Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 39]

Kollum

De hoofdplaats en naamgever van de grietenij komt als enige plaats in Kollumerland, onder de naam Colleheim, voor in het oudste register van het klooster Fulda, dat gedateerd wordt in de tweede helft van de 8e eeuw (Dronke, c. 8, c. 37). De nederzetting is ontstaan op de noordelijke rand van de pleistocene zandgronden. In het algemeen wordt aangenomen dat deze, van oorsprong deels met veen bedekte gronden in de 11e tot 13e eeuw zijn ontgonnen. De oudste naamsvermelding van Kollum duidt dus op een zeer vroege occupatie op de rand van de zandgronden, een situatie die vergelijkbaar is met het eveneens zeer oude Rinsumageest in de naburige gemeente Dantumadeel (Dantumadeel, 115-118). De situering op de rand van de pleistocene gronden blijkt behalve uit kaartanalyse ook uit archeologische opgravingen rond de Nederlands Hervormde kerk. Het bedehuis is gebouwd op een kunstmatige verhoging van meer dan drie meter en staat feitelijk buiten de ter plekke sterk in noordelijke richting afhellende pleistocene gronden (Buil. k.n.o.b., 1964, kol. 58, 59).

De ontwikkeling van de nederzetting is vermoedelijk gestimuleerd door de ligging aan vaarwater naar zee. Dit water betreft de Dwarsried, de bochtige voorloper van de in het begin van de 16e eeuw gegraven Zijlsterried, die de nederzetting verbond met het tegenwoordig ruim twee kilometer noordelijker gelegen Grootdiep. In de vroege middeleeuwen zal de kustlijn zich aanzienlijk dichter bij Kollum hebben bevonden. Oorspronkelijk lag de vaart in het dorp westelijker dan tegenwoordig, getuige de vondsten van kademuur- en sluisresten, zuidoostelijk van de kerk (Bosgraaf, 1984, 17). Op het kadastrale minuutplan is dit oude beloop in de percelering nog zichtbaar. Mogelijk hangt de verlegging samen met het graven van de Zijlsterried en het zuidwaartse verlengde daarvan, wat vermoedelijk ook aan het begin van de 16e eeuw plaatsvond. Zuidelijk van Kollum sloot deze vaart aan op een vermoedelijk reeds bestaand tracé dat in het Bergumermeer uitmondde (Andreae, '83, 33-35).

Dankzij de ligging aan een doorgaande vaarverbinding ontwikkelde Kollum zich in de 16e tot 18e eeuw tot een handels- en scheepvaartcentrum van belang. Daarmee kan de plaats tot de groep van Friese ‘vlekken’ gerekend worden, nederzettingen zonder stadsrecht, maar met een handels- of scheepvaartactiviteit die soms groter is dan die van de kleine Friese steden. In de bronnen wordt Kollum een enkele maal - opportunistisch of abusievelijk - ‘Colmerstadt’ genoemd (Andreae, '83, 57). De belangrijkste activiteiten bestonden uit de handel in boter, kaas, granen, bier, hout en vis. Daarnaast kwamen kleine industrieën voor zoals leerlooierijen, pottebakkerijen, bontwerkerijen, kalkovens, (olie)molens, een lijnbaan en een scheepstimmerwerf. Ter bevordering van handel en scheepvaart waren in de 16e eeuw twee jaarmarkten en een weekmarkt ingesteld. Stedelijk aandoende instellingen als een gasthuis, weeshuis, armenhuis en een Latijnse School waren in 1579 reeds aanwezig.

 

De plattegrond van Schotanus uit 1718 geeft een in opzet eenvoudige ruimtelijke structuur: de bebouwing ligt vrijwel geheel aan het assenstelsel, gevormd door de Voorstraat en de Zijlsterried (Diepswal), waarbij de oudste as, de Voorstraat, van het meeste belang is. Deze structuur is op dat moment al enkele eeuwen oud. Volgens naspeuringen van Andreae zou in de 14e eeuw nog sprake zijn geweest van twee min of meer zelfstandige buurtjes, het eigenlijke ‘Collum’ bij de kerk, en ‘Annyebuiren’

[p. 40]



illustratie

Afb. 59. Kopie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 41]



illustratie

Afb. 60. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


oostelijk daarvan. Later zijn beide aaneengegroeid en in de eerste helft van de 15e eeuw zou de dorpsbuurt al ongeveer dezelfde omvang hebben gehad als aan het einde van de 19e eeuw. In de loop van de 16e eeuw vindt de eerste vermelding plaats van de Pelserstraat en de Nieuwstraat, de huidige Torpmastraat (Andreae, '85, i, 15, 20).

In functioneel opzicht vindt in de 18e en in een groot deel van de 19e eeuw geen verdere ontwikkeling plaats, waardoor ook de ruimtelijke structuur geen wezenlijke verandering ondergaat. Het Rechthuisplein, in feite een zeer brede kade achter het Rechthuis langs de trekvaart, blijkt in 1764 aanwezig te zijn (Andreae, '85, i, 22). Het kadastrale minuteplan van 1823 geeft dan ook hetzelfde beeld als de Schotanusatlas: aan de Voorstraat heeft zich een vrijwel gesloten gevelwand, voornamelijk bestaande uit woonhuizen, ontwikkeld terwijl de bedrijfsbebouwing voornamelijk aan de Diepswal gevestigd is. Wel neemt sinds de tweede helft van de 19e eeuw de woonfunctie toe, aanvankelijk vooral voor welgestelden, getuige de bouw van een aantal villa's aan de Voorstraat. Kort na 1900 ontstaat in het zuidwestelijke kwadrant

[p. 42]



illustratie

Afb. 61. Kopie van het kadastrale minuteplan Kollumerzijl, omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 43]



illustratie

Afb. 62. Luchtfoto Kollumerzijl. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


van het assenstelsel een nieuwe wijk, voornamelijk bestaande uit volkswoningbouw, waarvan een deel wordt gerealiseerd door de toen sinds kort bestaande woningbouwverenigingen. Met de bouw van deze wijk is een ontwikkeling op gang gekomen waarbij de lintbebouwing langs een tweetal hoofdassen niet langer uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkelingen vormt. Na de Tweede Wereldoorlog treedt een aanzienlijke groei van het aantal woningen op. Het traditionele kruispunt van Diepswal en Voorstraat komt daardoor wat afzijdig te liggen in het sterk vergrote dorp.

[p. 44]



illustratie

Afb. 63. Kopie van het kadastrale minuteplan Zeedijk en kwelders ter plaatse van de latere Eskespolder, omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 45]



illustratie

Afb. 64. Luchtfoto Eskespolder. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 46]

Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk, volgens het Beneficiaalboek aan H. Martinus gewijd, ligt in een ruim verhoogd en ommuurd kerkhof aan de noordzijde van de Voorstraat. De kerk is eigendom van de Hervormde Gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente. (afb. 65, 66, 67, 74-105, 107-110).

 

+ Benef. 225; r.v.g.o. 194; Charterb. i, 651, 665, 713; Andreae '85, i, 51 e.v.; P.J. Blok, J.A. Feith, etc. Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, Groningen 1899, nr. 715; Wumkes i, 316; Douma, 69 e.v.; Nieuwsbull. k.n.o.b. 1964, 58, 98; 1965, 40; Herma M. van den Berg, Kollum in Oostergo, Bulletin k.n.o.b. 1970, 62 e.v.; H. Halbertsma in Publ. Band a.f.t. 1972, 116; R. Bosgraaf, De Maartenskerk te Kollum, Kollum 1973.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1723, Coll. Fries Museum, Leeuwarden; Schetsen Ad. Mulder 1981, archief r.d.m.z. Zeist.

 

+ De kerk wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1383 waarin curati ecclesiarum Dockum et Collum genoemd worden en dat door pastoor Lyudulfus van Kollum gezegeld is. Ook in 1408 zou de kerk van Kollum als ecclesia parochialis voorkomen volgens Andreae. Eind 15e eeuw blijkt de kerk een dekanale seendkerk te zijn (Charterb. i, 713). In 1543 zijn er naast patroons- en pastorielanden vicarie-goederen en een S. Anna- en een Sacramentsleen; in 1580 bovendien een H. Kruisleen. In 1574 werd 7 pdm land verkocht ter dekking van kosten van een ‘nieuw orgel in de kerck ende andere ornementen en reparatien’(Decretale verkopingen, It Beaken 1965, 143 uit Hof van Friesland iii, 4, 267). Eveneens in het Hof van Friesland iii, nu op 16, p. 412 (1665) wordt vermeld, dat Pibo van Doma en Gaius van Broersma gecommitteerden en kerkvoogden van Kollum, 3 pdm land verkopen om schulden af te lossen die zijn ontstaan ‘wegens opbouwinge van de kerk te Kollum’(Van der Meer). Andreae weet te melden, dat de torenspits in 1661 na blikseminslag afbrandde en door Bonne Alberts hersteld werd. Hij sneed zijn naam en jaartal 1661 in een spant van de kap van de kerk, die hij tevens geheel vernieuwde. De bovengenoemde verkoop van land hangt daarmee kennelijk samen.

Wumkes vond een aanbesteding voor het afbreken en wederopbouwen van ‘het afdak van kerk en toren’ in 1780. Moeten we daaruit de dakbedekking lezen? Of het dak over de noordbreuk? De kap over de kerk bleef in stand blijkens bovenvermelde signatuur. Van der Aa vermeldt, dat er ‘voor weinige jaren grote glazen ingezet zijn’. Ook dat is vrij raadselachtig, tenzij de schrijver bedoelen zou, dat de gotische beglazing nog aanwezig was en toen vervangen werd door de acht maal acht ruiten, die voor de restauratie in de vensters aanwezig waren. Kerk en toren zijn respectievelijk in 1960-1962 en 1962-1968 gerestaureerd o.l.v. het bureau Vegter te Leeuwarden.

Behoudens technische ingrepen om verzakking tegen te gaan, werd de pleister, waarmede het muurwerk onder de waterlijst van de vensters verbeterd was, afgenomen, werden de steunberen rondom de kerk opnieuw aangebracht en de vensters van bakstenen vorktraceringen voorzien. Aan de noordzijde werd een 17e-eeuwse westwaartse verlenging van de noordbeuk verwijderd en een nieuwe westelijke sluiting aangebracht, waarbij de fundering van de voormalige traptoren te voorschijn kwam. Een toegang aan de oostzijde van het koor werd verwijderd en de kerkeraadskamer vernieuwd. De opstelling van het meubilair werd gemoderniseerd en alle belangrijk geachte zerken werden op het koor gelegd. Tevens kwamen er muurschilderingen aan het licht. Tijdens de restauratie is een bodemkundig onderzoek verricht in en buiten de kerk. Deze bleek op een terp te staan, die opgeworpen was als noordelijke uitbreiding van een diluviale rug en omgeven was geweest door een diepe gracht, die later verder buitenwaarts was gelegd of door een tweede gracht was omgeven. Onder de vloer van de kerk werd een fundering bestaande uit zwerfkeien aangetroffen van een eenbeukige kerk ter breedte van de tegenwoordige hoofdbeuk en voorzien van een halfronde absis. Dieper dan deze fundering zijn resten van doodkisten gevonden, begraven in oostwestrichting met een noordelijke afwijking van de tegenwoordige as van de kerk.

+ De tweebeukige bakstenen kerk bestaat uit een vijf traveeën diepe hoofdbeuk, overgaand in een vijfzijdig gesloten koor en ten noorden van de hoofdbeuk een smallere rechtgesloten zijbeuk. Hoofd- en zijbeuk zijn gescheiden door een vijftal spitsbogen die neerkomen op smalle lijstkapitelen van drie korte zware kolommen op

[p. 47]

achtzijdige basementen. Hoofdbeuk en koor zijn overkluisd door stenen kruisgewelven; in de noordbeuk zijn deze bij de restauratie opnieuw aangebracht.

 

+ De toren is deels uit baksteen, deels uit tufsteen opgetrokken en gaat - behoudens een venster aan de westzijde, smalle lichtspleten en galmgaten, - gesloten op. Hij is later met een korte, iets versnijdende geleding verhoogd, waarin aan iedere zijde een spitsbogig galmgat staat.

+ Het muurwerk van de toren bestaat beneden uit grote baksteen 30-31 × 8-9 cm 10 lagen 89 cm. Van vijf meter hoogte af is het muurwerk uit tuf opgemetseld, althans de schalen waartussen evenals in het bakstenen gedeelte, specie met puin en veldkeien is gegoten. Ter hoogte van het oorspronkelijke galmgat gaat het muurwerk weer over in baksteen, hier met dikkere voegen verwerkt tot 10 lagen 108 cm. De bovenste geleding is aan de buitenzijde met kleine steen van 20 × 4,2 cm bekleed en bestaat inwendig uit moppen.

+ Het oorspronkelijke torenlichaam vertoont aan elke zijde in de bovenste helft een spaarveld tussen lisenen; het bekronende fries zal bij de verhoging verstoord zijn. In het spaarveld stonden, naar aan de binnenzijde was waar te nemen, aan elke zijde binnen een rondbogig gesloten nis twee smalle gekoppelde galmgaten, eveneens rondbogig gesloten. Uitwendig was de westzijde vanaf het spaarveld geheel bemetseld, de noordzijde gedeeltelijk en aan de zuidzijde (dorpszijde) is over dit galmgat het wijzerbord geplaatst. De galmgaten bevinden zich nu in de lage bovenste geleding en zijn spitsbogig met een kopse sprong als profiel en vellingkanten, zoals aan de zuid- en oostzijde gevonden werd. Alleen in het benedenste gedeelte heeft de toren vensters: aan de westzijde een tweemaal geprofileerd rondbogig en aan de zuidzijde een met een enkele kopse sprong omlijst en wat hoger geplaatste lichttoevoer, die waarschijnlijk later naar beneden verlengd is. Aan de westzijde staat op die hoogte een klein rondboogvenster waarin fragmenten van rode Bremerstenen sarcofaagdeksels waren toegepast en vlak onder het spaarveld nog een. Aan de zuidzijde is onder aan de toren een klein verdiept veld intact gelaten, nadat een zerk, die daar ingelaten was wegens verwering verwijderd was.

+ Het inwendige van de toren is op de begane grond gedetailleerd door met een sprong geprofileerde nissen, te weten twee aan elke zijde van de torenwanden, een in de dagkant van de oostelijke toegang en nog twee aan weerszijden van deze toegang aan de oostzijde van de toren. De oostelijke toegang is evenals de nissen rondbogig en met drie sprongen gedetailleerd; ter hoogte van de boogaanzet loopt een hollijst, die zich over de oostelijke buitenzijde en aan de overige zijden inwendig voortzet. De nissen aan de oostzijde zijn niet geprofileerd en dieper dan de overige. Boven de nissen is de muraal zichtbaar van een voormalige overkluizing van de benedenruimte van de toren. Op de verdieping boven het voormalige eerste gewelf is in de oostwand een hoge smalle doorgang naar de kerk. Boven de derde lichtopening in de westgevel is een tweede gewelf geweest blijkens nog aanwezige aanzetten in de hoeken. Daarboven is aan de noordzijde een toegang, die oorspronkelijk bereikbaar was via een gemetselde spiltrap, die in een achtzijdige traptoren liep. De grondslag hiervan was duidelijk te zien en de aanhechting is nog in zicht gelaten. In de pijler tegen de toren, die de eerste scheiboog steunt. Thans is de westelijke beëindiging van de noordbeuk eroverheen gebouwd. Boven het voormalig tweede gewelf begint de klokkestoel, ten behoeve van klokken op de hoogte van de oude galmgaten. In de verhoging van de toren staat een tweede korte ijzeren klokkestoel. De toren is bekroond door een hoge houten, met leien beklede naaldspits met vier kleine kapellen. De spits bestaat uit twee lagere en twee hoge achtzijdige spanten, rond een makelaar die op het onderste spant rust.

+ Op de zuidelijke torenwand is voor het oude galmgat een wijzerplaat bekroond door een fronton waarop drie vazen. De plaat is bij restauratie gehandhaafd, het jaartal 1917 is herhaald, hoewel dit aan een vroegere schilderbeurt lijkt te herinneren. De omlijsting is vernieuwd, waarbij een geschilderde strik aan de bovenzijde kwam te vervallen.

 

+ Het steenformaat van het schip beloopt 28-30 × 8,5-9 cm, 10 lagen 97 cm. Inwendig is aan de zuidermuur veel secundair tuf gebruikt. Aan het koor is de steen langer, 30-31 × 8,5-9 cm, 10 lagen 98 cm, doch opnieuw gebruikt; aan de noorderbeuk dunner 29-31 × 8-9 cm, 10 lagen 90 cm. De overgang tussen koor- en schipmateriaal bevindt

[p. 48]



illustratie

Afb. 65. Hervormde kerk. Plattegrond en lengtedoorsnede. Getekend 1984 naar tekening H. van der Wal 1947.


[p. 49]



illustratie

Afb. 66. Hervormde kerk. Dwarsdoorsneden. Getekend 1984 naar tekening H. van der Wal 1947. Voor legenda zie afb. 65.


[p. 50]

zich tussen de vierde en vijfde travee. Aan de zuidzijde en aan het koor zijn de vensterdorpels en afzaten van rode zandsteen. De gewelven bestaan uit steen van 27,5-29 × 5,5-6,5 cm.

+ De steunberen aan de zuidzijde zijn bij de restauratie herbouwd ter plaatse van moeten en funderingen. Alleen aan het koor waren de middelste twee en de noordoostelijke nog aanwezig. Bij het afnemen van de pleister die beneden de omgaande waterslag was aangebracht, kwam een oude korfbogige ingang in de vierde travee aan het licht; deze is in gedichte vorm hersteld met een rechthoekig omgaande waterlijst. De vensters waren voor de restauratie gevuld met achtmaal acht ruiten tussen houten roeden die in de koppen, vorkvormig verdeeld, met het beloop van de vensterdagkant meeliepen. De vensterkoppen bestaan aan de vier schiptraveeën uit kleine steen, zodat aangenomen mag worden dat zij bij het aanbrengen van de vulling met houten kozijnen, vernieuwd zijn. Hierop kan de mededeling van Van der Aa betrekking hebben, die vermeldt dat de kerk voor enige jaren ‘met grote glazen voorzien’ was. Alle vensters zijn thans gevuld met bakstenen vorktraceringen. Het venster in de vijfde travee is smaller en staat oostwaarts van het midden van de travee. Waarschijnlijk samenhangend met de aanhechting aan de bestaande kerk. Het laatste venster van het koor en de twee aan weerszijden van het middelste aan de sluiting waren gedicht en zijn thans weer beglaasd. De ingang bevindt zich in de eerste travee en is met kleine steen omlijst gelaten ter aanduiding dat hier een portaal heeft gestaan, zoals op oude afbeeldingen te zien is. Aan de oostzijde van het koor was een ingang ingebroken, die thans weer gedicht is. Tegen de noordbeuk stonden zeer brede, weinig diep gefundeerde steunberen, in 1608 aangebracht blijkens een opschrift op de pleisterlaag in de noordbeuk: ‘Anno 1608 syn/deze pil/arsma/ct.’

De noordbeuk is aan de oostzijde rechtgesloten en was tegen de onderbouw van een steunbeer van het koor gebouwd. De tweede travee van het koor is blind, doch heeft een smalle doorgang gehad naar een voormalige of niet tot stand gekomen sacristie. De waterlijst en de plint lopen door en er was de moet van een steunbeer of van de oostmuur. Thans staat hier de herstelde 19e-eeuwse consistorie. In de vensters van de noordbeuk zijn enkelvoudige vorktraceringen gemetseld, binnen de in de onderdorpel aangetroffen steenbrede dagstenen. Ter vervanging van de beren van 1608 zijn bij de restauratie eenmaal versneden steunberen aangebracht met omgaande waterlijst, behoudens op de hoeken waar de diepe vorm werd gehandhaafd. Alleen aan de noordbeuk was de oorspronkelijke bovenste afwerking van de muur nog aanwezig in de vorm van een afgeschuinde lijst op muizentand. De latere westwaartse verlenging van de noordbeuk is verwijderd en vervangen door een nieuwe westmuur.

+ Hoofdbeuk en noordbeuk worden gescheiden door korte ronde kolommen, die met de noordbeuk sterk verzakt waren. Een en ander is tijdens de restauratie door middel van beton verstijfd. De ronde kolommen staan op een tien zijdige basis met een rood zandstenen dekplaat. De deklijst van de kolom is van witte zandsteen. Boven de scheibogen staan aan de schipzijden in de eerste vier traveeën nissen, met een dubbel holprofiel omlijst, waarvan het buitenste op een teenstukje neerkomt. Binnen de nissen zijn kleine korfbogig gesloten velden uitgespaard, omgeven door een eveneens op een teenstukje neerkomend holprofiel.

Het veld boven de vijfde scheiboog is onversierd behoudens een schildering (zie aldaar). Dit veld is ook smaller dan de overige, waar de muralen van de gewelven over het schip op ongeveer 25 cm afstand van de opgaande schalk neerkomen en door een holgeprofileerde lijst ermee verbonden worden. De schalk die van de lijst van de pijlers opgaat is van weerszijden hol geprofileerd. Aan de zuidzijde lopen deze schalken tot beneden toe door, waar ze van een basement opgaan. In het koor lopen zij langs de pilasters, die ook hol geprofileerd zijn, behalve aan de koorsluiting waar de schalken kralen vormen. De meest westelijke aan de zuidzijde, is eveneens een kraal en draagt een gebeeldhouwd kapiteeltje. Waarvan de voorstelling moeilijk herkenbaar is: Jonas door de walvis uitgespuwd? (afb. 89). De muralen zijn hol geprofileerd met uitzondering van de vijfde schiptravee waar ze aan noord- en zuidzijde ondieper en afgeschuind zijn. In de basementen is in de vierde travee een overgang waar te nemen in de profilering, die aan de westelijke pilaster dieper uitgehold is dan aan de oostelijke. Daar ook is de wisseling van de profilering van de muralen waar te nemen. De gordelbogen zijn in het schip hol geprofileerd, in het koor bol met neuslijst, evenals

[p. 51]



illustratie

Afb. 67. Hervormde kerk. Details kolommen, wandpijlers en voormalige ingang zuidzijde. Getekend 1987 naar opmeting H. van der Wal 1946, tekeningen ir. J.J.M. Vegter 1965 en eigen waarnemingen.


alle ribben. De kleine lijstkapiteeltjes aan de schalken en muralen zijn van rode zandsteen, die bij de restauratie, waar nodig, vervangen is door Vaurion kalksteen. Onder de vensters van het koor staan diepe korfbogig gesloten spaarnissen.

In de noordbeuk zijn bij de restauratie gewelven aangebracht op de aangetroffen basementen en opleggingen. Schalken waren nergens aanwezig; in de lijstkapitelen ontbraken gedeelten, waar consoles onder de schalken te verwachten waren (vgl. kerk te Loppersum). Het is daarom zeer te betwijfelen of de gewelven ooit zijn aangebracht geweest.

 

In de oostelijke sluitingsmuur was, naar bij de restauratie gebleken is ooit een geprofileerde doorgang; wellicht naar een kapel ten noorden van het koor. De doorgang was vervangen door muurwerk waarin een spitsboogvenster stond en waarboven de gewelfoplegging aangebracht was. De doorgang moet dus al spoedig vervangen zijn. De console in de zuidoostelijke hoek is daar in de grond gevonden en heeft als voorbeeld

[p. 52]

gediend voor de overige gewelfconsoles. Boven de doorgang naar de consistorie is een+ 16e-eeuwse latei aangebracht die in beschadigde staat bij het zuidelijke toegangsportaal gevonden is. Tussen rankenwerk zijn twee medaillons gevat waarvan het ene origineel is en het woord ‘Anno’ bevat; het alliantiewapen is geïdentificeerd als dat van Sierck van Donia, grietman van 1569-1575 en Vrouwe van Groesbeeck, dochter van Zeger van Groesbeek. Het is thans onjuist gekleurd: moet zijn in zilver een geënt-gegolfde rode dwarsbalk. Het manswapen moet zijn: 1. in goud een rode leeuw; 2. in goud drie rode rozen paalsgewijs (vriendelijke mededeling drs. J. Visser). (afb. 84).

 

+ De tufstenen kerk waarvan de fundering gevonden is liep ter breedte van de hoofdbeuk tot aan de tegenwoordige vijfde travee, waar een absidiale sluiting was. Blijkens een dakmoet op de toren, lager dan de tegenwoordige kap, zal deze kerk eens verhoogd zijn en met een travee westwaarts verlengd ten tijde dat de toren werd opgetrokken. De toren kan blijkens de baksteen die in de onderbouw is verwerkt en de detaillering van de begane grond in de 13e eeuw ontstaan zijn. De kerk waarvan de dakmoet te zien is, was waarschijnlijk in baksteen verhoogd en verlengd en mogelijk van een hoger koor voorzien. Het tegenwoordige 15e-eeuwse koor is uit afbraakmateriaal opgetrokken. Dit is wat de details betreft, vergelijkbaar met het koor van de kerk van Dokkum, dat van Loppersum in Groningen en het koor van de Groninger Martini dat voor 1425 gereed kwam. Aansluitend aan het koor werd, naar wij aannemen, eerst de noordbeuk opgetrokken buiten het oudere schip; eerst daarna werd het schip vernieuwd en werd de kerk van stenen gewelven voorzien; wij wezen er reeds op dat er redenen zijn, om aan te nemen dat de gewelven in de noordbeuk nimmer tot stand zijn gekomen.

+ Tijdens de restauratie zijn onder de witsellagen diverse lagen gevonden, resten van verschillende fasen van kleurige uitmonstering van het interieur. Het muurwerk was vrij grof gemetseld en van aanvang af bedekt met een ca. 3 mm dikke laag pleister. De omlijstingen van vensters en bogen, de zuilen, pilasters en gewelfribben bestaan uit profielgebakken steen die nauwkeurig gemetseld is en gesausd in zacht oranje-rode kleur, waarop 3-4 mm dikke schijnvoegen zijn geschilderd geweest. Deze laag is langs de dagkanten ter breedte van een halve steen omgezet en omlijnd door een ca. 6 mm brede zwarte lijn. De omzetting is gesausd op een dunne pleisterlaag, waar soms de begrenzing is aangegeven door een groef.

In een volgende periode werden ribben, muralen, bogen en nisomlijstingen opnieuw beschilderd met dodekoprood, waarop witte voegen kwamen die niet steeds corresponderen met het oudste voegenpatroon. Deze laag is niet van hoge ouderdom, daar spatten ervan gevonden zijn op een vele lagen dik witselpakket dat over de Christoforus was aangebracht. Op deze laag werden nog gekleurde lagen aangetroffen onder de buitenste witsellagen, die gering in aantal waren, zodat aangenomen mag worden, dat de gekleurde uitmonstering, zoals die thans weer is aangebracht, lang na de reformatie is gehandhaafd, mogelijk tot in de 19e eeuw.

Bij de restauratie heeft men zich laten leiden door de onderste lagen die men aantrof en bracht men verschil aan tussen de kleur van de ribben, muralen en scheibogen en die van de dagkanten die wat donkerder zijn aangezet, evenals de korte gedeelten van de ribben, van de kruising uit gerekend. De wat gelige toon van de blanke velden is ontleend aan de gevonden toestand van de onderste pleisterlaag.

+ De kerk bezit:

+ Eiken preekstoel met trap, achterschot en klankbord; de achtzijdige kuip is versierd met gestoken panelen; op de hoeken getorste en omrankte kolommen met composietkapitelen. Midden voor opschrift: ‘dese predickstoel met de cap is gegeven bij de Heeren L.V. Scheltinga, B.V. Ende, G.V. Broersma int jaer 1692’. In het ruggeschot gestoken paneel tussen getorste kolommen en vleugelstukken, aan de trap getorste spijlen. Jacob Cornelisz, kistemaker, getuigt in 1705 dat hij te Kollum gewerkt heeft. Vergeleken met de eveneens door hem genoemde preekstoel te Oosterbierum en de orgelgalerij te Dokkum, zou dit werk de preekstoel kunnen betreffen (D.J. van der Meer in: Freonen om ds J.J. Kalma hinne, Leeuwarden 1982, 140). (afb. 80, 81).

+ Doophek van paneelwerk met spijlenzone en boven de deurtjes gesneden ornamenten.

+ Orgel door Willem van Gruisen uit 1841 met 15 registers met kas, balustrade en

[p. 53]

lofwerk. De beelden bovenop zijn te Amsterdam gemaakt. Het orgel is in 1885 door Van Dam hersteld, evenals later tijdens de restauratie van de kerk door Bakker en Timmenga te Leeuwarden.

+ Van het in 1841 verwijderde orgel bestaat een tekening, gesigneerd Iske de Jongh 1841, in de collectie van het Fries Museum te Leeuwarden. Op de rand van het orgelbalkon stond volgens de tekening: ‘Opgemaakt int jaar 1763 toen Jr. W.H. v. Hiemstra Grietman was: de Welgeb. Heer C.V. Scheltinga Gecomt ten Lands dage Fokke Hylkes Eskes Bisitter en Pier Jelles Oud Zeecapt. Kerkvoogden’. Het orgel ziet er veel ouder uit en draagt langs de bovenrand het opschrift ‘Laudate dn̄m Hydraulis et organo Ps 150 v. 4b’. Op de onderrand: ‘Non clamans sed amans cantet in aure Dei’. Tussen de ondersteuningen van de torens staan de opschriften: ‘Organon hoc Hajone a Rinia Gretmano Richeo ab Eissinga, Petro Brongersma secretario Metscone Aukonis gubernatoribus bonorum ecclesiasticorum in Laudem dedēt et Hermanno Collenio Pastore. Antonius Waelkeni incipiendo Ao 1635 circa calendas Junii et Ao 1636 circa easdem perficiendo sua arte et studio elaboravit in ecclesiae aedificationem’. Hetgeen in het Nederlands zeggen wil: ‘Dit orgel gaven tot lof der kerk, toen zij de kerkelijke goederen beheerden Haio van Rinia Grietman, Richard van Eysinga, Petrus Brongersma secretaris, Metsco Aukonis en Herman Collenius, predikant. Het is begonnen door Antonius Waelkens omstreeks midden juni 1635 en hij werkte er met kunst en ijver ongeveer een jaar aan tot opbouwing van de kerk.’ Antonius Waalkens was orgelbouwer te Appingedam (Talstra 1979 11, 22, 77). Op de tekening ziet men dat er bewerkte pijpen in het orgel stonden, mogelijk van een ouder orgel, dat in 1574 was aangeschaft (Decr. verkopen. It Beaken 1965, 143; Andreae '85, 124) (afb. 86).

+ Van de in de Voorlopige Lijst genoemde negen herenbanken zijn de volgende in herstelde vorm opnieuw opgesteld:

1.Dubbele bank met spijltjesfries in de rugleuning, waartussen veld met wapens Jeltinga-van Aysma en datum 1617, gesticht door Fecco van Jeltinga ter nagedachtenis aan zijn ouders Gatse (gest. 1617) en Jeltje van Aysma.
2.Dubbele bank met spijlen in het achterschot; in het veld wapen ‘Rinse Johannes bijsitter van Collumerlandt’, en het jaartal, 1692.
3.In de eerste travee hek met spijlenfries; restant van de domineesbank.
4.In de tweede travee tussen de kolommen rijk gebeeldhouwde bank in 1768 gesticht door Eyso de Wendt, voorheen ten oosten van het doophek opgesteld. De bank is samengesteld uit paneelwerk. Op de panelen van de rugleuning zijn aan linten opgehangen kransen voorgesteld waarin in het midden het Lam met de zeven Zegelen, en aan weerszijden een vaas met deksel en een kan, een tiara en de zevenarmige kandelaar; een en ander waarschijnlijk gesneden door H. Berkebijl (S. ten Hoeve in Publikatieband Alde Fryske Tsjerken, i, 185). Opzetstuk met wapen De Wendt en hoekvazen. In het ruggeschot de naam van de familie Hesse waaraan de bank later toebehoorde. (afb. 83).
5.In de noordbeuk bank van paneelwerk met spijlenfries gesticht door de familie Bootsma, in 1689 verworven door Epo van Aylva van Clantstate te Augsbuurt, daarna van de familie Wibrandi en Van Heemstra.
6.In de vierde travee bank rondom met spijlenfries en opengewerkte hoekstukken versierd, vervaardigd op last van Gajus van Broersma in 1680 en versierd met de wapens Van Broersma, Van Botnia, Van Rosema en De Schepper in het rugschot.
7.Tenslotte de drievoudige overhuifde Fogelsanghbank; langs de gehele zitruimte stijl en regelwerk op gecanneleerde Ionische kolommen rustend, met opengewerkte hoekstukken en vazen op de hoeken. De bank zou gesticht zijn door Hilarius van Fogelsangh, van 1673-1682 secretaris van Kollumerland.

In de noordbeuk voorts geverfde bank met open rugleuning, xvii.

+ In het koor een zestal avondmaalsbanken van stijl- en regelwerk, xvii.

+ Tot de restauratie stond tegen de oostelijke toegang een klassicistische houten portaal van gegroefde pilasters met een driehoekig fronton; boven de dubbele deuren was een schilderstukje gevoegd met een voorstelling van putti, die uit de Schrift lezen en attributen van Geloof, Hoop en Liefde dragen, geschilderd door W.P. Ruwersma (1750-1827) (C. Boschma, W.B. van der Kooi blz. 107, nr. 39). Volgens Bosgraaf zou het portaal er eerst in 1853 geplaatst zijn; het portaal dateert echter eerder van rond 1800. Het fronton en schilderstukje zijn thans aan de westzijde toegepast boven een

[p. 54]

doorlopende lijst in het vervolg van het orgelbalkon en met die lijst wit geschilderd, terwijl de stijlen eronder gemarmerd zijn, zoals vroeger het gehele portaal.

+ In het koor hangt de rouwkas voor Eyso de Wendt. Gestoken omlijsting met chutes waarin rechts zeisen, beenderen en een zandloper en links een schedel, vaas met rozen en omgekeerde fakkel. Ter weerszijden wenende putti met een vogel en een schedel. Beneden staat: ‘Obiit die i martii m d cc l xxx.’ Binnen de lijst het gekroonde wapen en op een lambrequin het opschrift: ‘De Wel Edele Gestrenge Heer Eyso de Wendt. Geboren te Collum den 24 Febr. 1718 is geweest Directeur van den Handel in China etc. vandaar wederom in Collum aangekomen den 5 Julij 1762 tot Grietman over Westdongeradeel aangesteld Den 14 Janr 1775 mede gedeputeerde Staat van Friesland etc. te Leeuwarden ongetrouwd overleden den 1 maart 1780 en int choor der kerk van Collum bijgeset’. De kas is waarschijnlijk gesneden door H. Berkebijl (S. ten Hoeve in Publ. Band a.f.t. I, 185) (afb. 107).

De rouwkassen voor Pibo van Doma, Gajus van Broersma, H.L. van Heemstra, V. van Heemstra en W.C. van Glinstra bevinden zich in de kerk te Oudwoude.

In het huisarchief Farmsum, bewaard op het Rijksarchief te Groningen, bevindt zich in inventaris nr. 943 een tekening van een ruitvormig rouwbord met randschrift ‘Aō 1600 dē 17 Feb. is to Dockō in dē Here gerust Joffer Dorotea Grau/werts Huysfrō vān Iohā Rđgers vā der/Arēnshorst raet vāde Admiralit’. Wapen gevierendeeld. Daar Dorotea Grauwert te Kollum begraven is (zie zerk 1) zal dit rouwbord in de kerk van Kollum gehangen hebben (Geneal. en Herald. Bladen v 1910, 355 en aantekening van A. Pathuis in handschrift Grafschriften r.a. Leeuwarden) (afb. 99).

+ Ten oosten van de preekstoel is een zandstenen wapensteen ingemetseld met onder paarlenkronen afgehakte wapens, die blijkens de namen die met het jaartal 1681 eronder gehakt zijn, die van Botnia en Broersma geweest moeten zijn (afb. 109).

+ Op het koor is een aantal zerken bijeen gelegd, opvallend wegens hun decoratie. De overige zijn in de vloer van de kerk toegepast.

1.In het noordoosten zerk met over het gehele vlak doorlopend opschrift: ‘In t jaer ons Heeren/1557 in september sterf/jonker Jost van Ha/rdenbroeck in sin/leven grietm/an vanColme/rland ende Niw Cruuislant/(wapen van Hardenbroek) Oeck rustet alhier jo/nckfrou Doretea Gra/werts huisfrou van/jonckher Johan Ren/gers van der Arens/horst raedt van/admrait op dato deses/resedensie tot Dockum/overleden den 17 feb/ruarius anno 1600/onsser Here Godt gu/nne se een salich er/standinge’ (afb. 101).
2.Zerk met gotisch randschrift en in de hoeken evangelistensymbolen en groot alliantiewapen Meckema Starkenburg onder boog rustend op balusterzuilen; randschrift ‘Ano 1475 starf d.e. frouwe Wijtz vā Meckema en̄ Tet vā Meckema haer docht starf anno 1533 dē 6e af junii hier leit begraven’ (afb. 102).
3.Grote zerk gebeeldhouwd met schijnarchitectuur waarin Fides, Caritas en Spes en opschriften ‘cogita mori’ en ‘Respice finem’. In de colonnade deels afgehakt alliantiewapen. In cartouche ‘d.o.m.s. Praefectum Frisiae rationibus, aggeris olim/inspectorem, aequum patrem, fidumque maritum/Patria, Collum, uxor, quin unica foemina proles/ Hoc clausum saxo Kemponem Tadema lugent/. l.m.q.p. j.s.h. i.c.’, hetgeen in het Nederlands wil zeggen: ‘De Almachtige God gewijd. Het Vaderland, Kollum, de echtgenote en zeker ook de enige dochter treuren om Keimpo Tadema, rekenmeester van Friesland, eertijds Dijkgraaf, welwillend vader en trouw echtgenoot, rustend onder deze steen’. De letters van de afkorting kunnen staan voor: Libentes Meritoque Posuerunt. Iacet Sepultus Hic In Christo. In de hoeken alliantiewapens. Randschrift ‘Anno 1622 den 28 marty sterf de e. eerenfestē Kempo vā Tadema out omtrent 37 jaer alhyer begrav̄. Anno 1631 den 23 may sterf juffr. Catherina vā Scheltinga huisvrouwe van den edelen erentfesten Kempo van Tadema oldt 33 jaren’. Binnenrand: ‘Anno 1635 den 18 july sterf de edelē juffr Geertye van Scheltinga huisfrou vā dr. Dirck Fogelsang out 35 jaer hier begraven. Anno 1670 den 13 marty stirf dē edelen erentfestē Kempo van Tadema van Doma out 31 jaren 4 maent ē hier begravē (afb. 105).
4.Grote zerk bovenaan gesigneerd ‘16 Pieter Claes 15’. In de hoeken en ter halverhoogte cirkels met deels versleten alliantiewapens. Het veld is geheel gevuld met een schijnarchitectuur en rolwerk. Ter weerszijden Justitia en Prudentia. Onder de colonnade drie paar alliantiewapens. Aan de voet cartouche met opschrift: ‘Hic iacet immiti prostratus Meccama fato:/Mens tamen aetherias libera carpit opes/Nobilitas,
[p. 55]
virtus, thalami sors ampla, iuventa./Praecipitem lethi non tenuere gradum’. In het Nederlands: ‘Hier rust Meccama, geveld door het wrede lot; zijn geest echter nu bevrijd, verwerft de hemelse rijkdom. Adeldom, deugd, een aanzienlijk huwelijk noch jeugdige kracht vermochten de voortijdige stap van de Dood te weerhouden’.
Randschrift: ‘............ september sterf dē edelen eerentfesten joncheer Hessel van Meckmans’ (afb. 103).
5.Zerk met gave alliantiewapens in de hoeken. Op het vlak alliantiewapens onder colonnade met terzijde grotesken-ornament. Aan de voet lambrequin met opschrift ‘mors’, gehouden door vrouwefiguren. In het veld opschrift: ‘Hier leggē begravē dē Eedelē en̄ eerentfestē/Scipio van Meckmans en de juffrouw Eme/rentiana vā Grombach haer beide twe soene/de olste hiet Frederich Meckmans en̄ is gestor/wen anno 1567 den 11 septembris de jongste Pibo Meckmans gestorven (anno 1571) den 10 aug’ (afb. 104).
Voorts daar zerken voor ds. Herman Collenius, † 1648, Pibo van Doma, † 1675 (rouwbord te Oudwoude), gehuwd met Dodonea van Tadema, † 1652, Rompt Tammes Sybema, † 1648 en zijn vrouw Sytske Heins; Tammo Sybema van Rosema, † 1670 en Aurelia van Rosema, † 1674, Gajus van Broersma, † 1678 en Jetske Rosema, † 1658 en Taetske de Schepper, zijn tweede vrouw en vele andere (zie Handschrift Grafschriften in r.a. Leeuwarden, afgedrukt bij Bosgraaf).

 

+ In de gewelfkappen van het middenschip en koor zijn in 1882 schilderingen ontdekt, afgetekend en weer overgewit. Bij de restauratie in 1967 zijn ze opnieuw ontdekt en hersteld door J. Otter zonder gebruik te maken van bestaande documentatie uit 1882 (afb. 90-98).

 

+ Hoogewerff 1, 340; Andreae, '85, i, 58-59 en 114-115.

+ De aftekeningen die blijkens het handschrift gemaakt zijn door architect Ad. Mulder, berusten opgeplakt op zwaar papier in het archief van r.d.m.z. Ook de door Hoogewerff vermelde uitgewerkte en opgekleurde reconstructietekeningen door W. van de Lucht, die in 1970 onvindbaar waren, bleken daar te berusten.

+ Mr. Andreae stelde een rapport samen voor het Fries Genootschap met schetsen, berustend in de coll. Fries Museum. Rapport J. Otter 1967; idem W.J. Berghuis 1966, beiden in archief r.d.m.z.

 

+ Andreae schrijft op zijn overzicht dat er figuren waren aan de oostzijde van de derde en vierde travee, en een wapen in de vijfde travee. In de zesde travee stond aan de oostzijde S. Maarten, aan de zuidzijde de H. Maagd in stralenkrans terwijl rond de rozet aan westzijde een karikatuur (mansfiguur) en ornament met een mijter worden vermeld. In de zevende travee waren op de velden de vier evangelistensymbolen voorgesteld en rond de sluitsteen een hert en een eenhoorn, een vaasornament en ornament met een kroon. In de koorsluiting beschrijft hij slechts ornament, evenals in het schip, waar hij dan nog hier en daar rozetten vermeldt. Bij de nieuwe ontpleistering is gebleken dat met de rozetten schablonefiguren bedoeld zijn. De schetsen van Mulder geven ook in de tweede en derde travee vanaf het orgel gerekend rozetten weer. Voorts geeft hij details van ornament en de figuren van de ‘karikatuur’ die een figuurtje blijkt te zijn van een man die met de handen zich de mond openspert terwijl hij in de armen een fles wijn en een gans draagt (de vraatzucht?). Tenslotte tekent Mulder het hert tussen ranken waarin vogels zitten en de eenhoorn springend tussen ranken.

De tekeningen van Mulder en Andreae waren aan de restaurateur niet bekend en men heeft louter geconserveerd wat er gevonden werd. De karikatuur op de eerste koortravee is slechts gedeeltelijk te voorschijn gekomen, er tegenover ornament met een mijter zoals Andreae vermeldt. Van de stralenkrans van de H. Maagd is een gedeelte zichtbaar, van de S. Maartenfiguur slechts fragmenten. In de laatste travee oostzijde is rond de sluitsteen de schildering vrij goed aan het licht gekomen. Van de evangelistensymbolen slechts de stier. Bij de sluitsteen ontspringt het ornament uit een vaas aan weerszijden van een loodrecht opgaande staaf. Dit motief met staven die opzij door het ornament steken, is sterk verwant aan ornamenten op de gewelven van de kerken van 't Zandt, Loppersum en Uithuizen. Ook de thema's zijn verwant met de schilderingen te 't Zandt. Het feit dat zowel de schilderingen als de architectuur van de kerken van

[p. 56]

Kollum, Loppersum en 't Zandt gelijkenis vertonen, geeft reden aan te nemen, dat de schilderingen spoedig na het gereedkomen van de gebouwen aangebracht zijn, waarmede de schilderingen tweede helft 15e eeuw te dateren zijn en zelfs derde kwart 15e eeuw. Boven de vijfde scheiboog aan de schipzijde is een grote voorstelling van S. Christoforus aan het licht gekomen. Op een stok leunend waadt de heilige door het water waarin vissen zwemmen. Op zijn linkerschouder zit het Christuskind met de hemelbol in de hand, xvi. Onder de schildering bleek bij de restauratie een andere voorstelling gestaan te hebben (rapport Otter). Op de sluitsteen van het eerste koorgewelf is een met rode verf geschilderd Christusgelaat gevonden, geschilderd op gele ondergrond. De sluitsteenrand was aansluitend aan de ribben gekleurd (afb. 100).

+ Twee avondmaalsbekers hg. 16,4 diam. 11,6 cm op standring met spiraalband. Gegraveerd ornament waarin drie figuren: een met vogel, een met een kind, een met een kerk als allegorieën van Hoop, Liefde en Geloof. Inschrift: ‘Dese beecker behoort de dyaeckonye Armen van den dorpe Collum den 26 Juny 1687’. Merken: Kollum p van 1687; meesterteken Gieke Andeles, Voet 311 (afb. 108).

Bekken, diam. 22,4 cm. Op de rand gegraveerd wapen. Op de bodem ‘d.b.v.c’. (De bedeling van Collum?). Wapen gekwartileerd, 1 en 4: drie rozen, twee en een, 2 en 3, een tafel waarboven twee rozen en waaronder een lelie. Merken: Leeuwarden groot keur, gekroonde k van 1704 en meesterteken van Richard Elgersma, Voet 449.

Bekken, diam. 22,8 cm. Gegraveerd wapen en inscriptie: ‘Gegeven door Tjitske Ruerds Huisvrouw van Albert Luytjens in 't jaar Anno 1771’. Merken: Leeuwarden, groot keur, t van 1771, meesterteken van Hylke Martens (van Kollum) (afb. 110).

Vierkant blad met gelobde rand. Opschrift ‘Aan de Hervormde Gemeente te Kollum door Jacobje Buma geb. te Kollum den 15 juny 1839 aldaar overleden den 10 july 1870’.

+ In de toren hangen twee grote klokken:

diam. 143 cm, met bovenrandopschrift: ‘Salvator mundi adjuva nos Sum tuba magna dei pulsata sono quia pello/Fulmina cū tonitru cū demone pellitur hostis. Johā Schonēborch goet mi doe mē schef mdxx en daerbi vi’. Onder het ornament: ‘dese clock wecht iiii m’. (Fehrmann, 292). De tekst betekent vertaald: ‘Verlosser der wereld sta ons bij. Ik ben Gods grote bazuin, want als ik geluid word, verdrijf ik door mijn geluid de bliksemschichten met donderende galm. Samen met de demon wordt de vijand verdreven.’

diam. 130 cm. Bovenrandopschrift: ‘Int jaer ons heeren ende salichmaecker Jesu Christi duysent ses hondert ende achtien heeft my Hans Falck van Nuerenberg in Leeuwarden ghegoten’. Alliantiewapens Tadema-Scheltinga en Brongersma-Hoppers en Feytsma-Burmania en de volgende namen: Bocke van Feytsma gritman van Kolmerlandt en het nyuwe Cruyslandt ende Jufrow Haring van Burmania zijn huysfrow. Kempo van Tadema dieckgraaf van Kolmerlandt en Trintke van Scheltinga syn huysfrow. Bronger Brongersma Secretaris van Kolmerlandt en Tielke Gerrit Hoppersdochter syn huysfrow.

+ In de consistoriekamer is ingemetseld een gevelsteen afkomstig van een afgebroken hofje ‘de Zeven Kamers’. Op de steen de wapens Van Eysinga en Roorda (met de baar) en 1695 (Vergelijk onder Gasthuis). Volgens een foto van voor de afbraak van het hofje stonden boven de wapens de letters l.v.e. Bij de herplaatsing zijn die ‘verbeterd’ in e.v.r (afb. 113).

+ Volgens Karel van Mander zou Hans Vredeman de Vries te Kollum een altaarstuk geschilderd hebben, nadat hij reeds enige tijd te Antwerpen had doorgebracht.

Mogelijk houdt zijn verblijf te Kollum verband met zijn relatie met de Meckema's, waarvan Schoy melding maakt (A. Schoy, Hans Vredeman de Vries, Brussel 1876). Van het altaar zijn geen sporen bekend (Vgl. Meckemastate, geschiedenis).

 

+ Ten westen van de kerktoren stond, met de gevel langs de westzijde van het kerkhof, tot 1965 de pastorie (afb. 106). Zij is wegens de aanstaande plaatsing op de monumentenlijst, in dat jaar door het gemeentebestuur, die het pand had aangekocht, gesloopt ten behoeve van de doorbraak naar het uitbreidingsplan Noord. Op de kadastrale minute ziet men de pastorie aangegeven met een grote schuur erachter. Hierin stond het vee van de pastoor zoals een overeenkomst uit 1554 aangeeft over een ‘uutwech

[p. 57]

tuisschen die Pastorye ende Syrck Boyckama huys, streckende durch die poorte aen die strate ende virder oick langs die stege van Sierck Boyckama schuire ende des pastoirs steche omme uut toe dryven zijne koeijen’ (Geregistreerd in 1608; Koll. v, 1, f. 260). In 1965 bestond het voorhuis nog, een verdiepingloos pand met smalle ingang in het midden, waarboven de in Friesland vooral aan pastorieën en schoolmeesterswoningen nog voorkomende Vlaamse gevel. De nok daarvan reikte tot de nok van de schildkap waarmede het pand gedekt is. Boven de vereniging van beide nokken stond een schoorsteen, evenals op de beide hoeken van de hoofdkap. De Vlaamse gevel had aan de voorzijde een vrij hoge tympaanvormige beëindiging waarlangs dezelfde bloklijsten liepen als aan de gootlijst rondom het gebouw. Ook de ingang was bekroond door een forse bloklijst gedragen op smalle gegroefde pilasters, xviiid-xixa. Aan de achterzijde was een lagere achterbouw onder zadelzak; de muren waren uit afbraakmateriaal opgetrokken en voorzien van een later aangebracht 18e-eeuws schuifkozijn.

 

+ Een Doopsgezinde Vermaning wordt door Andreae genoemd in 1662 aan het einde van de Oosterdiepswal, de Molenberg geheten. In 1693 komt deze voor in het Proclamatieboek (q 7, f. 105). Ook vermeldt hij een Vermaning in de Tollingastraat die in 1600 reeds bestond ('85, i, 101) en een in de Brugstraat. Rond 1700 schijnt de gemeente aanzienlijk teruggelopen te zijn en zij werd in 1751 met die van Buitenpost verenigd (naar Blaupot ten Cate).

 

+ Fors door E. Reitsma in 1924 ontworpen en in 1925 in gebruik genomen kerkgebouw met toren aan de Oostenburgstraat, dat wil zeggen, op het voormalig terrein van het buiten Oostenburg (afb. 115).

 

+ Kollumerland rond 1900; reprodukties uit het jubileumfotoboek (1897) van burgemeester Jouwert Witteveen. Tekst R. Bosgraaf, foto's Egbert Beitschat. Oudheidkamer Kollumerland 1982; Karstkarel, Kollumerland, 86; Honderdvijftig jaar Gereformeerde kerkbouw, Kampen 1986, 81.

+ Foto van de noodkerk, berustend in de Oudheidkamer Kollumerland (afb. 114).

 

+ In 1924 kon een houten noodkerk uit 1887 verlaten worden. Het enorme houten zaalgebouw voor 700 zitplaatsen had aan de ingangszijde een risaliet, rondbogige vensters en ingangen. Aan de langszijden waren echter toch spitshoogvensters toegepast, die in 1887 blijkbaar nog karakteristiek geacht werden voor kerkgebouwen. Een stenen kerkgebouw dat aan de Oostzijde van Kollum gestaan moet hebben sedert 1866 werd in 1906 afgebroken na een samengaan van de daar kerkende gemeente met de gemeente, die in de noodkerk samenkwam. Het werd overgebracht naar Kollumerpomp.

+ De nieuwe kerk werd door Egbert Reitsma in 1924 ontworpen en kreeg de voor Gereformeerde kerken ongebruikelijke decoratie van het plafond door George Martens, lid van de Groninger schildersgroep De Ploeg (Karstkarel). Het zware gebouw van donker gekleurde baksteen is karakteristiek voor de tijd van ontstaan, maar isoleert zich daardoor van de overige bebouwing van het dorp.

Gebouwen van liefdadigheid en onderwijs

+ Tot 1960 heeft aan de Meckemastraat een ‘hofje’ gestaan, ‘De zeven Kamers’, blijkens een gevelsteen uit 1695 gesticht of vergroot door Lucia van Eysinga (afb. 68, 111-113).

+ Andreae '85, I, 106, 150, 152; Douma, 81 e.v.

+ De Meckemastraat liep volgens Andreae in het vervolg van de oprijlaan van de voormalige Meckemastate. Het kadastrale minute plan geeft deze laan aan lopend naar een terrein, waarin de door Andreae genoemde vijver aangegeven staat. Langs de Meckemastraat ziet men aan de oostzijde een gebouw met de plattegrond van het voormalige Gasthuis, namelijk een langgerekt gedeelte met een haaks daarop staande aanbouw. De stichtingssteen bevat het alliantiewapen Eysinga-Roorda met boven de kroon de letters L.V.E., duidend op Lucia van Eysinga, dochter uit de alliantie, die op het wapen voorgesteld wordt; eronder gekruiste takken en het jaartal 1695 en ‘7 kamers’.

[p. 58]



illustratie

Afb. 68. Gasthuis ‘de zeven kamers’. Plattegrond getekend 1987 naar tekening archief gemeente werken 1952.


Ritscke van Eysinga was van 1639-1652 grietman van Kollumerland en gehuwd met Bauck van Roorda. Hun dochter Lucia erfde Meckemastate in 1667 en in 1691 ook Feitsma State te Hallum (zie Ferwerderadeel, 173). In haar testament van 1708 legde Lucia vast, dat de nakomelingen verplicht zouden zijn het hofje te onderhouden en uitdelingen te doen aan de bewoonsters, waartoe zij landerijen bestemde. Via enige verwikkelingen in het einde van de 19e eeuw, werd deze verplichting in 1901 overgedragen aan de Hervormde predikant en de oudste der diakenen. Deze besloten in 1960 tot afbraak van het hofje en bij de restauratie van de kerk werd de gevelsteen een plaats gegeven in het kerkgebouw (zie Herv. Kerk).

+ Volgens foto's van vóór de afbraak had het langgerekte gedeelte de vorm van het vooreind van een boerderij van het kop-hals-romptype, namelijk een hoger gedeelte en een korter en lager gedeelte. Niettemin bleek uit de indeling dat het pand terstond als gasthuis gebouwd is. De schoorsteenkanalen liepen niet langs de voor- en achtertopgevel, maar gingen recht omhoog naar twee schoorstenen, die op de nok stonden. De voorgevel droeg jaartalankers 161(9?)5 en was vrijwel gesloten behoudens twee lichttoevoeren op de zolder, die door een rollaag van rode baksteen gedekt waren, terwijl de gevel uit gele baksteen bestaan moet hebben. Langs de zijden waren vlechtingen. Aan de straatzijde was op de scheiding van het hogere en het lager overkapte gedeelte de gevelsteen ingezet. Daar de gevelsteen op de scheiding van de twee eenheden staat moeten we aannemen, dat er in 1695 een gedeelte toegevoegd is aan een bestaand gebouw, dat mogelijk reeds in 1615 ontstaan was. De halve kruiskozijnen aan de hofzijde zouden beter passen bij die bouwdatum. Het boven reeds vermelde onderscheid in een hoger en een lager gedeelte is dan als twee bouwperioden te verklaren; ook de zuidelijke topgevel is gedeeltelijk weggehakt bij het toevoegen van het lagere gedeelte. In dat gedeelte is bovendien een andere indeling van vertrekken en de bewoonsters daarvan konden binnendoor in de wasruimte komen.

+ Zie Eyso de Wendtstraat 6.

 

+ In 1838 werd op de resten van de buitenplaats Oostenburg aan de zuidzijde van het dorp een werkhuis gebouwd (afb. 69, 127, 128).

 

+ Het bestek is bewaard gebleven in het archief van Gemeentewerken. Blijkens de tekst van Kollum in oude ansichten deel 2, Zaltbommel 1984, door R. Bosgraaf werd in 1919 bij herstelwerkzaamheden een papier gevonden met ‘In het jaar 1838 is dit werkhuis gemaakt door L.A. van der Sluis te Gorredijk’. Dit zal de aannemer geweest zijn.

 

+ Het gebouw bestaat uit twee evenwijdige vleugels, waartussen een smalle gang liep met ingangen aan elk uiteinde. De voorste vleugel, waarvan de oostmuur volgens het bestek op de oude keldermuur moest worden gemetseld, bevatte een ingangsportaal en aan weerszijden daarvan de Vaderskamer en een Voogdenkamer. Bij de restauratie in 1979 bleek, dat men de oostgevel heeft laten staan tot aan de latere onderdorpels van de vensters en de noord- en zuidmuren en de aansluitende binnenmuur tot aan de vloerbalklaag opnieuw gebruikt heeft. In de kelder, die men door trappen in een binnenportaal kon bereiken, en die door dwarsmuren onderverdeeld was, werden volgens het

[p. 59]



illustratie

Afb. 69. Werkhuis. Plattegrond kelderverdieping. Getekend 1986 naar tekening R. Kijlstra en eigen opmetingen.


bestek drie ondermetselingen gemaakt voor schouwen. In de achterste vleugel van het gebouw vond men een keuken, een eetzaal, een werkzaal en waarschijnlijk was daar ook de Oudeliedenkamer. Wasgelegenheid en sanitair werd in een aanbouw ondergebracht. Het gebouw wordt gedekt door twee evenwijdige zadeldaken, die aan de noordzijde met elkaar verbonden zijn en aan de zuidzijde door een schild beëindigd worden. Voor de kap stonden acht kapellen met ‘vleugels’. Op de zolders bevonden zich de slaapzalen. De ingangen aan de oostgevel en aan beide korte gevels van het voorste gebouw hadden smalle zijlichten.

+ Na gebruik voor diverse sociale doeleinden, waarbij de ingang in de oostgevel verdween en door vensters vervangen werd, waardoor ook het bordes weggebroken kon worden, is het gebouw in de jaren 1982-1984 hersteld en opnieuw van een ingang aan de oostgevel voorzien, waartoe het bordes herbouwd werd. Voor de details werd inspiratie gezocht bij de afbeeldingen van het Huis Oostenburg uit 1773 (zie states en buitenplaatsen). Het gebouw wordt thans als jeugdcentrum gebruikt.

 

+ Andreae maakt uit een vermelding in 1576 op, dat er toen een Latijnse school was ('85, 1, 103), hetgeen niet te verwonderen is in een grote plaats als Kollum. In de middeleeuwen zal er stellig onderricht geweest zijn. Uit de latere stukken blijkt dat er een vicarie verbonden was aan het schoolmeesterschap. De Latijnse school was ten zuiden van de Voorstraat gevestigd in een pand tegenover de kerk. Het gebouw werd in 1808 aan Van Sytzama verkocht, die op het terrein zijn woning, het latere Raadhuis bouwde. De taak van Latijns onderricht bleef aan de predikant, zoals ds. Potter later vermeldt, toen hij Kollum bezocht. Volgens Andreae is de functie van rector van de Latijnse school in 1844 opgeheven na het overlijden van ds. Bruinwold Riedel.

+ Na 1808 is de school als lagere school overgebracht naar de Putstraat, in 1820 naar de Voorstraat westzijde, thans nr. 32, waar nog een steen in de zijgevel staat uit 1843. Aan de oostzijde van het dorp werd in 1828 een schoolgebouw gesticht, later als bewaarschool in gebruik en 1985 uitgebrand. In het Rijksarchief te Leeuwarden wordt een summiere bouwtekening bewaard van dit schoolgebouw (kaarten verz. nr. 10.978)

[p. 60]

(afb. 126). Op een gevelsteen naast de ingang wordt vermeld: ‘Aan dit gebouw voor 't onderwijs/der jeugd in 't algemeen/Heeft Henderikus Eskes nu/gelegd den eersten steen/den 23 april 1828’.

Openbare gebouwen

+ Het Raadhuis staat aan de Voorstraat op de hoek van de Eskesstraat en is gevestigd in een pand, dat begin 19e eeuw als particuliere woning is gebouwd (afb. 121-123, 133).

 

+ Andreae '85, i, 112; W.T. Keune, Van rechtssteen tot gemeentehuis, Kollum, 1974.

 

+ Het pand is in 1809 gebouwd voor Willem Hendrik van Sytzama, die tevens achter de woning een fraaie tuin liet aanleggen. Voor een plaats als Kollum moet het pand in die jaren uitzonderlijk geweest zijn. Zelfs Eyso de Wendt's lusthuis Oostenburg, dat slechts één verdieping had, moet als bouwmassa overtroffen zijn geweest door dit hoog oprijzende pand met de omlijste ingang, die via een dubbele stoep bereikbaar was. Willem Hendrik van Sytzama was lid van de Admiraliteit geweest en Raadsheer in het Hof van Friesland en had om dit huis te kunnen laten bouwen bestaande panden aangekocht: het zogenaamde Riniahuis en het westelijk aangrenzende pand, die in 1805 beide in het bezit waren van de kleinzonen van Grietman Willem Hendrik van Heemstra en Wija Catharina van Glinstra van Scheltinga, de bekende bezitters van Fogelsanghstate in het begin van de 18e eeuw. Grootvader Van Heemstra had in 1748 ook het hoekpand aan de toen nog Tollingastraat geheten zijstraat gekocht. Tot de rechten van het door Van Sytzama aangekochte pand behoorde tevens de Fogelsanghbank in de kerk van Kollum. Het huis is dus waarschijnlijk een stadshuis voor de bewoners van Fogelsanghstate geweest. Men ziet het pand schetsmatig aangegeven op de tekening door Gardenier Visscher uit plm. 1785 (afb. 130). In 1808 kocht Van Sytzama ook het oostelijke buurpand, dat het voormalige schoolhuis (zie Latijnse school) of vicariehuis geweest was. Eerst daarna liet hij het nieuwe pand optrekken. De erven Van Sytzama verkochten het pand in 1836 aan H. Eskes, die tot 1895 eigenaar bleef.

+ Het door Van Sytzama gekochte grote huis was in de plaats gekomen van een huis dat grietman Haio van Rinia in 1616 kocht. Het kwam in het begin van de 18e eeuw in het bezit van Livius van Scheltinga, daarna van grietman Van Unia en van mevrouw Van Glinstra-van Scheltinga, die er ook gewoond zal hebben. Haar dochter huwde Willem Hendrik van Heemstra, die 's winters op Fogelsangh woonde, maar voor bestuurlijke verplichtingen in Kollum verbleven zal hebben. Het Raadhuis is in 1973 hersteld en gemoderniseerd.

+ Het blokvormige pand heeft drie bouwlagen, te weten een souterrain, een hoge beletage en een wat lagere eerste verdieping; het pand wordt gedekt door een omlopend zadeldak met vier hoekschoorstenen. In het midden van de straatgevel is de ingang tot de beletage bereikbaar via een dubbele stoep met gesmeed ijzeren hek. De stoep wordt begrensd door gegroefde stoeppalen, waartussen zeer open gesmeed ijzeren hekken zijn gevat. De kelderingang in de stoep wordt geflankeerd door gegroefde pilasters, waarvan de groeven evenals die van de stoeppalen gezwart zijn. De ingang, die een halfrond bovenlicht heeft, waarin een lantaren is gevat, wordt door houten lijstwerk omgeven, waarop voetstukken met roedenbundels staan als teken van begrip voor de door Napoleon gehanteerde Romeinse symbolen van recht en gezag. In de kroonlijst staat thans het gemeentewapen.

+ In de gang zijn panelen met stucwerk uit de bouwtijd aangebracht. Onder meer zg. chutes samengesteld uit diverse voorwerpen der seizoenen. Een portret van Harmen Arends Idema, bruikleen van het Fries Museum, wordt beschreven onder Westergeest, Idemastate, Weerdbuursterweg 10.

 

+ Aan de ‘Pijp’, de brug in de Voorstraat over de ‘Rijd’, het vaarwater waarlangs de kaden voor aan- en afvoer van levensmiddelen en materialen ontstaan zijn, staat het gebouw, dat van 1609 tot 1895 als rechthuis en raadhuis dienst gedaan heeft (afb. 70, 116-120.)

+ Andreae '85, i, 22 en 110; W.T. Keune, Van rechtersteen tot gemeentehuis, Kollum 1974.

[p. 61]



illustratie

Afb. 70. Voormalig Rechthuis, thans Voorstraat 94. Plattegrond en doorsneden benevens detail sleutelstuk eerste balklaag. Getekend 1987 naar tekening N. Bulthuis 1973 en eigen waarnemingen.


[p. 62]

+ Tekening door J. Stellingwerf 1723 in coll. Fries Museum, Leeuwarden. Foto in Jubileumboek burgemeester Witteveen.

+ Nadat grietman en volmachten van de dorpen tijdens het begin van de tachtigjarige oorlog in Dokkum vergaderd hadden, kwam men in 1591 onder Scipio van Meckema voor het eerst weer in Kollum bijeen. In dat jaar ook hadden de Staten erop aangedrongen dat de volmachten-vergaderingen niet meer in herbergen zouden plaatsvinden, maar dat er speciale ‘kamers’ gesticht of gehuurd zouden worden. In 1597 huurde men dan ook een ruimte in het huis van de vroegere grietman Sebastiaan van Schonenburch te Kollum. Het huis heet ook wel het Hoge Huis, kennelijk naar de functie van rechtspraak, die er onder Van Schonenburch en sedert 1597 opnieuw werd uitgeoefend. In 1609, toen Van Meckema sedert tien jaar was opgevolgd door Bocke van Feytsma, werd overgegaan tot de ‘coop van 't rechthuys binnen Collum, dat bij eenige in 't particulier ter eeren van de grietenije gecoft’ was. Het pand werd verbouwd met ‘zand, stenen en kalk’ en daarna werd de benedenverdieping verhuurd aan een herbergier; de rechtkamer was boven. In 1637 heeft het huis weer een verbouwing ondergaan: er kwamen nieuwe pannen op het dak en estrikken op de vloeren. In 1657 werd de ‘soldering’ van de rechtkamer afgebroken. In 1684 tenslotte wordt er voor meer dan f 3000 verbouwd en in 1775 laat men het inwendige nogmaals verfraaien. In 1893 bleken de fundamenten aan de Vaartzijde los te raken en mede gezien de omstandigheden - er zou een groot pand aan de Voorstraat in verkoop komen - drongen burgemeester Witteveen en raadslid mr. Andreae erop aan het oude rechthuis te verlaten en van de hand te doen. Het pand werd op 13 april 1895 openbaar verkocht en kwam in handen van D. Riemersma, die het gebouw als logement ging exploiteren. Sedert 1900 woonde er onder andere de bekende fotograaf E. Beitschat, die de foto's voor het Jubileumalbum voor burgemeester Witteveen in 1895 gemaakt had.

+ Op de begane grond hebben de beide achterste vensters aan de oostgevel een hollijst aan de dagkant. Deze duidt op een 16e-eeuwse bouwfase. Uit die periode moeten voorts enige sleutelstukken met peerkraalprofiel stammen, die de derde balklaag steunen bij de tegenwoordige trap, dat wil zeggen in het midden van het huis. Het bakstenen huis zal gebouwd zijn kort nadat de Zijlsterrijd gegraven was in het begin van de 16e eeuw en zal een van de eerste stenen huizen aan de Rijd geweest zijn met uitzicht over de kaden tot aan de bocht van de Rijd. Van de kelders onder het pand bestaan foto's uit omstreeks 1970, die aantonen, dat de gewelven over de achterste kelder er later ingezet zijn. In de achtergevel ziet men een gedichte uitgang, waarvoor het latere gewelf is geslagen. De vloer van de begane grond is bovendien opgehoogd ten behoeve van de keldergewelven. In de noordelijke tussenmuur naar de voorste kelder is op de foto een rondbogige doorgang te zien met aan weerszijden de aanslag voor een deur. Dat gedeelte en de ruimte, waarin de toegang van het water af uitkomt en waarin de gemetselde trap staat, zijn niet overwelfd. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat de overwelving van de kelder heeft plaatsgevonden, toen het gebouw als herberg en rechtshuis in gebruik genomen werd. Een cel voor gevangenen zal iets later zijn aangebracht, mogelijk in 1637. Voordien werd er de benedenruimte van de toren voor gebruikt en in 1615 vroeg de kerkvoogdij nog een bijdrage van de grietenij voor dat gebruik (Andreae '85, i, 56).

Een omstreeks 1970 gemaakte opmeting van het gebouw geeft een kelder weer, die aanzienlijk smaller is dan de bovenbouw van het pand. De ondergrond van de overige breedte is vaste grond. Mogelijk was daar een doorrit naar het achterterrein. Slechts met die veronderstelling kan men aannemen, dat de laat-middeleeuwse gevel, die door Stellingwerf zeer gedetailleerd weergegeven wordt, er begin 18e eeuw nog stond. Ten behoeve van de latere functie moet dan de doorrit gedicht zijn tot de gevel, die Stellingwerf weergeeft. Boven de luifel, die hij tekent, ziet men zelfs nog een restant van een vroeger kozijn. Mogelijk is de luifel in 1637 aangebracht. De voorgevel, die op de foto van 1895 weergegeven wordt, zal uit 1775 stammen met de kroonlijst en dakkapel, die daar te zien zijn.

 

+ Aan de kade van het Diep heeft het waaggebouw gestaan, dat later in een woonhuis gewijzigd is. (afb. 71, 120, 124, 125).

+ Andreae ('85, i, 39) vermeldt een ‘aanteekening’ uit 1536, waarin vermeld wordt dat de Waag te Kollum voordien ‘gehouden werd door Steven van Wortz bij gifte van den

[p. 63]



illustratie

Afb. 71. Voormalig Waaggebouw, Westerdiepswal 5. Aanzicht, doorsnede en plattegronden, toestand 1975. Getekend 1987 naar gegevens P. Ytsma te Kollum.


Hertoegh van Saksen’. Deze Steven komt ook voor als accijnsmeester en pachtte kennelijk de waag. In 1540 werd, opnieuw volgens Andreae, de waag gepacht door Jan Canter en in 1580 komt een meester Hendrick voor ‘Opte Waegh van Collum’. Aanvankelijk zou volgens Andreae mogelijk de waag ten westen van het Rechthuis gestaan hebben, waar in 1596 de ‘Waegeshuyzinge’ voorkwam en in 1642 van ‘d'olde Waege’ gewag gemaakt werd. In 1614 zou de waag verplaatst zijn naar de Oosterdiepswal direct achter de Voorstraat. Volgens een krantebericht zou in 1935 bij een verbouwing in de achterbouw van de tegenwoordige waag een steen gevonden zijn met het jaartal 1617 (n.n.o.f. 14 mei 1973). Mogelijk herinnerde deze aan de vestiging aan de Oosterdiepswal, die dan niet in 1614 maar in 1617 zou hebben plaatsgevonden. Andreae vond voorts een besluit uit 1698 van Gedeputeerden, waarbij aan Binnert Sappema van Oudwoude en Thijssen, volmachten ten Landsdage, opgedragen werd een nieuwe waag te maken te Kollum. Het waagrecht behoorde destijds onder Landsdomeinen en werd verpacht. In 1661 werd bijvoorbeeld de kerk van Kollum de opbrengst van de waag gegund ‘ten profijte en reparatie van de kercke binnen Collum’. Later werd de kerk zelfs eigenaresse van de waag, mogelijk in 1779, het jaar waarin het gebouw aan de Westerdiepswal gesticht werd. In het tympaan boven de gevel kwamen de wapens van de grietman M. van Scheltinga, bijzitter F. Hylckes Eskes en van A. Luitjens, die volgens Andreae met Eskes kerkvoogd was. In 1885 was de waag nog in werking en bevonden er zich twee weegschalen, waarvan een uit 1744 (Andreae '85, i, 113). In 1895 is het pand tot woonhuis verbouwd (n.n.o.f. 14 mei 1973). Het weeggerei zou nog lang in particulier bezit geweest zijn en later bij boelgoed geveild zijn. Voor de laatste verbouwing in 1975 kon men waarnemen, dat midden in de voorgevel de toegang tot de weegruimte geweest was; later waren daar twee vensters gemaakt in een vertrek, dat met de toen daarvan afgeschoten gang, oorspronkelijk weegruimte gevormd zal hebben. Achter dit vertrek is een ruimte, die door een aankapping van het dwarsdak, over de voorste eenheid overkapt wordt. Tegen de achtergevel van de voorste eenheid was de schouw gebouwd. De steektrap naar boven bevond zich rechts achterin de zijruimte.

[p. 64]

+ Aan de Trekweg aan de westzijde van Kollum, tegenover de tuin van Vaartzicht, stond volgens de kaart van Eekhoff het Verlaatshuis. Het Rijksarchief bezit een opmetingstekening uit 1812 met opschrift ‘Deeze Nevenstaande Profijl is in Rijnlandschen Maat gemeeten door mij D. Kuipers in het jaar 1812. Het Kollemer Verlaats huis genaamt.’ Het is niet duidelijk waartoe de tekening gediend kan hebben, noch hoe het huis gebruikt werd: een trap naar de verdieping is niet aangegeven evenmin als de stookplaatsen, die er blijkens de schoorsteen op het dak geweest moeten zijn. Was het een dubbele woning en bevatte het blinde gedeelte het sluismechaniek? (afb. 153).

Woon- en bedrijfspanden.

Daar de meeste genoemde panden aan de Voorstraat en aangrenzende straten staan, is gekozen voor een topografische volgorde. Ook voor de states is een volgorde naar situatie gebruikt, dat wil zeggen na de states, die in het centrum stonden, zijn degene behandeld, die westelijk van de dorpskern stonden, vervolgens die oostelijk daarvan en daarna de overige, eerst de zuidelijke en vervolgens de noordelijke. Wij volgen daarin een oude indeling naar cluften, een begrip dat in Groningerland gebruikt wordt en hier uit de tijd der Groningse rechtsbedeling gevolgd is. Men kende naast de kerkburencluft westelijk van het dorp de Laanster- of Luinstercluft, oostelijk de Uiterdijkstercluft en noordelijk de Torpmacluft (Andreae, '85, i, 17). Wanneer een boerderij de naam van de state draagt, is de stategeschiedenis daar vermeld. De volgorde van de boerderijen is alfabetisch naar adres.

 

+ Voormalige smederij in een langgerekt pand, dat naast het woonhuis het bedrijfsgedeelte bevatte, dat naar achter uitgebouwd was. De tekening van Gardenier Visscher uit het einde van de 18e eeuw (afb. 130), een gezicht op Kollum voorstellende, geeft deze smederij waarschijnlijk reeds weer als hoefsmederij met een travalje of noodstal ervoor. De grote huizen met puntgevels aan de straat tekent hij in een rooilijn, waarachter de smederij lag, zodat de travalje juist aan de rijweg stond. Het merkwaardige is, dat de travalje niet op de kadastrale minute is getekend, doch deze stond mogelijk op de openbare weg of vormde geen opstal in de zin van het kadaster. In 1874 kocht de gemeente het bestaande of vermeende recht van ‘noodstal’ af van L.S. Beerstra (Gem. archief Kollumerland, doos 1003, nr. 21; vriendelijke mededeling dr. O. Vries). Het pand is gedekt door een zadeldak tussen topgevels; die aan de oostzijde is nog in wezen met beitelingen langs de zijden en had enige tijd geleden nog een nokanker, waarvan 17 nog te lezen was en dat volgens bewoners het jaartal 1768 had gevormd. Aan de westzijde is de topgevel vervangen door een schild, dat doorloopt over de genoemde aanbouw naar achter. Deze is kennelijk jonger. De ingang naar het bedrijfsgedeelte is blijkens verzakkingen dan ook later ingebroken (afb. 131).

+ Fors pand met een voorbouw van vier traveeën met volledige verdieping onder schilddak met hoekschoorstenen. Het pand komt met deze plattegrond voor op de kadastrale minutekaart en moet daarom van voor 1823 dateren (afb. 144).

+ Diep pand onder zadeldak, haaks op de rooilijn en met puntvormige gevel aan de straat. Deze zal aanvankelijk in de 17e eeuw een trapvorm gehad hebben, waarvan de eerste sprong nog aanwezig is en van een tweede voor de laatste restauratie aan de rechterzijde een klein fragment te zien was. Ook de console in de top wijst op deze vorm: daarop zal een middenpinakel gestaan hebben. De pui is in de 18e eeuw of vroeg in de 19e eeuw gewijzigd. Na wijziging in een top met afgeschuinde kanten, zijn er dekplanken aangebracht en is de punt afgerond. De kap is van grenehout en herbruikt eikehout (afb. 144).

+ De panden genummerd 55 tot en met 63 vormen een regelmatig gestructureerd dorpsgezicht doordat ze alle een rechte gootlijst hebben, die evenwel per pand ongelijk hoog loopt. Boven de kroonlijst hebben deze panden alle een met pannen gedekt voorschild, dat meestentijds nog bekroond is door een of meer schoorstenen, afhankelijk van de breedte van het pand (afb. 140).

+ Bakstenen pand, waarvan de voorgevel versierd is met een geheel gepleisterde basisverdieping en gepleisterde gecanneleerde pilasters, waartussen hoge zesruitsvensters staan met gepleisterde omlijstingen. De pilasters dragen composiet kapitelen en een gepleisterde vlakke kroonlijst met uitgegronde velden en ornamenten boven de pilasters. Het pand is in 1873 als Hervormde pastorie aangekocht (Douma, Heden en verleden) en

[p. 65]

waarschijnlijk toen in deze vorm herbouwd; ook de dakhelling komt namelijk met deze bouwdatum overeen.

+ Thans vier traveeën breed pand, dat op de kadastrale minute deze massa reeds heeft met een breder achterhuis. De voorgevel moet echter in het derde kwart van de 19e eeuw vernieuwd zijn met de vierdeling van vensters met flauw segmentvormige bovendorpel. In het gedenkboek voor burgemeester Witteveen komt het huis voor met een ingang in de tweede travee van links, doch het lijkt de bestemming van woonhuis reeds verwisseld te hebben voor die van winkel.

+ Niet veel breder pand dan het voorgaande, doch dit pand is over het voorhuis door een dwarskap gedekt met hoekschoorstenen; het had dan ook een smaller achterhuis. De gevel is ook hier in vier venstereenheden verdeeld, thans nog slechts op de verdieping en bekroond door een geblokte gootlijst, die in het midden door een klein tympaan het hoge dakvlak visueel tracht te breken, xixa.

+ Ook dit smallere pand heeft omstreeks 1860 een nieuwe gevel gekregen met flauw segmentvormig gesloten vensters op de verdieping en consoles onder de gootlijst.

+ Het grote pand 63 is na de vaststelling van de kadastrale minutekaart ontstaan uit twee panden. De omlijste rechthoekige vensters wijzen met de gedurfde oplossing van de gebogen grote dakkapel in het midden, op een ontstaan rond 1840. Het linker pand, twee vensters breed, is nog in de bouwmassa aanwezig; het rechterdeel was weer vier venstertraveeën breed met de ingang in de tweede travee van links. Ook de bouwmassa aan de zijgevel met de sprong was reeds voor de verbouwing aanwezig blijkens de kadastrale minute. Het pand zal omstreeks 1840 voor de nieuwe bestemming van logement verbouwd zijn. De omgaande zadelkap heeft hoekschoorstenen, evenals de eenheid aan de Diepswal, die door een omgaande kroonlijst visueel bij het hoofdpand is getrokken. Ook alle verdiepingsvensters zijn visueel tot een eenheid gebracht door een doorlopende lijst die de onderdorpels verbindt (afb. 140, 142).

Voorbij de Diepswallen wordt de regelmatige serie woonhuizen met rechte kroonlijst nog slechts in twee panden voortgezet.

+ Sober wederom vier traveeën breed pand met rechte kroonlijst en door een voorschild met topschoorsteen afgeknot zadeldak. Dit dekt de oude bouwmassa, die vroeg in de 19e eeuw aan de straatzijde is aangepast.

+ Ook dit pand kan wat betreft bouwmassa nog wel 17e-eeuws zijn en kreeg in het midden van de vorige eeuw een nieuwe gevel met rechte kroonlijst.

+ Zelfs van het pand 69 met zijn eclectische gevel uit de jaren twintig van deze eeuw is de bouwmassa nog oud, zoals onder meer blijkt uit het zadeldak, waartegen het moderne voorste deel van de kap aansluit met de obligate middenschoorsteen.

+ Ruim achter de rooilijn staat vrij in een parkachtige tuin, ter plaatse van vier voormalige kavels, de wit gepleisterde villa, die in 1847 voor notaris Andreae werd gebouwd. Aan de achterzijde bevindt zich een stichtingssteen met opschrift ‘Op den 24 Junij 1847 is door Arnoldus Johannes Andreae oud 2 jaren en 5 maanden den eersten steen van dit gebouw gelegd’. Volgens dr. A. Wassenbergh wiens broer later in dit huis woonde, zou het gebouwd zijn door architect Fr. Stoett (geg. P. Karstkarel). De middenpartij, die op de verdieping halfrond oprijst en door een laag hellend kapgedeelte gedekt is, wordt geflankeerd door telkens twee vensters, die op de parterre tussen pilasters staan, die door een flauwe boog met elkaar verbonden zijn. Het middengedeelte is later van een serre voorzien. Op de verdieping staan boven de pilasters smalle dubbele pilasters, die de forse kroonlijst dragen en de breed overstekende goot, die langs het zeer flauw hellende dak loopt. Op de hoeken, doch ver naar het midden van de bouwmassa, staan hoekschoorstenen met borden. Aan de achterzijde heeft de villa twee ondiepe uitbouwen, waartussen boven de middenpartij een breed balkon op dunne ijzeren kolommen rust. Aan de achtergevel zijn de halfronde bovenlichten bewaard, die de gevel statie verlenen en uitzicht geven op de grote landschappelijk aangelegde tuin. De tuin bevatte een grote vijver, die na een versmalling, waarover een rustiek brugje voerde, in een tweede vijver in de breedte van het terrein overging. Volgens oude foto's (1901) stond dicht bij het huis een theepaviljoen en tussen het huis en de vijver een tuinbeeld. Over de tuin heen was nog in de jaren vijftig van deze eeuw uitzicht op het Tochmaland en de poldermolen. Rond de vijver liepen grillig kronkelende wandelpaden tussen met zorg gekozen afwisselend kleurige bomen en struiken. Het ontwerp is mogelijk door tuinarchitect Roodbaard

[p. 66]



illustratie

Afb. 72. Tuin achter Voorstraat 87. Getekend 1985 door T. Brouwer naar eigen waarnemingen.


geleverd, die destijds zeer in aanzien stond bij de bezittende families (zie Lucas Pieters Roodbaard, Catalogus, p. 63). Andreae ('85, ii, 162) vermeldt dat de tuin is aangelegd op de voormalige Philippusfenne, een stuk land dat vermoedelijk in de 17e eeuw deze naam kreeg en aan de pastorie van Kollum behoorde. Er zou een huis op gesticht zijn met een tuin, die door een gracht van het overige gedeelte gescheiden was. Die gracht zou ‘tot voor kort’ nog zichtbaar geweest zijn in de tuin. De kadastrale minute toont hiervan echter geen spoor behoudens dat alle erven tegen een groot rechthoekig erf teniet lopen. Bij graafwerkzaamheden in de nabijheid van het nieuwe huis zijn volgens Andreae voorts kloostermoppen gevonden, wat op een oudere opstal op deze plaats zou kunnen wijzen (afb. 72, 139).

+ Aan weerszijden van de voortuin van nr. 87 staan aan de Voorstraat lage panden zonder verdieping, waarvan nr. 85 de nok evenwijdig aan de rooilijn heeft en beitelingen in de zijgevels, xviii. Eerst aan het einde van de Voorstraat staan enige panden, die karakteristiek zijn voor de overgang van een gesloten dorpsbebouwing naar het open plattelandslandschap: de zogenaamde rentenierswoningen, die in aanzien tevens de overgang vormen van een boerderij naar de dorpsbebouwing.

+ Nr. 121 is een breed pand zonder verdieping en heeft de ingang in het midden met aan weerszijden twee vensters. De ingang is verdiept en het portiek naar buiten uitgebouwd en door gepleisterde veelhoekige kolommen geaccentueerd. Dergelijke kolommen zijn als hoekpilasters aan de hoeken van de voorgevel herhaald. Boven de ingangspartij een dakkapel, die het motief van de kolommen in passende afmetingen herhaalt. Het dak draagt twee hoekschoorstenen met borden. Omstreeks 1870 (afb. 149).

+ Deftig herenhuis van vijf venstertraveeën breed, dat blijkens de omlijsting van de ingangspartij uit de late 18e eeuw stamt. De kadastrale minutekaart geeft hier een niet zeer diep breed pand weer. De tegenwoordige bestemming van rusthuis heeft uitbrei-

[p. 67]

dingen naar achteren en aan de westzijde veroorzaakt. Het oorspronkelijke pand heeft een volle verdieping, waarboven de gevel afgesloten is door een geblokte kroonlijst met een eenvoudige dakkapel in het midden. Alle vensters hebben nog de verdeling in zes, of op de verdieping, vier kleinere ruiten. Boven de vensters twee steens hoge hanekammen, die stroken met de bloklijst boven de ingang, die gedragen wordt door twee Ionische pilasters. De bovendorpel van de ingang is met snijwerk versierd en het bovenlicht heeft een snijraam (afb. 132, 133).

+ Zie Raadhuis

+ Fors hoekpand zonder verdieping doch onder hoog schilddak met de korte zijde aan de rooilijn van de Voorstraat, xviii (afb. 135).

+ Eenvoudig pand, xixa, zonder verdieping en onder schilddak met het smalle schild aan de straatzijde, waarvoor een grote vlakke dakkapel. De pilasters aan weerszijden van het venster staan juist boven de dammen tussen de ingang en de beide flankerende, vrij smalle benedenvensters. Met de forse gootlijst heeft dit pand opvallend goede verhoudingen (afb. 135).

+ In de tweede helft van de 19e eeuw herbouwd eenvoudig pand, waarvan de verdiepinghoogte afwijkt van de gangbare van de panden 54, 56 en 62 (afb. 134).

+ Fraai en reeds op de kadastrale minutekaart zeer diep pand uit het einde van de 18e eeuw met zo grote lichttoevoeren, dat bijna geen muurwerk meer overblijft in de voorgevel. Ingangsomlijsting met zeer hoge Ionische pilasters (afb. 134).

+ Pand zonder verdieping onder schilddak met het korte schild aan de rooilijn, die hier een kleine sprong maakt. De geblokte gootlijst speelt ongeveer mee op de hoogte van die van de panden 54, 56 en 62.

+ Eenvoudig woonhuis onder zadeldak tegen een topgevel aan de straat, die halverwege de helling schouderstukjes heeft, waar mogelijk bollen of andere versieringen op gestaan hebben, xviii (afb. 137).

Verder oostwaarts bereikt de straat het oude middelpunt van de nederzetting bij de kruising van land- en waterweg. De volgende panden hebben alle een verdieping en kunnen een 17e-eeuwse kern bevatten. De zadeldaken zijn over het algemeen in de 18e eeuw aan de voorzijde van een voorschild voorzien, waardoor de gevel een rechte kroonlijst kon krijgen. In de 19e eeuw werden enige gevels door nieuwe vervangen; alleen nr. 88 behield 17e-eeuwse elementen (afb. 136).

+ Twee panden met verdieping en afgesloten door een brede houten gootlijst, die breder doorloopt dan het voorschild van de kap, wat de veronderstelling wettigt, dat de panden ouder zijn dan de gevels, die omstreeks 1880 kunnen zijn gebouwd. Nr. 80 heeft nog de bijbehorende pui, bij nr. 78 is deze gemoderniseerd. Ook de kap van nr. 80 is 17e-eeuws.

+ Laag pand met rechte kroonlijst en dak met voorschild en topschoorsteen. Blijkens een ansichtkaart (Kollum in oude ansichten 1, 1972, 29) had dit pand toen (omstreeks 1900?) nog een halsgevel met gebeeldhouwde aanzetkrullen, xviii.

+ Vier traveeën breed pand met forse kroonlijst, die gesteund wordt op gesneden consoles. Ook hier is de gevel in de 19e eeuw voor een bestaand pand gezet, dat een schilddak heeft, dat mogelijk een trapgevel vervangt.

+ Fors pand met verdieping, dat nog 17e-eeuwse onderdelen bevat in de bogen boven de vensters. De aansluiting van het metselwerk op de kozijnen en de diverse verzakkingen verraden echter, dat er herhaaldelijk wijzigingen zijn uitgevoerd. Mogelijk heeft er vanouds een houten pui gestaan onder de boogtrommels. Het pand bezit een laatgotische kap.

+ Breed pand blijkens de vensters op de verdieping met 18e-eeuwse gevel, waarvan de pui midden 19e eeuw in een winkelpui is gewijzigd.

+ Zie Rechthuis.

Voorbij de overbrugging van de vaart staan aan de zuidzijde van de Voorstraat een aantal vrij grote panden uit de 19e eeuw, zoals het vier traveeën brede nr. 98 en het vijf traveeën brede nr. 102, dat op een aantal oudere kavels is gebouwd. Nr. 98 verloor blijkens opschrift in 1922 beneden de geslotenheid, waarmede het aanvankelijk kennelijk was gebouwd als deftig woonhuis (vgl. nr. 57).

+ Drie traveeën breed woonhuis dat eind 18e of begin 19e eeuw een nieuwe gevel kreeg, bekroond door een geblokte lijst met in het midden een vrij fors tympaan, mogelijk in navolging van dat van het Van Sytzamahuis, thans raadhuis.

[p. 68]

+ Aan deze zijde vindt men hier reeds de lage bebouwing van renteniershuizen, zoals nr. 112 met zijn bijna overdadige stucdecoraties boven ingang en vensters. Oostelijk ziet men op oude prentbriefkaarten en in het album van burgemeester Witteveen een forse boompartij.

Er volgen enige lage panden zonder verdieping zoals de nummers 120 en het wat bredere 138.

+ Hoewel de gevelsteen met de zondeval 1617 als datum draagt, zijn de gevel en het voorste dakschild niet ouder dan vroeg 19e-eeuws (afb. 143).

+ Dwars geplaatste woning onder schilddak met geblokte gootlijst, 18e- of vroeg 19-eeuws.

+ Aan de oostzijde van het dorp is in 1829 op een groot terrein de villa Oostenstein gebouwd voor Herman Klugkist Hesse, zoon van dominee Klugkist en Geeske Hesse. Hermannus huwde te Kollum met een dochter van de grootgrondbezitter Eskes.

+ Volgens Andreae ('85, i, 153) stond hier in de 16e eeuw Buma- of Jumastate. Ene Broer Iwema (= Juma) gehuwd met Jelck Phaesma zouden hier in 1527 een state bewoond hebben; hun dochter Auck huwde Sije Buma. In 1579 komt Iwemastate voor ‘leggende opt oesterzijde van Collumer-bueren’. Andreae volgde de eigendommen tot 1641, waarna de state volgens hem zou zijn afgebroken.

Het huis uit 1829 was blokvormig, vijf traveeën breed en evenveel vensters diep. De ingang in het midden en het middenvenster erboven waren omlijst met gecanneleerde pilasters. Boven de ingang was een balkon met een smeedijzeren hek. Volgens een oude ‘ansicht’ was er een breed en laag smeedijzeren hek bij de ingang van de tuin. Boven de vensters stonden ornamenten, waarschijnlijk van terra-cotta; ook op de kroonlijst kwamen dergelijke ornamenten voor. De voorgevel had aan de zijden smalle geblokte pilasters. Boven de ingang stond een forse dakkapel met halfrond gesloten vensters. Als architect kan men denken aan Jaane van der Wielen uit Leeuwarden, die ook voor diverse buitenplaatsen werkte.

Het pand is tot 1929 in de familie gebleven, heeft als hotel gefunctioneerd, doch is in en na de oorlog gevorderd en in 1972 afgebroken, nadat het zelfs als ruimte voor een klein-industrie gebruikt was. De trap met gesneden leuning is opnieuw toegepast in het pand Oosterdiepswal 17 (afb. 141).

+ Op de kadastrale minutekaart staat het pand afwijkend getekend van de tegenwoordige toestand. Het is minder diep dan het aangrenzende nr. 6 en de vuurhut staat rechts achteraan in plaats van vooraan zoals thans. Het pand was toen eigendom van de winkelierster, die ook het hoekpand aan de Voorstraat bezat. Volgens deze gegevens zou de achtergevel van de schuur en mogelijk zelfs de gehele schuur jonger dan 1823 moeten zijn. Het voorhuis, dat vier vensters breed en langs de brede geveltop vlechtingen heeft en kleine lichttoevoeren met houten kozijnen, kan nog 18e-eeuws zijn. Het pand is in de jaren zeventig gerestaureerd door de stichting Oud Kollumerland.

+ Op een foto in ‘Kollum in oude ansichten’ (1972, 22), ziet men dat de ingang van dit smalle diepe pand, dat langs het Hoogpijpke gebouwd is en daar oorspronkelijk ook naar heette, (volgens dezelfde bron) in het midden gestaan heeft. Rond het venster onder de dakkapel zijn de aanhechtingen van het metselwerk duidelijk te zien. De stenen dakkapel stond dus boven de ingang en vormde een Vlaamse gevel hoewel de goot er thans voorlangs loopt; de halfronde beëindiging zal een andere gezwenkte vervangen. Het venster in de Vlaamse top heeft dezelfde kleine roedeverdeling als op de oude foto het korte venster aan de zuidgevel had. Het pand heeft op die foto wel vijf schoorstenen en een doorgang in de langsgevel aan het Hoogpijpke met ernaast een hooggeplaatst venster. Het pand was in 1823 eigendom van de Armvoogdij en zal met zijn vele schoorstenen een Armhuis gevormd hebben.

+ Het forse blokvormige pand nr. 10 is ooit als Gereformeerde pastorie gebouwd, mogelijk bij de houten kerk van 1887.

+ Het ertegenover staande nog grotere gebouw is in 1887 als postkantoor gebouwd met directeurswoning op de verdieping.

+ Langs de trekvaart is deze straat in 1876 als Nieuwe Buurt bebouwd met vrij ruime woningen zonder verdieping in de trant van rentenierswoningen. De ruimste hadden aan weerszijden van de ingang twee vensters en een dakkapel boven de ingang. De kleinere hadden slechts aan een zijde de woonkamers en aan de andere zijde een klein vertrek waardoor de ingang onregelmatig onder de dakkapel kwam te staan. Het

[p. 69]

fraaiste is nr. 28, dat vrij gaaf bewaard is. (afb. 150).

+ Langs deze straat staan genummerd 16-26 en 25-35 twee groepen woningen voor de gezeten arbeidende klassen die eind 19e eeuw planmatig gebouwd zijn en een nog vrij gaaf straatbeeld vormen, aansluitend aan dat van de Eyso de Wendtstraat. (afb. 151).

+ De wallen langs het diep raakten bebouwd met woningen, hoewel men daar eerder bedrijfspanden zou verwachten. Alleen de voormalige Waag op nr. 4 herinnert nog aan de handelsfunctie van de wallen.

+ Zie Waaggebouw.

+ Ouder lijkt alleen nr. 1 met een dwarsgeplaatst zadeldak tegen topgevels, dat als bouwmassa 18e-eeuws kan zijn geweest. Het pand is na 1964 gesloopt (afb. 148).

+ Ook aan deze zijde treft men geen duidelijke bedrijfspanden meer aan. Menig 19e-eeuws pand heeft op de begane grond een bescheiden winkelfunctie gehad, zoals nr. 2.

+ Nog wel 18e-eeuws pand onder zadeldak evenwijdige aan de rooilijn tussen topgevels met beitelingen langs de zijden.

+ Ook het bescheiden nr. 3 heeft een kap evenwijdig aan de straat, maar is overigens uitwendig in details vernieuwd.

+ Eenvoudig woonhuis onder hoog zadeldak, dat 17e-eeuws kan zijn.

+ Het pand nr. 5 heeft een nieuwe voorgevel gekregen met strekken boven de grote vensters, maar heeft aan de gootlijst en dakhelling ingeboet.

+ Breed pand zonder verdieping. Waarschijnlijk geheel uit de jaren zestig van de 19e eeuw: omlijste deur in het midden en twee maal twee grote vensters met zes ruiten; muurankers met gietijzeren rozetwartels, dakkapel met smalle zijlichten. Boven de zijgevels schoorstenen met borden.

+ In het onlangs herbouwde pand nr. 17 is de rijk versierde trap uit huis Oostenstein aangebracht (afb. 145).

Voormalige industriemolens

Een grote plaats als Kollum heeft in de loop der tijden diverse korenmolens en molens voor andere doeleinden gekend.

 

+ Andreae '85, i, 45-46; Van der Molen, Gemaal; Keune; Korenmolens 20-22; Bunskoeke, Molens ii, 30; Bosgraaf, Ansichten i, 21 en ii, 30.

+ Aantekeningen welwillend ter beschikking gesteld door S.J. van der Molen.

 

+ Volgens Andreae was er in 1551 sprake van een ‘molner’ in Kollum en wordt in 1561 een ‘moeien op 't noordoost van Colmerbuiren’ vermeld. Van der Meer vond in het Hof van Friesland iii, 3, 30 een verkoping vermeld van ‘een wyntmolen’ met het molenhuis in 1559. De kaart van Schotanus van 1664 geeft twee windmolens aan ten oosten van het dorp: één ten noorden en één ten zuiden van de weg naar Burum; de kaart van 1689 geeft nog slechts de noordelijke molen weer. De zuidelijke, die volgens Andreae in 1580 genoemd wordt, was in 1689 kennelijk reeds verdwenen; in 1709 wordt de plaats ‘d'olde meulenberch’ genoemd als plaatsaanduiding, westelijk waarvan een nieuwe ‘peldergarstmeulen’ gebouwd werd op land van de Mennoniete armvoogdij. In de 18e eeuw gaat het eigendomsrecht enige malen in andere handen over (Keune). De molen is in 1896 afgebrand; het stenen achtkant werd volgens Van der Molen in de jaren vijftig van deze eeuw nog als woning gebruikt. De noordelijke molen werd in 1698 door Temme Pieters gekocht en de eigendomsrechten daarvan zijn tot 1788 te volgen (Keune). Deze molen brandde in 1812 af, doch werd spoedig herbouwd als ‘de Phoenix’. Na een brand in 1842 werd de molen aanvankelijk niet meer herbouwd.

+ In 1843 werd echter aan W.H. Hettema door Ged. Staten vergunning gegeven een koren- en pelmolen te bouwen, daar er ‘sedert het afbranden van de molen genaamd de Phoenix ... te Kollum slechts één koren- en pelmolen bestaat’. De molen werd gebouwd ten westen van de Trekvaart en ten zuiden van het dorp op de resten van de bekende ‘berg’ van de buitenplaats Oostenburg, die in 1839 gesloopt was. Het werd een achtkante molen met stelling. Bij verkoop in 1856 werd de in volle werking zijnde koren-, pel- en moutmolen De Duif genoemd. In 1910 verbrandde ook deze laatste molen van Kollum.

[p. 70]

+ Ten noorden van de Westerdiepswal op de zogenaamde Schreiershoek stond in de 18e eeuw een molen, die volgens Andreae mogelijk reeds in 1596 genoemd wordt. In 1830 was volgens Van der Molen P.F. Lune eigenaar. Drie jaar later kwam de molen in handen van de Kollumer molenaar en timmerman A.J. Keuning. In een request van 7 februari 1840 vermeldt Keuning eigenaar te zijn ‘van een zogenaamde wipstaart windkoren- en pelmolen, genaamd de Haan’. Het was dus een spinnekopmolen met stelling. In het request verzoekt Keuning op de plaats van de spinnekop een achtkant te mogen bouwen, omdat ‘de molen door ouderdom en daaruit voortvloeiende zwakte bij de bestaande bekrompen ruimte noodzakelijk aan een vertimmering toe is’. De nieuwe molen zou groot moeten worden ‘hoog op bintwerk en klipwerk acht ellen, met eene ruimte binnenwerks beneden van tien ellen en eene vlugt van circa twintig ellen’. De vergunning werd verleend omdat volgens het grietenijbestuur ‘sedert de omstorting der molen van Jan Hoekstra voor ruim tien jaren, de molen ... hier werkelijk van nut is geweest’. Op 12 augustus 1870 werd de molen voor afbraak te koop aangeboden.

+ Andreae vond een vermelding in 1577 van een oliemolen ‘Op de molenberch’ bij de Putstraat. In 1641 wordt daar gesproken van de ‘olde meulenberch’. In 1613 werd bovendien een oliemolen, waarschijnlijk een rosmolen vermeld aan het oostelijke einde van het dorp ten noorden van de straat. Deze waren blijkbaar in de 18e eeuw teniet gegaan, want in opdracht van Cornelis van Scheltinga, Eyso de Wendt en Focke Hylckes Eskes werd in 1766 ten zuiden van het dorp aan de oostzijde van de vaart een+ oliemolen gebouwd. Het werd een achtkante molen met stelling, de Pauw genaamd. Omstreeks 1875 kocht Sybren Tijmstra uit Witmarsum de molen (Bosgraaf ii, 30), en schakelde in 1878 over op stoomkracht, waartoe een ketelhuis bij de molen werd gebouwd. Men verwerkte er lijn- en koolzaad, kopra en aardnoten. Na een brand in 1884 werd de molen het volgende jaar herbouwd, doch in 1903 onttakeld. De romp verbrandde in 1919.

Kalkovens

Volgens Andreae ('85, i, 44) bestonden er te Kollum in het einde van de 17e eeuw kalkovens ten noorden van het centrum aan de oostzijde van de vaart, waar hem een Kalkovensfenne bekend was. De armvoogdij zou eigenaar van de ovens geweest zijn, die zij in 1691 verkocht. De kaart van Schotanus geeft de ovens aan. Thans staat op dit terrein de boerderij Willem Loréweg 3, die ook wel Kalkhuis genoemd wordt. In de kaartcollectie van het Rijksarchief te Leeuwarden komen twee proceskaarten voor uit 1736 (20 dec. nr. 20), waarbij kennelijk onenigheid was ontstaan over een dam in het ‘Collumerzijlsdiep’ gemaakt van ‘vergraven pastorijlandt’. Er wordt een rechthoekig omgracht terrein weergegeven met een kalkoven, een ‘kalkhuijs’ en een ‘schiphuijs’ in een ‘sloot tussen 't hornleger’ en ‘pastorije landt’.

States en buitenplaatsen

+ Ten westen van de Rijd, juist in de bocht die deze altijd nog maakt, lag volgens de kaart van Schotanus-Halma Nieuw Meckema (afb. 59, 163).

+ Pax Groningana 19; Andreae '85, i, 141.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1723 met onderschrift: ‘'t huis Meckema, te Kollum in Kollumerlant behoort den Heere van Vos 1723’.

 

+ Volgens een contract tussen de erven van Hessel van Meckema, die in 1612 overleed, kreeg zijn weduwe Lisk van Eysinga ‘het olde Casteel ofte nieuwe Meckemahuis’ (Sententieboek, Hof van Friesl. ww8, 174). Daarop berust de identificatie van beide huizen. Het Casteelhuys of het Blokhuis was door de stad Groningen in 1467 in Kollum gebouwd als teken van macht (Pax Gron. 19). Het contract met de Groningers over militaire bijstand van dat jaar was echter in 1497 beëindigd. Het volgend jaar kwam Albrecht van Saksen aan de macht. Wanneer het Nieuw Meckemahuis in de 17e eeuw nog alias het Blokhuis wordt genoemd, zal dit in de familie een eervolle traditie vertegenwoordigen.

In 1497 was Feye van Rimersma, gehuwd met Tieth van Meckema, in de bloei des levens. Hij bezat de state ‘Oud’ Meckema, die hem van zijn vrouw was aangekomen. Hij zal dus het blokhuis verkregen hebben hetzij door koop hetzij wegens politieke gezindheid. Zijn drie zoons Sippe, Sybe en Pybe waren allen duidelijk Bourgondisch

[p. 71]

gezind. De eerste twee gingen in ballingschap in 1518, Pybe diende de stadhouder Schenck van Toutenburg. In diens leger diende ook de vader van Hans Vredeman de Vries, waardoor de mededeling van Van Mander, dat Hans een altaarstuk voor de Meckema's geschilderd zou hebben, persoonlijke achtergrond krijgt. In de kerk bestond een Meckemaleen en een Meckemabank. Het altaar zou dan in een Meckemakapel toegepast kunnen zijn geweest, mogelijk in memorie van Pybe, die in 1549 overleed.

Nieuw Meckemastate zou door Pybe mogelijk reeds in de eerste helft van de 16e eeuw van een blokhuis in een bewoonbare state gewijzigd zijn. Pybe was gehuwd met Sjouck Tjaerda van Starkenborch (van Sybrandahuis), die in 1527 haar erfdeel kreeg (Sipma ii, 334). Ook de Tjaerda's waren onverdacht Bourgondisch gezind. Pybe stierf te Brussel en werd daar begraven evenals zijn beide broeders. Sjouck werd later bijgezet onder de zerk van Worp van Ropta te Metslawier (Dongeradelen p. 361). Hun zoon Sippe of Scipio was in 1555 reeds gevolmachtigde ten Landsdage. Hij genoot zoveel aanzien dat hij Emerentiana van Grombach, dochter van Frits en Luts van Martena op Groot Terhorne te Beetgum kon huwen. Hij was hervormingsgezind en werd in 1568 verbannen maar in '71 kocht hij een huis op de Diepswal. In 1587 werd hij grietman. Hij stierf in 1599 en is te Leeuwarden begraven. Zijn kleinzoon Hessel liet bij zijn dood het testament na, waarover de uitspraak kwam, die de identificatie van het Blokhuis en Nieuw Meckema bevat. Via Lisck van Eysinga, weduwe Hessel van Meckema, kwam Meckemastate in 1641 door koop uit de boedel aan haar broeder Ritscke (Hof van Friesl. iii, 14, f. 300v). Hij was in 1632 volmacht ten Landsdage en in 1639 tot grietman gekozen en huwde in 1633 Bauck van Roorda, bij wie hij tien kinderen kreeg. Dochter Lucia kreeg in 1667 de state toebedeeld, waar haar zuster Foecke woonde gehuwd met Douwe van Sytzama (Hof van Friesl. portef. 426, dossier 18). Hun dochter werd Johanna Beatrix gedoopt en huwde Berent Hendrik van Voss thoe Beesten. Hun dochter Beatrix erfde in 1798 van haar tante Lucia de state Meckema, landerijen en bank in de kerk, toen Lucia op Feitsmastate te Hallum, dat zij van de Roorda's geërfd had, gestorven was. Via een broeder Voss thoe Beesten komt het huis vervolgens in bezit van Duco Martena van Burmania, die te Hallum reeds twee states bezat en waarschijnlijk deze state heeft laten afbreken (vgl. Ferwerderadeel, 173).

+ Het door Stellingwerf afgebeelde gebouw bevat geen blokvormig gedeelte, dat in huizen voorkomt, die een middeleeuws steenhuis bevatten. Wij zien twee vleugels waarvan de woonvleugel een klokgevel heeft en dus in de tweede helft van de 17e eeuw vernieuwd moet zijn. Het gedeelte in de as van de toegangspoort ziet er eerder vroeg 17e-eeuws of 16e-eeuws uit met een opkamer en een vertrek over de volle hoogte aan de andere zijde van de ingang. Deze vleugel staat tegen een brede vleugel haaks daarop, die door een brede schuurdeur toegankelijk is. Dat zou een laat 15e-eeuwse kazernevleugel geweest kunnen zijn. De afgebeelde toegangspoort stamt kennelijk uit de tweede helft van de 17e eeuw. De kadastrale minute van 1823 geeft een enorme vijver weer in het terrein van Nieuw Meckema. Of het huis in het midden van die vijver gestaan heeft?

 

+ In Zevenhuizen in de buurt van Phaesma State moet een stins Meckema gestaan hebben.

+ Andreae '85, i, 166

+ Op Oud Meckema State moet omstreeks 1460 Taecke van Meckema gewoond hebben wiens dochter gehuwd was met Pybe van Eernsma, die zich nu ook Meckema ging noemen. Hun dochter huwde Feye van Riemersma, die zich ook weer naar de state ging noemen. Hij kreeg een zoon Sippe, die Karel v trouw zwoer en daarom uit het Gelders gezinde noordelijk Oostergo vertrekken moest. Hij kreeg een Bourgondische uitkering (Rentmr. rekeningen) en stierf waarschijnlijk in 1519. In 1543 (Benef. boek) komt ‘Pybe Meckema's landsatehuys’ voor in Meckemabuyren. Dan is de state dus in een sate veranderd en zal de zetel van de familie Meckema overgeplaatst zijn.

 

+ Aan de westzijde van het dorp heeft eind 18e eeuw het buiten Oostenburg veel opzien gebaard door de luxe, die voornamelijk sprak uit de tuinaanleg met de gedurfde ‘berg’, waardoorheen paden voerden (afb. 160, 161).

[p. 72]

+ Tegenw. Staat ii, 224; Potter, Wandelingen i, 281; Andreae '85, i, 115.

+ Tekening met onderschrift: ‘De buitenplaats Oostenburg te Kollum, die Eyso de Wendt, vroeger ambtenaar in O. Indie van 1772-1780, grietman van West-Dongeradeel, liet bouwen, afgebroken in 1837’ en twee van dergelijke tekeningen zonder dit onderschrift, alle drie in coll. Fries Museum, Leeuwarden.

 

+ Huis en tuin werden eerst in 1775 aangelegd door Eyso de Wendt, die zich in de koloniën als directeur van de handel op China een vermogen had verzameld. Hij kocht terreinen aan, waarop voorheen Jellemastate gestaan had. Het terrein werd volgens Andreae aangeduid als ‘opt Hoge Hiem ind zuydt van Colmerhuyzen’.

+ Jellema State zou zuidelijk van Oostenburg gestaan hebben en door een laan, waarvan in 1598 sprake was en door een poort, die in 1634 genoemd wordt, verbinding gehad hebben met de Voorstraat. Het Jellema steenhuys uit 1511 werd volgens Andreae waarschijnlijk bewoond door Gerloff Jellema en Wyltje, zijn vrouw. Zij hadden een zoon Hero, wiens kleindochter Mack geheten, huwde met Arnold Poppe, notaris en assessor. Zij kochten in 1571 een vierde erfdeel van hun zuster in Jellemahuysinge en Poppe kocht later nog de voorhuizinge van de state. Enige nazaten blijken kinderen van Poppe te zijn, waarvan de zoon Hero zich Jellema noemde en ook notaris was en de state bewoonde in 1616 en 1640. In 1653 kocht Trijntje Cleveringa weduwe Jacobus Rosema de helft van Jellema State; de andere helft kwam later ook in haar bezit (Procl. boek q 5, 27 en 143). Haar kleindochter Isabelle Catherina van Fogelsangh gehuwd met Lambertus Bieruma, bezat tenminste in 1700 ‘een hornleger en kamp lants van Jellema uytgekomen etc’. Haar dochter deed het terrein in 1773 van de hand aan Eyso de Wendt, die sedert 1760 in patria terug was en zich in 1763 tot Gecommitteerde Raad ten Landsdage had laten kiezen en in 1772 grietman van West-Dongeradeel werd. De koop bevatte ‘Landen ... met huisinge, tuinen, hovingen, zingels en plantagien ca. het Hoog genaamd en tezamen groot 60½ pondemaat’. De Wendt kocht tevens een huis en hof aan de Voorstraat om een oprit naar zijn buitengoed te maken, de Nieuwe Reed geheten.

De Wendt liet de gronden die hij gekocht had en die reeds omschreven werden als ‘met huizinge, tuinen, hovingen, zingels en plantagien’ aanleggen tot één grote tuin, doorsneden door een laan over de middenas en door dwarslanen, zoals het kadastrale plan van 1832 nog aangeeft. De middenlaan liep uit op een theehuis aan de Stroobosser Trekvaart. Op de kruising van midden en middelste dwarslaan werd de stenen berg gebouwd, twee elkaar kruisende tunnels uit baksteen opgetrokken met naar het kruispunt toe schuin oplopende flanken. Boven op de berg werd later door Eyso's erfgenaam Eko een latten paviljoen gebouwd. Eko was in 1755 burgemeester van Workum, maar kwam na Eyso's dood in 1780 naar Kollum, waar hij tot 1809 woonde. Hun zoon Leonardt woonde er nog tot 1834 waarna huis en tuin op afbraak verkocht werden (Leeuw. Crt. 16 Jan. 1834; vr. meded. P. Karstkarel). Het huis kwam aan de Grietenij, die op de fundamenten het armhuis liet bouwen (zie aldaar).

Nadat de Tegenw. Staat in 1786 zich nog bewonderend uitlaat over de ‘zwaare steenen berg met gewulfde steenen boogen, ongeveer ter hoogte en omtrek van een friesche Ticheloven, op welk gebouw een zomerhuis door zijnen erfgenaam Eko is geplaatst’ is de mening van ds. Potter kritischer in 1808: ‘zonderling in een donkere hoek achter de dorpsbuurt’ gelegen met in de tuin ‘een lomp stenen gevaarte dat veel sommen gelds gekost heeft en niet sierlijk is’. Dertig jaar later werd onder de burgerkoning korte metten gemaakt met huis en tuin: sociale bestemming en verkavelen (afb. 161).

+ Volgens de tekening in de collectie van het Fries Museum bestond het gebouw uit een hoog onderkelderd breed gebouw van negen traveeën met een brede ingang in het midden, die door een dubbele stoep bereikbaar was. In de stoep bevond zich de toegang tot het onderhuis. De ingang die uit dubbele deuren bestond, was omlijst door brede pilasters die een kroonlijst droegen. Daarboven voor het dak een even brede dakkapel met een enkel breed en halfrond gesloten venster. De kapel had naast het venster gesneden ornament en was recht gesloten door een lijst op consoles(?).

Mogelijk was in 1837 een bekroning van de kapel verdwenen. Boven de smalle middelste dammen tussen de vensters van de begane grond stonden dakkapellen, waarvan de vensters ook halfrond gesloten waren. De tekenaar geeft het gezwenkte omlijstingen en bekroningen. Alle vensters hebben kleine ruiten tussen roeden, in de

[p. 73]

begane grond als 5 × twee maal vier getekend. Het huis had een vrij steil omgaand zadeldak met vier hoekschoorstenen. De massa van het later op de kelders gebouwde armhuis was ongeveer gelijk aan die van de state. Aan de rechterzijde had het huis een twee vensters brede aanbouw onder zelfstandig dak (mogelijk een dienstwoning) en aan de linkerzijde bevonden zich de stallen enz. in een zes traveeën breed gebouw van begane grond en halve verdieping. Daar er geen schoorstenen op getekend zijn, moet men aannemen dat daar niet verwarmd kon worden (afb. 160).

 

+ Ten westen van Kollum aan de weg, die in 1841 verhard werd, lag direct buiten de kom Bootsma State aan de zuidzijde van de weg op een verhoogd terrein door grachten omgeven. Het terrein werd aangeduid, volgens Andreae, door ‘twee oude van steen gemetselde pilaren’ met ‘Bootsma State’. Schotanus geeft er een stemdragende plaats. Andreae heeft de plaats in 1616 gevonden als onbehuisd en verhuurd, ‘een schoon hof met fruytboomen ende andere boomen omt heem ende gracht ende poorte, daaronder ressorteerende 41 pd. Gabbe van Bootsma toebehoorende’. Hessel Bootsma was in 1518 balling wegens Bourgondische gezindheid; in 1548 komt hij weer te Kollum voor en was in 1550 kerkvoogd. Zijn zoon Epo, gehuwd met Rienckje Aesgama, zou de state bewoond hebben. Deze werd in 1582 grietman van Kollumer- land, doch trok zich in 1584 terug. In 1640 waren de kinderen van zijn zoon Gabbe eigenaars van de hof en de 41 pd land en in 1689 werd het goed verkocht aan Epo van Aylva en later in 1742 aan Cornelis van Scheltinga te Heerenveen. In de akte worden vermeld ‘een sekere groote Huisinge, schuire, hovinge, boomen en plantagien groot 4 pdm in Laanstercluft aan de gebuirte van den Dorpe Kollum’. Van Scheltinga kocht tevens ‘sekere huizinge, hovinge etc. ten oosten van voorgeschreven hovinge en aan de straat’. Op het terrein van Bootsmastate kende Andreae nog tuinvazen met de wapens Van Scheltinga en Van Eysinga. Cornelis' zoon Martinus was in 1775 grietman en had de buitenplaats willen moderniseren, doch werd daarin door de Revolutie verhinderd. Als Potter het park beschrijft in 1808 (zie Sjoorda) moet dit toch wel de aanleg uit eind 18e eeuw betreffen. Van Scheltinga komt in 1813 terug naar Kollum, werd lid van de Staten en stierf er in 1820. Zijn weduwe ging later op Vaartzicht wonen (zie Oudwoude).

 

+ Volgens Andreae ('85, i, 128) kocht Jan Braak, die in Oost-Indië een vermogen had verzameld, in 1775 van de familie Van Aylva Abbemasate. Het zal het terrein geweest zijn waar Abbemastate gestaan had, dat in 1543 voorkomt en in 1580 als Abbamastate ter Laen of wel in de Laanstercluft. In 1607 wordt er reeds van sate gesproken als het goed tussen Leeuwarders burgers verkocht wordt. In 1608 komt Jacob Lieuwes voor op Abbamastate onder Kollum (Hypotheek boek v2, f. 79 v0). Jan Braak, die in 1795 secretaris van de grietenij werd (Andreae '85, i, 122) bouwde er een landhuis dat door Anthony Braak in 1808 verkocht werd aan S.G. Fruitier de Talma, ontvanger te Kollum. De singel ten westen van het terrein heet nog Talmasingel.

Een tekening van Gardenier Visscher geeft een verdiepingloos breed huis met drie topgevels boven de gootlijst van het schilddak. Een even grote eenheid ook onder schilddak staat erachter, waarnaast een groot schuurdak is weergegeven. Het terrein zal oostelijk van de Talmasingel gelegen hebben waar nu de tennisbanen zijn en Gardenier Visscher zal van het dorp uit zijn blik gericht hebben over het huis richting trekvaart. Over de architectuur van het huis valt weinig te zeggen daar de tekening slechts het dak weergeeft (afb. 159).

+ Westelijk van de ‘bebouwde kom’ van Kollum lag eens Sjoordastins. In 1517 worden de goederen van Tyepcke Sjoorda geconfisqueerd en aan Lubbert Turck geschonken (Charterb. ii, 346). In 1552 wordt in het monstercedul geen naamdrager op deze state meer genoemd, als vastgesteld wordt dat deze verplicht is ringkraag, spies en degen gereed te houden. In 1630 wordt een woonhuis op de plaats verkocht (Hyp.bk. v, f. 311). Uitdrukkelijk wordt vermeld dat stins niet verkocht wordt en aan de landheer Schelte van Aebinga te Hallum toebehoort.

+ Volgens Andreae kwamen de landerijen aan Martinus van Scheltinga, die op deze en op die van Bootsma bossen aanplantte voor een buitenplaats, die nimmer tot stand kwam en waarvan een vijver het Witwater genaamd zou zijn. De bossen van Van Scheltinga worden door Potter in zijn reisbeschrijving van 1807 zeer geroemd wegens ‘kronkelende beekjes, in welke het water door een kunstwerktuig in beweging

[p. 74]

gehouden wordt’ en ‘eene van boomwortelen zamengestelde hermitage alsmede een kunstdal omgeven door opgeworpen heuvelen van ongelijk hoogte’, geurend geboomte en schapen.

 

+ Tot 1875 heeft westelijk van het terrein van Tademastins (dat behandeld wordt onder Van Limburg Stirumweg 25) het landhuis Nijenburgh gestaan op een terrein, waarop voorheen Jeppema State gestaan had. Daar in een woning ter plaatse, die tot 1883 bleef staan, jaartalankers 1775 te lezen waren, veronderstelt Andreae, dat dit het jaartal van de stichting van Nijenburgh is. De Nijenburgh werd gebouwd voor Willem Livius van Bouricius, zeekapitein en gehuwd met Cecilia van Scheltinga, een zuster van de grietman. Hij kwam in 1793 bij een scheepsbrand voor de kust van Vlieland jammerlijk om het leven. Zijn vrouw bleef volgens Andreae tot omstreeks 1840 op het huis wonen, toen haar nichtje Cecilia Johanna er kwam te wonen, gehuwd met L.G.A. Graaf van Limburg Stirum. Later werd het huis nog bewoond door B.H. van der Haer en burgemeester Hopperus Buma (afb. 73, 162).

A. Martin tekende het huis wellicht kort voor de afbraak. Het onderkelderde huis is zeven traveeën breed en heeft een middenrisaliet van drie traveeën, waarin de ingang staat en dat wordt afgesloten door een tympaan naar laat 18-eeuwse smaak. Terzijde lage dienstvleugels met een geornamenteerde houten borstwering voor de kap. Potter prees in 1808 ‘het schone landhuis Bouricius’.

De kadastrale minute geeft een rechthoekig terrein, 500 m diep, dat van de weg naar Oudwoude tot aan de Trekvaart reikte. Het terrein is omsloten door een, waarschijnlijk met bomen beplante weg, waarbinnen een gracht loopt, die het park van ruim 300 m omgrenst. Het huis ligt vrij dicht aan de weg. Daarachter wordt een smalle rechthoekige vijver getekend en in de hartlijn van het huis vormt de gracht een kom. Op enige afstand van het huis lag een smalle vijver over de breedte van het terrein, die met de kom achteraan op een formele tuinaanleg wijst. Achter de smalle vijver zal in een latere fase de onregelmatige vijver en de heuvel erachter gemaakt zijn, toen romantische landschapstuinen in zwang raakten, mogelijk eerst na 1840.

+ Jeppema State dat hier gestaan zou hebben was in 1700 in het bezit van de kinderen van Sjoerd Boelens en Aett Gaetzedr. De laatste had de sate in 1623 gekocht van Reydt Jeppema te Westergeest; zij wordt dan omschreven als ‘gelegen ter Laen en hem aangekomen van zijn ouders’. In 1555 komt reeds een Reydt Jeppema voor die een state bezit ‘opt west van Colmerbuyren’, zoals Andreae vermeld vond. Ook in 1543 en 1560 vond hij deze state vermeld.

+ Volgens Andreae stond tegenover het latere Nijenburgh Broersma State. De sate werd in 1739 aan E.H. van Burmania verkocht en in 1788 aan Willem Livius van Bouricius. Men kan aannemen, dat deze er een overtuin liet aanleggen (Andreae '85, i, 136). Van der Meer vond Broersma reeds in 1569 vermeld wanneer Jan Jansz ‘in Broersma’ genoemd wordt (Register rentebr. t, 86v.). Voorts in 1612 in het Hypotheekboek (v 2, 307) bewoond door Dirk Gerryts en in 1616 in het Procl. boek (q 5, 117), waar Jacob Pieters toe Broersma genoemd wordt. Tot 1630 zou er volgens Andreae een stins gestaan hebben. Het terrein wordt genoemd als archeologisch interessant.

 

+ Ten zuidoosten van Kollum aan de Zevenhuisterweg dichtbij Augsbuurt wordt op de kaart van Schotanus een groot terrein met drie opstallen weergegeven met de naam Faasma of Phaesma.

+ Andreae '85, i, 167.

+ De familie Phaesma is in de 16e eeuw uit stukken bekend en van de grafzerk in de kerk van Kollum, die echter voor de helft sterk afgesleten is; het vrouwewapen is dat van de familie Ayckema, het leesbare jaartal 1538. In die tijd zijn bekend Ballingh Phaesma en Ydt Phaesma. Ballingh was grietman in 1523, 1527 en 1531 (Charterb. ii, 515 en 541) en Ydt komt voor als ‘baarsman’ of ‘zoenman’ (arbiter) (Weesboek p 1, 59) en als kerkvoogd (Ib. p 1, 34v0) in 1537. In 1516 was zijn boedel geconfisqueerd wegens zijn ‘rebellicheit jegens den Keiser’ (Charterb. i, 336). In 1525 was hij echter volgens Andreae lid van een Commissie van Onderzoek naar het dijkwezen. Bij de monstering van wapenrustingen in 1552 worden Loell en Hedtman Phaesma genoemd met een volledige rusting. Deze Loell draagt in 1553 met zijn broeder Hendrik en zuster Sythe een ‘Huys ende steenhuys sampt schuire ende andere annexen’ over aan

[p. 75]



illustratie

Afb. 73. Kopie van het kadastrale minuteplan terreinen Tadema State en Nijenburg, omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


Hed Phaesma en Lieuck Tjessens echtelieden (Weesboek p 2, 426). In het Weesboek wordt Hed Phaesma sate in 1562 genoemd te Meckemabuiren (fol. 53). In 1602 wordt de boedel beschreven van Jacob Jans tot Phaesmahuys, maar het is de vraag of hiermee Phaesmastate bedoeld wordt, daar in 1606 de crediteuren en erfgenamen van wijlen Hed Phaesma en Jelte Bijma verkopen ‘Phaesmastate, sate, huisinge, hoff, plantagie ende landen' te Kollum groot 40 pm. belast met ... (niet ingevuld) en 30 Gg. jaarlijkse eeuwige rente’. Koper wordt Mattheus Pietersz. te Leeuwarden. Andreae kende voorts een bewijsplaats dat Mattheus Phaesma er in 1619 woonde; deze noemde zich dus naar de aangekochte state. Zijn dochter huwde toen Johan van Scheltinga. In 1637 was Phaesmastate en -bos eigendom van Tjaerd Mattheus Phaesma, burgerhopman te Leeuwarden (Hof van Fr. eee, 1, f. 158). Deze state vormde nr. 1 van de stemmen van Uiterdijkstercluft. Via huwelijk van een dochter van Scheltinga kwam de state in 1698 in het bezit van Menno van Coehoorn. Diens dochter verkocht volgens Andreae de state in 1712 aan de notaris van Kollum. Het gaat dan kennelijk al om een buitengoed. Van het uiterlijk van het huis in de 17e en 18e eeuw is niets bekend. De glorie van het hoofdelingengeslacht uit de 16e eeuw was toen al verbleekt door politieke keuzen en vele boedelscheidingen.

 

+ Ten noorden van Kollum op de klei en dicht achter de latere zeedijk ligt een terp waarop Groot Bama gelegen heeft. Het terrein wordt als archeologisch interessant aangegeven.

+ Charterb. ii, 334; Andreae '85, i, 161 en ii, 137.

+ In het bekende charter uit 1516 waarin een aantal edelen hun goederen wordt ontnomen wegens anti-Bourgondische gezindheid komt ook voor Anth Bauwema. Een veldoverste krijgt de goederen toebedeeld. Anth moet op Bama gewoond hebben. Sappe, gehuwd met zijn dochter is in 1537 kerkvoogd en in 1557 dijkgraaf van Kollumerland; in 1531 is hij zelfs gevolmachtigde ten Landsdage. In 1552 is Sappe in het bezit van een volledige wapenrusting. Hij overleed in 1560; zijn zoon en diens vrouw zijn in 1564 reeds overleden, nalatende een zoon Offcke, die met Anna van Eminga

[p. 76]

huwde (Sententiebk. h. 1 d.d. 16 mei). Volgens Andreae is het huis na Offckes dood in 1628 afgebroken en verkocht behalve ‘de stien ende metselarije aan het binnenhuys ofte stins’, die eigendom bleven van Offckes dochter Biuck. Zij was gehuwd met Gerrit van Wytsma op Obbemastate te Ee. Hun rouwborden hangen in de kerk van Ee, waar ook een zerk ligt voor haar ouders (Dongeradelen p. 296 en afb. 465). In 1877 waren hun portretten op Wiardastate (Cat. Hist. Tentoonstelling Leeuwarden). De kaart van Schotanus van 1664 geeft nog een edele state weer, die in 1689 echter niet meer.

 

+ Terlunewei, Ter Luine Ten oosten van de Terlunewei ligt aan een oprit een boerderij genaamd Terluine.

+ Andreae, Lauwerszee 37 en 175; dez., Kollumerland '83, ii en '85 i, 16 e.v., 141.

+ De naam Ter Luine herinnert aan het kasteel, dat in 1398 als blokhuis gesticht werd voor Albrecht van Beieren. De kaart van Schotanus geeft Terluyne aan de dijk onder het tegenwoordige Oudwoude ten noorden van de latere Zwemmer. De kaart van Eekhoff komt overeen met wat Andreae meldt, dat er namelijk een sluis gevonden werd bij het graven van de Nieuwe Zwemmer. In zijn Gids voor reizenden van 1877 vermeldt Andreae zelfs dat ‘koperen bekkens waarin de sluisdeuren hadden gedraaid aan Frieslands Kabinet van Oudheden [werden] geschonken’ (blz. 249). Het blokhuis zou bij een sluis in de zeedijk gebouwd zijn. Rienks en Walther laten zich hierover niet uit. Volgens Andreae was het blokhuis gebouwd ‘opt slic’ buiten de toen als zeedijk fungerende Sandwielsterdijk. De benaming Terlune voor een boerderij aan de Terlunewei wordt gevonden op de kadastrale minute van 1823. Zij is daar met het woongedeelte naar het oosten gericht op een niet omgracht terrein, terwijl oostelijk een boerderij stond in omgekeerde richting op een omgracht terrein. In de tekst van Andreae op p. 141 vermeldt hij, dat op het laatstgenoemde terrein veel oude friezen gevonden werden en dat daar de plaats van het blokhuis gezocht moet worden. Het zou dan wel ver verwijderd gelegen hebben van de sluis. Thans staat er een stelphoeve op een omgracht terrein; deze kan uit de tijd van Andreae dateren. De door deze auteur vermelde stenen zouden dan van een voorgaand gebouw afkomstig moeten zijn, waarvan wij de bestemming niet kennen.

 

+ Andreae kent ten noorden van Kollum een Tochma State, die dicht bij Ter Luine gelegen moet hebben en ‘door hare bijzondere bouworde’ de aandacht trok. Het huis bevatte inwendig een zoldering van ‘kleine balkjes en een bedschot’. Het zou gebouwd zijn door de bezitters van een sate Ter Luine, die in 1631 een nabijgelegen sate kochten en daarop Tochma State lieten bouwen. De opdrachtgevers zouden geweest zijn Tjeerd Taeckes en Jenck dochter van Arent Bauckes Idema. In 1640 zou, altijd volgens Andreae, de eigendom overgegaan zijn aan Dirk Fogelsangh met dien verstande dat de bewoners er zogenaamd beklemrecht op hielden (erfelijk pachtrecht). Het is jammer dat Andreae geen gebruik gemaakt heeft van de kadastrale minutekaarten. Wij zouden dan met meer stelligheid kunnen aanwijzen over welke terreinen hij schrijft, en met meer zekerheid kunnen bevestigen of het gaat om de boerderij die thans nog Tochma State heet. Dit te meer daar Andreae nog weet te melden, dat op de boerderij twee zwanenhalsbanden werden bewaard waarop stond M. van Scheltinga 1682. Van Scheltinga was gehuwd met de dochter van Gajus van Broersma, die de state overnam van Dirk van Fogelsangh.

 

+ Ten zuiden van Kollum in het Laagland lag Tollingahuis dat Andreae in 1543 en 1592 vermeld vond ('85 i, 21 en 119). In 1661 wordt Jan Buwes er vermeld (Procl. boek q 5, 265) en in 1670 Fopcke Jacobs en Pitie Pietersz (Hypoth. bk. v 11, 36). Ongeveer ter plaatse staat een grote boerderij Tollenshuis genaamd, van het kop-romptype met oorspronkelijk links een opkamer.

 

+ Behoudens de daar vermelde terreinen van Broersma en Groot Bama worden ten oosten van Kollum nog als archeologisch interessant aangegeven het terrein van Rodenburg, 250 m westelijk van het punt waar de Zevenhuisterweg op de Hesseweg uitkomt. 700 m oostelijker zou een dijkfragment langs de Hesseweg liggen.

Boerderijen

+ Kleine boerderij van het kop-hals-romptype met uitgebouwde woonkamer aan de

[p. 77]

zuidzijde van de schuur. In het vooreind is tegen de noordgevel een keldervenster, waarboven de bedsteden getimmerd zijn geweest. Geveltop met kleine lichtopeningen en beitelingen langs de zijden, xviii. De stookhut staat aan de noordzijde. De schuur is met riet gedekt, de woongedeelten met pannen (afb. 157).

+ Op een omgracht terrein staande boerderij met dwars voor de schuur geplaatst woongedeelte onder schilddak met hoekschoorstenen en grote gemetselde dakkapel boven een middenrisaliet in de voorgevel. Daarin staat de verdiepte ingang; het portiek is met een gepleisterde lijst omgeven. De dienstingang aan de zijgevel is door een aankapping van het overigens met riet gedekte schuurdak, beschermd. Omstreeks 1880 (afb. 173).

+ Ten westen van Kollum geeft de kaart van Schotanus een niet omsingelde (dus onbewoonde?) edele state met de naam Tadema. Tademastins werd in 1511 vermoedelijk bewoond door Buwe van Tadema, eigenaar van land te Augustinusga (r.v.a. 221). Hij stierf voor 1543 (Benef. 229). Zijn zoon Kempo komt voor in het monstercedul van 1552 en bezat een volledige rusting. In 1562 ondertekent hij mede de actie tegen de heffingen bij doorvaart van de Scholbalg (Charterb. iii, 580). Ook in het dorp Kollum hadden Kempo en zijn vrouw Wijts van Foppinga vastgoedbezit, want in 1580 verkocht zij als weduwe ‘muirwerck en koezijnen’ (Procl. boek q 1, 487). Tademastins werd omstreeks 1585 bewoond door Kempo's zoon Offcke, gehuwd met Tiedt van Jeltinga. Hij was volmacht van Kollumerland en had in 1588 zitting in de grietenijraad vanwege Laanstercluft, waar Tademastins lag. Offcke stierf in 1589. Zijn zoon Kempo, die hem zou opvolgen op Tademastins was toen pas vier jaar. Deze Kempo werd later rekenmeester van Friesland en huwde met Catherina van Scheltinga. Zij stichtten in 1618 mede de klok, die nog in de toren van de Hervormde kerk hangt. Na hun dood in 1622 en 1631 werd hun graf gedekt door de grote zerk met voorstellingen van Geloof, Hoop en Liefde en een Latijns opschrift, die nog aanwezig is. De stins is waarschijnlijk na Kempo's dood afgebroken, daar zijn dochter, gehuwd met Pibo van Doma op Tademastate op Uiterdijken ging wonen. In 1640 waren volgens het eerste stemkohier vier stemmen van sates in Laanstercluft eigendom van deze Pibo.

De kadastrale minute geeft op het terrein, waar volgens Eekhoff de Tademastate gestaan heeft een kop-hals-rompboerderij weer. Thans staat op het voorste gedeelte van het terrein, dat op de kadastrale minute en bij Eekhoff een grote poel vormde, de boerderij Tademastate op een omgracht terrein. De boerderij is van het stelptype met smaller voorhuis, dat door middel van sprongen aansluit bij de breedte van de schuur, naar voorbeeld van de Oldamster boerderij. Ook de vijf zaadzoldervensters boven de voorgevel zijn een kenmerk van dit Groninger type. De voorgevel is gevat tussen hoeklisenen, die overgaan in een omlijsting van deze zoldervensters. Zij zijn evenals de benedenvensters segmentvormig gesloten, wat op een bouwdatum van omstreeks 1860 wijst. Een forse kroonlijst sluit de voorgevel af (afb. 73, 154).

+ Grote boerderij met dwars voor de schuur gebouwd woongedeelte, dat vier vensters diep is en vijf traveeën breed en door een omgaand schilddak met vier hoekschoorstenen gedekt wordt. De wit gepleisterde velden in de hoeklisenen en bekroningen van de vensters en de details van de houten dakkapel wettigen een bouwdatum van omstreeks 1850. Het pand komt niet voor op de kadastrale minutekaart van 1823. Aan de zuidgevel zijn de vensters van de huishoudkelder te zien, waarboven in de rechtervoorkamer bedsteden geweest zullen zijn. De schuur heeft een inrit aan de voorzijde, die door een halfrond groot venster tevens licht geeft in de doorreed (afb. 171).

+ Eenvoudige boerderij van het kop-romptype met kort kopgedeelte. De boerderij komt in deze vorm voor op de kadastrale minutekaart en is dus voor 1823 ontstaan. Zij staat op een door bomen omsingeld terrein.

+ Boerderij Tilhouten. Boerderij met dwars voor de schuur geplaatst woonhuis onder schilddak met hoekschoorstenen. De boerderij komt in deze vorm voor op de kadastrale minutekaart en dateert daarom van voor 1823. De dakkapel boven de ingang is in de tweede helft van de 19e eeuw verfraaid of toegevoegd. Sedert 1965 zijn de T-roeden uit de vensters verdwenen evenals de luiken en is door donkere kleuring van het houtwerk het ritme van het gebouw verstoord. Op het voorschild van de schuur zijn de pannen vervangen door golfplaten (afb. 170).

+ Op een omgracht met hoog hout begroeid terrein staande grote boerderij van het kop-hals-romptype waarbij het vooreind als verhoogd bouwblok is uitgevoerd en alle

[p. 78]

aandacht vraagt. De hals is vier vensters lang, die zes ruiten hebben. Het vooreind is hoger, gepleisterd en door een eigen schilddak gedekt met twee schoorstenen met borden. Het heeft hoge smalle vensters met een benedengedeelte van zes ruiten en een bovengedeelte, dat afgerond is met veervormige middenroede; de vensters hebben blinden en zijn bekroond door een smalle ornamentlijst van pleister. Het achterste venster, dat even hoog is als de andere staat, blijkens een keldervenster eronder, in een opkamer. Het vooreind zal omstreeks 1850 gebouwd zijn. De veronderstelling dat het vooreind jonger zou zijn dan de hals is niet aannemelijk daar de boerderij nog niet voorkomt op de kadastrale minute van 1823 (afb. 166).

+ Boerderij van het kop-hals-romptype blijkens details aan het voorhuis uit omstreeks 1860. Vensters met hanekamstrekken, omlopende bakgoot en op de geveltoppen voorzien van de karakteristieke groen-wit geschilderde dekplanken. Schuurzijgevels vernieuwd met behoud van de massa (afb. 172).

+ De grote boerderij van het kop-hals-romptype staat ongeveer op de plaats waar in de 17e eeuw Feitsma State stond en heeft daarvan de naam overgenomen (Andreae '85, i, 163). De geschiedenis van de state gaat niet verder terug dan het jaar 1600, waarin Bocke van Feitsma, zoon van een grietman, zelf als zodanig benoemd werd als opvolger van Scipio van Meckema. Bocke huwde in dat jaar Haring van Burmania en kreeg bij die gelegenheid van zijn ouders een ‘sate lands geleegen bij Collumersijl’. Bocke stierf in 1627 en werd in de kerk van Kollum begraven. Zijn weduwe stelt in 1640 een meijer aan, die in 1649 overlijdt. Een schoonzoon van Bocke koopt in dat jaar ‘de helft van het hoornleger, huysinge, schuyre, singell, grafft ende poort, sampt boomen en plantagie met 62 pondemaat land, alles gelegen bij Collumersijl’ (Andreae 164). Zijn kleindochter verkoopt in 1690 de goederen aan Gosse Eetes, ontvanger van Kollumerland, die er woonde en de kleinzoon was van de meijer van 1640. Een van diens zonen noemde zich naar de state en werd ‘Procureur Postulant van den gerechte van Collumerland en N. Kruisland’. Hij woonde te Kollum. De ongebruikelijke plattegrond van de opstal op de kadastrale minute van 1820 geeft mogelijk een stuk voormalige state weer, waarnaast een grote schuur gebouwd was. De tegenwoordige boerderij heeft een lang voorhuis met een kelder in het midden, waarboven de bedsteden waren. In de topgevel staan twee halve kruiskozijnen. De langsgevel wordt bekroond door een forse lijst. Op de zijden van de topgevel ontbreken de dekplanken. De boerderij is blijkens een stichtingssteen in 1846 gebouwd door Bote Eskes (afb. 167, 168).

+ Boerderij van het kop-romptype, waarvan het vooreind een uitgemetselde rollaag langs de zijden van de topgevel heeft, omstreeks 1860. In de voorgevel zijn de twee oorspronkelijke vensters in één groot gewijzigd. Schuur rietgedekt; ook daar zijn in de voorgevel wijzigingen aangebracht.

+ In de Eskespolder, in 1859 bedijkt, staat slechts één grote boerenplaats. Het terrein wordt op de weg erheen begrensd door een gesmeed ijzeren toegangshek, dat nog uit 1859 kan dateren. De plaats ligt op een omgracht terrein, zoals een tekening uit 1946 weergeeft, toen de houtsingel nog aanwezig zou zijn. De boerderij van het stelptype met een schuur, die aanzienlijk breder is dan het voorhuis, heeft op Groninger wijze boven de hoge vensters van de woonverdieping lage zaadzoldervensters. De ingang in het midden van de voorgevel is langs een stoep bereikbaar, daar de hoofdverdieping hoog onderkelderd is. De tekening geeft nog roeden in de vensters, die thans verdwenen zijn. Op de kroonlijst een klein houten tympaan voor het voorschild van het dak, dat met ‘beverstaartpannen’ gedekt is. Inwendig is rechts in de woonkamer het oorspronkelijke bedschot nog aanwezig. Aan de noordzijde is een keukengedeelte verwijderd evenals het bakhuis (afb. 174-177).

+ Grote boerderij van het stelptype, waarvan het voorhuis met sprongen overgaat in het schuurgedeelte naar voorbeeld van de Groninger boerderijen van het Oldamster type. Boven de voorgevel staan dan ook zaadzoldervensters, die optisch aaneengeregen zijn door een gemetselde lijst, welk motief ook gevonden wordt aan Van Limburg Stirumweg 25, waar de strakke kroonlijst behouden is, die de gevel behoort af te sluiten. De ingang is hier in een ondiep risaliet gevat; de vensters hebben de achtruitsverdeling behouden, zoals die in de bouwtijd omstreeks 1870 ontworpen is (afb. 155).

+ Kleine boerderij bestaande uit een woongedeelte, dat als keuterij ontstaan lijkt te zijn en een evenwijdig daaraan erachter geplaatste schuur. Beide hebben rieten daken.

[p. 79]

Achter het woongedeelte de vuurhut. Het woongedeelte is onlangs opnieuw van kleine roedeverdeling voorzien in de vensters (afb. 158).

+ Bij de Terlunewei ligt een grote boerderij met lang voorhuis, dat in het midden een kelder heeft. De boerderij komt dan ook in deze vorm voor op de kadastrale minute van 1823 en kan 18e-eeuws zijn hoewel er veel aan verbouwd is. De schuur is in 1931 na brand herbouwd.

+ Kleine boerderij van het kop-romptype met gaaf vooreind onder zadeldak tegen topgevel, xviii. In het voorste vertrek moeten de bedsteden tegen de binnengevel getimmerd zijn geweest blijkens het keldervenster, dat in de voorgevel aanwezig is. In de topgevel die beitelingen langs de zijden heeft waarop dekplanken liggen, staan nog de twee oorspronkelijk kleine lichtopeningen. Omlopende bakgoot. De schuur, die aan de oostzijde nog gaaf is, is met riet gedekt, het voorhuis met pannen (afb. 169).

+ Op omgracht terrein met fraaie boomsingel gelegen grote boerderij van het stelptype, waarvan het woongedeelte met sprongen overgaat naar de schuurbreedte. Het voorhuis is onderkelderd, waardoor de ingang in het midden van het woongedeelte door een buitentrap bereikbaar is. De vensters met gebogen bovendorpels en zesruitsvensterverdeling geven een bouwdatum van omstreeks 1870 aan. Andreae, ('85, i, 170), vermeldt dat ‘voor korte jaren de boerderij gebouwd is’ en dat zij een huis vervangt dat Andreae in 1623 en in 1698 vermeld vond. Het voorhuis is later van een nieuwe bekapping met omgaande goot voorzien ter vervanging van een brede kroonlijst, zoals Van Limburg Stirumweg 25 heeft. Wegens de kelders lijkt het pand voor een veebedrijf gebouwd te zijn; zaadzoldervensters, die overigens bij dit soort indeling behoren, zouden dan niet nodig geweest zijn. Eerder lijkt het dat de kelder met de verhoogde verdieping een statusvorm is en dat het om een bouwboerderij gaat (afb. 156).

+ In het Waterstaatsarchief, thans bewaard op het Rijksarchief te Leeuwarden, bevinden zich twee tekeningen van te bouwen boerenplaatsen door A. Bonnema. De ene is onder Burum behandeld, de andere moest volgens het bestek en het aanbestedingscontract een huis vervangen onder Kollum d 5, dat bewoond was door Joh. Doekes Wiersma (afb. 152). De opdrachtgever was in beide gevallen Bote Eskes te Kollum (Notarieel archief 1809-1842, inv., a 71009, nr. 718, 1835, acte 40). Het betreft een kleine boerderij voor acht stuks vee en een vooreind, dat zonder halsgedeelte tegen de schuur gebouwd moest worden. Het vooreind is 5 m breed en heeft achterin een huishoudkelder waarboven de bedsteden; de schuur meet aan de achtergevel 12,45 m en is aan de langste zijgevel 13 m lang.

Poldermolen

Ten noorden van Kollum staat in het waterschap Tochmaland een aldaar in 1893 gebouwde achtkante molen, die sinds 1948 eigendom is van de gemeente (afb. 165).

 

+ Molens van Friesland, 151; Fries molenboek, 147; Kollumer Courant, 26 april 1982; C.H. Streurman, Veendam-Wildervank in oude ansichten, Zaltbommel, 1970, 14.

 

+ Om tot een betere waterbeheersing van het land ten noorden van Kollum te komen, vergaderden de eigenaren ervan op 13 april 1892. Het lag niet alleen in de bedoeling de sloten uit te diepen, maar ook land in te dijken, waartoe een sluisje gebouwd zou moeten worden. Men besloot in plaats van waarschijnlijk drie kleine molens één grotere molen te bouwen op het land van H. Eskes. Op 3 mei 1893 werd het 258 ha omvattende waterschap Tochmaland opgericht. In datzelfde jaar kocht men te Veendam onderdelen van de in 1835 gebouwde en in 1873 buiten werking gestelde houtzaagmolen ‘Welgelegen’: ‘hunnen zaagmolen vanaf het tafelment van het achtkant, met kap en aanbehoren, twee stel molenzeilen, waarvan één gebruikt en één bijna nieuw, met zwikstellingen, vier laden, koningsspil, met balk, rang en aanbehoren, met bijlevering van eenen balk voor koningsspil, een en ander voor f 1400, -, te betalen voordat met afbraak een aanvang wordt gemaakt’. Molenmaker Wiertsema uit Hoogezand demonteerde de molen voor f 360, - en Jan Donders uit Tilburg herbouwde hem, inclusief de bouw van het onderachtkant, voor f 3749, -. Sinds 1946 geschiedt de bemaling elektrisch, het gemaal bevindt zich in een gebouwtje naast de molen (afb. 164).

+ De molen is gefundeerd op stiepen, deze lopen boven het maaiveld door en zijn als

[p. 80]

pilasters op de hoeken in het opgaande werk te zien, hiertussen bevinden zich de veldmuren. Het gehele onderachtkant is naar binnen hellend gemetseld. Op de binnenbeëindigingen van de stiepen en van de veldmuren, even boven het maaiveld, ligt het ondertafelment; dit loopt rondom door zonder onderbreking, dus ook daar waar het metselwerk voor de toegangen onderbroken is. Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem met drie bintlagen. Aan het achtkant is duidelijk te zien dat dit opnieuw opgebouwd is. Kepen van oudere hondsoren, kruissen en regels bevinden zich thans aan de hartzijde van het achtkant; kennelijk heeft men de stijlen bij de herbouw dus omgedraaid. De basis van de kap, die kruibaar is op slepers, is van eiken, de spanten zijn van grenen. De grenen lange spruit is als middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. De staart heeft een kruilier.

+ Wieksysteem voorheen met zelfzwichting (onderdelen ervan liggen nog in de molen), thans oud-Hollands opgehekt, vlucht 23,50 m. Stalen roeden en een gietijzeren bovenas. Houten vijzel in een betonnen vijzelkom.

+ Restauraties vonden in 1949 en 1963 plaats. Het wieksysteem werd waarschijnlijk in het laatst genoemde jaar gewijzigd. De meest ingrijpende restauratie vond echter in 1981-1982 plaats. Hierbij werd een groot deel van het gaande werk vernieuwd, t.w.: de roeden, het bovenwiel, de onderbonkelaar, het vijzelwiel en de vijzel en tevens de bekleding van de vijzelbalk en de waterlopen. De originele onderbonkelaar en het vijzelwiel staan echter nog in het onderachtkant opgesteld. Verder werden zeven delen van het boventafelment vernieuwd, de gehele basis van de kap, voor- en achterkeuvelens, de baard, de pen- en halssteen, al het vloerhout, raampjes en nagenoeg de gehele staart.

[p. 81]



illustratie

Kollum. De Rijd en de beide wallen gezien naar het zuiden omstreeks 1900 naar prentbriefkaart.


[p. 82]



illustratie

Afb. 74. De kerk getekend door J. Stellingwerf omstreeks 1723.




illustratie

Afb. 75. Kerk en toren gezien van het zuidoosten. Opname 1970.




illustratie

Afb. 76. Kerk en toren gezien van het noordoosten. Opname 1970.


[p. 83]



illustratie

Afb. 77. Kerk en toren met de 17e eeuwse naaldspits van het zuidwesten gezien. Opname 1987.


[p. 84]



illustratie

Afb. 78. Het inwendige van de kerk, gezien naar het westen. Opname 1970.


[p. 85]



illustratie

Afb. 79. Het koor van de kerk, gezien naar het oosten. Opname 1970.




illustratie

Afb. 80. De preekstoel uit 1692 met het doophek. Opname 1980.




illustratie

Afb. 81. Detail van de preekstoel met jaartal van de stichting. Opname 1970.




illustratie

Afb. 82. De toegang naar het inwendige van de toren in de oostmuur. Opname 1970.


[p. 86]



illustratie

Afb. 83. De noordbeuk van de kerk, gezien naar het oosten. Rechts vooraan de bank van Eyso de Wendt, links de Broersmabank en achteraan de Fogelsanghbank. Opname 1970.




illustratie

Afb. 84. De 16e eeuwse latei met de wapens Van Donia-Van Groesbeeck gevonden bij de zuidelijke ingang. Opname 1976.


[p. 87]



illustratie

Afb. 85. Tekening door W. van de Lucht van de in 1882 ontdekte gewelfschildering Maria in stralenkrans op de maansikkel. Opname 1929.




illustratie

Afb. 86. Tekening uit 1841 van het toenmalige orgel.




illustratie

Afb. 87. Tekeningen door A.J. Andreae uit 1882 van de toen ontdekte gewelfschilderingen.




illustratie

Afb. 88. Tekeningen door A.J. Andreae uit 1882 van de toen ontdekte gewelfschilderingen.




illustratie

Afb. 89. Gebeeldhouwde console in de zuidwesthoek van het schip, thans op de orgeltribune. Jonas door de walvis uitgespuwd? Opname 1976.


[p. 88]



illustratie

Afb. 90 Aftekeningen door Ad. Mulder van de in 1882 ontdekte gewelfschilderingen, voorstellende een eenhoorn en een hert.




illustratie

Afb. 91. Aftekeningen door Ad. Mulder van de in 1882 ontdekte gewelfschilderingen, voorstellende een eenhoorn en een hert.




illustratie

Afb. 92. Aftekeningen door Ad. Mulder van een gedeelte gewelfschildering met vegetabiel ornament, ontdekt in 1882.




illustratie

Afb. 93. Gekleurde tekening door W. van de Lucht van een allegorische voorstelling geschilderd op een gewelfveld en ontdekt in 1882.


[p. 89]



illustratie

Afb. 94. De gewelfschilderingen in de laatste koortravee na de restauratie. Opname 1970.




illustratie

Afb. 95. Wat er nog zichtbaar bleef na de tweede ontpleistering in de voorlaatste travee; bovenaan de door Andreae ‘caricatuur’ genoemde allegorische voorstelling. Opname 1970.




illustratie

Afb. 96. Het gewelfveld met de voorstelling van het hert na de restauratie. Opname 1970.




illustratie

Afb. 97. Een gewelfveld met vegetabiel ornament, dat in een vaas geschikt blijkt te zijn en doorstoken is door staven met cirkels, een motief dat ook in Oost-Groningen gevonden wordt. Opname 1970.




illustratie

Afb. 98. Wat overgebleven was van de voorstelling van de H. Maagd in stralenkrans na de tweede ontpleistering. Opname 1970.


[p. 90]



illustratie

Afb. 99. Tekening van het rouwbord voor Dorotea Grauwert, overleden 1600, voor wie een zerk in de vloer ligt.




illustratie

Afb. 100. Muurschildering op de noordwand tegenover de voormalige ingang met de voorstelling van de H. Christoforus. Opname 1970.




illustratie

Afb. 101. Zerk voor grietman Jost van Hardenbroeck, overleden 1557 en Dorotea Grauwert, echtgenote van Johan Rengers van der Arenshorst, overleden 1600. Opname 1976.




illustratie

Afb. 102. Zerk voor Wijtz van Meckema en haar dochter Tet van Meckema, overleden respectievelijk 1475 en 1533 Opname 1976.


[p. 91]



illustratie

Afb. 103. Grote zerk, bovenaan gemerkt P.C. en 1615 voor Hessel van Meckema. Opname 1976.




illustratie

Afb. 104. Zerk voor Scipio van Meckema en Emerentiana van Grombach en hun twee zoons, gestorven in 1567 en 1571. Opname 1976.




illustratie

Afb. 105. Grote zerk voor Kempo van Tadema, overleden 1622 en Catherina van Scheltinga, overleden 1631. Opname 1976.


[p. 92]



illustratie

Afb. 106. De in 1965 afgebroken pastorie die ten westen van de kerk aan het kerkhof stond. Opname 1964.




illustratie

Afb. 107. Rouwbord voor Eyso de Wendt, overleden 1780. Opname 1970.




illustratie

Afb. 108. De zilveren avondmaalsbekers door Gieke Andeles 1687. Opname 1977.




illustratie

Afb. 109. Bij de preekstoel ingemetselde steen met wapens Botnia-Broersma en jaartal 1681. Opname 1976.




illustratie

Aft. 110. Zilveren bekken uit 1771 door Hylke Martens. Opname 1977.


[p. 93]



illustratie

Afb. 111. De noordgevel van het in 1960 afgebroken hofje ‘de zeven kamers’.




illustratie

Afb. 112. Gevel langs de Meckemastraat van het voormalige hofje ‘de zeven kamers’.




illustratie

Afb. 113. Gevelsteen in de gevel langs de Meckemastraat van de ‘zeven kamers’ met initialen L.V.E. Opname voor 1960.




illustratie

Afb. 114. De in 1887 gebouwde houten ‘noodkerk’ voor de Chr. Gereformeerde gemeente aan de Oostenburgerstraat. Opname 1897.




illustratie

Afb. 115. De in 1924 ter vervanging van de ‘noodkerk’ door E. Reitsma ontworpen Gereformeerde kerk. Opname 1986.


[p. 94]



illustratie

Afb. 116. Het rechthuis getekend door J. Stellingwerf ca. 1722.




illustratie

Afb. 117. Het rechthuis, thans Voorstraat 94, in 1897; foto E. Beitschat.




illustratie

Afb. 118. Overzicht van de Westerdiepswal met rechts het voormalige waaggebouw en op de achtergrond het voormalige rechthuis. Opname 1985.




illustratie

Afb. 119. Voorstraat 94. In de zijgevel oude vensterindeling. Opname 1987.




illustratie

Afb. 120. De kelder van Voorstraat 94 met de resten van het ten behoeve van een lagere vloer weggebroken gewelf. Opname ca. 1970.


[p. 95]



illustratie

Afb. 121. Het raadhuis van Kollumerland in 1809 gebouwd als woonhuis voor W.H. van Sytzama. Opname 1987.




illustratie

Afb. 122. Stucversiering in de gang van het raadhuis met symbolen van de zomer. Opname 1987.




illustratie

Afb. 123. De gang in het raadhuis met stucversiering uit de bouwtijd. Opname 1987.


[p. 96]



illustratie

Afb. 124. Het voormalige waaggebouw, Westerdiepswal 4 uit 1779. Opname 1985.




illustratie

Afb. 125. Het tympaan van het voormalige waaggebouw met wapens Van Scheltinga, Eskes en Luitjens. Opname 1985.




illustratie

Afb. 126. Voormalig schoolgebouw uit 1828 aan de mr. Andreaestraat. Opname 1964.


[p. 97]



illustratie

Afb. 127. Het zogenaamde huis Oostenburg na de restauratie. Opname 1987.




illustratie

Afb. 128. De zijgevel van ‘Oostenburg’ na de restauratie. Opname 1987.




illustratie

Afb. 129. Eyso de Wendtstraat 4-6. Opname 1984.




illustratie

Afb. 130. De Voorstraat westzijde eind 18e eeuw getekend door J. Gardenier Visscher. In het midden de noodstal of travalje.




illustratie

Afb. 131. De voormalige smederij Voorstraat 15. Opname 1964.


[p. 98]



illustratie

Afb. 132. Voorstraat 42. Opname 1985.




illustratie

Afb. 133. Voorstraat zuidzijde met het raadhuis uit 1809. Opname 1987.




illustratie

Afb. 134. Voorstraat 60-62. Opname 1965.




illustratie

Afb. 135. Voorstraat zuidzijde ten oosten van de Putstraat, nummers 54 en hoger. Opname 1985.




illustratie

Afb. 136. Voorstraat 88. Opname 1985.




illustratie

Afb. 137. Voorstraat 70. Opname 1964.


[p. 99]



illustratie

Afb. 138. Voorstraat noordzijde nummers 61 en lager. Opname 1987.




illustratie

Afb. 139. Villa aan de Voorstraat 87 uit 1847. Opname 1973.




illustratie

Afb. 140. Voorstraat 55 tot en met 63. Nr. 55 is waarschijnlijk in 1873, nadat het pand als pastorie was aangekocht, herbouwd. Opname 1987.


[p. 100]



illustratie

Afb. 141. De in 1829 gebouwde voormalige villa Oostenstein aan het oosteinde van de Voorstraat zuidzijde. Opname 1897.




illustratie

Afb. 142. Voorstraat 63 met zijgevel aan de Westerdiepswal. Opname 1987.




illustratie

Afb. 143. Gevelsteen uit 1617 in de gevel van Voorstraat 120. Opname 1987.




illustratie

Afb. 144. Voorstraat 51-53. Opname 1987.


[p. 101]



illustratie

Afb. 145. Oosterdiepswal 17. Inwendig de trap uit de voormalige villa Oostenstein. Opname 1987.




illustratie

Afb. 146. De Diepswallen gezien naar het noorden. Opname 1977.




illustratie

Afb. 147. Herbouwde panden aan de noordzijde van de Westerdiepswal. Opname 1985.




illustratie

Afb. 148. Westerdiepswal 1. Opname 1964. Sindsdien gesloopt.




illustratie

Afb. 149. Voorstraat 121, zogenaamd renteniershuis uit omstreeks 1870. Opname 1987.


[p. 102]



illustratie

Afb. 150. Eyso de Wendtstraat 17-22. In 1876 gebouwde serie woningen. Opname 1964.




illustratie

Afb. 151. Regn. Meynardistraat met laat 19e eeuwse woningen. Opname 1987.




illustratie

Afb. 152. Ontwerp voor een boerderij onder Kollum in 1835 te bouwen voor Johan Doekes Wiersma door architect A. Bonnema.




illustratie

Afb. 153. Tekening van het Verlaatshuis door D. Kuipers, 1812.


[p. 103]



illustratie

Afb. 154. Boerderij Tadema State, Van Limburg Stirumweg 25. Opname 1987.




illustratie

Afb. 155. Boerderij aan de Tollingaweg 2. Opname 1987.




illustratie

Afb. 156. Boerderij Zevenhuisterweg 9. Opname 1987.




illustratie

Afb. 157. In 1988 afgebroken boerderij aan de Van Heemstraweg 4. Opname 1987.




illustratie

Afb. 158. Tot woonboerderij verbouwde boerderij Trekweg 8. Opname 1987.


[p. 104]



illustratie

Afb. 159. ‘'t Huys van de Heer Braak tusschen Westergeest en Kollum’ getekend door J. Gardenier Visscher.




illustratie

Afb. 160. De buitenplaats Oostenburg naar tekening voor de afbraak in 1837.




illustratie

Afb. 161. Tekening van de ‘stenen berg’ in de tuin van Oostenburg door W. Eekhoff ‘naar eene tekening in de familiepapieren gevonden’.


[p. 105]



illustratie

Afb. 162. Het huis Nijenburg getekend door A. Martin.




illustratie

Afb. 163. Meckema State getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 164. De in 1835 gebouwde houtzaagmolen Welgelegen te Veendam, waarvan onderdelen werden aangekocht voor de bouw van de molen in het Tochmaland.




illustratie

Afb. 165. Poldermolen Tochmaland. Opname 1987.


[p. 106]



illustratie

Afb. 166. Boerderij Willem Loréweg 8. Opname 1965.




illustratie

Afb. 167. Boerderij Willem Loréweg 14 ter plaatse van Feitsma State. Opname 1987.




illustratie

Afb. 168. Willem Loréweg 14, oostgevel van het vooreind. Opname 1987.




illustratie

Afb. 169. Boerderij Zevenhuisterweg 8. Opname 1987.


[p. 107]



illustratie

Afb. 170. Boerderij Tilhouten, Willem Loréweg 2 in 1965.




illustratie

Afb. 171. Boerderij Kalkhûs, Willem Loréweg 3. Opname 1987.




illustratie

Afb. 172. Boerderij Willem Loréweg 12. Opname 1987.




illustratie

Afb. 173. Boerderij Hesseweg 9. Opname 1987.


[p. 108]



illustratie

Afb. 174. De Eskespolder met de boerderij Kwelderplaats uit 1859. Opname 1986.




illustratie

Afb. 175. De voorgevel van de Kwelderplaats. Opname 1986.




illustratie

Afb. 176. Het toegangshek van de Kwelderplaats. Opname 1986.




illustratie

Afb. 177. De Kwelderplaats in 1946 getekend door B. Jouwersma.