Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 109]

Kollumerpomp

De nederzetting ontleent haar naam aan de pomp, een Noordnederlands begrip voor duiker, die circa 1453 in de zeedijk werd gelegd om het water van de Pompsterried, een lokale afwateringsstroom, af te kunnen voeren. De hier genoemde dijk werd omstreeks 1315 tussen Ter Luine en Pieterzijl aangelegd. Deze dijk werd slaper door de bedijking van het Nieuw Kruisland, in de jaren 1529-1542. Met de aanleg van een afwateringspunt in de nieuwe dijk, werd die in de oude dijk van minder belang. In 1612 werd de duiker vervangen door een ‘tille’ (kleine hoge brug).

Het vermoedelijk niet erg omvangrijke dijklichaam van de dijk uit 1315 is afgegraven, waarna ter plaatse een rijweg werd aangelegd. Onduidelijk is of de aanleg van de brug in 1612 daarmee in verband staat.

Onder de naam ‘De Pomp’ geven de kaarten van Schotanus (1718) en van Eekhoff (1847) een rijtje huizen aan weerszijden van de Pompsterried, langs de zuidzijde van de oude zeedijk weer. Deze bebouwing ondergaat in de 19e en 20e eeuw nog enige uitbreiding, onder andere met een kerk en een school. Deze school kwam nogal oostelijk in het dorp te staan, tegenover de weg in Wester Nieuw Kruisland, ter plaatse van de vroegere state Foyinga, waarvan het hornleger in 1847 in handen van de gemeente was gekomen (Andreae, '85, i, 174, 175).

[p. 110]



illustratie

Afb. 178. Kopie van het kadastrale minuteplan, omstreeks 1823. Schaal: 1:7500.


[p. 111]



illustratie

Afb. 179. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 112]



illustratie

Afb. 180. Kopie van het kadastrale minuteplan Kollumerpomp zuid, omstreeks 1923. Schaal 1:7500.


Voormalig dijkshuis

+ Op de dijk van Wester Nieuw Kruisland bij Rintjehoek staat het in 1828 gebouwde zogenaamde Contributiehuisje, dat wil zeggen het dijkshuis van het Waterschap Zeedijken Contributie Kollumerland en Nieuw Kruisland (afb. 181, 191, 192). Blijkens een stichtingssteen met opschrift ‘Contributiehuis gebouwd in het jaar 1828’ in de zuidelijke gevel onder de gootlijst, is het in dat jaar gebouwd. Het pandje is tegen de binnenhelling van de dijk gebouwd en is toegankelijk langs een trap in de dijk en een houten galerij, die langs de zuidgevel, langs de buitendijkszijde en langs de helft van de binnendijkszijde loopt. Daar namelijk bevindt zich de toegangsdeur, die ooit iets verbreed is. De andere gevels bevatten twee en drie vensters met enkelvoudige luiken, die via de schuiframen van binnenuit vergrendeld kunnen worden. De vensters zijn door roeden in drie maal vijf ruiten verdeeld. Het pandje is gedekt door een tentdak met een middenschoorsteen, waarop een windvaan, gedateerd 1855 en voorzien van een in het metaal uitgesneden kameleon. De windvaan is via een staaf en een overbrenging verbonden met een windroos, die tegen de zoldering bevestigd is, zodat men binnen de windrichting kan registreren. Het inwendige is geheel betimmerd. Tegen de noordgevel staat een houten schouw met eenvoudige versiering uit de bouwtijd. In de hoek achter de toegangsdeur een hoekkastje. Het pandje heeft tot 1969, toen de Lauwerszeedijk gesloten werd, dienst gedaan en is sedert 1980 eigendom van de Stichting Oud Kollumerland. Het archief van het Waterschap, dat eerst nog opgegaan is in een Waterschap Eastergoa's Sédiken berust nu te Harlingen bij het Waterschap Fryslân, doch het is niet geïnventariseerd.

Gereformeerde kerk.

+ Zaalgebouw met in de top van de frontgevel het bouwjaar 1906, doch het betreft een herbouw van een te Kollum in 1866 opgetrokken gebouw voor de Christelijk Gereformeerde Gemeente, dat in 1906 vrij kwam, doordat de gemeente gecombineerd werd met een andere Gereformeerde gemeente (zie Kollum, Geref. kerk). Het gebouw werd toen overgeplaatst naar Kollumerpomp. De spitsboogomlijstingen van de vensters

[p. 113]



illustratie

Afb. 181. Zogenaamd Contributiehuisje. Plattegrond en doorsneden. Getekend 1987 naar opmeting in hetzelfde jaar.


wijzen op het kerkelijke karakter van het gebouw, doch de ijzeren vensterharnassen zijn rondbogig in aansluiting aan een rondboogfries langs de topgevel, waardoor het gebouw een onvoldragen eclectisch uiterlijk heeft.

Voormalig schoolgebouw

+ Voormalig schoolgebouw en onderwijzerswoning (afb. 193, 194).

+ De kaart van Schotanus geeft tegenover de weg door Westelijk Nieuw Kruisland de naam Foyinga aan; Andreae vermeldt, dat de school op een der singels staat ‘van het voormalige Foyingastate, later Foijingaheert genoemd’ (Andreae '85, i, 174). De Foyinga's komen reeds voor in 1529 (Charterb. ii, 558), wanneer het Hof aan de eigenerfden toestemming verleent tot bedijking van het Nieuw Kruisland. Andreae weet te melden, dat de sate in 1847 verkocht werd en de grietenij het hornleger in eigendom kreeg, op een gedeelte waarvan het de school stichtte.

+ Een foto uit het album in 1897 aan de jubilerende burgemeester Witteveen aangeboden, geeft het schoolgebouw in welstand. Volgens Bosgraaf (Kollumerland rond 1900) stond het schoolgebouw, dat in 1847 gebouwd was, aanvankelijk juist tegenover de weg Wester Nieuw Kruisland. De onderwijzerswoning, thans nr. 118 zou gelijktijdig opgericht zijn. Behoudens de dakkapel is het sobere pand onder schilddak met hoekschoorstenen en brede gootlijst nog onaangetast. In 1881 werd de school direct naast de woning gebouwd. Het gebouw bevatte waarschijnlijk twee klaslokalen, ieder met drie grote vensters.

Boerderijen en voormalige states

+ Ten zuiden van Kollumerpomp ligt de boerderij Brongersma, waarnaar de weg later genoemd is, die er langs leidt. Van oudsher heette deze Uiterdijksterweg. Leden van de familie van die naam hebben bestuurlijke functies gehad in de 16e en 17e eeuw. De state werd voor 1640 eigendom van Pibo van Doma, die tevens Bennemastate bezat, waarvan de landerijen toegevoegd werden aan die van Brongersma. De geschiedenis van Bennema gaat terug tot een oorkonde uit 1441 (R.K. Driessen, Monumenta Groningana, 1822-1830, dl. 1, 351), waarin Bennemagoed genoemd wordt ‘to Amgadorpe binnendijk’ (Andreae '85, i, 173 en Lauwerszee 36). In 1660 wordt volgens Andreae Bennemagoed ‘op de Uiterdijken’ genoemd, waarmee een soort district van Kollum bedoeld wordt. De tegenwoordige opstal is blijkens kadastrale hermeting van na 1963. De oudere kadastrale kaarten geven een plattegrond waarop een boerderij van het kop-hals-romptype gestaan kan hebben.

+ Aan het eind van de vorige eeuw kende Andreae hier nog een boerderij door hoog hout en dubbele singels omgeven (Andreae '85, i, 170). Een tekening uit 1946 door B. Jouwersma in het bezit van de bewoners, geeft deze situatie nog weer (afb. 182, 183, 185).

+ Jacob Jilderts Rosema en Trijntje Pietersdr. Cleveringa woonden in 1640 op deze state, die als nr. 14 op het stemkohier van Uiterdijksterkluft voorkomt. Jacob was ontvanger-

[p. 114]

generaal van Kollumerland en enige malen volmacht van Oostergo ten Landsdage (Charterb. v, 286). Ook bezat Jacob nog twee boerderijen in deze kluft. Zijn vader Jildert Romptz. had in 1604 twee boerderijen gekocht (Decr. Verkopen iii, 10 f. 81). Diens vader bezat in 1552 (Monstercedul) een hele rusting en behoorde dus tot de bezittende klasse. Waarschijnlijk woonde deze al op wat later Rosemaplaats zou heten. De naam Rosema kan ontleend zijn aan een state van die naam onder Augsbuurt, die Jildert Romptz. volgens Andreae in 1605 kocht van de erfgenamen van Adje Lammerts, die haar gekocht hadden van de weduwe van Sicke Hemmema (Decr. Verkopen iii, 8). Volgens Andreae zou Jildert het herenhuis gesticht hebben (Voor de grafzerken van J. Romptz. en Jacob Jilderts, zie onder Burum). Van de zeven kinderen van Jacob en Trijn bewoonde hun dochter Jetske de state. Zij was gehuwd met Gajus Botnia van Broersma, secretaris van Kollumerland van 1656-1673. In 1678 vererfde de state eerst op hun zoon Gajus, die in 1694 ongehuwd overleed en ontvanger was. Zijn zuster Wija Catherina huwde met Livius van Scheltinga, in 1695 ontvanger-generaal, en woonde er vervolgens. Haar rouwkas hangt in de kerk van Buitenpost. Hun oudste dochter Catherina Aurelia, gehuwd met Vincent van Glinstra, generaal, legde in 1709 blijkens een gevelsteen de eerste steen voor een nieuw gebouw; zij overleefde haar man, die in 1730 reeds overleed, nog dertig jaar. In 1711 werd waarschijnlijk een nieuw poortgebouw opgetrokken met duivestenen in de topgevel. Deze werden herbruikt in een bijschuur van de vorige boerderij (afb...). Na de dood van Vrouwe Glinstra schijnt de state niet meer bewoond te zijn geweest en vervangen door de boerderij, die rond 1880 volgens Andreae een nieuwe gevel kreeg. De kadastrale minutekaart van 1823 geeft reeds de boerderij van het kop-hals-romptype weer, dus waarschijnlijk die van kort na 1760.

+ In de nieuwe boerderij is de stichtingssteen uit 1709 opnieuw ingemetseld met opschrift ‘1709 den 12 Mey heeft Jufr. Catrina van Scheltinga de Eerste Steen Geleyt’ (afb. 183).

+ Boerderij van het kop-hals-romptype met zeer brede schuur (afb. 184). Belanghebbende bij de bedijking van het Nieuw Kruisland was onder meer het klooster Buweklooster onder Harkema-Opeinde. Het Vrouweklooster bezat een sate bij Buwama monnikelanden, die dus door de conversen van Buwamaklooster bewerkt werden. Deze sate heette De Raecken (Charterb. i, 544; Andreae Lauwerszee, 36 en 162; Mol, 98).

De Raecken zou moerassig land betekenen. De sate wordt in 1453 genoemd en was 98½ pm. binnendijks en 118½ pm. buitendijks groot. In 1580 is het land aan de provincie vervallen en in 1644 aan een Fogelsangh verkocht, waarna de sate in Andreae's tijd aan mr. J.A. Fruitier vererfd was. Later werd de boerderij gesplitst in Oude en Nieuwe Raecken.

De Oude Raecken bestaat uit een onderkelderd voorhuis, dat door middel van een kort halsgedeelte met de zeer brede schuur verbonden is, xviii. Het vooreind heeft een zadeldak tussen topgevels, waarvan de voorste doorsneden wordt door een forse gootlijst. In de schuurgevels staan nog de oude smalle lichtkozijnen met roeden.

+ Op een ruim omgracht en met hoog hout begroeid erf staat de grote stelpboerderij Groot Kabel (afb. 186). De onregelmatige indeling van de voorgevel is veroorzaakt door de voormalige melkkelder aan de rechterzijde. Het woongedeelte is als het ware in de linkerhelft geschoven. Boven de vensters en de ingang in de voorgevel staan drie lage zaadzoldervensters alsof het toch om een bouwboerderij ging en ertussen twee uitgegronde velden van dezelfde afmeting. Terzijde bakhuis. De pannen op het woongedeelte zijn vervangen door golfplaten.

 

+ De naam Schalder voor buitendijksland komt reeds in 1472 voor (Andreae, Lauwerszee, 93). Het land komt in 1490 in handen van de abt van Aduard, die dan ook een der deelgenoten wordt in de bedijking van het Nieuwe Kruisland. Volgens Andreae wordt er in 1518 een ‘landbouwerswoning’ genoemd. Deze wordt echter niet vermeld in de door hem genoemde oorkonde (Charterb. ii, 365).

De boerderij nr. 1 draagt thans de naam De Schalder en ligt op een in 1820 nog onbebouwd terrein (afb. 187). De stelpboerderij, uit hard rode steen opgebouwd, heeft de vleugelmuren van de schuur in de vlucht van de voorgevel. Deze is slechts als een risaliet aangeduid en bevat vier vensters en een deur. Aan de linkerzijde is de kaaskamer geweest, die thans vervangen is door de woonkeuken met uitbouw. Midden boven de voorgevel is een dakkapel met pilasters in de grote met pannen belegde

[p. 115]

schuurkap gebouwd. De bijschuur is met een dwarskapje met de kap van de hoofdschuur verbonden, die daar iets terugliggend, de inrit heeft. De vensters in de achtergevel van de schuur zijn gedicht, xixc.

+ Boerderij van het kop-hals-romptype aan het einde van de weg door het Nieuw Kruisland (afb. 188). De kadastrale minute geeft een dergelijke massa weer, doch met een korter voorhuis. Toch heeft het voorhuis nog de gesloten noordgevel en een fraaie dakhelling, xvii-xviii. De geveltop is vernieuwd, waarbij de benedenvensters waarschijnlijk hun hanekammen verloren.

+ Boerderij van het kop-hals-romptype met onderkelderd vooreind (afb. 189). Dit is van een nieuwe voorgevel voorzien van een kap, die een veel te lage dakhelling kreeg, waardoor het 18e-eeuwse karakter van het pand vrijwel verloren is gegaan.

+ Het buitendijkse land was in de 15e eeuw eigendom van de Holdinga's, die het via een huwelijk van een Holdinga met een Meckema van die familie hadden verworven.

+ Broer Meckema komt in 1441 voor in een landruil met Gerkesklooster; zijn zuster was gehuwd met een Holdinga (Andreae, Lauwerszee, 160). De naam Walta verwijst naar Sybren van Walta, die met Tjits van Holdinga getrouwd was, waardoor Walta in het bezit van deze sate kwam. In de 17e eeuw werd de sate verkocht aan broer en zuster Clasen, de laatste gehuwd met Focke Jansz Eskes, waardoor de boerderij in die familie kwam, die haar eind 19e eeuw bezat. De kadastrale minute geeft een omgracht terrein, dat deels nog aanwezig is. De getekende bouwmassa komt ongeveer overeen met het nog aanwezige van de stelpboerderij, die de ingang in het midden heeft en zaadzoldervensters in de voorgevel. Het middelste daarvan is thans als volledig venster opgehaald, waarbij de gootlijst tevens doorbroken is. Aan de linkerzijde kaaskamervenster.

+ Op een terrein, dat op de kaart van Schotanus als onbebouwd wordt weergegeven en ook op de kadastrale minute niet bebouwd is, is blijkens de stichtingssteen in 1875 ‘deze stelphuizinge’ gebouwd. De schuur is geheel met pannen belegd. De voorgevel is thans met overnaadse planken betimmerd. Vuurhut aan de ingangszijde van de schuur.

+ Boerderij van het kop-hals-romptype met aan de voorgevel van het vooreind uitgemetselde rollaag. In de top is deze gevel gedateerd 1856.

Overige voormalige states

+ Aan de zeedijk moet in de 16e eeuw ook nog een Eysma heert gestaan hebben. In 1555 wordt het bezit van wijlen Gaycke Eysma beschreven in het Weesboek (P 1 f. 103 e.v.). Gaykes vader was van zijn bezit ontheven verklaard wegens zijn Gelderse gezindheid (Charterb. ii, 344). In 1555 wordt het huis echter weer genoemd en omschreven als ‘een huys staende opte Vuyterdyck op Gaycke landt met syn annexen’. Bij de opsomming van roerende goederen worden genoemd: ‘'t voersael, de hantcamer (sic), de craecke, de boewencamer en het achterhuys’. Bij de goederen worden vermeld ‘vier taverelen, een harnas, een ringcoller, armschenen en een backeneel.’ Gayke Eijsma (daar ‘Gayttye’ gespeld) wordt dan ook genoemd in het monstercedul in het bezit van een gehele rusting.

+ Tegen de tegenwoordige grens met Kollum, doch onder Kollumerpomp ligt de Kollumerterp, een archeologisch belangrijk terrein (nr. 38), waarop volgens de kadastrale minute twee opstallen stonden in de vorm van kop-hals-rompboerderijen. In 1887 was de westelijke reeds weg en nadien ook de oostelijke. Iets oostelijker ligt een eveneens geregistreerd archeologisch terrein, mogelijk een terp en ten zuiden daarvan het terrein van Jeltingastate.

+ Het terrein wordt als nr. 40 aangegeven in de lijst van archeologisch belangrijke terreinen. Andreae kende de grachten en singels van de state nog ('85, i, 158). De kadasterkaart van 1887 geeft dan ook een leeg omgracht terrein met een toegangsdam aan de oostzijde. Op de minutekaart staat evenwel nog een boerderij aangegeven met kort voorhuis. De state heette ook Schonenburch, waarschijnlijk naar grietman Sebastiaan van Schonenburch, xvib. Onder deze naam komt het huis voor in 1652, 1659 en 1693 (resp. q 5, 20; q 5, 187 en q 7, 98). In 1659 wordt het Schonenburghs Hooghuis genoemd. De Jeltinga's kwamen van Buitenpost, waar zerken voor hen liggen. Duco van Jeltinga komt in 1616 voor als kerkvoogd en woonde in 1642 in Torpmakluft, zoals deze streek van Kollum genoemd werd. Zijn zoon Otto was in 1677 ontvanger van Kollumerland. Het goed wordt dan Riddersma of Jeltingaslot genoemd, waaruit blijkt

[p. 116]

dat de landerijen van Riddersma bij Jeltinga getrokken zijn of het Riddersmagoed naar een nieuwe eigenaar genoemd wordt.

+ De Riddersma's komen in de 16e eeuw voor: in 1507 een Jelt Riddersma als baarsman (Weesboek p 1, f. 59), in 1543 Hedd Riddersma (Benef. 207) en zijn broer Jenne, die beiden voor 1571 overleden waren (Sententieboek h 2, 3 October). De monstercedul van 1552 vermeldt dat Hedd te Kollum een gehele rusting bezat. In 1597 wordt in het Proclamatieboek (q 2, 117 en 123) vermeld, dat Gatze Jeltinga op Riddersmaheerdt te Kollum woonde en het volgend jaar kochten hij en zijn vrouw Jelcke Aysma 4½ pm land in Riddersmasate, door henzelf bewoond, van Sepcke Cornelisdr. Riddersma (ib. 162 en 206). Ook uit decretale verkopingen in 1588 (iii, 8, f. 100 en 108) blijkt dat Riddersmasate toen bezit was van de erfgenamen van Gyldt Riddersma, overleden in 1575. Gatze Jeltinga stierf in 1617 en zijn zoon Fecke in 1636. Diens weduwe hertrouwde Abbe van Bootsma te Wirdum en in haar testament komt Jeltinga State niet meer voor (Hof van Fr. eee, 2 f. 45). Het stemkohier van 1640 noemt Doecke van Jeltinga, een broer van Fecke als eigenaar van stem nr. 10. In 1698 was de state eigendom van Doeckes nicht Juliana van Jeltinga en werd door een meier gepacht. Waarschijnlijk was de state toen steeds afgebroken. De kaart van Schotanus van 1689 geeft een eigenerfde state, terwijl van Riddersma alleen de naam er nog staat. Het terrein is thans nog bebouwd met een boerderij, die op de kadastrale minute in 1887 een kort voorhuis had, aan de zuidzijde van de schuur, en die bij hermeting in 1964 vernieuwd blijkt te zijn.

+ Onder Annynghe dorp, een destijds gebruikelijke naam voor Kollumerterp, wordt in 1475 een Harcke Sybama genoemd, die land ruilde met Gerkesklooster (Charterb. i, 664). In 1571 blijkt dat het hier niet om een gewone boerderij gaat, want in 1571 en 1573 worden delen van Sybema heert ‘toe Torp’ verkocht, eenmaal met uitzondering van ‘het stens’ en eenmaal met uitzondering van ‘het stenhuijs’ (Procl. bk. q 1, 139). Reeds in 1552 werd de sate niet meer door de Sybema's bewoond, want de verkopers behielden het steenhuis aan zich. Latere eigenaars namen de geslachtsnaam Sybema aan. Van het steenhuis wordt na 1573 niet meer gerept. Waarschijnlijk gaat het hier om de locatie die als nr. 39 archeologisch belangrijk genoemd wordt.

+ Tadema State op de Uiterdijken werd in 1640 bewoond door Pibo van Doma, rekenmeester van Friesland en gehuwd met Dodonea Kempo's dochter Tadema. Zij had de state in 1636 geërfd van haar ongehuwd overleden oom Benno, die ontvanger-generaal van Kollumerland was geweest en later ook rekenmeester van Friesland. Mogelijk heeft hij de state laten bouwen. De familie Tadema was afkomstig van Tademastins ten westen van Kollum (zie aldaar). De kaart van Halma van 1689 en 1718 geeft een omgracht terrein weer, maar het Reëelkohier van 1698 geeft geen patricische bewoning weer en dat van 1718 slechts een boerenhuis en ‘hieminge en huisstee’. Na Kempo Tadema van Doma, Pibo's zoon die in 1670 overleed lijkt er geen eigenaar-bewoner meer geweest te zijn. Zijn dochter Catherina was naar Fogelsanghstate verhuisd met Petrus van Rosema. De boerderij van Tademastate is later aan de overkant van de weg nieuw gebouwd onder de naam Pardeel.

+ Oostelijk van de Boschplaats of Rosema State lag Temmebosch, op de kadastrale minute een omgracht terrein met een boerderij. Volgens Andreae ('85, i, 173) zou de naam Temme ontleend zijn aan Temme Rompts, een broer van Jildert Rompts (zie Rosema State). In 1640 behoorde de state aan Jacob Jilderts ‘Rosema’ en zijn broers en zusters. In 1698 woonde er Rinze Johannes bijzitter (zie kerk Kollum, Herenbanken) en vererfde zij op Johannes Liewes Siccama.

Poldermolen

+ Ten noorden van Kollumerpomp staat in de polder Nieuw Kruisland een achtkante molen genaamd ‘De Westermolen’, die volgens het opschrift op de baard in 1845 gebouwd werd (afb. 190). De molen is eigendom van de gemeente.

+ Molens van Friesland, 146; Fries molenboek, 141-142.

+ Het onderachtkant helt binnenwaarts. De stiepen worden als pilasters doorgezet, met ertussen de veldmuren. Het ondertafelment is onderbroken ter plaatse van de twee toegangen en ligt op de stiepen; het onderachtkant gaat er buiten langs. In het onderachtkant bevinden zich geen vensters. In een van de velden bevinden zich op de plaats waar de kleine vijzel gezeten heeft staande naden in het metselwerk. Het

[p. 117]

metselwerk boven de vijzelkom wordt opgevangen door een eiken latei, boven de gedeeltelijke dichtgemetselde voorwaterloop bevinden zich twee half-steens segmentbogen. Het met gepotdekselde delen beklede grenen achtkant is van vrij lichte afmetingen gebouwd volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem met twee bintlagen. De velden zijn voorzien van hondsoren, een dubbel en een enkel kruis en twee regels. De basis van de kap en de spanten zijn van eiken, de haanhouten en een deel van het voor- en achterkeuvelens zijn van grenen. De kap is met asfaltpapier gedekt en kruibaar op slepers; staart met kruilier. De grenehouten lange spruit is als middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt.

+ Wieksysteem: oud-Hollands, voorheen zelfzwichting, roeden van staal, vlucht 17,92 m. Doorboorde kleine gietijzeren bovenas, gegoten in 1870 door de ijzergieterij ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage; aan het peneind verzwaard met stukken lood. Bovenwiel met eiken armen en een Vlaamse vang. De stalen vijzelkom kan door een 22 pk Listen dieselmotor aangedreven worden. De vijzelkom is van beton.

+ In 1963 vond een verbouwing plaats waarbij de zelfzwichting en een deel van het gaande werk (al of niet tijdelijk) verwijderd werden. Mogelijk heeft men toen ook de tweede vijzel (een kleine vijzel die gebruikt werd bij slappe wind) verwijderd en de houten grote vijzel vervangen door een stalen exemplaar.

In 1973 vond een restauratie plaats waarbij onder andere een deel van het achterkeuvelens, de staart en de korte spruit werden vernieuwd. De kruilier verving men door een kruihaspel en het asfaltpapier werd niet meer aangebracht.

Tijdens de restauratie van 1984-1985, die wat het gaande werk betrof niet geheel voltooid werd, werden twee achtkantstijlen vernieuwd en één aangelast, voorts een aantal kruisen (in eiken of hardhout), hondsoren, delen van het boventafelment, de spil en een roede vernieuwd.

+ Bij de molen staat een eenvoudige molenaarswoning onder zadeldak tegen voortopgevel. In de voorgevel twee vensters, in de top twee kleine halfrond gesloten lichttoevoeren, xixa.

 

+ In het westelijke gebied van Kollumerpomp liggen vier archeologisch belangrijke terreinen: één oostelijk aan de Oosterboerenweg, ongeveer een kilometer zuidelijk van de Soensterdijk, dat vermoedelijk een terp geweest is. De andere drie liggen westelijk van de Oosterboerenweg, namelijk Kollumerterp op 600 m ten zuiden van de Soensterdijk (zie hierboven op Kollumerterp), ‘de Groene weg’ op 300 m zuidoostelijk daarvan (zie Sybema) en Jeltinga of Schonenburg op 500 m zuidoostelijk daarvan (zie Jeltinga State). Kollumerterp is in 1896 reeds afgegraven, waarbij ongeveer dertig lijken gevonden werden, de meesten ‘met de benen omhoog’. Bij het lijk van een meisje werden kralen gevonden (Alg. Nieuws- en Advertentieblad voor Kollum en Omstreken, 2 mei 1896).

[p. 118]



illustratie

Afb. 182. Rosema State in 1946 getekend door B. Jouwersma. Tekening in bezit van de eigenaar van de Boschplaats.




illustratie

Afb. 183. Stichtingssteen uit 1709, opnieuw toegepast in de Boschplaats. Opname 1987.




illustratie

Afb. 184. Boerderij De Raecken, Foyingaweg 2 met onderkelderd vooreind. Opname 1987.




illustratie

Afb. 185. Opnieuw toegepaste jaartalankers 1711 en duivestenen in een bijgebouw van de Boschplaats.




illustratie

Afb. 186. Boerderij Groot Kabel aan de Foyingaweg 57. Opname 1987.


[p. 119]



illustratie

Afb. 187. Boerderij de Schalder, Wester Nieuwkruisland 1. Opname 1986.




illustratie

Afb. 188. Boerderij Wester Nieuwkruisland 7. Opname 1986.




illustratie

Afb. 189. Boerderij Wester Nieuwkruisland 4. Opname 1987


[p. 120]



illustratie

Afb. 190. De in 1845 gebouwde Westermolen in Wester Nieuwkruisland. Opname 1977.




illustratie

Afb. 191. Het in 1828 gebouwde zogenaamde Contributiehuisje op de zeedijk. Opname 1986.




illustratie

Afb. 192. De situatie van het Contributiehuisje gezien van de polder uit. Opname 1986.




illustratie

Afb. 193. Het voormalige schoolgebouw aan de Foyingaweg 118-120. Opname 1987.




illustratie

Afb. 194. De schoolgebouwen en schoolmeesterswoning in 1897.