Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 121]

Kollumerzwaag

Het dorp ligt op de zandgronden in het zuidwesten van de gemeente en bestaat in oorsprong uit de in oost-westelijke richting lopende Voorstraat, waar aan weerszijden de bebouwing lag. Deze straat is een deel van de middeleeuwse ontginningsas, die een vervolg in westelijke richting heeft, waar Zwaagwesteinde zich aan ontwikkelde.

De oudste vermelding van ‘Zwaech’ dateert uit 1443 (Andreae 1885, 51). De naam betekent weiland of weidegrond, een betekenis die betrekking moet hebben gehad op het oorspronkelijk grondgebruik, voordat hier akkerland ontstond, waartoe de gronden, gezien de opstrekkende verkaveling ontgonnen zijn. De bodem is deels met veen bedekt geweest; de naam Zwagerveen, voor het oostelijk deel van het dorp, wijst daar op. Ten gevolge van oxidatie van het veen na de ontginning, mogelijk ook door vervening is deze laag verdwenen en het onderliggende zand aan de oppervlakte gekomen. De kaart van Schotanus uit 1718 geeft aan weerszijden van de Voorstraat bouwlanden aan. Alleen langs de grens met Achtkarspelen ligt dan nog een strook onontgonnen heide. De lintbebouwing langs de Voorstraat kent ook op het kadastrale minuutplan nog weinig verdichting en lijkt, gezien de plattegrondvorm van de afzonderlijke gebouwen, voornamelijk uit boerderijen te bestaan. De op deze kaart aangegeven opvaart was volgens Andreae in 1805-1806 gegraven.

Vooral na de Tweede Wereldoorlog is door de forse toename van woonbebouwing, eerst in de vorm van verdichting langs de Voorstraat later ook door de aanleg van nieuwe wijken, het agrarisch karakter van het dorp naar de achtergrond verdrongen. Op de bij Schotanus aangegeven strook onontgonnen heide langs de grens met Achtkarspelen vestigde zich in het laatst van de 18e en in de 19e eeuw een verarmde bevolkingsgroep. Onder de naam Zandbulten ontstond een verzameling verspreid gelegen hutten en kleine huizen, aansluitend op dezelfde ontwikkeling in Zwaagwesteinde (Dantumadeel) en Twijzelerheide (Achtkarspelen). In de loop van de 20e eeuw verdwenen de hutten, werden wegen en paden bestraat en ontstond de huidige woonwijk, voornamelijk bestaande uit 20e-eeuwse eengezinshuizen. Deze ontwikkeling is mogelijk gestimuleerd door het feit dat Zandbulten tot 1939 een ‘stopplaats’ voor de trein was. Westelijk van Zandbulten deed zich te Zwagerbosch op grotere schaal een soortgelijke ontwikkeling voor. In 1940 werd dit oorspronkelijk tot Kollumerzwaag behorende gebied zelfstandig.

[p. 122]



illustratie

Afb. 195. Kopie van het kadastrale minuteplan Kollumerzwaag west, omstreeks 1923. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 196. Luchtfoto Kollumerzwaag west. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 123]



illustratie

Afb. 197. Kopie van het kadastrale minuteplan Kollumerzwaag oost, omstreeks 1823. Schaal: 1:7500.




illustratie

Afb. 198. Luchtfoto Kollumerzwaag oost. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 124]



illustratie

Afb. 199. Kopie van het kadastrale minuteplan Zandbulten, omstreeks 1823 (links). Idem 1915 (rechts). Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 200. Luchtfoto Zandbulten. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 125]

Kerkelijke gebouwen

+ De Herv. kerk en toren staan op een ruim verhoogd kerkhof langs de weg die Veenklooster met Zwaagwesteinde in Dantumadeel verbindt. De kerk is eigendom van de Herv. gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 201, 203-210).

 

+ Benef. 30; r.v.g.o. 186; Andreae '85, ii, 50; Wumkes i, 242, 196; ii, 523.

+ Tekening door J. Stellingwerf met onderschrift Zwaegwesteinde in Dantumadeel 1722; soortgelijke tekening iets gewijzigd en door andere hand, doch met zelfde soort nummering links bovenaan, gemerkt Kollumerzwaag in Kollumerland 1723: beide tekeningen berusten in de coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 203, 204). Schets door Van Lokhorst in archief Bi. Za. afd. k. en w. a.r.a. inv. Bervoets nr. 1071 (afb. 206).

+ Gegevens restauratie 1888 in archief kerkvoogdij en a.r.a., als hierboven.

 

+ Blijkens het register van 1580 was de kerk, naast vrij veel pastoriegoederen, een jongerleen of vicariegoed rijk. In 1769 is aanbesteed ‘het repareeren en opmaken van de kerk met een geheel nieuw houten dak’; de kosten werden waarschijnlijk bestreden uit de verkoop van de pastoriegoederen, die in 1763 plaatshad. Volgens Andreae is de toren in 1872 deels afgebroken en hersteld. De kerk is in 1888 gerestaureerd met rijkssubsidie naar tekening en bestek van architect Bruns. Volgens de correspondentie, bestek en rekening van meerwerk is bij die gelegenheid 27,5 m3 metselwerk vernieuwd, o.a. aan de binnenzijde na het wegbreken van de lambrizering 0,5 m3 en aan buitenmetselwerk 27 m3. Het inwendige is bekapt en gevlakt door middel van 40 m2 metselwerk. De kap en beschieting zijn geheel vernieuwd van grenehout en belegd met deels de oude pannen, deels bijgeleverde ‘eerste soort oude Visvlieter pannen’. Plafondbeschieting en houten rozetten werden geheel vernieuwd, evenals de afscheiding tussen de kerk en voorkerk. Twee balkkoppen bleken verrot, zodat de balken vernieuwd werden. In het dak werden kapellen aangebracht. De deuren werden vernieuwd, evenals de lambrizering in vurehout. Voor de vloer werden oude onderdelen gebruikt. ‘De negen bestaande houten lichtramen te amoveren, een gedichte lichtopening te heropenen en in 10 lichtopeningen ramen van gebakken vormsteen aan te brengen’. Bij het meerwerk komen dan 10 dorpels van ‘Escauzijnsche steen’ voor. Aan het meubilair werd bovendien voor f 69,37 gerepareerd.

In 1904 is een orgel aangeschaft en op een galerij aan de westzijde geplaatst; in 1917 werd het naar de oostzijde verplaatst en is de galerij aan de westzijde naar achteren vergroot. De toren is in 1960 onder leiding van A. Baart jr. gerestaureerd, bij welke gelegenheid de top sterk vernieuwd is en van middeleeuwse details voorzien werd.

+ De kerk bestaat uit een bakstenen schip zonder steunberen en een driezijdig gesloten koor dat door beren geschoord wordt. Aan de westzijde een bakstenen toren.

+ De toren is opgebouwd uit donkerrode baksteen, formaat 27,5-29 × 8,5-9 cm, 10 lagen 97 cm. Op de verdieping is dikkere steen toegepast, zodat 10 lagen 102 cm meten; het verband is afwisselend twee strekken en een kop. Deze is uitwendig in kleurverschil te herkennen bij de onderzijde van de lichtspleten. De in 1872 gebruikte dunne grauwe steen aan de topgevels is in 1966 weer vervangen door bijkleurende steen vanaf de geboorte der bogen van de galmgaten. Het oorspronkelijke muurwerk van het schip bestaat uit baksteen van 29-30 × 8,5-9,5 cm, 10 lagen 100 cm in verband verwerkt van merendeels drie strekken afgewisseld door een kop. Aan het koor meet de grauwere steen 27,5-30 × 8-9 cm, 10 lagen 94 cm in tweede toepassing. Aan het koor zijn de plinten afgedekt met rode Bremersteen.

+ De toren gaat onversneden op en heeft behoudens enkele lichtspleten geen vensters of versiering. Aan de westzijde is een rondbogige ingang. Bovenaan zijn aan elke zijde rondbogig gesloten betrekkelijk kleine galmgaten aangebracht.

+ De kleine ingang gaat inwendig over in een rechthoekige verbreding, overdekt door houten lateien; achter de deur is een koker voor een sluitbalk. Aan de oostzijde is een brede doorgang naar de kerk, gesloten door een rondboog op impostlijsten. De begane grond is overkluisd geweest tot 1872, toen volgens het kerkarchief ook de westelijke toegang gedicht werd. In de hoeken zijn trompen waarvan eens een koepelgewelf opging, dat vervangen is door een lager gewelf met brede platte kruisribben; van beide gewelven en van de ribben zijn de aanzetten te vinden achter de balklaag en een ingebracht toilet. Op de verdieping zijn smalle lichtspleten, die westelijk van het

[p. 126]



illustratie

Afb. 201. Hervormde kerk en toren. Plattegrond, plans en doorsneden toren, detail ingang noordzijde schip. Getekend 1984 naar opmeting 1950 en tekening A. Baart jr. 1956.


midden staan wegens een in het vlak van de buitenzijde gedichte doorgang van ongeveer een meter breed en twee meter hoog aan de zuidzijde dicht tegen de oostmuur. In de oostmuur is een smalle kepervormig gedekte doorgang naar een voormalige lagere schipkap. Ongeveer 5,5 m boven de vloer bevindt zich een versnijding en bij de onderkant van de galmgaten een brede versnijding. De klokkestoel draagt op balken die een meter beneden de eerste versnijding zijn ingelaten.

+ Het muurwerk van het schip heeft geen plint noch een afsluitende lijst aan de bovenzijde. Aan de zuidzijde zijn sporen over van een rondbogig gesloten ingang, waar blijkens een ingevulde kapmoet een afdak boven was. Ten oosten van het eerste grote venster is de dichting van een oorspronkelijk klein hooggeplaatst venster te zien. Direct westelijk van de oude ingang is later een smalle flauw segmentbogig gesloten ingang gemaakt, die tegenover de hoofdingang aan de noordzijde staat. Deze heeft een laatgotische omlijsting in de vorm van een spitsboognis, gevat binnen een rechthoekig veld, omgeven door een lijst, van schroefvormige stenen, die om en om geplaatst zijn

[p. 127]

(afb. 210). Onder de consoles zijn versieringen geweest, die over drie lagen heen grepen. Rond de ingang een samengesteld profiel; in het veld een geprofileerd beeldnisje. Boven de ingangsomlijsting is een moet te onderkennen over zes lagen van een oorspronkelijk venster. Ten westen van de eerste koorsteunbeer de moet van een gedicht laag venster. De vensters aan weerszijden van de ingang zijn waarschijnlijk eerst bij de restauratie van 1888 toegevoegd, evenals het westelijke grote venster aan de zuidzijde en het oostelijke van de twee kleine aan die zijde.

+ Het koorgedeelte is van afbraaksteen gebouwd en wordt geschoord door onversneden steunberen, waarover het plint doorloopt. De tweede beer aan de zuidzijde ontbreekt. De vrij brede spitsbogige vensters zijn door een kopse laag gedekt. Dergelijke vensters staan nu ook in het schip en zullen bij de bouw van het koor daar aangebracht zijn, met uitzondering van de meest westelijke dat met harder specie gevoegd en ingehakt is. De vensters hebben bakstenen montants die in 1888 zijn aangebracht ter vervanging van houten ramen; alleen het asvenster in de sluiting heeft een houten kozijn.

+ Bij een romaanse bakstenen toren, xii, is een eveneens nog romaanse bakstenen kerk gebouwd (midden xii), waarvan de schipmuren over zijn, zij het gewijzigd door het inbreken van grotere vensters. De overwelfde begane grond en de verdieping van de toren waren beide van buitenaf toegankelijk; het koepelgewelf zal vrij laat (xvi?) vervangen zijn door het lagere gewelf met de brede kruisende banden. Mogelijk is ook het schip overwelfd geweest, waardoor de muren in 1888 aan de binnenzijde bijgehakt moesten worden; de hooggeplaatste romaanse vensters waarvan dagkanten te herkennen zijn zouden dan de traveeën aangeven. Volgens het restauratierapport zouden de muren uit schalen met gietwerk bestaan. Het koorgedeelte zal in de 15e eeuw vervangen zijn door het tegenwoordige; ook in het schip werden toen grotere vensters aangebracht. In de 16e eeuw werden nieuwe ingangen aangebracht. De torentop die in 1872 gewijzigd was, is in 1960 in middeleeuwse trant ‘verbeterd’. Bij de restauratie van 1888 is een vlak houten plafond verwijderd en is het houten gewelf opnieuw aangebracht. Tevens moeten toen aan de westzijde twee smalle en twee grote vensters zijn toegevoegd, die op de tekening van Van Lokhorst ontbreken.

+ De kerk bezit:

+ Een tot spreekgestoelte vertimmerde preekstoelkuip met achterschot en trapje, blijkens ornamentering met asymmetrische onderdelen aan het trapje, mogelijk xviiic. Het doophek is in 1870 gemaakt volgens gegevens in het kerkarchief, samengevat in een brief uit 1938.

+ In de toren hangt een klokje, diam. 50 cm, met opschrift ‘I. Borchhard fudit Enchusae 1769’.

States

+ Bij het verbond met de Groningers van 1467 was een aantal edelen niet vertegenwoordigd, omdat zij geen verbond wensten. Zij verzetten zich tegen het bouwen van het blokhuis te Kollum en versterkten Eysmastins te Oudwoude. De Groningers vielen de stins aan en dwongen de bezetters tot overgave op voorwaarde dat ook drie steenhuizen staande op de Zwaag vernietigd zouden worden (Andreae '85, ii, 54).

+ Waar deze steenhuizen gestaan hebben is niet duidelijk. De kadastrale minute geeft een omgracht terrein ‘Cedels hof’ genoemd, maar dat kan jonger zijn; de stinsen moesten immers in 1468 reeds afgebroken worden. Alleen van de Hedsma's is onlangs een spoor gevonden, toen bij de restauratie van de vloer van de kerk een grafzerk gevonden werd met in gotische minuskels het opschrift: ‘obiit meint hed/sama x c iii.’ Deze moet voor Meint Hedsama geweest zijn die kennelijk in 1493 overleed. In 1557 komt eenmaal nog Hetsma Stede voor, toen Benne Jelckema een rente uit dat eigendom verkocht (Register verkochte renten op wederkoop f. 17 v.). De aanduiding stede lijkt erop te wijzen dat de plaats toen onbehuisd was.

+ De kaart van Schotanus geeft westelijk van de kerk ongeveer tegenover de latere opvaart de naam Rinsema. Andreae kent deze plaats nog als ‘stinshiem’ ('85, ii, 54).

Woningen en boerderijen

+ Boerderij van het kop-hals-romptype, waarvan het 18e-eeuwse voorhuis omstreeks 1860 na brand werd hersteld door middel van een toen gebruikelijke uitgemetselde rollaag (afb. 217, 218). In de top smalle hoge lichtkozijnen passend bij de zesruitsvensters in

[p. 128]

het voorhuis. Terzijde bakhuis. Achtergevel en bijschuur rietgedekt.

+ Woudboerderijtje met kort stalgedeelte (afb. 211). Het pandje komt in deze vorm reeds voor op de kadastrale minutekaart van 1823 en kan zelfs, vergeleken met nr. 149 dat 1724 is gedateerd ook uit de 18e eeuw dateren. De in n.n.o.fr. juli 1973 genoemde datum van 1778 lijkt wat laat. Een foto uit 1965 geeft het pand nog met de zesruitsvensters, kleinere lichtopeningen in de topgevel en de kleine stalvensters in lagere stalmuren.

+ Woudboerderij met kort stalgedeelte, waarnaast de vuurhut staat (afb. 226, 227). Het woongedeelte is in de voorgevel in ankers 1724 gedateerd. De ingang aan de westzijde en de vensters aan de west- en noordgevel met roedenverdeling zijn nog origineel en kregen sinds kort weer luiken. Ook de kleine kozijnen in het stalgedeelte zijn van hout met kruisroeden. Het pand is geheel met riet gedekt en heeft slechts één schoorsteen, namelijk boven de voorgevel. Inwendig bedschot en tegeltableaux in de schouw.

+ Aan de Foarwei stond tot ongeveer 1973 tegenover het pand nr. 158 aan het einde van de vaart, een merkwaardig woongebouw met een lange gevel aan de straat, onder een zadeldak tussen twee topgevels met beitelingen en dekplanken langs de zijden (afb. 229). De oostelijke helft had naast de ingang geprofileerde kozijnen met ramen met een kleine roedeverdeling; de westelijke helft had naast de ingang een blind gedeelte, vervolgens een keldertje en dan twee eveneens geprofileerde kozijnen van negenruits ramen voorzien, evenals aan de oostgevel. Aan de achterzijde was een aanbouw met afluiving overkapt, die naar op de foto te zien is, tot de oorsponkelijke bouw behoorde. Een soortgelijke woning staat nog te Oudwoude, Jan Binnensweg 10, doch moet daar volgens de kadastrale minute van na 1823 dateren. Te Kollumerzwaag komt het pand voor op de minutekaart.

+ Boerderij van het kop-romptype met lang voorhuis, dat reeds voorkomt op de kadastrale minute. Dubbele rietgedekte schuur; het voorhuis is met pannen gedekt en heeft een vernieuwde voorgevel.

+ Stelpboerderij uit omstreeks 1860 (afb. 221). De ingang in het midden van de voorgevel lijkt later te zijn ingevoegd. De ingang is aan de oostzijde, waar het bakhuis staat. Aan de westgevel zal de kaaskamer geweest zijn. Het voorhuis is met pannen gedekt, de schuur thans met golfplaten ter vervanging van riet.

+ Woudboerderijtje van hetzelfde type als 149; het voorend is hier echter met pannen gedekt (afb. 222, 225). In de topgevel staan twee halve kruisvensters, die blijkens een foto uit 1965 oorspronkelijk zijn. Het pand is namelijk sindsdien grotendeels herbouwd en verfraaid, waarbij het de bakgoot voor langs de gevel verloor en enorme jaartalankers 1785 kreeg. Daar het pand niet getekend staat op de kadastrale minute moet het echter van na 1823 dateren. De topgevel is halfsteens herbouwd in tegenstelling tot voorheen; de schuur verloor de kleine vierkante venstertjes en kreeg aan de achterzijde een enorm uilenbord.

+ Boerderij van het kop-romptype, waarschijnlijk midden 19e eeuw gebouwd, (afb. 220). De voorgevel van het voorhuis heeft rollagen langs de schuine zijden van de geveltop, waarop dekplanken, die op een schoudertje rusten. Vensters in de top vergroot; benedenvensters nog vrij gaaf; flauw gebogen strekken. Tegen de blinde zijgevel was oorspronkelijk blijkens het kleine keldervenster het bedschot getimmerd. Voorbij de schuuringang staat het bakhuis met gesneden gootlijst en boeibord. Achtergevel schuur gaaf; haaks erop bijschuur.

+ Boerderij van aan het Oldamstertype verwante vorm: boven de woonvertrekken in het voorhuis zijn drie lage vensters aangebracht als licht voor de zaadzolder (afb. 215). Schoorsteen boven het voorschild dat met pannen gedekt is; doorlopende nok over voorhuis en schuur. Alle vensters met flauw gebogen bovendorpels, omstreeks 1880 ontstaan. Dwarsgeplaatste bijschuur.

+ Keuterijtje uit de 19e eeuw, waarvan het voorgedeelte met een woonruimte verlengd is (afb. 212). Daarin 19e-eeuws bedschot tegen de noordgevel boven het keldertje.

Omgaande bakgoot. Rietgedekte schuur, aan de noordzijde later verbreed.

+ Tegenover de kerk gelegen woudhuisje, waar lang de klokluider gewoond heeft (afb. 202, 213, 214). Op de kadastrale minute komt slechts een rechthoekig gebouwtje voor met de lange gevel aan de rooilijn. Het schuurgedeelte is er dus na 1820 aan toegevoegd. Volgens Bosgraaf is het gehele pandje omstreeks 1846 gebouwd. De topgevel en het achtergedeelte bestaan slechts uit halfsteens muren. Tegen de voorgevel inwendig sober gemarmerd houten schouwtje.

[p. 129]



illustratie

Afb. 202. Foarwei 120. Zogenaamd woudhuisje, waar lange tijd de klokluider woonde. Plattegrond, doorsneden, aanzichten, details en situatie. Getekend 1987 naar tekening Gemeentewerken Kollumerland c.a.


+ In de bocht, die de Foarwei maakt om noordelijk de kerk te passeren en aan te sluiten op de Voorweg richting Zwaagwesteinde, staat een serie woningen van ongeveer gelijke inhoud, waarvan nr. 128 toonaangevend is door de schildkap, met Friese pannen belegd en bekroond door hoekschoorstenen met versierde borden. De dakkapel is kennelijk later vlak gedekt, eind 19e eeuw (afb. 224).

+ Verfraaid woudboerderijtje, waarvan het in kruisverband gemetselde muurwerk en de in halfsteensverband opgetrokken geveltop nog origineel zijn, evenals de beitelingen langs de schuine zijden en de geheel rieten kap.

+ Eenvoudig 19e-eeuws woonhuis onder schilddak waarop hoekschoorstenen met borden (afb. 228). De situatie aan de kop van de in 1808-1809 gegraven Kollumerzwaagstervaart wijst waarschijnlijk op een bestemming van woning van een havenfunctionaris of als koffiehuis.

+ Boerderij van soortgelijk type als nr. 2, doch de zaadzolderruimte is aan de gevel manshoog xixa (afb. 216). Het middelste venster daarvan is later verhoogd. De vensters

[p. 130]

zullen aanvankelijk roedenverdeling gehad hebben zoals nog één venster in de noordgevel heeft. De rollaag langs de zijden van de voorgevel komt neer op kleine kraaglijsten en is op woudfriese wijze gedekt door groenwit geschilderde dekplanken. De foto uit 1965 geeft nog rietdekking op de schuurkap; thans is deze vervangen door golfplaten. Terzijde bakhuis.

+ Woudboerderij van het hier gangbare type, doch gebouwd van gele steen (afb. 219). Het voorhuis is met pannen belegd en heeft de omgaande bakgoot op geprofileerde klossen. Brede top met ongebruikelijke, waarschijnlijk verbrede kleine vensters; wegens bepleistering is dit niet meer na te gaan. Bakhuis aan de oostelijke zijgevel, hoewel de ingang van de westelijke zijde staat.

+ Keuterij onder een groot dak op lage zijmuren. Door uitsparing van een hoek is een hoger vertrek met drie vensters ontstaan (afb. 223).

Industriemolen

+ Op de kaarten van Schotanus van 1664 en van 1689 staat te Kollumerzwaag een windmolen aangegeven ten noorden van de Foarwei in het westelijke deel van het dorp aan een bij de molen eindigende weg.

De molen komt reeds voor op de lijst van niet rendabele molens van 1639 en opnieuw in 1714. In dat jaar werd de molen afgebroken (verg. die te Veenklooster). Op de kadastrale minute komt echter een plattegrond voor van een molen op een schuur waarschijnlijk op de plaats die door Schotanus wordt aangegeven. De weg naar de molen moet gelopen hebben tussen de tegenwoordige panden genummerd 174 en 176.

 

+ Aan de oostzijde van de Miedwei in het uiterste noorden van het gebied van Kollumerzwaag, 250 m ten zuiden van de Petsleatswei ligt een verhoogde prehistorische woonplaats. Ongeveer 750 m zuidelijk daarvan geeft Halbertsma een terp aan.

[p. 131]



illustratie

De klokluiderswoning tegenover de kerk.
Opname 1981.


[p. 132]



illustratie

Afb. 203. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 204. De kerk van Zwaagwesteinde volgens onderschrift, getekend door J. Stellingwerf in 1722. Beter past een onderschrift ‘Kollumerzwaag’.




illustratie

Afb. 205. Hervormde kerk en toren van het noordoosten gezien. Opname 1976.




illustratie

Afb. 206. De hervormde kerk getekend door J. van Lokhorst in 1888.




illustratie

Afb. 207. Hervormde Kerk en toren gezien van het zuidwesten. Opname 1976.


[p. 133]



illustratie

Afb. 208. Het inwendige van de kerk naar het oosten gezien. Opname 1976.




illustratie

Afb. 209. Details ingangen van de kerk getekend door J. van Lokhorst 1888.




illustratie

Afb. 210. De noordelijke ingang van de kerk. Opname 1987.




illustratie

Afb. 211. Achttiende eeuws woudboerderijtje Foarwei 145, zoals het er in 1965 uitzag.




illustratie

Afb. 212. Negentiende eeuws woudboerderijtje Foarwei 16, met verlengd vooreind. Opname 1986.




illustratie

Afb. 213. Woudhuisje Foarwei 120. Opname 1978.




illustratie

Afb. 214. Voorgevel en oostelijke zijgevel van Foarwei 120. Opname 1978.




illustratie

Afb. 215. Negentiende eeuwse boerderij Foarwei 2. Opname 1986.


[p. 134]



illustratie

Afb. 216. Waarschijnlijk vroeg 19e eeuwse boerderij Foarwei 172. Opname 1965.




illustratie

Afb. 217. Grotendeels 18e eeuwse boerderij van het kop-hals-romptype Foarwei 47. Opname 1965.




illustratie

Afb. 218. Achtergevels van hoofd- en bijschuur van Foarwei 47. Opname 1965.




illustratie

Afb. 219. Woudboerderij aan de Foarwei 188. Opname 1986.


[p. 135]



illustratie

Afb. 220. Boerderij van het kop-romptype uit het midden van de 19e eeuw. Foarwei 257. Opname 1986.




illustratie

Afb. 221. Boerderij van het stelptype Foarwei 207. Opname 1986.




illustratie

Afb. 222. Verfraaide boerderij Foarwei 209. Opname 1986.




illustratie

Afb. 223. Woudhuisje Hanenburg 8. Opname 1986.


[p. 136]



illustratie

Afb. 224. Zogenaamde rentenierswoningen Foarwei 128-134. Opname 1986.




illustratie

Afb. 225. Foarwei 209 voor de verfraaiing. Opname 1965.




illustratie

Afb. 226. Woudboerderijtje Foarwei 149 uit 1724. Opname 1975.




illustratie

Afb. 227. Foarwei 149 van het noordwesten gezien. Opname 1986.




illustratie

Afb. 228. Het pand Foarwei 158, oorspronkelijk bij het einde van de opvaart staande. Opname 1986.




illustratie

Afb. 229. Het in de jaren zeventig afgebroken pand Foarwei 173. Opname 1965.