Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag 1981


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 263]

Marrum

De naam van het dorp Marrum komt als Mereheim voor in de oudste Fuldalijst (Dronke c. 7).

Op de wegens bebouwing niet afgegraven dorpsterp zijn beide ringwegen aanwezig (afb. 321 en 322). De radiale structuur valt op de kruin van de terp in het beloop van enkele straatjes te herkennen. Het dorp dat in 1786 groot en aanzienlijk wordt genoemd (Tegenwoordige Staat 193) heeft momenteel het agrarisch karakter nog niet geheel verloren door de aanwezigheid van een boerderij op de terp, de geringe bebouwingsdichtheid en een aantal (moes)tuinen.

Het betrekkelijk onaangetaste karakter is mogelijk in de hand gewerkt door de wat afzijdige ligging van de doorgaande weg. Ruimtelijke ontwikkelingen langs deze weg, waaronder een opvaart en een haventje zijn daardoor buiten het terrein van de dorpsterp tot stand gekomen.

Westernijkerk kan nauwelijks als zelfstandig dorp worden beschouwd, maar moet meer gezien worden als een buurt bij Marrum (afb. 345). Op de terpenkaart (Halbertsma, Terpenkaart 6 west) wordt Nijkerk niet als terp aangegeven.

Aan de naam is te zien dat het hier om een relatief jonge (‘nij’) vestiging gaat. De ‘nieuwe’ kerk is nieuw ten opzichte van die van Marrum. De kerk plus het aangrenzende terrein van de voormalige Jeppema State liggen niet centraal ten opzichte van de bebouwing. Op de plattegrond van Schotanus (1682) ligt de bebouwing nog wel in de nabijheid van de kerk, maar daar is nu nauwelijks sprake meer van (afb. 395).

[p. 264]



illustratie

Afb. 321. Copie van de kadastrale minute omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 265]



illustratie

Afb. 322. Luchtfoto schaal 1:6500. Opname april 1973.


[p. 266]

Kerkgebouw

Hervormde kerk

De Hervormde kerk staat op een zeer ruim door een boomsingel omgeven kerkhof in het midden van het dorp. De kerk is met de ingebouwde toren eigendom van de Hervormde Gemeente (afb. 323 en 325-337).

Litteratuur

r.v.a. i, ii, iii, 39; Benef. 143; r.v.g.o. 70; Van der Aa vii, 698; Wumkes ii, 284; Van der Veen, 210.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1619-1825, r.a. Leeuwarden; Notulen floreenplichtigen, gemeentearchief Ferwerd (Faber, Inv. 1671, 1 en 2).

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf 1723; tekening door D. Cannegieter 1861 beide in coll. Fries Museum (afb. 326 en 327).

Geschiedenis

Volgens Reitsma is de patroonheilige van Marrum S. Godehardus. Naast pastoriegoederen bezat Marrum in 1580 een prebende, in 1511 een vicarie genoemd.

Daar de kerkvoogdijrekeningen vrijwel compleet aanwezig zijn tot 1825 noteren wij de belangrijkste uitgaven daaruit met betrekking tot het gebouw en zijn inventaris:

In 1627 komt een post voor van 37 gld. aan de klokkegieter Hans Falck te Leeuwarden en in 1632 ‘noch aan de Françoisen het laatste termijn van de klokken betaelt 142 gld 24 st.’ In 1636 worden nieuwe banken in de kerk gemaakt door Sjoerd Jansen. Ook vermaakt hij de ‘glaslichten’. Diverse reparaties aan kerk en toren worden tevens in die jaren verantwoord. In 1637 betaalt men voor verven van een bank in het oosten van de kerk. Het jaar daarop wordt een benekouw (knekelhuis) gemaakt. Johan Aysma en Juffrouw Bauck van Wijckel kopen in 1644 een legerstede met kelder ‘voor haer stoel’ en Sjoerd van Albaerda een grafkelder ‘met het voeteneynde schietende aan de ingangck van de Aysma Kelder’.

Het leien dak wordt in 1646 ingrijpend hersteld. In 1655 worden er planken geschaafd ‘tot het dak der kerck’. Dit hangt samen met het opnieuw leidekken van de ‘noordkant van de toorn af’. In 1657 wordt nog hout verantwoord van de ‘consistoriebanken ende 't gewulff der kercke’. Het jaar daarop komt de toren weer in herstel: Sjoerd Ales Harthouwer te Leeuwarden levert steen ‘wegens twee cantelen en een clapmuts op de toren gelevert’ en er komen nieuwe wijzers op de wijzerplaat.

In datzelfde jaar krijgt Dirk Sydtses ‘sijn bedongen loon voor de geleverde predikstoel en consistorie bank in de kerke 300 gld’. Er worden vier ritten met de kistemaker verantwoord. In 1660 tenslotte wordt de verfraaiing van de kerk bekroond doordat de Staten der provincie een glasraam vereren en dat van de ‘Ed hove voor dese gegeven’ vergroot wordt. Omstreeks 1700 was rond het kerkhof een ringmuur. Het dak van de kerk kreeg een nieuwe leibedekking in 1718 en opnieuw in 1770. De toren en het uurwerk vroegen in de 18e eeuw veel reparaties. De toren werd in 1724 volgens bestek hersteld, in 1766 wordt hij geverfd en in hetzelfde jaar is er veel hout gekocht; in 1777 moet er weer een reparatie aan de toren aanbesteed worden, waarna men in 1786 bij de afbraak van Ponga State 13 planken koopt voor de toren. Het uurwerk wordt achtereenvolgens hersteld door de uurwerkmakers Sybe Johannes te Dokkum in 1672, Isbrand van Statom te Leeuwarden in 1723, Gosse Johannes te Holwerd in 1769. Er is dan sprake van het groot uurwerk. In 1783 worden het uurwerk en de zonnewijzer, waarvan in 1766 en eerder in 1629 reeds sprake is, naar Bartlehiem gebracht naar Gosse Johannes. In 1790 komt er een nieuwe wijzerplaat met bladgoud en bladzilver bewerkt. Van Ponga State koopt men in 1786 ook Friese steen voor de ‘ringmuur bij de homei’ aan het kerkhof. In het inwendige van de kerk brengt men in 1798 een kraak aan, waarna in 1802 een grote som aan de schilder wordt betaald voor verf aan de nieuwe ramen.

In 1809 wordt de benekouw afgebroken. In 1811 komt er een kandelaar op de preekstoel. De pastorie wordt in 1815 verfraaid; in de voorkamer komt een schilderstukje op de schoorsteen en G. van der Wielen te Leeuwarden levert een gesneden raam boven de voordeur. Jan Rienks van der Wielen krijgt betalingen voor arbeidsloon en materialen aan pastorie, kerk en toren. In 1816 valt de kerkvoogdij een legaat toe tot onderhoud van de graven van de familie van Idsinga; in 1787 blijkt men reeds een legaat gekregen te hebben om hun ‘wapens hangende in de kerk’ te onderhouden.

Over een orgel zwijgen de rekeningen geheel.

Van der Aa noemt de toren klein en stomp en vermeldt het jaartal 1597 aan de binnenzijde van de toren als 1595. De nieuwe toren is in 1858 aanbesteed.

Beschrijving

De binnenwerks ruim 8 m brede kerk is aan de koorzijde inwendig onregelmatig halfrond,

[p. 267]



illustratie

Afb. 323. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsneden benevens detail van de makelaar van de houten gewelfconstructie over het koor, van de romaanse ingang en van een gevonden kraalsteen van een verdwenen gewelf. Getekend en bijgewerkt 1975 naar opmeting 1944. Bij de dwarsdoorsnede is het jongere tongewelf niet weergegeven.


[p. 268]

uitwendig vijfzijdig gesloten. In de westelijke travee is in 1858 een nieuwe toren gebouwd met aansluitende westgevels (afb. 323).

Materiaal

Het muurwerk van het schip bestaat aan de noordzijde beneden uit baksteenwerk formaat 32-33 × 9-9,5 cm, 10 lagen 103 cm in een verband met veel strekken. Daarboven is tufsteen toegepast, kennelijk opnieuw gebruikt, doch waarin wel platen op hun kant zijn toegepast in twee stroken en een strook van twee lagen baksteen. Het westelijke gedeelte is dunner en opgetrokken van bovenvermeld baksteenmateriaal, doch in tweede toepassing. Ten oosten van het eerste volledige venster is een zg. staande tand te zien, waartegen het oostelijker muurwerk is aangewerkt. Ongeveer 15 m uit de westmuur gemeten is een afwijkend gedeelte in het muurwerk waar te nemen, ontstaan door de dichting met tuf- en baksteen van een doorgang naar een afgebroken aanbouw. Het koor bestaat uit baksteen van iets geringere dikte, 10 lagenmaat 101 cm waarbij veel strekken zijn toegepast; het baksteenwerk wordt afgewisseld door twee stroken tufsteen, waarin soms platen op hun kant zijn verwerkt.

De zuidmuur bestaat grotendeels uit baksteen en vertoont van west naar oost eenzelfde opeenvolging van materiaal als de noordmuur: een gedeelte herbruikte baksteen, een gedeelte in grote baksteen, in de oostelijke helft waarvan veel strekken zijn toegepast, een gedeelte uit afwijkend materiaal, ontstaan door dichting van de boog naar een verdwenen aanbouw en een gedeelte aansluitend aan de koorsluiting. Tussen dit laatste gedeelte en de dichting is een klein stuk geheel tufstenen muuroppervlak bewaard, waarin drie stroken platen op hun kant zijn verwerkt.

Schip

De koppen van de vensters bestaan uit een dunne lichtrode baksteen. Boven langs de gehele muur loopt een strook jonger muurwerk waar de goot op rust.

Tegenover elkaar staan, ongeveer 6 m uit de westgevel gemeten gedichte rondbogige ingangen; de boog bestaat uit een kopse rollaag, de dagkant is geheel van baksteen en met kopse sprongen geleed. Iets naar het oosten verschoven staan boven deze ingangen kleine rondbogige vensters met soortgelijke rollagen. De overige rondboogvensters, aan elke zijde drie, zijn ingebroken en hebben een steens rollaag van 18e- vroeg 19e-eeuwse makelij. Zij zijn gevuld met houten ramen met kleine roedeverdeling (afb. 329 en 330). De twee westelijke aan de noordzijde zijn 20 cm smaller dan de overige. Boven de twee oostelijke vensters aan de noordzijde en het meest oostelijke aan de zuidzijde is een groot gedicht spitsboogvenster te zien met een steens rollaag.

Koor

Langs de hoeken van het koor gaan bakstenen kralen op, aanvangende op een plint (afb. 328). Het muurwerk van de koorsluiting is beneden de verhoging in machinale steen ten behoeve van de goot, eerder eens verhoogd ten behoeve van een nieuwe kap. De hoeken daarvan staan niet boven de hoeken van de plattegrond. In de sluitingszijden staan dichtgemetselde rondboogvensters, gedekt door een kopse rollaag. Alleen aan het middelste venster is de aanzet te zien van een strekse laag, die boven de rollaag gelopen heeft en waarvan de stenen gebogen waren. Dat venster is echter later aanzienlijk vergroot en daarna gedicht. Het zuid-zuidoostelijke venster is vervangen in spitsboogvorm; een spoor van de rondboog is nog zichtbaar.

Stichtingssteen

In de westgevel van de toren staat een slecht leesbare steen met opschrift: Aan deze toren in den jaren 18(58) herbouwd, is de eerste steen gelegd door Marten Jelles Miedema zoon van J.H. Miedema die destijds met K.K. Osinga en J.L. Olivier kerkvoogden waren.

Indien gij desen toren siet/Niet langer meer als voorheen/Misken dan Uwe roeping niet/En zoek God door gebeen/Zijn huis o mensch dan trouw bezocht/De Heiland ging U voor/En wat gij dan nog missen mocht/Gij zijt op 't regte spoor j.c.z.

Inwendig

Toren

De ingebouwde toren van 1858 rust op balken die de voorgevel verankeren aan twee blokken muurwerk, die oostelijk van de toren opgetrokken zijn en even hoog opgaan als de zijmuren. Zij zijn onderling verbonden door een muur, die achter het orgel een verdiept rechtgesloten veld vormt, waar het jaartal 1597 in baksteen is aangegeven. De bovenzijde van de blokken muurwerk vertoont baksteen van 20,5 × 5 cm. De ruimten naast de toren zijn afgedicht door dunner muurwerk. Op de verdieping zijn grote cirkelvormige openingen uitgespaard. Het eerste spant van de kap loopt door de toren.

Schip

Verder oostwaarts is inwendig alleen aan de zuidzijde de afgebroken aanbouw waar te nemen in de vorm van een brede segmentbogige nis rond het tweede venster en een sprong in het muurwerk (afb. 331). Aan de noordzijde waren in 1944 in de bepleistering de aanhechtingen waar te nemen ter plaatse waar de doorgang naar een aanbouw geweest is.

De muren zijn verankerd door vernieuwde trekbalken zonder sleutelstukken met uitzon-

[p. 269]

dering van één balk achter het orgel en de meest oostelijke. Onder de eerstgenoemde is een fragment van een sleutelstuk bewaard aan de zuidzijde (afb. 333).

De meest oostelijke trekbalk steunt op een korbeel met achter de pleister een muurstijl. Ook de stcunbalken in de koorsluiting die deels vervangen zijn door ijzeren trekstangen, rusten op korbeels en weggepleisterde muurstijlen. Het vrij jonge tongewelf gaat op van een verbrede voorlijst op korte sleutelstukken.

De kap bestaat uit twee gedeelten, een over de koorsluiting en koortravee, het andere gedeelte loopt van daar tot de westgevel en wordt boven de laatste trekbalk door de toren van 1858 doorbroken. Van beide gedeelten zijn de spanten van west naar oost genummerd, in het westelijke gedeelte in twee series. De kap over het koor bevat een tongewelfconstructie met geprofileerde gewelfribben; de koningsstijl is aan de onderzijde als geprofileerde beëindiging afgewerkt. De beschieting is nimmer tot stand gekomen. Wel vindt men in de ribben de groeven daartoe. De kap over het schip heeft, zoals gebruikelijk, twee spanten benevens een nokgording. De verbinding is zodanig dat de kap over het koor jonger moet zijn dan die over het schip.

Bouwgeschiedenis

Het muurwerk van het schip moet gezien het baksteenverband met veel strekken in het begin van de 13e eeuw gedateerd worden. Bovenaan paste men tufsteen toe afkomstig van afbraak van een voorgaand gebouw. Het inwendig rond gesloten koor met kralen langs de buitenhoeken moet ongeveer gelijktijdig zijn gebouwd. De gehele kerk kreeg kleine rondbogig gesloten vensters, waarvan er aan de westzijde telkens een over is bij de voormalige ingangen, die ook nog uit die periode stammen; het koor bezit nog sporen van de romaanse vensters. Aan de westzijde was de kerk korter dan thans. Mogelijk werd een nieuw schip opgetrokken tegen een bestaand westwerkje dat nog enige eeuwen stand hield totdat het door een westtoren vervangen werd, die voor de tegenwoordige kerk gestaan moet hebben, daar de gotische kap tot de gevel doorloopt.

Van het eerste tufstenen kerkje rest een fragment muurwerk aan de zuidzijde en wel ten oosten van de dichtgemetselde doorgang naar de voormalige aanbouw. Deze moet dan ook tegen het tufstenen kerkje gebouwd zijn geweest als te Hallum. In het tufsteengedeelte is een schuine lijn te zien van de afdekking van de absis die dus deels in de muur gewerkt is geweest.

Mogelijk is de kerk ooit van stenen ribgewelven voorzien geweest; een steen daarvan is op het kerkhof gevonden. Het koor is midden 16e eeuw van een nieuwe kap voorzien, waarvan de balken op muurstijlen gerust moeten hebben, waarvan de ankers nog te zien zijn aan de buitenzijde van de muren. In de oostelijke helft van de kerk werden (in 1597?) grote spitsboogvensters gebroken waarbij aan de zuidzijde een gedeelte muurwerk werd aangeheeld tegen het oudste tufstenen fragment. De doorgang naar de aanbouw aan deze zijde is geheel gedicht; mogelijk stond daar de kansel. Het venster in de vulmuur dateert van 1802, toen ook de grote gotische vensters weer vervangen werden door kleinere. Het meest westelijke van deze serie kan aan beide zijden ter plaatse van een romaans venster staan. De nieuwe vensters vervangen de grote gotische nadat deze in 1796 van hun geschilderde wapens ontdaan waren.

De blokken opgaand muurwerk waartegen in 1858 de toren is gebouwd, zijn blijkens het materiaal en een jaartal in 1597 opgericht en vormen een soort afscheiding van een voorkerk westelijk van de ingangen; het tongewelf, dat thans koor en schip overdekt en het 17e-eeuwse vervangt, reikt ook niet verder dan daar. Mogelijk was men ooit van plan daar een dakruiter te bouwen in de trant van die te Lichtaard, maar heeft men toch de toren weer hersteld en van nieuwe klokken voorzien.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een eiken preekstoel met achterschot en klankbord, blijkens kerkvoogdijrekeningen in 1658 geleverd door Dirk Sydtses en thans tegen de oostelijke sluitmuur opgesteld (afb. 332). Blijkens de rekening is de kistemaker van buiten Marrum gekomen. De kuip met bordes heeft op de hoeken gecanneleerde en voor een derde geornamenteerde korintische zuiltjes, waartussen de gekorniste panelen zijn gevat. Aan het achterschot zijn de zuiltjes alleen gecanneleerd en zijn de kapiteeltjes vernieuwd. Vergelijk preekstoel te Ferwerd.

Orgel

De orgelkas bestaat deels uit 17e-eeuwse onderdelen; het pijpwerk zou volgens van der Veen in 1831 door J.A. Hillebrand geleverd zijn, doch zo gebrekkig dat het door N.A. Looman te Groningen onder toezicht van W. van Gruisen in 1833 weer vernieuwd moest worden. Volgens Wumkes is het in 1841 weer ingewijd. Van der Aa vermeldt dat het in 1833 geschonken was door freule Collot d'Escury.

[p. 270]

Herenbank

Een herenbank van paneelwerk met kussenpanelen (afb. 331). De overhuiving rust op omrankte kolommen met korintische kapitelen en is versierd met mooi gesneden lofwerk. Het opzetstuk, dat geflankeerd wordt door twee vazen, is geheel ajour gesneden en bestaat uit acanthusbladeren die een voetstuk omranken, dat in de trant van Marot met een losbladige palmet is versierd. Het draagt het gekroonde alliantiewapen Wielinga-Westerhuis duidend op het huwelijk van Johannes Wielinga en Dieuke Westerhuis, dat in 1697 te Marsum werd gesloten. Het echtpaar woonde op Westerhuis State.

De bank werd in 1723 besteld door Mevrouw Wielinga bij Jacob Sydses Bruinsma te Leeuwarden blijkens processtukken (civ. Sententies r.a. Leeuwarden) vermeld door S. ten Hoeve, Jacob Sydses Bruinsma in Vrije Fries 1976, 49 e.v.

Banken

Een eenvoudige overhuifde herenbank met spijltjesfries en overhuiving rustend op gecanneleerde kolommen met manchet aan de voet is bij de laatste wijziging van het interieur in 1966 verwijderd en ligt in stukken op de orgelzolder met de resten van een 19e-eeuws doophek, dat blijkens een foto uit 1944 toen reeds aan de oostzijde stond.

Achter het doophek stonden twee met de koorronding deels meegebogen overhuifde banken.

Zilver

Beker op hoge voet, hg. 20,2 diam. 10,6 cm (afb. 359). Inscriptie in rolwerkcartouches: ‘Ao 1677 den 3 November Hebben de Ho Edl. Geb. Hr. Johan v. Coenders Capt. van S.F. Doorlucht. L. Garde Prins Hendrick Casemier van Nassau etc. Eerf Stadtholder en Capt. Generael van Vriesl. etc. en de H.E. Geb. Vrou Walta Echt. desen Beeker vereert aen de kerke tot Marrum ter bedieninge van 's Heeren Heylige Avontmael’. Merken Leeuwarden E van 1677 meesterteken Arjen Algers Mensma, Frederiks iii, 294, Voet 428. Broodschaal diam. 39 cm met gedreven rand waarin allegorische voorstellingen van de vier jaargetijden tussen kraakbeenornament en bloemen (afb. 334-337). Ingegraveerde wapens Coenders-Walta (vgl. Ponga-State). Inscriptie ‘Anno 1719 den 15 januari Heeft de Hoogh. Wel Gebooren. juffr. Mejuffer Aurelia Margareta Van Coenders dese schotel gelegateerdt Aan De Diaconi Van Den Dorpe Marrum tot het Gebruik van 't Broodt in 's Heeren Heilig Avontmaal’. Merken: Leeuw, Vuurkorf, H in cirkelen twee maal een S of krakeling. Door Frederiks i, 230 als J.A. Ketel van Leeuwarden en 1702 gedateerd, doch de merken kloppen niet geheel. Eer jaarletter S van 1690.

Klokken

In de toren hangen twee klokken:

diam. 110 cm. Opschrift: Jr. Douwe van Walta Johan van Aisma Wicke Gerribberts Willem Gerbens van Marrum 1630. Op de mantel wapens Walta en Aisma en huismerken Gerribberts en Gerbens. Dit moet de klok zijn waarvoor Hans Falck in 1630 betaald is.

diam. 96 cm. Opschrift: D. Viglius Cornelii Pastor Sioucke Sjouckes Hilcke Liuwes kerckvoochden van Marrum 1630. Op de mantel wapens Cornelius, Siouckes en huismerk Liuwes. Bij de klokkeregistratie aan Obertin toegeschreven en volgens de kerkerekening van 1632 door de ‘Françoisen’ gegoten.

Bebouwing in het dorp

Hegebuorren

De Hegebuorren was tot kort na 1966 bebouwd met een homogene serie lage brede dorpshuizen onder dwars zadeldak tussen topgevels, 18e-19e eeuw (afb. 343).

Lage Herenweg 11

Dwarshuis onder zadeldak tussen topgevels met beitelingen 18e-19e eeuw (afb. 341). Omlijste ingang in het midden. Blijkens het laag geplaatst venster in de zijgevel was er oorspronkelijk een bedsteden-kastenwand tegen de achtergevel.

Langebuorren 7

Dwarshuis onder schilddak met hoekschoorstenen midden 19e eeuw (afb. 340-342). Ter linkerzijde van de ingang onderkelderde opkamer, rechts grote kamer met twee zesruitsvensters. De ingang is omlijst met ionische pilasters, onder de goot uitvoerig gedetailleerde terra cotta (?) consoles. Na 1966 van twee kapellen op het dak voorzien.

Langebuorren 9

Iets bescheidener dwarshuis onder een zadeldak tussen topgevels 19e eeuw. Na 1966 zijn de zesruitsvensters vervangen door een groot lichtkozijn en is de dakkapel gemoderniseerd.

Langebuorren 8

Deftig dubbel herenhuis met verdieping en mansardekap met vier hoekschoorstenen, volgens de kadastrale legger in 1832 gebouwd voor Grietman, notaris en secretaris Jan Albarda (afb. 338 en 339). Het pand komt nog niet voor op de kadastrale minutekaart. Albarda bezat tevens de naastgelegen tuinen en huis en erf. In 1865 werd het pand verkocht en in 1866 hermeten en gesplitst in huis en erf en plaisiertuin ten name van K.S. Heep.

Daar het terrein over de Lage Herenweg in de as van het Heephuis lange tijd Engelse Tuin heette, veronderstellen wij dat het huis een landschappelijk aangelegde overtuin

[p. 271]

bezat, die waarschijnlijk in 1866 door notaris Heep werd aangelegd. In 1914 zijn huis en bijbehorende tuin als bejaardenhuis geschonken aan de gemeente en in 1976 gemoderniseerd als Groene-Kruis-centrum.

Daar het pand op de helling van de terp is gebouwd, staat het aan de Langebuorren op straatniveau en heeft het een kelder onder het achterste gedeelte. Alle vensters in de voorgevel hebben een zesruitsindeling; de deur is omlijst. Voor de kap staat boven de kroonlijst in het midden een halfrond gesloten dakkapel; de kap is gedekt met leipannen. In de linkerhelft zijn de vertrekken gesitueerd met vensters op het zuiden; de noordmuur is gesloten. Aan de rechterzijde stond tegen de achterste helft van het huis een stalgebouw dat bereikbaar was door een langs het gehele huis lopende gang. De achtergevel aan de grote tuin met oude beukenbomen is gepleisterd. Behalve in de voorgevel zijn later alle vensters openslaand gemaakt.

Langebuorren 10

Blokvormig pand met verdieping, vijf traveeën breed en gedekt door een schilddak met hoekschoorstenen, xixa. Het pand is na verval in 1979 hersteld.

De vijf vensters in de voorgevel waren, ook voor het herstel verdeeld in zes ruiten: in de achtergevel waren op de verdieping, deels gedicht, drie vensters te zien. De ingang was voor het herstel rechts in de voorgevel.

Het zuidelijke hoekpand met de Lytsebuorren is eveneens een deftig huis geweest met verdieping onder schilddak met hoekschoorstenen. De winkelramen in de beganegrond maken het echter moeilijk als zodanig herkenbaar.

Ringweg 96-96a

Aan de zuidelijke rand van de terp gelegen boerderij van het kop-romptype (afb. 344). In de voorgevel van het schuurgedeelte staan zesruitsvensters, terwijl het binhús vensters heeft met gebogen bovendorpel; in de topgevel, die door een uitgemetselde rollaag is gedekt, staan twee smalle lichtkozijnen met gebogen bovendorpel. Aan de oostzijde van het voorhuis is een smalle kelder, waarboven zich de bedsteden zullen bevonden hebben. In de achtergevel van de schuur stichtingssteen met 1868 en de naam Klaas Helder; overigens onleesbaar.

Op de kadastrale minute wordt geen voorhuis aangegeven, wel het wagenhuis aan de westzijde van de schuur. Hoewel de vensters in de voorgevel van het schuurgedeelte ouder zijn dan de overige, is er in het metselwerk geen verschil te onderscheiden en moeten we aannemen dat de gehele buitenzijde van de boerderij herbouwd is in 1868, met gebruikmaking van oudere vensters voor het keukengedeelte.

Kerkgebouw (Wester)Nijkerk

(Wester)Nijkerk, Hervormde kerk

Op de kadasterminute ziet men nog hoe de kerk in de zuidoostelijke hoek van het stinsterrein ligt. Zij is omgeven door een ruim kerkhof en is met de toren eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 321, 324 en 347-357).

Litteratuur

r.v.a. i, 109, iii, 31; Benef. 143; r.v.g.o. 68; Tegenw. Staat ii, 194;

Afbeeldingen

Tekening door J. Stellingwerf 1722 en id. door D. Cannegieter 1861 beide in collectie Fries Museum (afb. 347 en 349).

Geschiedenis

De Tegenwoordige Staat weet te melden dat de kerk waarschijnlijk uit de goederen van Jeppema State is gebouwd en dat er in de 16e eeuw een geschil ontstond over het eigendomsrecht van de state, op welk terrein de kerk stond; het geschil zou in 1570 door bisschop Cunerus Petri beslecht zijn. De stukken zijn niet gevonden op het r.a. te Leeuwarden.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een eenbeukig schip en een driezijdig gesloten koorgedeelte beide uit baksteen en een eveneens bakstenen toren.

Materiaal

De muren van het schip zijn gemetseld van baksteen van 30-31 × 8,5-9 cm, 10 lagen 99 cm in verband van twee tot drie strekken afgewisseld door een kop. Er zijn twee kleuren steen toegepast; een groengeel materiaal en een harder gebakken rode steen die bij de gedichte vensters aan de noordzijde afwisselend in strepen is verwerkt t.w. aan de voet zeven lagen rode, dan vier lagen gele, vijf lagen rode juist onder het venster, vervolgens drie lagen gele, twaalf lagen meest rood, en tot bovenaan voornamelijk geel gemengd met wat rode steen. De bovenste vier lagen zijn uit afbraakmateriaal vernieuwd. Ten oosten van dit gave vroege baksteenmuurwerk is een gedeelte uit afbraak hersteld.

Aan het koor meet de steen 31,5-32 × 9-10 lagen 101 cm. De toren bestaat met de westelijke vleugelmuren van het schip uit afbraaksteen van 29-30 × 8-9 cm, 10 lagen 100 cm.

[p. 272]

Aan de noordzijde van het schip zijn resten rode pleister te zien. De zuidmuur is voor grotere gedeelten beklampt met 18e-eeuwse steen.

Toren

De toren gaat onversneden en vrijwel gesloten op behoudens de galmgaten, waarvan er twee aan de zuidzijde en één aan de noordzijde staan. Zij zijn segmentvormig gesloten, verder is er een kleine rondbogig gesloten opening direct boven de nok van het schipdak en een soortgelijke aan de westzijde.

Aan de westzijde is een toegang ingekapt, gedekt door een segmentbogige steensrollaag. Daarboven is een spitsbogig venster eveneens ingekapt, dat met een kopse laag omlijst is en een dagsteen heeft. De smalle dichtingen ter weerszijden zullen voormalige ankers aanduiden.

Inwendig

Beganegronds is aan de zuidzijde dichtbij het tegenwoordige vloerniveau een lichtspleet te zien. De eerste balklaag doorsnijdt de rond gesloten doorgangsboog in de oostwand. Ongeveer een meter daarboven is een kragende boog gemetseld, die doorsneden wordt door een gedichte doorgang dicht tegen de noordoostelijke hoek. Het benedenste gedeelte van de oostwand van de toren helt sterker dan de overige muren.

De klokkestoel bestaat uit drie grenehouten jukken, xviii?

Schip en koor

Bij de aanhechting van koor en schip, ten oosten van de westgevel en ongeveer halverwege daartussen zijn brede schuin toelopende steunberen geplaatst, uitwendig geheel van kleine steen. Ook op willekeurige plaatsen tegen de koorsluiting staan drie beren. De middelste beer tegen de zuidwand van het schip is verwijderd, waarna een groot gedeelte muurwerk is bemetseld met kleine steen in kruisverband. Alle vensters t.w. vier aan de zuidzijde, één in de zuidwestelijke zijde van de koorsluiting en één in de noordelijke koortravee zijn geheel, of wat de koorvensters betreft alleen aan de kop ommetseld met kleine steen. Het oorspronkelijke noordoostelijke koorvenster is met dit materiaal gedicht. Aan de hoeken van het koor gaan bakstenen kralen op, eindigend tegen een bakstenen ringkapiteeltje, dat ingegroefde ringen vertoont (afb. 353). In het metselverband van de lagen naast het kapiteeltje zijn sporen te zien van de kraagstenen van een voormalig boogfries. Aan de noordoostelijke koorzijde is het oorspronkelijk vrij grote rondboogvenster te zien achter de latere steunbeer. In het midden is het venster aanzienlijk vergroot en vervolgens met grote steen gedicht. In de 19e eeuw is een toegang ingebroken. Een soortgelijk venster heeft in de zuidelijke koortravee gestaan blijkens een spoor naast de westzijde van de tegenwoordige vensterrollaag.

Het enige oorspronkelijke schipvenster is aan de noordzijde bewaard tussen de beide steunberen, waar twee gedichte vensters staan (afb. 351): het oostelijke heeft gave dagkanten en is rondbogig gesloten door middel van een kopse rollaag van grote steen; het andere is eens verhoogd en opnieuw gesloten met een slordige kopse laag. Aan de zuidzijde is over dit gedeelte de bemetseling aangebracht: inwendig tekent zich aan die zijde het meest westelijke venster af als een spitsbogige nis. Boven de gedichte ingang aan de noordzijde ziet men voorts nog een gedeelte van een oorspronkelijk venster. De ingang is gevat in een eenvoudig geprofileerde spitsbogige nis van kopse steen; het boogveld rust op een waterslag; de doorgang is korfbogig gedekt geweest. Ongeveer een meter verder naar het oosten is de nauwkeurig ingeboete vulmuur van de oorspronkelijke ingang waar te nemen. Aan de zuidzijde is de spitsboog rond de voormalige ingang in een uitmetseling gevat en omlijst door een strekse rollaag; het holprofiel loopt te niet op een teenstukje ongeveer tien lagen boven het maaiveld.

In de zuidwestelijke vleugelmuur is een smal spitsboogvenster ingehakt met gelijke details als dat in de toren.

Schip, inwendig

De muren zijn zwaar gepleisterd en onderaan verborgen achter een houten betimmering. Alleen aan de noord- en noordoostzijde van het koor loopt hoog in het muurwerk een versnijding, die verband zal houden met het aanbrengen van de kap. De ruimte is overdekt door een laag houten tongewelf op een verbrede voorlijst, die op de trekbalken rust. Op het orgelbalkon zijn sporen van muurstijlen achter de pleister waar te nemen; er zijn geen sleutelstukken meer behouden. Over het gehele gebouw loopt een doorgaande laatgotische eiken kap.

Bouwperioden

Het koor met de gemetselde kralen aan de hoeken van de sluiting en sporen van rondbogige vensters is laatromaans, xiiia. Ook de muren van het schip zijn blijkens de aan de noordzijde zichtbare sporen van vensters nog romaans, maar door materiaaltoepassing iets afwijkend; de zuidmuur is in de 19e eeuw bemetseld. De twee rondboogvensters aan de noordzijde, benevens de voormalige ingang en het voormalige rondboogvenster daarnaast,

[p. 273]



illustratie

Afb. 324. Hervormde kerk en toren. Plattegrond. Getekend 1976 naar opmeting 1944.


wijzen op een plan met twee romanogotische gewelftraveeën. Ondiepe steunberen of lisenen ter plaatse van de steunberen tegen het schip behoren bij dit patroon. Profielstenen met een kraal, die op het kerkhof zijn gevonden ten noorden van de kerk, kunnen onderdeel hebben uitgemaakt van de gewelfribben. Ook het koor kan binnen dit schema overwelfd zijn geweest, daar het juist een halve travee diep is. De verbetering van een gedeelte muurwerk bij de aanzet van het koor aan de noordzijde en mogelijk ook aan de zuidzijde, waar het vervangen is door de 19e-eeuwse bemetseling, kan ons inziens hier niet duiden op een doorgang naar een voormalige aanbouw; het beloop van de binnenzijde van de muur verzet zich daartegen.

Het benedendeel van de toren kan van vrij hoge ouderdom zijn, 13e eeuw; de lichtspleet aan de zuidzijde dicht bij het vloerniveau wijst daarop. Overigens bestaat het muurwerk uit baksteen, die herhaaldelijk herbruikt is en ontbreken duidelijk dateerbare details. Het ingezette venster aan de westzijde zal 16e-eeuws zijn, in welke tijd tevens de oostmuur doorbroken zal zijn ten behoeve van de doorgang naar de kerk. De zij-ingangen in het schip werden westwaarts verplaatst.

Omstreeks 1800 zijn de vensters opnieuw ommetseld en van houten kozijnen voorzien met kleine roedeverdeling, vergelijk die te Marrum uit 1802.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een eikehouten preekstoel met achterschot en klankbord; op de hoeken van de kuip gesneden pilasters met Lodewijk xiv motieven, xviiia (afb. 356).

Aan de preekstoel koperen doopbekkenhouder; het doophek is in de 19e eeuw vernieuwd. Sobere avondmaalstafel, xix.

Banken

Vier bankwangen met gotische briefpanelen, xvi (afb. 354 en 355). Aan twee ervan is het bovenste paneel als Tudorboog beëindigd, de twee andere hebben rechthoekige velden en gepijpte friezen tussen de velden en bovenaan. Een van de laatstgenoemde wangen heeft in het bovenste veld een briefpaneel waarop kruisvormig doorgestoken banderollen. In de medaillonvormige bovenste beëindiging zijn een profielmasker en een wapenschild met vier bollen gesneden en aan de bijpassende wang monogrammen met een grote J vergezeld van een i en een e en grote S vergezeld van een i. Men zou bij voorkeur denken aan initialen van de Jeppema-Unema familie, doch zij voeren een afwijkend wapen. Een van beide andere bankwangen heeft bovenaan eveneens medaillons waarin een bloemrozet gesneden is en een voorstelling die mogelijk als een kolom en twee roedenbundels aangemerkt kan worden. De andere is bovenaan met bladornamenten beëindigd.

Overhuifde herenbank; de voorbank met spijlenfries verbonden door gekartelde boogjes en knoppen, de achterbank overhuifd op gecanneleerde voor een derde met ornament gestoken korintische kolommen, xviia (afb. 357).

Twee eenvoudige overhuifde herenbanken xix.

Naar het orgelbalkon voert een eikehouten spiltrap, xvii-xviii.

Een groot en vier kleine psalmborden in geornamenteerde lijst, xviii.

Zonnewijzer

Op de zuidmuur sobere zonnewijzer met geschilderd jaartal 1873.

Zilver

Beker op voet hoog 18 cm diam. 10,2 cm. In rolwerkcartouches is gegraveerd: Ao 1675 den 18 April Hebben d' Ho. Edl. Geb. Hr Binnerdt Heringha van Grovestins Raedt Ordis 's Hoffs van Vriesl. Ende Vrou Titia van Burmania desen Beker vereert aan de Kerke tot West Nijkerck ter bedieninge van 's Heeren Heylige Avontmael Aldaar. Alliantiewapens

[p. 274]

Merken Leeuwarden C van 1675 en onduidelijk meesterteken. Voet nr. 573 (afb. 359).

Klokken

In de toren twee klokken, een diam. 80 cm met gotische bovenrandopschrift: Te colo virgo pia vocor posteaergo Maria A.D. mccclxxxv. De beugels zijn als touw versierd.

Een klok diam. 71 cm met gotisch bovenrandopschrift: a.d. mcccc 5(1405?) dum trahor audite voco vos ad gaudia vite. De beugels zijn als touw versierd.

Uurwerk

In de toren staat een uurwerk in gespied ijzeren geraamte, xvi of xvii; de slinger is later toegevoegd.

De states

Jeppema State

Het terrein van Jeppema State ligt onmiddellijk ten noorden en ten westen van het kerkhof van Westernijkerk, dat daarvan een deel lijkt uit te maken. Het kerkhof en het aangrenzende terrein benevens een klein terrein ten noordwesten daarvan, waar mogelijk de oudste stins gestaan heeft, zijn als archeologisch monument uit de late middeleeuwen beschermd.

Op het terrein staat een woning, mogelijk een restant van een tuinmanswoning. In de verkaveling van het terrein ten noordoosten zijn oude tuinpercelen te herkennen, die thans ten dele door de weg doorsneden worden (afb. 321, 345, 346).

Litteratuur

r.v.a. i, 10, iii, 33; Tegenw. Staat ii, Wumkes i, 203, 232, 378, ii, 305.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum (afb. 350).

Bronnen

Genealogische gegevens bewerkt door D.J. van der Meer te Roordahuizum (zie addenda).

Geschiedenis

In het Register van Aanbreng van 1511 komt Rints Jeppema voor als landeigenaar, in 1540 is Romcke Jeppema als zodanig vermeld. Volgens het Stamboek was hij een Unema en neef van Ernst van Unema, wiens gelijknamige grootvader in de 15e eeuw eigenaar was van Jeppema State. De 15e-eeuwse Ernst van Unema is gehuwd geweest met de weduwe van Jeppe Jeppes Jeppema en hij noemde zich Ernst van Jeppema. Hun zoon Feye huwde Sybrecht van Jellinga, die weduwe geworden, haar huis in 1495 openstelde voor de stad Groningen. Belangrijk voor de relatie Huis-Kerk is de vondst van D.J. van der Meer, dat in 1431 Kempa Jeppema turf betaalde voor de kerk ‘tho Nyatzerka’. Rints Jeppema van 1511 is volgens van der Meer Rints Hesseldr. Foppinga, weduwe van Sipts Feyesz. Unema; hun zoon Romcke huwde een niet adellijke vrouw en verhuurde de state in 1540 aan Johan van Roorda. In 1580 bij de opgave van het beneficiale bezit werd dit te Westernijkerk door een aantal boeren gedaan en ook bij de Personele Impositie van 1578 was er geen edelman te Westernijkerk. De Tegenwoordige Staat vermeldt, dat door Cunerus Petri, enige bisschop van Leeuwarden van 1568-1578, een geschil beslecht zou zijn over het eigendom van de state, dat door de geestelijkheid als haar eigendom werd beschouwd. In het Rijksarchief te Leeuwarden zijn geen stukken aan het licht gekomen, die deze mededeling kunnen staven. Zeker is alleen, dat in die tijd de state niet bewoond werd, en zoals bovenvermeld, dat in de 15e eeuw de state-eigenaar de turf voor de kerk betaalde. Volgens de Tegenwoordige Staat woonden er in 1640 de kinderen van Ruurd Roorda. Dit blijkt op een onjuiste uitleg van het stemkohier te berusten, waar als eigenaar van de stem staat aangemerkt Dries Waltinga in qualiteit van Ruurd Roorda's kinderen. De bewoner was Tial Jacobs. Andries was gehuwd met Rixt Binnertsdr. van Heringa.

In 1664 wordt Frederik van Grovestins als residerende te Westernijkerk genoemd. Het stemkohier van 1698 vermeldt Grietman Binnert Heringa van Grovestins. Frederik was gehuwd met Rixt Ruurdsdr. Roorda, waaruit Binnert Heringa van Grovestins sproot. Frederik overleed in 1669 en werd in de kerk van Westernijkerk begraven. De avondmaalsbeker van de Herv. gemeente is in 1675 geschonken door Binnert Heringa van Grovestins en Vrouwe Titia van Burmania. In de 18e eeuw bleef het huis in handen van de familie van Grovestins tot 1764 wanneer er boelgoed gehouden wordt ‘achter het bosch van freule van Grovestins’. In 1767 en 1793 komt er veel houtopstand onder de hamer. Bij de verkoop in 1860 van het ‘voormalig buitengoed Jepma State’ worden nog 13 percelen onderscheiden w.o. de zuidercingel, het ‘ekkelbosch’, de mispelsingel, de appelhof, de lage hoek, de wildernis, de wilde singel, de kershof, de beide voorsingels, de kruissingels en de lange singel, een aantal van welke namen thans nog bekend is.

Gebouw

Stellingwerf tekent een uit verscheidene onderdelen samengesteld huis (afb. 350). Links op de tekening zien we het waarschijnlijk oudste gedeelte met een trapgevel beëindigd. Beganegronds is er slechts een eenvoudige deur, die doet denken aan een stinskelder-toegang. Het overige woonhuis is door schilddaken gedekt en heeft een middengedeelte met nog

[p. 275]

vroeg 17e-eeuwse vensters. Het rechtergedeelte lijkt jonger, waarbij men zou kunnen veronderstellen, dat het meest linkse paviljoen uit overwegingen van symmetrie is toegevoegd. Het poortgebouw over de gracht is dan reeds verdwenen en vervangen door een ijzeren hek op welks palen twee liggende leeuwen te zien zijn. Mogelijk zijn dit de leeuwen, die thans nog op de boerderij Groot Sminia bewaard worden. Als bouwheer van het woongebouw zou Binnert van Heringa in aanmerking komen. De aanleg van de bijbehorende tuinen is in de kadastrale opmeting thans nog te herkennen; van een aantal onderdelen zijn ter plaatse nog namen bekend, als op afb. 345 aangegeven is.

Ponga State

Ten oosten van Marrum ligt aan de Miedweg op een omgracht terrein Ponga State. Het terrein is beschermd als middeleeuws stinsterrein (afb. 321 en 322).

Litteratuur

r.v.a. i, 112, iii, 44; Tegenw. Staat ii, 193; D. Cannegieter in f.v.a. 1885, 25; Wumkes i, 147, 176, 193, 221, 236, 259, 355.

Bron

Kerkvoogdijarchief Hallum, inv. nr. 19, r.a. Leeuwarden.

Genealogische gegevens verstrekt door D.J. van der Meer te Roordahuizum.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum (afb. 358).

Geschiedenis

In 1511 komt Tjalling Ponga als landheer voor, in 1540 wordt dit land aangegeven door Kympe Wynia als Pouwinga huis. In de voorgevel van de boerderij die thans op het terrein is gebouwd staat de stichtingssteen met opschrift: Kempa Wynia en Katerina Sijarda hebbē dit werck latē makē Ao 1548. In 1572 wordt Jell van Wijnia als erfgenaam genoemd; in 1606 wordt het goed bewoond door Frouck van Wijnia. In 1630 zouden Douwe van Walta en Tiets van Holdinga hier gewoond hebben. Volgens het stemkohier van 1640 was Teth van Walta toen eigenaresse; in 1655 en 1668 was Helena van Walta eigenaresse en bewoonster; zij was gehuwd met Lodewijk Douwes Harinxma thoe Heeg. De Tegenw. Staat vermeldt hen dan ook als bewoners in 1664. In 1698 staat de stem op naam van Margaretha Walta, weduwe Coenders. Zij was een broedersdochter van Helena en gehuwd met Johan Coenders. Zij ook schenken de Avondmaalsbekers aan de kerk. Hij testeerde in 1694. Hun dochter Allegonda huwde Johan van Idsinga. In 1752 werd hun zoon Gysbert Arentsma eigenaar, wiens zoon Johan van Idsinga, gehuwd met Wilhelmina van Burmania, het huis ingrijpend liet verbouwen.

Het bestek voor ‘den Heer Capt. van Idsinga’ berust in het kerkvoogdijarchief van Hallum. Als metselaar treedt op Klaas Volkerts van Harlingen. Een bijgevoegd briefje is ondertekend J (?) Balk. De steen die aan deze verbouwing herinnert staat in de gevel van de tegenwoordige boerderij en draagt het opschrift: ‘Ponga State, Herboudt door den heer Gijsbert Arensma van Idsinga, ordinaris Capiteyn ter zee; En Vrouwe Willemijna Eduarda van Burmania; en door desselfs soon Johan van Idsinga den Eersten steen gelegt den 20 April 1757’. Van Idsinga overleed in 1760 reeds op een oorlogsbodem; zijn rouwbord hangt in de kerk van Hallum. Bij de verhuur in 1761 bevat het huis ‘zeven kamers, een keuken, twee bodenkamers, grote kelders, een grote hovinge en keukentuin binnen de gracht en singels benevens een hovinge buiten de gracht met vruchtbomen en aangename wandelingen’. In 1763 wordt de buitenplaats opnieuw te huur aangeboden, nu door D.M. van Burmania. In 1766 wordt het huis, dat dan nog ‘nieuw getimmerd’ heet te koop aangeboden. In 1768 wordt het huis wederom te huur aangeboden en in 1771 verhuurd. In 1788 is het echter voorbij en worden materialen van Ponga State te koop aangeboden. In 1786 wordt in de kerkvoogdijrekeningen reeds steen van Ponga State gekocht, verantwoord.

Gebouw

Van het 1757 verbouwde huis kennen we geen afbeelding.

Voordien stond er het gebouw dat Stellingwerf afbeeldt. Het bestond uit een conglomeraat van bouwlichamen, waarschijnlijk tegen een laat-middeleeuwse stinstoren gebouwd, rechts op de afbeelding. In het bestek van 1757 wordt gesproken van de oude zaal, waar een muur doorheengetrokken moet worden. Er achter zal wegens de lange helling van het dak op de tekening, een schuur zijn voorgesteld, waarover het bestek ook spreekt. Het woongedeelte had slechts een woonlaag met een uitgebouwde zijkamer, die in 1757 afgebroken zal zijn. Mogelijk was dit gedeelte in aanleg in 1548 ontstaan, bij welke gelegenheid de stinstoren tevens bewoonbaar gemaakt zal zijn.

Het omgrachte terrein was toegankelijk door een poortgebouw. Aan de andere zijde tegenover de ingang van de woning was kennelijk later een vlakke brug gemaakt, die ver-

[p. 276]

binding gegeven zal hebben naar de tuinen. De ringmuur moet in 1757 hersteld worden en de ruimte voor de schuur opnieuw bevloerd. Het woongedeelte wordt dan hoger opgetrokken, van nieuwe kozijnen voorzien en van ‘Engelse’ en ‘Italiaanse’ schoorsteenmantels. Een kelder moet gedicht worden en een andere gemaakt. Waarschijnlijk is het voorste stuk van het rechter bouwlichaam gesloopt en zijn verschillende onderdelen tot een blok verenigd.

Boerderij

Thans staat op het omgrachte terrein een grote boerderij van het kop-hals-romptype met niet onderkelderd kort voorhuis (afb. 362). De melkkelder was aanvankelijk in het voorste gedeelte van de schuur. In de voorste kamer waren bedsteden boven een huishoudkelder. Naast het voorhuis was een bakhuis. De boerderij kan tegen het eind van de 18e eeuw opgetrokken zijn na de sloop van de state. In de voorgevel zijn twee stichtingsstenen van de afgebroken state ingemetseld (zie Geschiedenis).

Overige terpen

Botnia State

Aan de Hoge Herenweg, waar de Kerkweg op deze weg aansluit ligt een verhoogde middeleeuwse woonplaats, die archeologisch beschermd is (afb. 397). Dit zou de plaats zijn waar Botnia State gestaan heeft, in de middeleeuwen bewoond door het geslacht Botnia of Bottinga.

Litteratuur

r.v.a. i, 111, 112, iii, 39 e.v; Tegenw. Staat ii, 193; H.G. Cannegieter in f.v.a. 1848, 60; Wumkes i, 131; Friesch Landbouwland 27 juni 1956.

Afbeelding

Tekening door D. Cannegieter naar een zilveren lepel, in coll. Fries Museum (afb. 363).

Geschiedenis

Volgens de Tegenw. Staat woonde in 1405 op Botnia State Odo Botnia, voorman in de strijd tegen de Hollandse graaf. Later zouden er Kamminga's gewoond hebben. In 1511 geeft Sappa to Bottingen 60 pondemaat land aan, waarvan Juw landheer is; voorts is Juw eigenaar van drie woonsteden en van ‘Haye's goed’ en landerijen. Deze worden in 1540 aangegeven door M. Tammes als meijer van de jonge Juw Botnia, zoals de naam dan luidt. Douwe Botnia heeft dan landerijen in bezit, die in 1511 aan de abt van Foswerd behoorden. In 1640 is de eigenaar van Botnia State kloostermeier.

In de 18e eeuw behoorde het goed aan de Gen. van Idsinga en diens erven; zij bieden het goed als zathe te huur aan in 1733. Eind 18e eeuw zouden er reeds geen overblijfselen van de state meer zijn. In 1818 komt het goed in bezit van de familie Olivier, die in 1956 nog eigenaar was van de boerderij op het terrein. Het woonhuis van de boerderij is in 1913 herbouwd.

Uit de afbeelding die Cannegieter geeft is weinig af te leiden omtrent het huis, te meer daar de datum van de lepel niet vermeld is.

Terp

Ten oosten van Marrum aan de Marrumervaart geeft Halbertsma een terp genaamd de Beer weer (Halbertsma, Terpen kaart 6 west).

Overige states en belangrijkste boerderijen

Sybaeda State

De boerderij Sybaeda State heeft aan de achtergevel van de schuur een stichtingssteen ‘Gesticht door Douwe Klases Ozinga 1844’. Het woonhuis is 20e-eeuws. De plaats Sybaeda komt in een wonderverhaal van O.L. Vrouwe van 's-Hertogenbosch voor (Mirakelen van Onze Lieve Vrouw te 's-Hertogenbosch, Tilburg 1978, 189). Het wonder geschiedde in 1382 ‘in een dorpe geheyten Zibadehusen in die prochi geheyten Meerhem’. Het is ons inziens duidelijk dat Sibaeda wordt bedoeld in de parochie Marrum en niet Sybrandahuis, dat een eigen kerk had.

Westerhuis

Aan de Hoge Hereweg, ten noordoosten van de Westerhuislaan lag het buiten Westerhuis, ter plaatste van twee kloosterboerderijen. In 1644 verkochten de Staten de boerderij, die in 1698 eigendom was van Sjoerd Westerhuis. Hij komt in 1699 voor als burgemeester van Leeuwarden. Zijn dochter huwde in 1697 Johannes Wielinga die in 1709 stierf. Zij liet als weduwe in 1723 een bank snijden in de kerk (zie aldaar) en bestelde in 1724 een hek voor de buitenplaats, beide bij Jacob Sydses Bruinsma (S. ten Hoeve in Vrije Fries 1976).

Lelia State

Lelia State. Boerderij van het kop-hals-romptype met lang voorhuis. De ingang staat in het midden van het voorhuis als bij Groot Sminia te Ferwerd, Kahool enz. Tot een wijziging in 1968 was de ‘binnengevel’ van het voorhuis gesloten in verband met de bedstede-

[p. 277]

wanden in de achterste kamer en in het midden van het voorhuis. De voortopgevel is in 1968 vernieuwd; voordien stonden er ankers in die het jaartal 1715 vormden, een vroeg bouwjaar voor dit type voorhuis.

Poldermolens

Poldermolen, Leeuwarderdijk

In de Marrumer polder staat aan de Leeuwarderdijk, ten zuiden van Marrum, een achtkante grondzeiler. De molen behoort tot dezelfde polder als de Kleilandsmolen en is eigendom van de Stichting ‘De Fryske Mole’ (afb. 366).

Litteratuur

Molens van Friesland, blz. 133.

Geschiedenis

Volgens het jaartal op de baard en volgens een jaartal op een op zijn kant gemetselde steen in het onderachtkant gebouwd in 1845. In 1957-1958 (o.a. een nieuwe vijzel), 1965 en 1968 vonden restauraties plaats. Door recentelijk uitgevoerde ruilverkaveling heeft de molen zijn oorspronkelijke functie verloren.

Het staande werk

De molen is gefundeerd op stiepen die op de hoeken in het opgaande werk doorlopen. In het onderachtkant bevinden zich twee toegangen en drie lichtopeningen, waarvan er één ovaal van vorm is; deze bevindt zich boven de vijzelkom. Het grenen met riet gedekte achtkant is gebouwd volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem, maar is voorzien van drie bintlagen wat volgens de noordelijke bouwwijze voor de grote molens normaal is. Het ondertafelment is ter plaatse van de toegang onderbroken en rust op peulhouten die op hun beurt weer op de binnenbeëindiging van de stiepen liggen.

De basis van de kap is van eikehout, de spanten zijn echter van grenen. De lange spruit, hier een ijzeren balk met een I profiel, wordt als middelbalk en tevens, op een vreemde manier als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruilier.

Het gaande werk

Wieksysteem: fokwiekensysteem Fauël, stalen roeden, vlucht ca. 23 m. Gietijzeren bovenas, gegoten in 1868 te 's-Gravenhage door de firma ‘De Prins van Oranje’, aan het peneind verzwaard met een enorme betonnen manchet. Het bovenwiel heeft een buiten het wiel uitstekende voering en daaromheen een even brede stalen hoepelvang. Verder een normale overbrenging en een stalen vijzel in een betonnen vijzelkom. In de voet bevindt zich een 40 pk elektromotor waardoor zg. gecombineerde bemaling mogelijk is.

Poldermolen, Hoge Herenweg 14

Ten westen van Marrum staat in de Nijkerkerpolder, in het Waterschap Marrum Westernijkerk een kleine achtkante grondzeiler, een zg. boerenmolen, genaamd ‘De Kleilandsmolen’. De molen is gebouwd in 1865 met als taak het op peil houden van de waterstand in de polder gedurende droge perioden; de molen maalde dus uit de boezem water naar hoger gelegen delen van de polder. De molen is in eigendom van de heer H. Olivier te Marrum (afb. 364).

Litteratuur

Molens van Friesland, blz. 132.

Geschiedenis

In 1947 vond een verbouwing plaats; kennelijk werd toen het gaande werk verwijderd en de schroefpomp aangebracht. De molen werd in 1972 gerestaureerd waarbij o.a. de gehele basis en de opbouw van de kap, de staart met kruihaspel en de roeden vernieuwd werden.

Het staande werk

Het vrij hoge te lood staande onderachtkantje is gemetseld van rode baksteen. De molen is gefundeerd op stiepen, die als pilasters op de hoeken in het opgaande werk doorlopen. In het onderachtkant bevindt zich een naar binnen hellende toegang (omdat de bovendorpel in het terugwijkende rietdek steekt) en een kleine, door een luik afsluitbare lichtopening.

Het ondertafelment is onderbroken voor de toegang en ligt ongeveer halverwege de hoogte van de voet op een versnijding van het metselwerk en op de stiepen. Het achtkant is met riet gedekt en geheel in grenehout uitgevoerd. Gebouwd volgens de algemeen in ons land toegepaste bouwwijze. Bij een dergelijke kleine molen zou men eerder de bouwwijze ‘op de middenschreven’ verwachten. Het achtkant werd voorzien van twee bintlagen.

De velden zijn tussen de tafelmenten door twee regels in drie vakken verdeeld. In het bovenste de hondsoren en in de twee velden daarbeneden een enkel kruis. De basis van de eveneens met riet gedekte kap en de spantbenen zijn van eiken, de haanhouten echter van grenen. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruihaspel. Op de baard staat het jaartal 1865. De lange spruit is middelbalk en werd kennelijk voorheen ook als ijzerbalk gebruikt.

Het gaande werk

Houten roeden oud-Hollands opgehekt, vlucht ± 12,76 m. Zeer kleine gietijzeren bovenas, in 1908 gegoten door de firma H.J. Koning te Foxham. Bovenwiel met een Vlaamse vang. Het verdere gaande werk is niet meer aanwezig. In de voet bevindt zich thans een schroefpomp aangedreven door een elektromotor.

[p. 278]

Poldermolen, Nieuweweg 3

In de Ferwerderpolder, die in de jaren 1845-'46 bedijkt is, staat ten oosten van Marrum een achtkante grondzeiler genaamd ‘De Phoenix’ (afb. 365).

De molen is eigendom van de Stichting ‘De Fryske Mole’.

Litteratuur

Molens van Friesland, blz. 134.

Geschiedenis

Oorspronkelijk in 1848 gebouwd, is de molen na brand door blikseminslag in 1916-1917 herbouwd met onderdelen van de meest westelijke houtzaagmolen aan de Vliet te Leeuwarden. Tijdens de restauratie van 1976-1977 werd de zelfzwichting vervangen door het oud-Hollandse systeem en werden de roeden vernieuwd.

Door de recentelijk uitgevoerde ruilverkaveling heeft de molen zijn oorspronkelijke functie verloren.

Het staande werk

Het te lood staande onderachtkant is gefundeerd op stiepen, die op de hoeken in het opgaande werk als pilasters doorlopen. Ook dit onderachtkant is kennelijk na de brand van augustus 1916 vernieuwd. Er bevinden zich twee toegangen in, waarvan één boven de voorwaterloop (‘uitschoot’) en twee lichtopeningen.

Het achtkant is geheel in grenehout uitgevoerd en gebouwd volgens het algemeen in ons land toegepaste systeem. Het is met riet gedekt. In het achtkant bevinden zich slechts twee bintlagen, wat voor een molen met een vlucht van ca. 22 m in het noorden uitzonderlijk is. Het achtkant heeft geen ondertafelment: de stijlen staan op peulhouten die op hun beurt weer op stiepen liggen.

De basis en de spantbenen van de met riet gedekte kap zijn van eiken, de haanhouten van grenen. De lange spruit is middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruilier. Op de baard staan de jaartallen 1845 en 1917. Op een houten bord, bevestigd op het riet van een van de velden, is de naam van de molen geschilderd.

Het gaande werk

Wieksysteem: oud-Hollandse voorzoom met zelfzwichting, stalen roeden, vlucht ca. 22 m. Gietijzeren, voor de zelfzwichting doorboorde, bovenas, in 1888 gegoten door de ijzergieterij ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage. Bovenwiel met grenen armen en een Vlaamse vang. Stalen vijzel in een betonnen vijzelkom. In de voet bevindt zich een 36 pk dieselmotor waardoor zg. gecombineerde bemaling mogelijk is.

[p. 279]



illustratie

Gietijzeren vulling in de kerkdeur, 1858. Opname 1979.


[p. 280]



illustratie

Afb. 325. De Hervormde kerk van het noordwesten gezien. Westgevel en torentje zijn in 1858 voor de middeleeuwse kerk gebouwd. Aan de noordgevel zijn sporen van diverse bouwfasen te onderscheiden. De vensters zijn in deze vorm uit 1802. Opname 1975.




illustratie

Afb. 326. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 327. De kerk getekend door D. Cannegieter in 1861.




illustratie

Afb. 328. De koorsluiting met de ‘kralen’ langs de hoeken en de sporen van rondboogvensters. Opname 1975.


[p. 281]



illustratie

Afb. 329. De zuidzijde van de kerk met de dichtzetting van de doorgang naar de afgebroken aanbouw en verder oostwaarts een gedicht groot spitsboogvenster (1597?) Opname 1975.




illustratie

Afb. 330. De noordgevel beneden van grote baksteen en hogerop van herbruikte tufsteen. Ook aan deze zijde ziet men de gedichte grote spitsboogvensters. Opname 1975.


[p. 282]



illustratie

Afb. 331. De bank voor vrouwe Wielenga-Westerhuis in 1723 geleverd door Jacob Sydses Bruinsma. Opname 1975.


[p. 283]



illustratie

Afb. 332. De preekstoel die in 1658 geleverd werd. Opname 1975.




illustratie

Afb. 333. De balksleutel onder de tweede trekbalk van het westen. Opname 1976.


[p. 284]



illustratie

Afb. 334. De zilveren avondmaalsschotel van de Hervormde Gemeente in 1719 geschonken door Aurelia M. van Coenders. Opname 1976.




illustratie

Afb. 335. Achterzijde van de rand van de broodschaal met de zilvermerken. Opname 1976.




illustratie

Afb. 336. Twee details van de rand van de broodschaal met de voorstelling van de Lente en van de Winter. Opname 1976.




illustratie

Afb. 337. Twee details van de rand van de broodschaal met de voorstelling van de Lente en van de Winter. Opname 1976.


[p. 285]



illustratie

Afb. 338. Langebuorren 8 in 1832 gebouwd voor Grietman en notaris J. Albarda. Opname 1966.




illustratie

Afb. 339. Langebuorren 8 tuinzijde. Opname 1966.


[p. 286]



illustratie

Afb. 340. Langebuorren 7 en 9 voor modernisering. Opname 1966.




illustratie

Afb. 341. Landelijk pand eind 18e- begin 19e eeuw aan de Lage Herenweg 11. Opname 1966.




illustratie

Afb. 342. Langebuorren 7 en 9 in 1979.


[p. 287]



illustratie

Afb. 343. De huizen van de Hegebuorren voor de afbraak. Opname 1966.




illustratie

Afb. 344. Boerderij uit 1868 aan de Ringweg nr. 96. Opname 1978.


[p. 288]



illustratie

Afb. 345. Kadastrale situatie van 1911 van het terrein van Jeppema State met de benaming van verschillende percelen van de tuin. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 346. Luchtfoto van Westernijkerk en Marrum noord. Schaal 1:6500. Opname april 1973.




illustratie

Afb. 347. De kerk door D. Cannegieter in 1861.


[p. 289]



illustratie

Afb. 348. De middeleeuwse kerk en toren van het zuidwesten gezien. Opname 1966.




illustratie

Afb. 349. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 350. Jeppema State getekend door J. Stellingwerf in 1722.


[p. 290]



illustratie

Afb. 351. De noordgevel van de kerk met gedichte 13e-eeuwse rondboogvensters. Opname 1976.




illustratie

Afb. 352. De klok uit 1370 in 1943 gefotografeerd.




illustratie

Afb. 353. De koorsluiting van de kerk met ‘kralen’ langs de hoeken en sporen van rondboogvensters. Opname 1966.


[p. 291]



illustratie

Afb. 354. De kerkbanken waarin laatgotische wangstukken van vroegere banken verwerkt zijn. Opname 1976.




illustratie

Afb. 355a-d. De wangstukken met verschillende gedetailleerde briefpanelen en bekroningen. Opname 1976.


[p. 292]



illustratie

Afb. 356. De 18e-eeuwse preekstoelkuip met mooi gesneden voluten op de hoeken. Opname 1976.




illustratie

Afb. 357. De 17e-eeuwse herenbank. Opname 1976.




illustratie

Afb. 358. Ponga State door J. Stellingwerf in 1723.


[p. 293]



illustratie

Afb. 359. De zilveren avondmaalsbekers van Westernijkerk en Marrum respectievelijk uit 1675 en 1677. Leeuwardens werk 1675 door onbekend meester en 1677 door A.A. Mensma. Opname 1976.




illustratie

Afb. 360. Steen in de gevel van de boerderij Ponga State met opschrift ‘Keimpe Wijnia en Katerina Sjaerda hebben dit werk laten maken Ao 1548’. Opname 1978.




illustratie

Afb. 361. De herinneringssteen van de herbouw van Ponga State door Gijsbert Arendsma van Idsinga in 1757. Opname 1978.


[p. 294]



illustratie

Afb. 362. De boerderij op het terrein van Ponga State. Opname 1966 waarop de indeling met kelder in het achterste deel van het korte voorhuis nog te zien is, 18e of begin 19e eeuw.




illustratie

Afb. 363. Botnia State, tekening van D. Cannegieter 1862 naar een afbeelding op een ongedateerde lepel.


[p. 295]



illustratie

Afb. 364. De Kleilandsmolen in de Nijkerkerpolder gebouwd in 1865. Opname 1977.


[p. 296]



illustratie

Afb. 365. Poldermolen de Phoenix in de Ferwerderpolder in 1916 herbouwd. Opname 1968.




illustratie

Afb. 366. Poldermolen van de Marrumerpolder gebouwd in 1845. Opname 1977.