepen ende is hem affgevraecht hoe hy hem hadde bedacht; dat hy daerop categorice ende rondelyck wilde antwoorden.

Heeft geantwoort dat hy hem niet alleen één, maer wel twe nachten hadde bedacht, ende verclaerde dat hy hem daerinne alsnoch beswaert vont, versoeckende de redenen van syne beswaernisse in presentie van de anderea) vyff broederen ouderlingen te mogen voorstellen, aen dewelcke hy syn saecke hadde gesubmitteert.

De E. Gedeputeerden des Synodi, de saecke met den Classe in de vrese des Heren rypelycken overwogen hebbende, hebben gesamentlycken geresolveert dat men

[p. 99]

+ hem syne redenen mondelinge int cort sal laeten voorstellen, hem daernae doen uytstaen ende op syne redenen antwoorden.

Welck antwoorde Weymansa) voorgehouden ende hy ernstigh vermaent synde om dieselve plaetse by hem te geven ende het voorgemelde versouck der vergaderinge in te willigen, heeft daertoe int minste niet cunnen gebraght worden, maer seer hertneckelyken by syne weygeringe gepersisteert, appellerende van dese vergaderinge tot het oordeel Gods.

Waerop dan eyndelyck de vergaderinge, niet verder cunnende comen ende met droefheyt tot een besluyt van dese gehele sake tredende, nae ernstige vermaninge aen Weymans, dat hy so lichtveerdich tot Gods oordeel niet en behoorde te appelleren, maer de vergaderinge toe te vertrouwen dat sy in de vrese des Heren met een goede conscientie handelden, geresolveert heeft als volght:

De Classis ten overstaen van de E. Gedeputeerden des Synodi overwegende de ses redenen voortgebraght by Jan Weymans om te fonderen dat hy niet en behoorde schult te bekennen van dat hy op den 26en September, verachtende den goeden raet van de E. Gedeputeerden des Synodi, niet hadde willen met de andere syne mede-ouderlingen condescenderen in de versoeninge met de predicanten ende andere hare bygevoughde uyt den kerckenraet, oordeelt dat deselve redenen impertinent syn ende dat by den voorseyden Gedeputeerden wel ende wettich is geadviseert dat de voorseyde Jan Weymans weerdich is van tgebruyck des H. Avontmaels afgehouden te worden tertyt toe hy om syne hertneckicheyt ende onbehoorlycke actien sal hebben gedaen behoorlycke satisfactie.
Van dat gepretendeert wort dat de voorseyde Gedeputeerden des Synodi met meerderheyt van stemmen niet ontboden en waren tot beslechtinge van de opgeresen swaricheden in de kerckenraed van Rotterdam, staet te considereeren dat sulcks in dien tyt niet en heeft gebleecken, maer dat de E. broederen Gedeputeerden by den gehelen kerckenraed danckelycken syn ontfangen ende dat de kennisse van het opgeresen verschil eygentlycken tot kennisse van de E. Gedeputeerden des Synodib) behoorde, also dispuyt viel over den sin van het 46e Artic. des laestgehouden Synodi1).
Wyders dat gepretendeert wort dat de E. Gedeputeerden des Synodi sonder oordeel des kerckenraeds niet en souden syn geauthoriseert om enige leden van den kerckenraed te censureren over dingen, die noyt op den Synode en hebben gedient, staet te considereren dat de E. Gedeputeerden alleenlyck den kerckenraed met advys hebben gedient, verclarende alleenlyck wat hy weerdich was, bevelende de voorsienicheyt van hare E. de executie van de
[p. 100]
+ censure, uyt welcke van selffs blyckt dat het niet ontschuldight, maer ten hooghsten beswaert dat den voorseyden Weymans int 3e Artic. poseert dat hem eerst 6 off 7 weecken naer thouden des Avontmaels de censure in den kerckenraed is geopenbaert, dewyle daeruyt blyckt dat hy by den kerckenraed niet overvallen, maer in liefde gedraegen is.
Ten 3en dat in de 4e reden wort gesustineert dat de broederen Gedeputeerdena) niet en souden vermeugen yemant censure op te leggen solange hy bereyt is syn sustinue te bewysen, staet te considereren dat niet by partyen, maer by de kerckelycke vergaderinge (voornementlycken in saecken van injurien ende personele beschuldingen) te oordeelen staet hoe verre ende hoe lange openinge van saecken van noden is, ende dat de E. Gedeputeerden in haer oordeel gevolght hebben tvoortgaende exempel van den Classe van Schieland ende Synode van Woerden1), lettende niet soseer op tgene tevoren gebeurt was, als wel op de blyckelycke hertneckicheyt ende styvicheyt van den voorseyden J. Weymans, als die seyde dat hy niet en conde, niet en wilde, noch niet en soude in de versoeninge verstaen, pogende (soveel in hem was) de andere ouderlingen ende diaconen (bereyt tot de versoeninge) tot gelycke hertneckicheyt aff te leyden, dreygende daerbenevens dat hy voortaen hem van de kercke van Rotterdam wilde afsonderen ende niet meer ten Avontmael gaen off in het heckgen nevens de predicanten ende ouderlingen sitten.
Ten 4en dat in de 5e reden geseyt wort dat enige van de Gedeputeerden haer hebben partydich gedraegen, staet te considereren dat sulcks uyt partdicheyt ende met onwaerheyt wort geseyt, dewyle niet anders en is geschiet dan dat een van de Gedeputeerden, by hem geinjurieert, hemselven heeft verantwoort ende verder alle mogelycke instantien gebruyckt syn om hem tot vrede te bewegen.
Ten 5en dat in de 6e reden wort geseyt dat de E. broederen Gedeputeerdenb) wel wisten dattet seer licht soude connen worden bewesen dat tgene den broeders predicanten wierde te laste geleyt, is ter contrarien waer; dat hun int ondersoeck van personele beschuldingen gebleken is, dat geprocedeert wiert by consequentien ende misduydingen, ende dat oversulcks de verder deductie van dese personele dingen niet anders dan meerder verwerringen en conden voortbrengen.

Hierop Jan Weymans instaende, is hem de voorseyde antwoorde in presentie van de andere vyff ouderlingen van Rotterdam voorgelesen ende daer benevens vermaent hem den goeden raet van de vergaderinge te onderwerpen ende te ver-

[p. 101]

+claren dat het hem leet was dat hy op den 26en September laestleden nevens de andere broederen niet en hadde willen hemselven versoenen. Doch dit alles en heeft hem niet cunnen vermorwen, maer appelleerde van de vergaderinge tot God, begerende dat God richter sonde wesen tusschen hem ende ons.

De vergaderinge, dit alles in de vrese des Heren overwegende, ende merckende dat dese halsterricheyt ondraeghelycken ende van seer quaden gevolgh was, tenterende om de kerckelycke authoriteyt, wetten ende censuren in cleynachtinge te brengen ende grote disordre in de kercke van Rotterdam te veroorsaecken, oordeelt dat niet alleen de voorgaende censure over hem sal stantgrypen in sulcken vougen dat hy van het H. Avontmael sal afgehouden blyven, maer oock dat hy by desen van syn ouderlingschap wort gesuspendeert, ter <tyt>a) toe hy dese vergaderinge sal hebben gedaen behoorlycke satisfactie. Ende wort den kerckenraed van Rotterdam gelast hem in haere vergaderingen niet te admitteren ende te letten op syne wandelinge, insonderheyt off hy hem in stillicheyt draeght sonder aenhang te maecken off yemant te ontrusten, in welcken gevalle verder tegen hem sal moeten worden geprocedeert.

 

Comende tot het twede, nopende de beroepinge van predicanten in de kercke van Rotterdam, heeft de vergaderinge desen voorslagh gedaen:

dat by den predicanten, ouderlingen ende diaconen van Rotterdam onderlinge acht personen souden worden gestelt, uyt welcke dese vergaderinge alsdan vier sal nomineren, die dan sullen staen als een nominatie, uyt dewelcke de kerckenraed met de meeste stemmen, naer ordre der kercken, twe predicanten sullen beroupen.

Hetwelcke den broederen gesamentlycken voorgehouden synde, van den predicanten ende hare geadjungeerde ouderlingen aengenomen, maer by de vyff andere ouderlingen voor die tyt afgeslaegen is, vermits de alteratie (so sy seyden) van hare gemoederen.

Waerop de vergaderinge in dese saecke niet vorder cunnende comen, geresolveert heeft den kerckenraed van Rotterdam te belasten in de beroupinge van predicanten te handelen naer Synodale ende Classicale resolutien diesaengaende voor desen genomen.

Ende dewyle te vresen stont dat de vyff gealtereerde ouderlingen in toecomstige tyden wel mochten swaricheyt voor een tyt lang maecken om in de kerckenraed te verschynen, syn de predicanten van Rotterdam ende de presente ouderlingen in die gelegentheyt geauthoriseert om vergaderinge te houden ende in voorvallende saecken te resolveren, mitsgaders de kercke te regeren alsoff de vergaderinge compleet ware. Evenwel om in alle voorvallende swaricheden te beter te mogen handelen, syn genomineert D. Gruterus (die metenen van de E. Gedepu-

[p. 102]

+teerden des Synodi daertoe oock gelast is), D. Regnerus Berckelius ende Olivarius Hircinus, om ontboden synde de broederen van Rotterdam met raet ende daet te assisteren ende in de vergaderinge des kerckenraeds alles (insonderheyt tegens het aenstaende H. Avontmael) tot de meeste stichtinge te helpen dirigeren.

Syna) oock de voorseyde broeders predicanten classicaliter geauthoriseert om in het particulier met de gemiscontenteerde ouderlingen te handelen ende hunlieden te vermaenen ende door alle mogelycke middelen te induceren tot vrede, onderlinge liefde ende dat sy oock hare ampten wilden bedienen met de verschyninge in de predicatien ende kerckenraet om met de broeders predicanten de gemeynte Christi te stichten. Waerinne de voorseyde broeders haer uyterste devooir hebben gedaen, doch niet cunnen effectueren, also de voorseyde gemiscontenteerde ouderlingen opiniatrerende hertneckich blyven, niet willende by haer enige redenen van inductie plaetse geven.

Ende is also dese vergaderinge met dancksegginge tot God gescheyden.

[30 maart 1626]

Même Registre.

 

Vergaderinge der E. Gedeputeerden des Synodi ende der Gedeputeerden des Classis over de saecke van Rotterdam, den 30en Martij 1626.

 

Naer aenroepinge van den name des Heren syn vercoren tot Praesidem D. Samuel Gruterus, tot scribam Olivarius Hircinus, also het was continuatie van de eerste opgeresen swaricheyt in de kercke van Rotterdam.

 

De vergaderinge heeft goetgevonden vooreerst de E. broeders predicanten binnen te roepen om te verstaen hare redenen, waerom sy dese vergaderinge hadden beschreven.

Dewelcke, binnen gestaen synde, dese redenen ende motiven de vergaderinge hebben voorgestelt:

I dat de vyf ouderlingen van Rotterdam haer so gemiscontenteert hielden over de censure tegen Weymans, dat sy uyt de predicatien ende kerckelycke vergaderinge absenteerden.

Wyders dat sy gantsch geen vruchten en sagen van de besoekingen int particulier aen de gemiscontenteerde ouderlingen, maer dat sy ter contrarie met droefheyt saegen ende verstonden:

1.dat Weymans sommige van de gemeynte soeckt op te hitsen ende afvallich te maecken van de predicanten ende te absenteeren van het H. Avontmael des Heren,
2.dat dese gemiscontenteerde ouderlingen conventiculen houden in de
[p. 103]
+ Schole1), onderlinge liguen ende verbintenissen maecken ende also aen malcanderen hangen, dat sy seggen: ‘Hebbet gy den enen, gy hebt oock den anderen’.
3.dat sy dese gehele saecke op het stathuys hebben gebraght.

De vergaderinge, lettende op al hetgene voorseyt is, heeft goetgevonden de +vyffa) gemiscontenteerde ouderlingen binnen te roepen. Ende is hunlieden afgevraeght, waeromme sy uyt het gehoor van Godes heylichb) woort absentere, in het heckgien weygeren te sitten ende haer de saecke Weymans soseer aentrecken, daer sy nochtans tevoren hebbenc) verclaert haer te houden aen de reconciliatie, den 26en September lestleden by den E. Gedeputeerden des Synodi beraemt.

Dewelcke binnengestaen synde, hebben geantwoort dat sy haer alsnoch hielden aen de reconciliatie so se daer leydt, maer versochten vooreerst de acte by den E. Gedeputeerden des Synodi den 25en Septemberd) gemaeckt3), om redenen (so se seyden), die sy daerna souden verclaren. Waerop (als deselve hunlieden was voorgelesen) sy hebben geantwoort, dat dieselve haer so niet en was voorgelesen. Wyders dat hunlieden oock niet en was bekent gemaeckt hetselve alleenlyck een advys te syn, in soveel dat de E. Gedeputeerden alleenlycken souden hebben geoordeelt wat Weymans weerdich was, want so den broeders predicanten +hadden gelieft haer sulcks bekent te maecken, sy souden daerover onder malcanderen hebben connen handelen om de saecke anders te helpen uytwercken. Verclaerden noch daerenboven dat de broeders predicanten daermede noch niet en waren tevreden geweest dat het soude syn een sententie, maer sustineerden noch daerenboven dat Weymans niet en mochte een lid des kerckenraets wesen, weshalven sy sins de laetste vergaderinge ende over tgene in de vergaderinge was geresolveert, ongerust in haer gemoet waren gebleven, als in conscientie niet cunnende verstaen dat sodanige censure over Weymans behoorde gegeven te worden.

+Hierop de E. broederen predicanten van Rotterdam binnen gestaen synde, hebben geantwoort op het eerste, dat de acte van den 26en Septemberg) in den kerckenraed van woort tot woort ordentelycken meermalen is voorgelesen sonder de alderminste veranderinge, waeruyt dan vorders blyckt dat immers bekent gemaeckt is hoedanich de uytspraecke der E. Gedeputeerden des Synodi in forma geweest sy, twelck oock verders uyt de proceduren des kerckenraedts, daerop gevolght (blyckende by de resolutien des kerckenraets)4), ten vollen can afge-

[p. 104]

+nomen worden. Op het derde seggen, sulcks noyt formelycken by haer gesustineert te syn, maer in tegendeel, overmits sy Jan Weymans altoos sonder eenich tegenspreecken sitplaetse in de vergaderinge hebben vergunt totdat by den kerckenraed geresolveert was van syn saecke in syn absentie te handelen; alleenlycken dat somtyts, als int voorbygaen by d'een off d'ander wel geseyt is dat het soude te besien staen als men ten hartsten tegen Weymans soude willen procederen, offer geen redenen en waren om hem voor dien tyt voor geen lidt der vergaderinge toe +te laeten.

 

Ende also van de vyfa) gemiscontenteerde ouderlingen verscheyden particulariteyten ter bane wierden gebracht, ten principalen ter saecke niet dienende, maer die meerder verwerringen apparentelycken souden hebben gecauseert, so heeft de vergaderinge den vyfa) gemiscontenteerde ouderlingen doen buyten staen met de verclaringe, dat men gevoughelycken niet soude cunnen comen tot onderhandelinge in het beramen van een seeckere ordre waernae sylieden van nu voortaen in de beroupinge van predicanten souden procederen ofte dat de vrede eerst moste getroffen syn; weshalven de vergaderinge de ouderlingen voorseyt heeft vermaent dat sy haer de saecke om Weymans (als haer niet raeckende) souden ontslaen, ende dat sy, alle particulariteyten over thooft siende ende in het vier der liefde begravende, tot de saecke selff souden comen om also eenmael een gewenscht eynde te vercrygen.

De gemiscontenteerde ouderlingen, een geruymen tyt daernae binnegestaen synde, hebben voor dese vergaderinge verclaert, dat sy van de saecke Weymans desisteren, laetende deselve so se daer leydt, maer claeghden over de predicanten dat, so by hunlieden geen exclusie en ware gemaeckt geweest om seecker slach van predicanten, dat dese swaricheden so verre niet en souden hebben ingebroocken. Doch nadien de saecke so was uytgevallen, verclaerden dat sy evenwel alle voorgaende abusen wilden vergeten ende vergeven, oock haer de saecke van Weymans niet meer aentrecken. Ende dat onder dese conditien, die sy versochten dat haerlieden mochten worden ingewillight:

Eerstelycken dat men van nu aen in alle beroepingen van predicant off predicanten sal handelen ende spreecken sonder exclusie van dese of gene predicant.

2. dat men sal mogen discoureren solange de vergaderinge sulcks sal goetvinden ende dat men daernaer stichtelycken sal mogen procederen tot beroepinge van een predicant off predicanten met meerderheyt van stemmen, behoudelyck so yemant uyt de kerckelycke vergaderinge yetwes soude mogen hebben tegens enigh van de genomineerde oft voorgestelde predicanten, dat hy tselve sal openbaren

[p. 105]

+ aen twee ouderlingen. Waertoe sy noch hebben overgelevert een seecker geschrift aldus luydende:

Redenen1)

De vergaderinge, hebbende gesien de redenen van miscontentement der ouderlingen voorseyt by geschrifte gestelt ende overgelevert, heeft goetgevonden de E. broeders predicanten van Rotterdam binnen te roepen om hare verantwoordinge hierop te hooren.

Dewelcke binnengestaen synde ende tselve geschrifte hebbende hooren voorlesen, hebben (eer sy tot verantwoorden costen comen) van de E. vergaderinge versocht dat de gemiscontenteerde ouderlingen mochten vooreerst worden binnengeroupen om hun lieden af te vragen of dit geschrifte by hun vyven alleen ware gecoucheert ende by wien? In hetwelcke te doen haer de ouderlingen voorseyt gegraveert hielden, gevende voor reden dat daer weynich aen gelegen ware, maer dat men de saecke ten principale wilde examineeren. Doch naerder daertoe versocht synde, bekenden sulcks haer eygen werck niet te syn, maer dat sy anderlieden hulpe daerinne hadden gebruyckt.

Op de eerste reden dan, namelycka) dat de predicanten van Rotterdam een fondament van scheuringe souden leggen uyt oorsaecke dat sy int nomineeren ende voorstellen van predicanten dese off gene als onberoepelyck voorby gaen, antwoorden de predicanten van Rotterdam, dat sy daerinne haer stemme vry hebben gegeven, doch naerder geparst, jae geconstringeert synde, so kerckelyck als polityckelyck, dat sy hebben geadviseert de teerheyt van dese kercke sodanigh te syn, dat sy niet en soude cunnen lyden sodanige predicanten, die van ons ende het gemene gevoelen der kercken verschilden, waeruyt van selffs blyckt, dat sy geen scheuringe en hebben gesoght, maer ter contrarien deselve door alle mogelycke middelen hebben gepooght, ende noch pogen, te weren ende voor te comen.

Belangende het 1e lid van de 2de reden antwoorden de E. predicanten voorseyt, dat die saecke heeft gedient in Synodo Woerdana, aen welckers resolutie2) sy haer gedraegen die haer in de beroupinge volgens het 45e Art. Synodi Rotterodamensisb)3) sulcks heeft vrygelaten. Op het 2e lidt antwoorden sy, dat, also daer wierde gehandelt van een censure te geven over een van de broeders predicanten, waerinne hy begeerde dat men syn stemme soude voorby gaen, dat oock also de stemmen van de andere dry (als synde syne parthye) syn overgeslaegen. Op het

[p. 106]

+ derde lidt nopende de saecke van Weymans, verclaren sy dat sy haer refereren tot de acte des kerckenraedts van den 5en November1), fluskens in haer aller tegenwoordigheyt opgelesen, verclarende ter goeder trouwen hierinne nae haer beste wetenschap gegaen te hebben; ende nopende de weygeringe van Weymans stemme, antwoorden dat het was in Weymans eygen saecke als die, welcke verclaerde dat hy de predicanten hielt voor syn partye ende dat oversulcks haer stemme niet en behoorde te gelden. Nopende de sententie van den 26en September, daerop wort geantwoort dat uyt het verhael ofte vertoogh van den 5den November heeft gebleecken, dat hetselvige voor een advys worde genomen, blyckende uyt de besendinge aen Weymans, op dien tyt beraemt. Op het laetste lidt wort geantwoort dat sy haer refereeren tot hetgene den 12en Maerte lestleden, Artic. 4 is gestelt2). Sodat dan uyt het voorverhaelde blyckt, dat niet de predicanten, maer diegene, die haer tegens sodanige resolutien hebben gestelt, oorsaecke syn van alle dese onheylen.

Vorders belangende hetgene van de vyfa) gemiscontenteerde ouderlingen wert gerequireert ende versoght, ende specialycken.

op het eerste versoeck, daerop antwoorden de broeders predicanten dat sy presenteren haerselven te onderwerpen alle synodale ende classicale resolutien dienaengaende voor desen genomen, ende specialycken den voorslagh by den E. Gedeputeerden des Synodi den 13en Maert beraemt3), presenterende alsnoch in de beroupinge van predicanten niet te sullen gaen met overstemminge tegens ouderlingen ende diaconen, versoeckende van de broederen gelycke discretie.

op het 2e versoeck antwoorden de predicanten dat sy hunlieden hetselve toestaen, naer ordre der kercken.

op het 3e dat sy oock hetselvige naer ordre der kercken inwilligen, ten ware dan dat de stemmen staecken ofte in de kerckenraed niet en conde worden geresolveert.

op de conclusie antwoorden de broeders predicanten, dat sy deselve het oordeel van dese vergaderinge onderwerpen off sy in reden is gefondeert.

 

Hierop de vyfa) gemiscontenteerde ouderlingen binnengeroepen synde, is haer de voorseyde verantwoordinge met de presentatie op hunlieder versoeck voorgelesen ende heeft de vergaderinge hunlieden vermaent, dat sy tselve in de vrese des Heren (uytsluytende den raet des vleessches) wilden overwegen ende alsdan met de vergaderinge comen confereren om met onderlinge minne ende vruntschap desen goeden welgestelden voet van beroepinge te beramen ende te houden, opdat also alle onheyl uyt de kercke Godes mochte werden geweert.

[p. 107]
+

Waerop dese ouderlingen voorseyt hebben begeert uyt te staen om haer met malcanderen te beraden. Ende een wyle daernae wederom binnen gestaen syndea), hebben uyt de presentatie vant eerste versoeck verscheyden ongerymde ende ongefondeerde consequentien getrocken ende eyndelycken verclaert dat hare gemoederen om de saecke van Weymans so gealtereert waren, dat sy voor dien tyt met de vergaderinge over dat stuck niet vorders en costen handelen, daer sy nochtans selveb) doorgaens op hadden gedrongen ende instantelycken tselve hadden versocht.

Ende is also de vergaderinge met dancksegginge tot God gescheyden.

 

Den anderen daeghs, wesende den 31en Martij, syn de gemiscontenteerde ouderlingen wederom voor dese vergaderinge ontboden ende is hunlieden afgevraeght off sy haer tot haer officij wilden begeven, de predicatien getrouwelycken aen waernemen ende off sy niet gesint en souden syn ten H. Avontmael te gaen ende haer in de bedieninge desselvigen te laeten gebruycken?

Waerop sy aen de vergaderinge wederom hebben geclaeght dat haer offencie was gedaen, so van de broeders predicanten als anders; dat oock de saecken, die in de particuliere Synoden besloten syn, harde persuasien waren, doch evenwel verclaerden sy alle andere dingen over thooft te willen sien, so sy de saecke van Weymans mochten laeten in statu so se daer leyde, houdende daerin hun vryheyt om deselve, soot haer soude goetduncken, hierna te repareeren, sose bevinden souden te behooren, ende wyders somen met hunlieden de saecke de novo wilde by de hant nemen ende beginnen.

Twelck <versoeck> haerc) van de vergaderinge was afgeslaegen ende aengeseyt dat sy op de vraege van de E. vergaderinge categorice ende cortelycken souden antwoorden, hebben begeert uyt te staen om met malcanderen te spreecken. Ende een weynich tyts daernae binnen gestaen synde, hebben verclaert dat (de saecke staende ende blyvende in deselve termen) sy in conscientie niet en costen bewogen worden om tot den tafel des Heren te comen off de actie te bedienen; maer so haer de drye vereyschte saecken, sose daer laegen, mochten worden ingewillight, dat sy alsdan de saecke van Weymans wilden laeten varen, haer met den predicanten vervougen ende in haere bedieninge treden.

Twelck de vergaderinge, om gewichtige redenen, niet cunnende inwilligen, so hebben haer de voorseyde ouderlingen onseggelycken gethoont ende syn weygerich gebleven.

De vergaderinge met droefheyt dese ouderlingen voorseyt siende aldus opiniatreren ende weygerich blyven, heeft hunlieden aengeseyt dat sy sellfs hare diensten verlieten ende van dien waren troost beroofden, die alle ware gelovigen int H.

[p. 108]

+ Avontmael becomen. Ende dat sy dieshalven genootsaeckt was andere ordre te stellen tot de bedieninge des H. Avontmaels1).

 

Le 16 avril 1626 Suzanna Pieters [Van Rhee], épouse survivante du Sr Abraham Beeckman, assistée de Hans Coene, charpentier, avoue devant les échevins de Middelbourg de devoir à son fils Mr Isaack Beeckman, recteur (sic) de l'école latine à Rotterdam, le montant de 600 livres de gros flamands qu'elle lui emprunte à 6¼ pour cent (tegens den pennick zesthien), sous l'engagement de sa maison, appelée De Twee Haentgens et située sur la Hoochstraete entre ces quatre limites: à l'Est Colaert Oysel, à l'Ouest la veuve et les héritiers de Jaques Nolet, fabriquant de drap, au Nord la rue publique et au Sud le terrain de Ferdinande de Wolff (Register O van de Nieuwe paeybrieven, schultbrieven, zekeringen, indemniteyt ende andere verbantbrieven, fol. 108 recto; Middelbourg, Archives municipales, aujourd'hui perdues). Sur cette maison cf. ci-après pp. 230-231 et 254bis.

[2 mei 1626]

Registre dus bans proclamés dans l'Eglise réformée de Middelbourg, 1620-1631, fol. 319. - Cf. ci-avant p. 74.

 

Den 2en Meye 1626

 

.......................................

+Lowys Vergrue, weduwnaera) van Brugge2).

Hester Bekemans, jongedochterb) van Middelburch3).

Testes:

Charle Vergrue, broeder van de bruydegom, tuyght dat hy weduwnaera) is. Tanneken Coppen, moeder van de bruydegomc), verwillight int houwelyck.

Susanneken Bekemans, moeder, Hans Coene als vooght van de bruydt, verwilligen int houwelyck4).

[10 mei 1626]

Registre des baptêmes dans l'Eglise réformée de Rotterdam, 1626-1628. - Rotterdam, Archives municipales.

 

10 Mei 1626

't kint Aeberam.

Vader: Abraham Jansz.; moeder: Marya5).

(Getuyghen;) Isack Beeckmans ende Grietje Verb<e>eck6).

[p. 109]
+

Jacob Beeckman, à Rotterdam, à Justinus van Assche, à Francfort.
14 mai 1626.

Amsterdam, Bibl. de l'Eglise rémontrante (cf. ci-avant p. 75). - Autographe. - Un feuillet, côté N. 14.c. Quoique la signature manque, le nom de l'auteur se laisse aisément reconnaitre par le contenu de la lettre.

 

Amicorum integerrime et in Christo frater dilectissime,

 

Ne, dum longiores litteras ad te dare volo, nihil scribam, aut scribendi officium, prout soleo, diutiùs differam, hoc litterularum raptim exaravi.

Gratissimus nobis fuit N (sic) adventus atque illius consuetudine lubenter aliquanto diutiùs frui voluissemus. Ea de te ex illo intellexi quae gaudio me potiùs quàm dolore affecerunt. Sed malim et tecum his de rebus coram agere. Quantum nos amas, da operam, si ullo modo per ecclesiam liceat, ut hac aestate nos invisas. Gratiùs nobis nihil esse possit. Veni, veni, veni et vola.

Patris manuscripta salva sunt et tuo usui parata1).

Valent omnes quantum novi quos salvere jussisti. Soror Estera decimo tertio cal. Junij nubet viro qui patris nostri artem profitetur2).

In Ecclesiâ nostrâ omnia turbata sunt3). Tanta impudentia calumnijs proscindantur boni, ut omnis pudor excessisse videatur. Quidam hîc pro concione non erubuit dicere Christianos minùs strictè legi morali alligatos quàm Judaeos, quasi quò majora sunt in nos Dei merita, eò minorem ei gratiam deberemus; deinde appellatus privatim, se id ratione quarti praecepti dixisse affirmavit. Quo quidem praetextu ipsam pietatem videntur oppugnare. Nam cùm alia in bonos quosdam non possint confingere, hoc eos nomine conantur omnibus odiosos reddere. Nisi nos Deus benignè respexerit, actum est. Quare communibus precibus is fatigandus, ut tandem aliquando Ecclesiae suae misereatur, in quâ nihil ferè spirituale, omnia saecularia invenias.

Frater4), Thomas5 et caeteri te salutant. Schola, ut solet, adhuc floret.

 

Pridie Id. Maij 1626.

 

Tuus

 

Haec est ea epistola quam dixi ab eo, cui ad te dederam, relatam ad me fuisse.

Fac nos statim de tuo consilio certiores.

 

(adresse:)

Wysen, godvruchtigen

ende hooghgeleerden

D. Justinus van Assche

tot

Francfort6).

[p. 110]
+

[10 juli 1616]

Acta Synodalia 1618-1627. - La Haye, Archives du consistoire provincial de la Hollande meridionale, ou Rotterdam, Archives de la Grande Eglise.

 

Acta des Zuythollantschen Synodi, gehouden tot Iselstein, begonnen den 7en Julij 1626 ende geeyndigt den 17en dito.

 

....................................

Artic. 28

Syn in dese vergaderinghe verschenen Jacob Andriesz van Goch, Isaac Beeckman, Gerret Maertensz., Christiaen Carels, Jan Weymants ende Michiel Fransz. Cauwe, ouderlingen van de kercke tot Rotterdam, by welcke sich daernae hebben vervoucht Gillis Henricksz, Michiel Pietersz.1) ende Hans Vereyck, soo uut haren eygen naem, alsoock vanwegen verscheyden lidtmaten der gemelder kercke ten eenre- ende D. Petrus Nieurode, Benjamin Ryswyck, dienaren des Goddelycken Woordts, mitsgaders Dominicus Bouwens, ouderling tot Rotterdam, ter ander syde, met credentie van twee andre predicanten ende een ouderling, mede tot Rotterdam.

Ende hebben eerst de voorsz. ouderlingen den Synodo overgelevert eene sekere lange ende wytloopige remonstrantie, waerinne sy aenwesen verscheydene swaricheden in hare gemelde kercke al over merckelycken tyt ontstaen ende haerluyden misnougen over verscheyden handelingen der voorsz. predicanten tot Rotterdam. Welcke schriftelycke remonstrantie openbaerlyck gelesen, ende dese gemiscontenteerde ouderlingen ende lidtmaten wyders int lange gehoort synde, hebben de voorsz. predicanten ende ouderlinck mondelyck op alles geantwoort ende hare ontschuldinghe gedaen. Hebben mede de Gedeputeerde<n> des Synodi ende de gecommitteerde<n> des classis van Schielandt verthoont wat debvoir sy tot verscheyden tyden hebben gedaen om van alles behoorlycke kennisse te nemen, alle misverstanden tusschen partyen te weeren ende deselvige onderlinge te bevredigen, gebruyckende daertoe alle mogelycke middelen van vermaningen ende andersints, van welck debvoir de Synodus hare Gedeputeerden ende den Classe voorsz. bedanckt heeft.

De vergaderinge, in de vreese des Heeren overwegende alle tgeene nopende desen in consideratie soude mogen comen, heeft goetgevonden, dat men eerst eene prouve soude doen om door eenige leden deses Synodi de verschillende partyen te reconcilieren ende versoenen. Ende syn dienvolgende van den Synode hiertoe versocht de Eerw. broederen D. Wilhelmus Baudartius2) ende D. Jacobus Triglandius3) ende wyders gecommitteert Martinus Nicolai, Edzardus Frederici, Willem Crynsen4), Henricus Alutarius5) ende Johannes

[p. 111]

+ Celossa1), predicanten, ende Reinier Casembroodt, ouderling, geassisteert met de E. Heere Mr Pieter van den Born2), hiertoe by de Achtb. Heeren Commissarissen versocht. Dewelcke, partyen in eene bysondere plaetse gehoort ende allen mogelycken vlyt aengewent hebbende om deselve tot behoorlycke reconciliatie te brengen ende sulx ten eersten niet volcomelyck connende by de voorsz. ouderlingen effectueren, is weder de sake voor de gansche vergaderinge gebracht, dewelcke oock op een nieu met de gemelde partyen in onderhandelinge getreden synde, eyndelycken de sake door den genadigen segen Godes so wyt heeft gebracht, dat deselve met elckanderen volcomelyck verdragen ende versoent syn.

Ende alsoo dese swaricheden meest ontstaen waren by occasie van het beroupen van een predicant ofte predicanten, opdat in toecomenden tyden deselve occasie van diergelycke swaricheden ende misverstant in de kercke van Rotterdam mochte voorgecomen werden, soo in de veranderinge des kerckenraets, die geschieden moste, alsmede in de verkiesinge van predicanten, soo is goetgevonden dat uut dese Synode gecommitteert sullen worden dese ses kerckendienaren: Henricus Rosaeus3), Festus Hommius4), Gedeon van Sonnevelt5), Edzardus Auricanus6), Henricus Alutarius ende Willem Crynssen, mitsgaders Reynier Casembroot ende Michael Balden, ouderlingen, gelyck de Synodus deselve committeert mits desen om haer te vervougen binnen de stadt van Rotterdam ende uut den name deses Synodi, als van deselve ten vollen geauthoriseert synde, aldaer met goede communicatie ende correspondentie van de E. Magistraet, dienaren des Woorts, ouderlingen ende diaconen, op de gevouchlyckste wyse ende maniere sullen procederen tot veranderinge van de eene helft des kerckenraets - alsoo den tydt van de gewoonlycke veranderinge verstreken is - ende daernae voorts op deselve maniere procederen sullen tot beroupinge van twee ordinare dienaren des Godlycken Woorts voor de kercke aldaer, alsmede tot leeninge van drye dienaren des Godlycken Woorts, die onder des de kercke aldaer met dienst ende goeden raedt sullen assisteren. Ende dit alles voor dese reyse alleen, sonder eenige praejuditie van de kercke ofte magistraet voorsz., ende sonder sulx in toecomenden tyden in eenige consequentie te trecken.

In welcken alles beyde partyen, haer voor hare respective medestanders sterck makende, verclaert hebben volcomelyck tevreden te wesen ende hebben belooft haer in desen het goetvinden des Synodi ende der voorsz. hare gecommitteerden te sullen onderwerpen ende haer daerna te sullen reguleren.

Ende syn van den Synodo gedeputeert Dd. Festus Hommius ende D. Henricus

[p. 112]

+ Alutarius, dienaren des Godlycken Woorts ende Michael Baldens, ouderling van Delft, geassisteert met de-Heere Mr Pieter van den Born, Raed Syner Excellentie, by den Achtb. Heeren Commissarissen hiertoe specialyck genomineert, omme hierop de approbatie van de Achtb. Heeren magistraten voorsz. te versoucken, ende, deselve vercregen hebbende, door de voorsz. dienaren des Woorts, naer gedane vredepredicatie in beyde kercken, de voornoemde reconciliatie ende ordre des Synodi de gemeynte aldaer bekent te maken, met aflesinge van dese navolgende art<ikelen>.

‘Alsoo al voor merekelycken tyd eenige oneenicheyt ende miscontentement was ontstaen tusschen de dienaren des Godlycken Woordts tot Rotterdam ter eenre, ende sommige ouderlingen, diaconen ende ledematen der gemeynte aldaer ter andre syde, welcke niet gevouchlyck ende tot contentement der partyen conden afgedaen ende beslechta) werden, tsy by den Classe van Rotterdam ende Schieland ofte de Gedeputeerden des Zuythollantschen Synodi - soo is eyntlick de gansche sake gedevolveert tot den Synodum selver alsnu gehouden tot Iselsteyn, welcke Synodus, partyen aen wedersyden int lange gehoort hebbende ende op alles rypelyck in de vrese des Heeren lettende, heeft eyndelyck door den segen Godes de sake soo wyt gebracht, dat de twee dienaren des Godlycken Woorts, geassisteert met een ouderlingh, haer sterck makende ende verbindende voor hare respective committenten, alsmede de gemiscontenteerde ouderlingen ende lidtmaten, mede haer verbindende voor andre hare medestanders, met elckandren int vriendelyck geaccordeert ende vereenicht syn, verclarende ende betuygende oprechtelyck, als in de tegenwoordicheyt des Heeren, dat sy van wedersyden elckanderen vergeven ende ten besten houden alle de misverstanden ende misslagen, die gedurende hare oneenicheyt onderlinge begaen souden mogen syn. Beloven oock daeraen niet meer te sullen gedencken, maer met een oprecht Christelyck gemoet d'een d'ander te sullen bejegenen, eerlyck van elckanderen te sullen spreken ende gesamentlyck, naer gelegentheyt van hare qualiteyten ende ampten, den welstant der kercke Jesu Christi, specialyck tot Rotterdam, te sullen betrachten. In de versekeringe ende getuygenisse van alle twelck sy elckanderen in de tegenwoordicheyt van den ganschen Synodus de broederlycke handt gegeven hebben.
Ende opdat by deselve occasie diergelycke swaricheden in de kercke van Rotterdam niet wederom soude mogen ontstaen, is met bewillinge van beyde partyen ende met approbatie van de Eersame magistraet van Rotterdam, van de Synode goetgevonden, dat voor dese reyse - sonder eenige praejuditie van het recht der kercken ofte magistraet voorsz. - door ordre des voornoemden Synodi twee dienaren des Godlycken Woorts voor de kercke van Rotterdam sullen werden vercoren ende beroupen. Ende alsoo den tyt
[p. 113]
+ van de veranderinge van d'eene helft des kerckenraets verstreken is, dat oock door ordre des Synodi, mede voor dese reyse alleen ende sonder praejuditie, deselve veranderinge op de gevouchlyckste maniere sal werden gedaen. Dat oock onder des door deselve Synode versocht sullen werden drye dienaren des Godlycken Woorts, die de gemeynte van Rotterdam sullen helpen bedienen ter tyd toe, dat dit alles sal wesen verricht ende twege gebracht.
Aldus gedaen in de Synodale vergaderinge tot Iselsteyn, den 10en Julij 1626’.
‘In oirconde der waerheyt is ditte by de dienaren des Godlycken Woorts ende ouderlingen, mitsgaders by de lidtmaten voorsz. onderteyckent’.
‘Ende was ondertekent:
Petrus Nieurode1)
Benjamin Ryswyck1)
Dominicus Bouwens2)
Isaac Beecman2)
Michiel Pietersz Dullaert3)
Gillis Henricksz3)
Jacob Andriesz. van Goch2)
Gerret Maertensz.2)
Jan Weymants2)
Michiel Fransz. Cauwe2)
Christiaen Carels2)
Hans Vereyck3)

In margine stont:

By D. Festus Hommius van den predickstoel binnen de Groote publycke, ende by D. Henricus Alutarius in de Princenkercke deser stede Rotterdam vercondicht op den 12en Julij 1626 vóór noen4).

Onder stont:

Toorconde deses by my geteyckent als secretaris der stad Rotterdam. Ende was onderteyckent

 

Cornelis Musch5)

 

De Heere<n> Borgemeesteren ende gemeene Vroetschappen der voorsz. stede hebben soo mondeling als schriftelyck verclaert, dat hare Achtbaerheden den Synodo van de goede debvoiren ende arbeyd in desen gedaen, hoochlyck bedanckten ende int geene by de Synode goetgevonden was, consenteerden volgens de verclaringe hare Achtb. by de voorsz. Gedeputeerde<n> gedaen, te weten dat

[p. 114]

+

illustratie

t'voorheck moet lanck syn 18 duym en de heele heckesche lanck 9 voet
tgat wort geboort van de cant 2¼ d. teweten vant vyfde gat tot het bovenste toe. Daer syn 5 wachten te weten aen o, f, s, p, w
de lyny Ab is 40 roe voeten langh en recht, en cd is vyff voet, bd is 14 duym Ao is 6⅓ duim. cd is parallel met Ab, maer co en is geen rechte lyny


de meyninge des Synodi was, dat by de dienaren des Woorts ende ouderlingen van de Synode hiertoe gecommitteert, int beroupen ende leenen van de dienaren des Woordts niet en soude worden geprocedeert dan met correspondentie ende approbatie derselver magistraten, ende dat int veranderen van den kerckenraet soude werden geprocedeert, soot doenlyck was, op den gewoonlycken voet ofte andersins op een bequamer maniere, als de voorgemelde broederen sullen connen beramen, waeroppe de voorsz. vercondinge van reconciliatie ende vrede in beyde de kercken als vooren geschiet is.

Welck rapport de synodale vergaderinge met blyschap verstaende, heeft belast dat de ses broederen voorgenoemde dienaren des Woorts ende twee ouder-lingen haer met de eerste gelegentheyt naer Rotterdam vervoughen, ende tgeene aldus onderlinge is gearresteert, in den name des Heeren verrichten sullen1).

 

Journal, fol. 256recto. La note suivante et la figure adjoin te se trouvent entre la note qui se termine par les mots ‘Siet. fol. 245’ à la p. 357 de notre t. II et celle qui débute par les mots ‘Den 6en Augusti’ à la même page 357. La note date donc de l'époque entre le 22 juillet et le 6 août 1626. Avec son teste la ligure occupe toute la longueur de la page, c'est à dire 34 centimètres, dont la figure elle-même demanda 27 centimètres: nous l'avons dû réduire à environ sa moitié.

 

Dit lanck pampierken, hier opgeplackt, heeft Abraham, de meulemaker2), my behandicht3), int welcke

[p. 115]

+ te sien is, hoe men ordinaris de latten ende stocken van de vlercken der windt-molens maeckt, om ter gelegener tyt te bedencken waerom de vlercken so geboghen syn, waerom daer, ende waerom niet meer of min, etc.1).

Jacob Beeckman, à Rotterdam, à Justinus van Assche, à Cologne
10 octobre <1626>

Amsterdam, Bibl. de l'Eglise réformée rémontrante, - Autographe, côté N. 14. d. - Une feuille très abimée nu còté droit; nous avons mis entre crochets ou indiqué par points les mots supposés être disparus.

Le nom de l'auteur résulte du contenu; l'année qui manque, de diverses notes que nous avons ajoutées.

 

Proximis tuis litteris2), amicorum integerrimè et in Christo frater dilectissime, eo ipso quo r[edditae] mihi fuerant die, quantum memini, rescripsi3); quae tamen epistola ad te perlata non est, sed [re]lata et quidem multò post, illius, cui commiseram, negligentiâ; neque quo eam loco sep[osuit] neque quo argumento fuerit scio.

Gaudio enim propemodum lacrimavi; neque id continere potui, neque committere quin hoc ad te litterarum statim exararem, neque tamen quibus animi mei affectum verbis exprimerem reperire; sed tu vocem meam non desideras qu[em] nosti. O te pastore, beatam Veriam nec minus nos te vicino, modo proprium hoc nobis bo[num] esse velit4). Quam inexspectatum, neque tamen prorsus insperatum, certè exoptatissimum, [id]nobis attulerunt litterae a Cornelio, D. Eliae Vincentij consularis Veriani5) filio; cùm in[tellexi]mus te postridie Cal. Oct.6) duobus suffragijs, victo D. Beukelario7) (quem etiam [tùm] virum [tùm] concionatorem bonum et haberi audio et esse credo), te, inquam, Verianis tuis pas[torem] renuntiatum, quos vidi, cùm ibi nuper essem, summo tui desiderio teneri; cui tempo[ri] te credere me non indormivisse. Quantum verò Cornelio Karremanno8) chirurgo deb[ent] hoc nomine sui cives, coram, ut spero, cognosces, sed non sunt haec hujus loci. Tu in[terea], noli tergiversari et divinae providentiae quam ego hîc admiror, pare, ut, quorum tu h[actenus] in aere fuisti9), ijs multò plus tibi se debere aliquando intelligant, ac sibi ipsos tum magis con[scient] quàm tibi, cùm tantulo te stipendio civitati suae redimerent. Vide ne quid antiquiùs quàm ut tua pietas, tua studia, tua prudentia, usu jam corroborata, ad tuorum [operum] fructum quàm fieri potest maximum redundent. Paucis ubi nunc es, prodesse p[otes, in] privatos parietes, voce tuâ conclusâ et certis quibusdam hominibus alligatâ sine s .... rum, etsi vel unam ovem Christo lucrifecisse praeclarum est. At hic se latius de[feret] vox tua eâque in templis publicis plurimorum aures personabunt, certisque [rebus] spem certissimam concepi futurum

[p. 116]

+ brevi ut quam languentem in pietatis s [....] cedens reliquisti Veriam1) quaeque ut ille Macedo Pauli, sic ipsa nunc tuam op[era]tur implorare; eam tua diligentia per Dei gratiam ita excitet, ut exempla quodammodo pietatis petiturae sint ab eâ vicinae civitates. Quare ades, mi Van Asschea), et caeteris pijs viris laboranti succurre patriae, cui, nisi Deus mare et ventos in[firmet], gravissimas procellas videor mihi prospicere impendentes.

Sed miraberis fort[asse] quid mihi velim, qui te, quem suâ sponte officium facturum sciam, cohortandum tam longis litteris susceperim. Tu verò, mi Van Asschea), super-vacaneam hanc operam p[robe] nosti ex abundantiâ amoris in te mei procedere, qui desiderio rei expetitae, etsi, .... tuat ut id, quod vult, assequatur, non videt; metuere nihilominus tamen i[nterim] solet, sic ego, etsi timoris mei justam causam explicare non possum. Venit tam[en mi]hi nescio quomodo in mentem subvereri ne te secessus ille delectet sibique jam longâ [consue]tudine vindicaverit ac pericula homini Christiano salutaria magis esse credas [quàm] securitatem: quo animo videris fuisse cùm Colonienses stas latebras aulae Verianae praetulisti. Gratulor equidem huic tuae menti quantumque tuam ad pietatem contule[rit], litteris nihil nisi pium redolentibus cognovi. Sed crede mihi, amplior hic erit v[....] locus, non latebras quaerenti, sed in aciem adversus domesticos hostes, quibus no[n minus interiùs] quàm exteriùs laboramus, procedenti, unde tibi ac caeteris bonis certamen [esse] intelligo, sed quod victoria et triumphus, nisi lucernam Evangelij Deus hi.... ferre decreverit, consequatur. Disrumpantur licet invidia et infoelicem .... bonorum exerceant convitio: instent, commordeant, citiùs multô frangen[tur] quàm impriment. Subnixas enim mendacio calumnias quibus bonos asperg[untur], videri malunt boni quam esse; protrahet in lucem veritas, cujus tanta [vis in]tra hominum ingenia, calliditatem, solertiam contraque fictas omnium in(vidia] se per seipsam defendat moram assecuta.

Sed quorsum evado? In hanc indispo[sitionem] si ingredior, longiùs provehar neque intra triduum epistolam conclusero. [Finem] faciam ubi et admonuero haec non tua potiùs causâ dici quâ nostrâ, quorum suetudinem suspectam habebis si rationibus tuis consultum voles. Jampridem en[im] nullo, quod sciam, nostro merito, nisi quia bonis patrocinamur, famâ adversâ la[ceramus] quâ tu hactenus integrâ fuisti: qui ita instituisti vitam tuam ut summis p[robis] ac infimis, doctis atque indoctis, juxta gratus esses et, quamquam morum tuorum su .... reliquaeque tuae virtutes caeteris sua exprobabant vitia, offenderes tamen ne .... tuae felicitati, vel potiùs prudentiae, summopere gratulor ac nobis etiam gaudeo; ad a[mussim] non mediocrem fructum haec redundatura confido propediem.

Quod enim supra coet .... minibus te objeci, id nunc muto; futurum enim brevi auguror ut et tu, neutris vel potiùs .... trisque addictus, numerum eorum augeas, quibus nihil est antiquiùs quàm dessidentium inter se orthodoxorum nostratium animostrimium suspicaces, à libidine contendendi ad modestiam traductos reconciliare et viros pios e suspicione quâ (alijs conviventibus, alijs vel frigidè vel imprudenter defendentibus, quibusdam etiam applaudentibus et oleum camino addentibus) vehementer etiam apud sui simillimos, cum magnâ pietatis jacturâ, immeritò laborant, vindicare. Fretus autem ingenij tui moderatione, affirmare non dubitavi ipsum D. Deinsium2) si te bene nosset, quem tibi praeferret: habiturum neminem, cujus animum non esse à te alienum ex Karremanno3) jam

[p. 117]

+ pridem, nuper ex D. Nicolai Honichij1) litteris intellexi. Gaudeat ergo tua Veria suo tam excellenti bono et cum civium suorum salute perfruatur. Quod faxit Deus Opt. Max. cujus Angelis ducibus tibi viae molestijs et periculis defuncto incolumem et faelicem ad tuos reditum comprecamur. Porrò considerandum prudentiae tuae relinquo an non operae precium sis facturus, si captatâ in itinere, ubicunque commodura erit, occasione, priusquam te Verianis tuis ostendas, publicè in templo ampliore vocem ter quaterve exercendo contentioni adsuefacias.

 

Scriptâ jam epistolâ cum dolore intellexi, cùm mentio tui primùm in Synedrio fieret, prolatos ad E.D. codicillos Gallicè scriptos quibus J.V.A. arguebatur author fuisse exitij et pernicies Gallici cujusdam ministri Durei2), qui per hunc in phrenesin incidisset cùm uterque nescio quem librum tractasset qui de revelationibus et alijs id genus ageret. Sed id a presbyterio rejectum esse, neque creditum, cum eo magis accersendus dicerere, et super eâ re examinandus; qui autem scriptum illud protulerant, ulteriùs non ursisse. An omnino causam hanc dimisuros, an in classe retractaturos, nescio. Hoc tibi sub fide silentij notum esse volui, ut, quid facto aut responso opus sit, si quid tibi tale obijciatur, antè deliberes. Nos quidem judicamus nemini per litteras esse respondendum: coram dices quod opus fuerit; neque tamen, si quid dubites, id imprudenter exprompseris, si et tibi et Ecclesiae et nobis consultum voles; post autem, aetate et usu firmior, communicabis cum viris pijs et eruditis, suspenso interim judicio; aliter enim si faceris, in eos laqueos te indues quibus te non facilè queas expedire. Quare, quantum potes, in viam te da, ne litterâ quidem chartae commissâ. Nos si ex itinere convenies, de re tuâ et publicâ feceris; idque ut facias per nostram <in>a) te amicitiam, etiam nostrâ, sed multò magis Ecclesiae causâ, non rogamus, sed jure mutuò postulamus, et si audire vis, jubemus. Nihil enim nobis longiùs est quàm ut te videamus, quàm ut tecum de hac re alijsque rebus gravissimis (quas nostrâ omnium interest te scire) communicemus, Cujus autem fidei tutiùs quàm nostrae omnia tua committas, scis te habere neminem.

 

Vale, mi Van Asscheb), et amicissimis pare. Noli committere ut iniquorum calumniae candore tuo abutentium, operam tuam Ecclesiae subtrahant. Deus autem te suo spiritu magis magisque illuminet3).

 

Sexto Id. Oct.

 

Vide quàm sit notus multis noster amor: quatuor amici simul ut te ministrum renunciatum cognoverunt, etsi nihil aliud, quod scriberent, habebant, hoc tamen suum gaudium per

[p. 118]

+ litteras mecum communicandum putaverunt. Quorum novissimus optimè de nobis meritus, admonuit ut facerem id quod jam in primâ parte harum litterarum facere coeperam: si tu nimirum hac (quod facturum suspicabatur) transires, pluribus quo loco res nostrae ecclesiasticae sint, tibi exponerem. Quod nusquam meliùs, mihi crede, quàm hîc poteris cognoscere1).

 

(adresse:)

Wysen, godvruchtigen

ende hooghgeleerden

Justinus van Assche

tot

Ceulen2).

 

Tresoriersrekening van het Groot Comptoir over 1626 de la ville de Dordrecht, fol. 105verso. - Dordrecht, Archives municipales.

Hendrick van Besoyen de somme van thien ponden te XL grooten voor zyne vacatien, reys- ende teercosten int brengen van seeckere missive van de schoolversorgers aen den rectoor Emilius3) tot Utrecht, volgens d'ordonnantie van myn E. Heeren ende quitantie................................ X £4).

 

Caspar van Baerle5) (Barlaeus) à Leyde, à Petrus Gruther (Gruterus)6), à Amsterdam.

 

décembre 16267)

 

Texte de Casparis Barlaei med. doct. ac philosophiae in Ill. Amstel. Gymnasio dum viveret Professoris Epistolarum Liber. Pars prior. Amstelodami, apud Joannem Blaeu, M.DC.LXVII, in-8o, p. 207.

 

Jam dudum ad litteras tuas respondissem, mi Grutere, si desiderio ac votis tuis satis-

[p. 119]

+facere potuissem. Nec enim quidquam de Spartâ istâ Dordrechtanâ resciscere licuit, utcunque inquisiverim curiosiùs1). Ut nesciam an Andromedam istam (ita tu ἀλληγορεῖς) elocaverint Reip. istius patres, an verò elocanda adhuc sponsum expectet. Ego satur Andromedarum, illam tibi Perseo suo occupandam relinquo. Nee enim clunispicum ispicum ambitu teneor, aut ad palatia vestra adspiro, ubi vivorum hominum posticum corylorum extremitates lancinant....

Caspar van Baerle (Barlaeus), à Leyde, à Petrus Gruterus, à Amsterdam.
Décembre 16262)

Texte de la p. 209 du recueil cité ci-dessus p. 118.

 

.... Quod litterarum ministerio testaris famam tibi peperisse, Dordrechtanam ferulam electioni meae commissam fuisse, verum est et nihil hîc falsi per dentales parietes famae effugit. Ego ferulam ac virgam abs me relegavi, cauto et mihi arridenti spretu. Nec enim calendaria ista bifolia peccantis pueritiae lubens inspecto, nec tribus obire volo, quo ad hanc dictaturam ab aratro ordinarij mei laboris quadrijugo curru perveniam. Quamobrem patior, ut mihi repuditiae hujus Spartae honos cantetur.

Scire desideras, velut exerta proboscide, in quem confarreandae Andromedae fata transierint. Sed rictu hiante tibi veritatem pandam. Divam illam adhuc scopulo adhaerere et quaeri adhuc Persea, qui eam debellato sinistrae commendationis monstro auferat, et Thalassio ac Hymen Hymeneae canat. Dos ejus, quâ elocabilis rivalitatem in multis excitat, ad sexcentorum florenorum precium accedit. Sed uberior ea fuerit, si dignum procum nancisci possit, qui eam accensa doctrinae suae ac famae taeda domum ducat. Tu argumentorum tuorum seriem ad aucupandam illam Divam dirige et evigila, ut porrigenti antias Rhamnusidi dextrâ ac sinistrâ manu adsis. Debebis enim constructos Amstelodami modulos dilatare, nec secundariae semper notae esse magister. Quod si in contrahendis hisce sponsalibus balbutiem meae interlocutionis pati velis, ita me ad hanc Divam applicabo, ut pronuba favente ad jugales taedas adscendas....

 

Tresoriersrekening van het Groot Comptoir over 1626 de la ville de Dordrecht, fol. 98verso. - Dordrecht, Archives municipales.

 

Mr Cornelis van Beveren3), borgemeester deser stede, de somme van vyerentwintich ponden twee schellingen van XL grooten 't pont, over syne verschoten reyscosten ende geleden vacatien, dat hy in deesz jaere XVIe sevenentwintich van deser stede wegen tot Rotterdam is geweest omme den conrector aldaer4) te sonderen, alles breeder uitwysende zyne declaratie, die men met ordonnantie ende quitantie daertoe dienende overlevert .............................. XXIIII £ II sch.5).