Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 35]

Damwoude, Dantumawoude

Sinds 1971 is Dantumawoude met Akkerwoude en Murmerwoude in het grotere geheel Damwoude opgenomen.

Het bestanddeel ‘-um’ in de plaatsnaam geeft aan dat hier sprake is van een ‘heem’-toponiem, waarvan verondersteld wordt dat het tussen de vijfde en tiende eeuw is ontstaan (Blok, Franken, 128). Dergelijke toponiemen zijn in Noordoost-Friesland vooral van de kleistreek bekend. De naam en de bewoning zijn waarschijnlijk afkomstig van het noordelijker gelegen kleigebied, maar aldaar niet meer in de geografische naamgeving bekend.

De plattegrond van het dorp heeft, evenals die van de naburige dorpen, het karakter van een middeleeuwse veenontginning, waarbij de bebouwing aan de oost-west lopende ontginningsas is gelegen. Dit veen komt tegenwoordig aan de oppervlakte niet meer voor. De kerk blijkt in de 12e eeuw echter op veengrond te zijn gebouwd, dat door de afsluiting van de buitenlucht onder het gebouw bewaard is gebleven (Berichten r.o.b., 1962/63 288). Elders is, na ontwatering, het veen geoxideerd of door turfwinning verdwenen, gelijk dit ook uit andere landsdelen bekend is. Van de in het dorpsgebied gelegen states had de Oenamastate een afwijkende noordelijke ligging. Blijkens de Eekhoffkaart waren aldaar enkele gebouwen en een tweetal wieren aanwezig. Deze elementen mogen worden opgevat als bewoningsrestanten uit een oudere ontginningsfase. De Eekhoffkaart geeft aan dat deze bebouwing aan het voetpad ligt dat het verlengde vormt van de Achterweg te Akkerwoude en vervolgens naar Wouterswoude loopt. De bebouwing aan de Voorweg, die op de Schotanuskaart van 1718 nog gering van omvang is, blijkt aan de hand van later kaartmateriaal na de tweede helft van de vorige eeuw in omvang toe te nemen. Hier en daar zijn echter nog steeds erven grenzend aan de weg onbebouwd gebleven, waarmee het oorspronkelijk agrarische karakter van het dorp nog enigszins aanwezig is. Direct westelijk van de kerk eindigen de voormalige trekvaart en -weg, waarvan het dorp in 1649 octrooi tot aanleg verkreeg (Charterb. v, 728).

Ten zuiden van de Voorweg is enige verspreide bebouwing gelegen die op de Schotanuskaart al staat aangegeven. Deze bebouwing kan worden opgevat als het voortschrijden van enkele individuele ontginningen in zuidelijke richting van het dorpsgebied.

[p. 36]



illustratie

Afb. 37. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 37]



illustratie

Afb. 38. Luchtfoto. Schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 38]

Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk en toren staan op een verhoogd kerkhof, langs de Voorweg, hier thans Doniaweg geheten. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, die in 1804 ook eigenaar was van de toren; de laatste is later overgegaan in handen van de burgerlijke gemeente (afb. 39-59).

 

+ r.v.a. 1, 185; Benef. 191; r.v.g.o. 170; Charterb. 1, 458; Van der Aa iii, 193; H. Halbertsma in Berichten r.o.b. 1962-1963, 288; S. ten Hoeve in Publicatieband van de Friese Kerkhistorische vereniging Folk en Tsjerke 1955 e.v. 59; W. Duinkerken, Dantumawoude, Veenwouden 1980, passim.

+ Kerkvoogdijrekeningen 1772-1876 in r.a. Leeuwarden (verwerkt door Ten Hoeve a.b.); zg. Schoolmeestersboekje p.b. Leeuwarden; historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis in archief r.d.m.z. Zeist.

 

+ Blijkens het testament van Duco Onnema uit 1423 was de kerk gewijd aan S. Benedictus; Onnema legateerde in eerste instantie aan zijn ‘patroon’ S. Benedictus ‘ad edificationem ecclesie in Dontinwald’ een goed ‘Clamsma Heerwarra’.

Blijkens een stichtingssteen en de ankers boven aan de toren zijn er in 1686 werkzaamheden aan de toren uitgevoerd. Volgens Van der Aa had de kerk toen (1841) een toren met ‘ouderwetse huisgevel met hangtorentjes en pilaartjes’. De Schoolmeester maakt melding van een reparatie in 1858. Hij geeft voorts posten weer uit oudere kerkvoogdijrekeningen dan thans nog aanwezig zijn: 1648 leidekkerscontract voor 10 jaar onderhoud leien dak; in 1655 betaalt men Jacob Pytters wegens geleverd koper ‘tot het vergieten der oude klok’ en 48 gulden tot kloksprijs. De kerkebeker werd in 1654 uit de lommerd teruggehaald. Voordien had men dus te veel uitgegeven en de beker als onderpand moeten inleveren. In 1680 zou een uurwerk aangeschaft zijn uit gemeenschappelijke giften en werd 124 gulden betaald aan uurwerkmaker Tjebbe Johannes en nog 113 gulden voor het uurwerk.

Uit latere rekeningen blijkt dat het koor in 1775 is afgebroken en vervangen door een nieuwe sluiting. De Leeuwarder steenhouwer D. Emderveld (daar geschreven als Eindewerld) leverde kapitelen voor de pilasters. Men verkocht voor f 224,- ‘duyfsteen, balsteen en grof keisel’.

Uit een aantekening op een der grafplaten die eens gelicht zijn, blijkt dat de timmerman in 1893 de mans- en vrouwebanken vertimmerd heeft.

Een bodemonderzoek tijdens de restauratie van 1963-1966 bracht onder meer de wijze van funderen aan het licht: een laag veen is afgegraven en vervangen door zand waarin gefundeerd werd (Berichten r.o.b.).

De toren is in 1948 tot 1950, de kerk van 1963 tot 1966 gerestaureerd, beide onder leiding van architect A. Baart jr. te Leeuwarden. De muren van de kerk waren voor de restauratie geheel bepleisterd, die van de toren grotendeels over de benedenste geleding. De westgevel van de toren, die met kleine steen bemetseld was, is vanaf een hoogte van 8 m vernieuwd, evenals de beide topgevels. De westelijke werd gekopieerd naar de oostelijke, die werd aangevuld naar voorbeeld van die van Hantumhuizen. Ter versterking van schip en toren zijn diverse betonnen verankeringen aangebracht. Aan de noordzijde werden steunberen herbouwd, waarvan de funderingen werden aangetroffen. Over het wijzigen van de plaats van de vensters zie onder ‘beschrijving’.

+ De eenbeukige kerk is aan de oostzijde driezijdig gesloten en sluit aan de westzijde tegen de oostelijke torenmuur aan.

+ Blijkens waarnemingen tijdens de restauratie gedaan, bestaat het muurwerk van de+ toren voor wat betreft de oostelijke helft uit zogeheten gietwerk tussen bekistingsmuren. Deze bestaan tot waar het kerkdak op de toren aansluit uit grote baksteen, waarin veel strekken waren verwerkt aan de buitenzijde en boven het kerkdak uit tufsteen aan de buitenzijde en binnen uit grote baksteen. Het formaat is 32-32, 5 × 9 cm, 10 lagen 100 cm. Het benedenste gedeelte van de oostelijke helft was dun gepleisterd, evenals de nis in de oostelijke topgevel.

De westelijke helft is door en door uit afbraak grote steen gebouwd en was tot de restauratie van ongeveer 5 m boven het maaiveld af bemetseld met kleine steen. Deze is bij de restauratie vervangen door grote steen en tufsteen naar voorbeeld van de oostelijke helft.

[p. 39]

+ In het muurwerk van de benedenste helft van de noord- en zuidmuur tekent zich de moet af van een aansluitende noord- en zuidwaarts lopende muur. Tijdens de restauratie zijn de funderingen van deze muren aan het licht geweest. Aan de zuidzijde sloot deze aan op een fundering in het vervolg van de kerkmuur, zodat men kan aannemen dat de toren aanvankelijk voor de helft in het kerkschip was ingebouwd. Daarmede in overeenstemming is het pleisterwerk, dat op de oostelijke helft van de noordermuur aanwezig was. De fundering was aangelegd op keitjes; op de torenhoek en op de noordwestelijke hoek van de verlengde kerkmuur lag een grote kei. Onder het westelijke kleine venster lagen keien tot in de bovenste funderingslaag, zodat een ingang aanwezig geweest kan zijn. De toren gaat onversneden en behoudens een groot halfrond gesloten galmgat aan iedere zijde, geheel gesloten op. Alleen beneden in de westgevel is een smal rondbogig gesloten venster (xvii). De bovenste helft vertoonde in de bewaard gebleven oostelijke helft een groot spaarveld aan noord- en zuidzijde, waarvan de oostelijke liseen nog aanwezig was. De bovenste afsluiting was bij latere vernieuwingen van de bekapping van de toren verdwenen. Een dergelijk veld is bij de restauratie ook aan de westzijde aangebracht. Weggelaten werd een ondiepe nis in de noordmuur ten westen van het galmgat, daar de zin ervan niet duidelijk was (afb. 41); de galmgaten zijn alle met baksteen omlijst. De oostelijke topgevel, uit grote baksteen opgemetseld, bevatte een groot spaarveld, door twee gekoppelde boogjes gesloten en omlijst door een rondstaaf in een sprong; het veld was gepleisterd en dichtgezet in rode drielingen. Bij de restauratie is er een middenstijl tussen gemetseld en dit motief is herhaald aan de westzijde, waar de top bij die gelegenheid tevens uit grote steen werd gemetseld. Boven de noordelijke torengevel staat in ankers het jaartal 1686, overeenkomend met het chronogram in de stichtingssteen boven het westelijke venster: ‘TheoDorUs. V. sCheLtInga/Den eerste geboren/geeft aan ons toren/een eeVVVig steen/Voor VaDers been’ (Van Scheltinga sr. is in 1686 gestorven aan een ziek been).

+ Op de begane grond zijn toren- en kerkruimte verbonden door een brede rondbogige doorgang, omlijst door een profiel uit twee sprongen bestaande. De boog gaat op van een impostlijst. Aan de kerkzijde is de doorgang gedeeltelijk dichtgezet ten behoeve van een kleinere deur. Ter hoogte van de schipkap is een doorgang in de oostelijke wand.

+ Het muurwerk van het schip bestaat aan de zuidzijde uit tufsteen, deels oorspronkelijk, deels bij de restauratie aangevuld ter plaatse van later ingehakte vensters (afb. 44-45).

De muren waren gevuld met gietwerk, waartussen vrij grote stukken zwerfkeien, die bij de restauratie aan de binnenzijde in het zicht kwamen. Wij nemen aan dat de binnenhuid van het kistwerk voordien reeds was afgekloofd. Vergelijking met de dikte van de noordmuur (90 cm) wijst hierop. De binnenzijde van de muur wordt thans gevormd door een betonnen bekisting, tot vensterdorpelhoogte, waaraan tevens de noordwand is verankerd. Tussen de normaal verwerkte lagen tufsteen lopen aan de buitenzijde vier banden van rechtop geplaatste stenen van twee lagen hoogte. De afmetingen van de tufsteen belopen tot 48-50 cm lengte en 8-10 cm dikte. De meest oostelijke travee is van grote afbraak baksteen gemetseld. Voor de restauratie was hier blijkbaar ook reeds afbraakbaksteen toegepast.

De noordgevel bestaat uitwendig uit afbraak grote baksteen, inwendig uit tufsteen.

Langs beide gevels was tot de restauratie uitwendig onder de vensters een bemetseling van kleine steen aangebracht.

De westelijke beëindiging van het schip bestaat aan de zuidzijde uit afbraak grote baksteen, aan de noordzijde uit dezelfde kleine steen, waaruit de oostelijke sluiting is opgebouwd.

+ Voordat de restauratie begon was de kerk aan beide langszijden verlicht door drie korfbogig gesloten vensters op regelmatige afstand van elkaar geplaatst en van hetzelfde formaat als de vensters in de koorsluiting (afb. 44). Toen bij de ontpleistering van de zuidgevel bleek, dat zij daar in het tufstenen muurwerk waren ingehakt, werden zij geheel verwijderd en werd het tufstenen muurwerk aan die zijde aangevuld. Dit vertoont twee grote spaarvelden tussen lisenen en afgesloten door een keperfries. In de originele gedeelten rusten de kepers op een kleine steen, die als restant van een console gezien moet worden. In het vernieuwde gedeelte is deze laag op willekeurige wijze aangevuld. Van romaanse vensters zijn geen sporen gevonden; zij zullen tot de laatst aanwezige 18e-eeuwse vensters vergroot zijn. Na de ontpleistering waren in de dagkanten daarvan hier en daar sporen van vroegere vensters te zien (afb. 39b). Ten oosten van het

[p. 40]



illustratie

Afb. 39a. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsneden. Getekend 1982 naar opmetingen 1944 en 1966.


[p. 41]



illustratie

Afb. 39b. De zuidgevel van de kerk na de ontpleistering. Getekend 1967.


tweede spaarveld zijn nog twee kepers over van een derde spaarveld, dat tot de oostelijke beëindiging van de tufstenen muur gereikt moet hebben. Deze is tijdens de restauratie zichtbaar geweest, daar waar later de nieuwe koorsluiting tegenaan gewerkt is. De liseen is daarom in kleine baksteen uitgevoerd, maar vervangt de laatste tufstenen liseen. In het bakstenen gedeelte, dat het derde spaarveld vervangt is de westelijke dagkant van een venster aangetroffen, dat tot een gedicht spitsboogvenster is aangevuld. Westelijk daarvan was een laaggeplaatst venster door de liseen gehakt en met baksteen omlijst. In de westelijke travee is een flauw spitsbogige toegang, met een kwarthol profiel omlijst, in gedichte vorm hersteld. De muren waren aan de bovenzijde afgewerkt met een holprofiel waarin twee bakstenen afgewisseld werden door een tufsteen.

De noordzijde vertoonde na ontpleistering de moeten van steunberen. Deze zijn bij de restauratie weer opgemetseld, met een versnijding en een schuine afdekking. Men kwam nu echter in conflict met de vensters, die aangebracht waren na verwijdering van de steunberen en heeft deze met behoud van hun 18e-eeuwse vorm verschoven tot een

[p. 42]

regelmatige plaatsing in de eerste, derde en vijfde gotische travee. Ter hoogte van de afzaat van de vensters is de muur versneden. De meest westelijke travee was aan deze zijde, uitwendig althans, 18e-eeuws en bevat een bijbehorende lage ingang. De koorsluiting is door lisenen geleed, die blijkens de kerkvoogdijrekeningen natuurstenen kapitelen hebben gedragen.

+ Het inwendige is overdekt door een houten tongewelf op een verbrede voorlijst. De muren zijn verbonden door trekbalken met gepeerkraalde lange sleutelstukken, waaronder bij de restauratie opnieuw muurstijlen zijn aangebracht, corresponderend met de steunberen en naar aanleiding van een aangetroffen korbeel in de noordwestelijke hoek (afb. 46). De eiken kap loopt over het gehele schip en koortravee; tegen de laatste makelaar heeft een voorgaande veelhoekige koorbekapping aangesloten. Blijkens foto's is tijdens de restauratie in het tufsteenwerk van de noordmuur een ingang gevonden, waarschijnlijk in de thans vijfde travee van het westen (afb. 49). Deze plaats is vergelijkbaar met die van een ingang in de kerk van Hogebeintum (deel 1, Ferwerderadeel, blz. 222).

+ Van de vroeg 12e-eeuwse tufstenen kerk is niet bekend hoe de westelijke noch hoe de oostelijke beëindiging gevormd is geweest. De bakstenen verlenging westwaarts, die de toren omvatte en met het torenmuurwerk een geheel uitmaakte, had ongeveer de afmeting van een westpartij met ingebouwde toren. Hiervan zijn echter geen sporen gevonden. Uit de verslagen blijkt ook niet dat ernaar gezocht is. Het feit dat de tegenwoordige 13e-eeuwse halfingebouwde toren juist bij de aanzet van de westmuren van het schip gebarsten was, kan duiden op een vastere fundering van de oostelijke helft, i.c. op een oudere torenfundering. Een tufstenen zogenaamd gereduceerd westwerk zou dan in de 13e eeuw vervangen zijn door een halfingebouwde toren met aansluitende westelijke schipmuren. Uit het feit dat onder het westelijke venster geen versnijding in de fundering bestond doch deze tot boven aan toe uit keien bestond, kan men opmaken dat de 13e-eeuwse toren een westingang gehad zal hebben, die in 1686 door het venster is vervangen, toen de westelijke helft van de toren herbouwd werd, beneden uit afkomende grote steen, hogerop uit kleine steen.

De koorsluiting, die waarschijnlijk halfrond geweest is (sporen ervan konden wegens grafkelders niet waargenomen worden) is blijkens de makelaar in de kap of wel verhoogd en meerzijdig gesloten of wel vervangen door een meerzijdig gesloten nieuw koor. Het bakstenen muurwerk aan de zuidzijde, dat tijdens de restauratie is vernieuwd, zou op het laatste wijzen. In 1775 verkocht men vrij veel tufsteen, die mogelijk als zogenaamde binnenwerkers was verwerkt. Mogelijk is de gotische bakstenen vernieuwing van het koor op 1423 te dateren en bekostigd uit het legaat van Duco Onnema. De kap die over de gehele kerk werd aangebracht heeft met zijn muurstijlen meer een 16e-eeuws karakter; ook toen moeten de steunberen zijn aangebracht. Deze zullen in 1775 verwijderd zijn, toen men de gehele ruimte opnieuw indeelde en aan beide gevels regelmatig verdeeld nieuwe vensters aanbracht.

Daar de moeten van de steunberen niet waren weggewerkt, moet men aannemen dat er toen tevens gepleisterd is, wat ook de verbetering aan de noordwestelijke hoek aan het oog onttrekken moest.

+ De kerk bezit:

+ Een tegen de oostelijke sluitwand opgestelde rijk versierde preekstoel met bijbehorende trap, achterschot en klankbord (afb. 48a). Stijlen en panelen van de kuip zijn versierd met mooi gesneden rococo-ornament, waardoorheen een rank met bladeren en bloemen loopt. Bijbehorende trap met rococo-ornament aan de balusters. Ook in de voluten langs het achterschot zijn ranken gesneden; xviii b.

+ Doophek met gesneden balusters in de bovenzone en opengewerkt hek. Boven de stijlen gesneden vazen. Waarschijnlijk is Yge Rintjes, die in de rekeningen voorkomt voor snijwerk aan het orgel, ook de maker van preekstoel en doophek. De door het ornament lopende ranken komen ook voor aan de door hem in 1778 gemaakte preekstoel van Holwerd (vgl. S. ten Hoeve, Preekstoelen 40 en 91).

+ Eenvoudig koperen doopbekken op houten voet met getorste stam.

+ Op de wanden zijn bij de restauratie geschilderde cartouches ontdekt en geconserveerd door de restaurateur J. Otter.

Op de zuidelijke wand twee cartouches onder elkaar (afb. 56). In het bovenste heeft een tekst gestaan, waarvan alleen de beginwoorden van elke regel nog enigszins te lezen zijn en die ontleend is aan de eerste brief aan Paulus aan Timoteus, cap. 4 verzen 14-16

[p. 43]

volgens de Deux Aes Bijbel, uitgave 1596. ‘Vergeet die ga(ve niet die in U is die U ghegeven is door de) Provecije (met oplegginghe der handen des Priesterschaps).

Benersticht di(t weest hier in besich op dat Uwen voortganc). In allen open(baer werde. Hebt acht op U selven ende). Op de Leere (blijf hier in volstandich: want ghij sulcx doet). Gij sult (U selven behoeden ende die U hooren)’.

Het onderste cartouche bevat een tekst waarvan te lezen valt: ‘D. Th(omas) Johannis Jeverensis... De...formeerder Gemeinte J(esu) Christij... Ende Seyne Johannis Sine... vrouwe... 't samen als... (on)s heere...99’.

Op de noordelijke wand twee enkelvoudige cartouches, waarvan op de westelijke fragmenten tekst zijn aangegeven als: ‘Jer(emia) (dat) 30 cap. Verz, 14’, waarvan te lezen valt de tekst uit Jer. 30:15: ‘Wat schreydt Gij Over Uwe (mijne) gebreken ende over uwe groote (smart) ick hebbe u doch sulcks (gedaen om uwer grooter misdaet ende om uwer stercker sonden wille). De tekst is in 1982 aangevuld (afb. 53, 54).

Het oostelijke bevat een tekst, waarvan de inhoud in 1982 ontdekt is als afkomstig uit het apocriefe boek van Jezus Sirach, c. 25 verzen 9-16: ‘Daer zijn negen stucken, die ick in mijn herte hooch houde ende het thiende wil ick met mijnen monde prijsen’ enz. (eveneens naar zgn. Deux Aes Bijbel). Onder aan dit cartouche is een cirkel met wapen, gedeeld rechts onduidelijk, links een huismerk, dat ook als uitkomend teken boven de dekkleden is toegepast (afb. 55).

+ Aan de preekstoel een fraaie koperen lezenaar, gemerkt ‘Lieuwe Geerts fecit Dockum 1776’. Op de hoeken gekroonde wapenschilden: drie biggen van Bergsma en een wapen met een plant of boom met bloemen aan de takken, waarschijnlijk de rozenstruik uit het wapen van Remelia Schick (zie rouwbord te Jouswier) (afb. 48, 50).

Op de lezenaar een Statenbijbel, Leiden 1757.

+ In 1777 werd aan de orgelmaker A.A. Hinsch f 1500, - betaald voor een nieuw orgel (afb. 47). Yge Rintjes te Leeuwarden werd betaald voor het snijwerk aan en op het orgel, C. Eisma voor de kas. Het orgel is in 1974 gerestaureerd. Oorspronkelijke dispositie bij Knock, blz. 14. Blijkens de kerkvoogdijrekening werd het orgel na aanvankelijk door de bouwer te zijn gevisiteerd in 1786 door F.C. Snitger onderhouden en later door M. Hardorf gerepareerd. In 1789 wordt Van Dam betaald voor ‘stellen’ van het orgel.

De kas is rijk versierd met snijwerk als bekroning van de torens en vóór de bevestiging van de pijpen. In de vleugelstukken zijn ranken met bloemen verwerkt, in de hoekstukken dubbele rozen als aan de balusters van het doophek. Ook aan de orgelbalustrade die in het midden is uitgebouwd is een bekronend sierstuk gesneden samengesteld uit rococo-ornament waardoor ranken zijn gevlochten en waarin twee wapens zijn verwerkt: heraldisch rechts gedeeld: rechts halve friese adelaar, links drie klavers paalsgewijs boven een voorstelling in een cirkel; heraldisch links geheel geschubd. Volgens Teunissen zou het om het wapen van Johannes Douwes Halbetsma een eigenerfde boer uit de Valom, gaan. Deze komt echter in de kerkrekeningen alleen voor als leverancier van hout.

Ter zijde op de balustrade twee vazen, door jongere hand hersneden en voorzien van ‘anno 1777’ en waarschijnlijk restanten van een rankenversiering over de balustrade als te Driesum. De hoekstukken passen bij het middengedeelte.

+ Grote zerk met wapenmedaillons in de hoeken. Opschrift: ‘....mvc en̄ lxviiixxvi dach aprilis sterf ... Anna Heemstra en̄ husfrou vā Henno Hoeitama’. In het midden alliantiewapen gedragen door putto's. Voorts een zerk voor ‘Juw van Haersma en̄ vā Scheltema en (Doutze van Heemstra) 1576’ met acht kwartieren Haersma-Heemstra. De zerk, die in het koor in het gangpad ligt, is wegens slijtage niet meer leesbaar. Uit oude foto's en de bij Teunissen verhaspelde tekst is op te maken, dat er het volgende Latijnse vers aan de voet van de zerk te lezen was: ‘Clarus eram generis stirpem sortitus avitam/ Qui tegor hoc nigro Julius Haersma solo./ Ante decem luxit raptum me lustra deditq(ue)/Uxor tristitiae pignora certa suae./Laetus at expecto Christi reditumq(ue) diemq(ue),/ Corpora dum tumulis suscitet Ille suis.’ Hetgeen vertaald wil zeggen: ‘Beroemd was ik van geslacht door mijn voorvaderlijke stam, ik, Julius Haersma, die door deze donkere aarde bedekt word. Mijn vrouw heeft om mij, weggerukt voor (de voltooiing van) tien lustra getreurd en zij heeft dit vaste pand van haar droefenis geschonken; vol blijdschap verbeid ik echter de dag van Christus' wederkomst, en wacht ik af totdat Hij voor de zijnen de lichamen uit de grond opwekt’ (vertaling dr. A.M.M. Dekker, Utrecht). Juw

[p. 44]

van Haersma en Doutze van Heemstra woonden op Donia-State.

+ Aan de zuidelijke wand twee rouwkassen, in 1976 gerestaureerd (afb. 51, 52): een voor P.A. Bergsma opschrift: ‘De 14 October van het jaar 1824 is te Dockum Overleden de Hoogedele Gestrenge Heer en Mr. Petrus Adrianus Bergsma in leven oud Grietman van Dantumadeel en Gedeputeerde Staat van de Provincie Friesland in den gezegenden ouderdom van 81 1/2 jaar en te Dantumawoude in den grafkelder bijgezet op den 19 october van hetzelfde jaar’. Wapen tussen eiken en lauriertak gedeeld: rechts drie biggen, links opnieuw gedeeld: rechts halve friese adelaar, links halve franse lelie.

Een rouwkas voor zijn vrouw met opschrift ‘De Welgeboren Vrouwe Doedoneia Jacoba Doitsma huisvrouw van den HoogEdelen Gestrengen Heer en Mr. Petrus Adrianus Bergsma Grietman over Dantumadeel Gedeputeerde Staat van Friesland en Dijkgraaf van de Oostdongeradeelster Zeedijken Geboren den 5 December 1753 te Zwolle en Overleden te Dantumawoude den 21 febr. 1774 bijgezet in den grafkelder alhier den 28 dier Maand’. Wapen gelijk aan vorige beschrijving. Het prentenkabinet van het Fries Museum bewaart tekeningen van de rouwborden door A. Martin.

+ In de toren hangt een klok, diam. 116 cm (afb. 57). Opschrift: ‘L. Haverkamp me fecit Hornae Ao 1786,. Wanneer Den Hoog Edele Gestrenge Heer En Meester Petrus Adrianus Bergsma Grietman/deser Deele en de Mederegter Sikke Sioerds Kerkvoogden waren van Dantumawolde En terwijl de/Wel Eerwaarde Zeer Geleerde Heer Georgius Albertus Abbring Predikant was van dit dorp Driesum/ en Woliers Wolde/’.

+ Beker, hg. 16,5 diam. 10,5 cm; boven standring een spiraalband; de standring versierd met knorren (afb. 58). Opschrift: ‘Cornelius van Heerman en juffr. Frouck van Goslinga Hebben dese Beecker de Gemeynte/ van Dantumawold tot het gebruick des Heeren H. Avontmael vereert Ao 1643’. Merken Leeuwarden M van 1643 en meesterteken van Pieter Joh. Langweer. Voet 390. Aan de onderzijde wapens Heerman-Goslinga. De schenkers woonden op Donia State (zie aldaar).

Beker, hg. 16,5 diam. 11,5 cm. Op de voet vier gegraveerde palmetten in rocailvormen (afb. 59). Opschrift Vrouw Dodonea Jacoba Doitsma Huisvrouw van de WelEdelGestrenge Heer en Mr. Petrus Adrianus Bergsma Gecommiteerde Staat van Friesland int Mindergetal etc. etc. Oud 17 1/2 jaaren Heeft deze/Beker tot 't gebruik van des Heeren H. Avondmaal aan de kerk van Dantumawolde/Vereerd De 25 Augs 1771 wanneer reeds Moeder van twee kinderen was Sedert 7 augustus 1770’. Merken Friesland, Leeuwarden, t van 1771 en (onduidelijk) B. Storm, Voet 496. Onderop gekroonde wapens Doitsma en Bergsma. De schenkers woonden op Plantenhove (zie aldaar).

+ Ten noordwesten van de kerk stond de school. Het gebouw werd later als timmerfabriek gebruikt. In de muur stond lang een gedenksteen ter herinnering aan de stichting in 1774: ‘Hoe groot het nut der Lees- en Schrijfkunst zij/Voor ieder lid van 's Waerelds Maatschappij/Moet elk belijen: want hier baat geen tegenzeggen./Maar wie toch spoort op 't meest des Leerlings ijver aan:/'t Is Willem Bergsma, zoon van Pieter Adriaan/Die aan dit schoolgebouw den grondsteen zelf ging leggen. /De landjeugd roept: Dat 's braaf dat is rechtschapen/ Men cier de school met Bergsma's naam en wapen./op den 30en April 1774/oud 3 jaaren en 9 maanden.’ Boven de steen stond het wapen Bergsma (Teunissen, 120).

 

+ Aan de zuidzijde van de Voorweg (hier thans Doniaweg geheten), ongeveer 500 m westelijk van de middeleeuwse, later Hervormde kerk, staat op een ruim terrein het kerkgebouw der Doopsgezinden (afb. 60-62). Het gebouw is eigendom van de Doopsgezinde gemeente.

 

+ Blaupot ten Cate, 306 en passim; F.H. Pasma, Onze vermaning 1767-1917, Gedachtenisrede Bergum 1917; Duinkerken, Dantumawoude, 100-121.

+ Archief Doopsgezinde gemeente Dantumawoude, waarin rekeningboeken 1857-1937, kladrekeningen 1814-1937, r.a. Leeuwarden; Schoolmeestersaantekeningen 1857, p.b. Leeuwarden.

 

+ De gemeente zou volgens Blaupot ten Cate tussen 1580 en 1600 gesticht zijn. Volgens Duinkerken zou in 1728 een kerk gebouwd zijn, die in 1767 werd afgebroken ten behoeve van een nieuwe, die thans nog gedeeltelijk bestaat. De ingang was toen aan de wegzijde.

[p. 45]

Eerst in 1872 vermeldt Pasma wijzigingen aan het gebouw: de preekstoel werd vernieuwd naar het model van die in de kerk van de Afgescheidenen te Bergum, dat wil zeggen dat er alleen een enigszins verhoogd podium kwam. De vrouwebanken kregen leuningen en de banken voor de diakenen werden in een andere richting opgesteld. In 1884 is er een orgel gekocht, waarna in 1910 het gebouw aan de oostzijde verlengd werd. De ‘Schoolmeester’ schrijft in 1857 dat het gebouw twee schoorstenen had, dus waarschijnlijk werd het door een schilddak gedekt.

+ Het rechthoekige zaalgebouw onder zadeldak tussen topgevels vertoont aan de achtergevel muurwerk in gele steen, dat van het gebouw van 1767 zal zijn, waarop de stichtingssteen betrekking heeft met opschrift: ‘Anno 1767 den 29 aprillis is de Eer/sten steen van dit gebouw geleit door/Wijger Martens met/mede hulp van sijn ouders/out sijnde 2 jaar en ses dagen/Die op het woord verstandelijk let/sal het goede vinden ende die/ op den Heere vertrouwt die is welgeluksalig/Proverbia 16 vs 20. Die sig des armen ontfermt, leent den Heere ende hi sal hem sijn weldaet vergelden (id), Cap., 19 v. 17’.

De steen staat boven de ingang in de noordgevel, die in bruinrode steen gemetseld is, evenals de oostgevel. Blijkens een jaartal op de windvaan is er in 1858 iets aan het dak gewijzigd, mogelijk is het schilddak tot zadeldak verbouwd. In 1910 is de kerk blijkens een opschrift aan de oostzijde uitgebreid.

+ Uit de bouwtijd van de kerk dateert het opzetstuk van een ruggeschot van een bank aan de noordoostzijde (afb. 62). In rococo-lofwerk zijn gekroonde boerenalliantiewapens gesneden: halve adelaars met drie klavers, c.q. drie eikels, eronder de letters i.d. en e.h., volgens Teunissen de initialen van Johannes Douwes en Eelkje Halbes, wier nageslacht zich Halbesma ging noemen. Volgens de kaart van de Valom uit 1769 was Johannes Douwes ‘bijsitter’.

+ In 1793 werd een nieuwe pastorie in gebruik genomen, gevestigd in het voorhuis van een aan de gemeente gelegateerde boerderij van O. Tjallings (Pasma, Gedachtenisrede). Deze is in 1923 vervangen door een nieuwe (archief inv. nr. 80). Op oude prentbriefkaarten is te zien dat de pastorie als tweede gebouw westelijk van Lina's Hoeve lag.

Voormalige states

Vrij dicht opeen lagen in Dantumawoude drie met name genoemde states: Oenema, Botnia en Donia, benevens volgens Schotanus een wier, oostelijk van Donia, waarvan leden van dezelfde families als die op de states woonden, eigenaar waren.

 

+ Wanneer we aannemen dat de streek van de tegenwoordige Achterweg - Kooiweg uit ontgonnen is, zal Oenema het oudste adellijke huis zijn. In het testament van Duco Onnema uit 1423 (Charterb. 1, 458), die als ‘commensaal’ in Klaarkamp testeert en sterft, wordt Onnemahuis als eenheid telkens vermeld. Het vererft als Domus en Domusstadium aan de gezusters Ewingha, maar Duco's kleinkinderen moeten hun deel terug laten komen aan Onnemahuis wanneer zij zonder nakomelingen zouden overlijden, evenals zijn vrouw die levenslang vruchtgebruik krijgt. Het lijkt een vroege fideicommissaire bepaling. Na de legaten aan de kerkelijke functionarissen en instellingen wordt aan hen die Onnemahuis bezitten en bewonen grond toegekend en vijf akkers ‘buppa da huise in der huis were’ gelegen. Op de plaats waar Schotanus Oenema aangeeft is in 1967 een put gevonden met een houten onderbouw en een bovenbouw van veenzoden, waarin scherven van bolpotten en schalen, mogelijk uit de 13e eeuw gevonden zijn (Bull. k.n.o.b. 1967, 23*). Het betreft geen terp, maar wel een hooggelegen terrein.

In 1472 werd een rente uit ‘Onnemagued’ ‘Lidzende twisken Dockum ende Dantemwald’ door Gaytia Iwesma en zijn vrouw toegewezen aan Jw Harinxma (Sipma i, 221). In 1511 is Onnema Huus van Worp Donia, die eigenlijk een Idskema was (zie Donia State); het is 64 pondemaat groot en is met een ‘cleijn gued tot Onnema Huus’ slechts met anderhalve floreen belast. Groot en Klein Oenema zijn dan beide onbewoond (r.v.a. i., 186). Van het kleine huis was Douwe Donia eigenaar. Over de landerijen van Oenema zie J.J. Spahr van der Hoek in It Beaken, viii, 1946, 23.

 

+ In 1511 wordt als eerste na de pastoor als grondeigenaar genoemd Worp Donia, die veertig pondemaat venen bezit benevens achttien pondemaat zaailand en vier en twintig pondemaat mieden, die hij zelf bebouwt. Voorts verpacht hij nog aan diverse anderen. Ook is Worp dan eigenaar van Onnemahuis (zie aldaar). In 1421 woonde de toenmalige

[p. 46]

grietman Dowa Doyngha reeds te Dantumawoude (Sipma i, 26). Waarschijnlijk is hij identiek met Dodo Doyngha, die in 1423 het testament van Duco Onnema als vertrouwensman mede ondertekende (zie Onnema State) en wiens zoon Bocke landerijen erfde van Duco Onnema zonder nadere voorwaarden. Worp Doynghie en zijn zoon Tjaerd verkopen in 1487 land aan de keller van de Schierstins. Worp, die gehuwd was met Saepck Donya zou een Ydtsma geweest zijn en de naam van zijn vrouws erfgoed hebben aangenomen. De herhaalde relatie met Klaarkamp en de Schierstins doet ons vermoeden, dat Worp Ydtsma te maken had met het Idskemagoed dat Klaarkamp in 1436 in ruil verwierf en waarop de sindsdien Schierstins geheten stins stond. Worps dochter Popke van Ydtsma huwde Siverdt van Heemstra, die in 1543 land bezat te Dantumawoude (Benef. 191 e.v.); hun dochter huwde Juw van Haersma; zij zijn begraven in de kerk van Dantumawoude. Een verwant van Siverdt, Ulbe genaamd, geeft in 1580 de geestelijke opkomsten aan (r.v.g.o. 71). De state werd vervolgens eigendom van een andere dochter van Siverdt van Heemstra, gehuwd met Marten van Schonenberg. Hun dochter verkoopt in 1597 ‘Donia state mette huijsinge, stins, porte enz.’ aan Wijger Folkertsz (Berns 64, k 1, 19), doch deze verkoping hield geen stand, want in 1607 verkocht Atke Schonenberg opnieuw de state, nu aan hopman Taecke Pyeuwesz. (ib. 218). Bij een verkoop in 1631 aan Bonefaes van Scheltema en Frouck van Goslinga wordt van een stins niet meer gerept. In 1627 verkocht Atke drie grafplaatsen en 't gestoelte in de kerk aan Tjaerd van Aylva, grietman van Dantumadeel. Op de zerken stonden de namen van Siverdt van Heemstra en Popck Ydtsma, Henne Hoijtema en Anna Heemstra en op een derde kleine zerk de wapens Heemstra en Aijckema (Berns 64, k 2, 587). De tweede zerk (uit 1568) bestaat nog (zie Hervormde Kerk). Frouck van Goslinga moet hertrouwd zijn met Cornelius Heermans blijkens verkoop van de state door hun erfgenamen in 1654 (Berns 21, iii, 15, f. 91). Zij schonken in 1643 een avondmaalsbeker aan de kerk. Het goed wordt dan omschreven als ‘met de groote heerlijcke huijsinge, meijers huisinge, de groot roodpandeckte schuire, zomerhuis, old ende nije hoff, iperen bosch, zwaanejagt etc.’. De nieuwe eigenaar Tjerck van Scheltinga liet het volgend jaar een nieuwe poort bouwen blijkens een door Teunissen nog vermelde gevelsteen. Ook Tjercks zoon Goslick woonde er nog in 1687, toen hij testeerde (Berns 20, eee 5 fol. 262). Zijn weduwe verkocht de state met een ‘vrije swanenjacht ende een stoele met de grafsteden in de Kerck’ aan Wijger Johannes (Teunissen 148, Berns 64). Het herenhuis had Tjaerdt van Aylva echter blijkens het stemkohier van 1698 nog in gebruik. In 1699 kocht deze ook de overige landerijen van de weduwe van Wijger Johannesz. De kaart van Halma geeft het huis nog weer en tien jaar later wordt het door de erfgename van Tjaerdt als eigenaresse bewoond. In 1738 lijkt het afgebroken te zijn, daar de meijer van de landerijen ook de gebruiker is van het hornleger. In 1758 is het hornleger onbehuisd. Het poortgebouw heeft volgens Teunissen tot in deze eeuw bestaan als woonhuis. Ds. Potter noemt het in zijn Wandelingen (p. 350) ‘als gewezen poort in woonhuis veranderd in het land nabij de kerk’ en denkt dat het tot Bonga-state behoord heeft.

 

+ Ten westen van Doniastate tekent Schotanus Botnia als gewezen adellijke state met boerenhuizing.

+ In 1431 komt Juw Bottema voor als grietman over Dantumadeel (Sipma i, 56). Of hij iets met Botnia-state te maken had is onduidelijk. Pas in 1543 wordt Bottema vermeld in het Beneficiaalboek. In 1621 kopen Abbe Frericksz (Gabbema), dr. Theodorus Marssum en dr. Matthias van Vierssen en hun vrouwen de state ‘Bottnia’ met wat er bij behoorde zoals ‘visscherye, swannejacht, den poort, graft ende cingell en twee hovingen’ van Atcke van Schonenburgh en haar twee kinderen (Berns 64, k 2, 362). Het feit dat Atke, die gehuwd was met Caerl van Esserden, een kleindochter was van Worp (Ydtsma) van Donia, maakt het waarschijnlijk dat de state van hem was geërfd. Matthias van Vierssen deed zijn derde deel in de state in 1630 over aan zijn mede-eigenaren (ib. 819); dezen verkochten de state vervolgens aan dr. Tiete van Galema; de state was toen 127 pondemaat groot en bewoond door Foecke Rinnertsz. Deze blijkt in 1640 (Stemkohier) eigenaar te zijn van twee stemhebbende hornlegers, waarvan een wordt aangeduid als ‘'t corpus aan de wier’. Dit zal het door Schotanus getekende wier zijn ten oosten van Donia. Een dochter van Foecke Rinnertsz. verkocht in 1654 Botnia met onder andere de gracht, de ‘cingel’ en het ‘old en jong hoff’ aan dr. Hans van Wijkel te

[p. 47]

Leeuwarden (Berns 64, k 4, f 71). In 1698 is Tjaerd van Aylva eigenaar en Godefidus Scheltinga's weduwe de bewoonster (Stemkohier). Zij had in 1694 het buurhuis Donia verkocht en vervolgens haar intrek op Botnia genomen, dat kleiner was (zie Donia). Samenvattend lijkt het gewettigd aan te nemen dat Botnia een afsplitsing geweest is van Donia, en dat mogelijk zelfs beide huizen aan de (zuidelijke) weg door de wouddorpen zijn voortgekomen uit het oorspronkelijke Oenema-goed dat noordelijk van die weg was gelegen.

 

+ De Voorweg, hier Doniaweg geheten, maakt even ten westen van de kerk een knik, om de voortuin van Talma Hoeve dat ten noorden van die weg staat. De villa die thans Talma Hoeve heet en als conferentie-oord in gebruik is, werd in 1906 door de toenmalige notaris H.W. Hellema gebouwd ter vervanging van het huis Plantenhove, dat toen notariswoning was. Plantenhove verving op zijn beurt het middeleeuwse Aesgama. De geschiedenis van Aesgamastate vangt aan met Hessel Aesgama, die in 1467 een landruil aanging met Gaithie Iwesma uit Rinsumageest (Sipma i, 190). Volgens het Stamboek is zijn zoon Jasper. Deze zal dezelfde zijn die te Dantumawoude in 1511 vierenzeventig pondemaat land aangaf, dat hij zelf gebruikte (r.v.a. i, 186). Vermoedelijk was hij anti-Bourgondisch gezind, want in 1516 kreeg Jeppe van Stanie van de inmiddels aan de macht gekomen Bourgondiërs toestemming schade die ‘Syds Wobbesz en Jasper in Dantummawold’ hadden aangericht op hen te verhalen (Charterb). ii, 337).

Jasper was gehuwd met Tiepck Tiepckesdr. Tzallingha (van Hantum). Jasper moet voor 1539 zijn overleden, want in dat jaar maakte zijn schoonzoon Tjalling van Mockema een regeling met zijn weduwe over roerende goederen die Jasper had nagelaten (Sminia-archief nr. 1366).

Pas in 1640 is er weer iets bekend over de state. Eigenaar is dan oud-hopman Taeke Lieuwesz; in 1698 is ook dit goed in handen van Tiaerd van Aylva te Rinsumageest die het huis verhuurt. Ook na zijn dood wordt het huis door zijn erfgenamen verhuurd, onder andere door mevr. Juliana Wilhelmina van Schratenbach in het midden van de 18e eeuw. Via haar erfgename kwam het huis in handen van J.B. de Coninck die het verkocht aan secretaris Willem Bergsma; deze was het slechts om de kennelijk tot het hornleger behorende stem te doen. Hij doteerde het geheel aan zijn zoon P.A. Bergsma onder de voorwaarde dat ‘de schenker an sig behoudt de materialen tot de huisinge behoorende, die de schenknemer tot zijn kosten af zal breken’.

Pieter Adrianus stichtte een nieuwe behuizing op het oude hornleger en werd grietman van Dongeradeel. Hij deed veel om de kwijnende landbouw in deze streek weer produktief te maken. Zo liet hij tabak verbouwen en een tabakschuur optrekken. Kwam dit niet tot bloei, de verbouw van cichorei ging beter en legde hem geen windeieren. Hij liet zijn tuin uitbreiden over de weg zuidwaarts. Hier kwamen een bosje, vijvers, plantsoenen en een berg, met andere woorden, een landschappelijke tuin werd aangelegd. In het oproerjaar 1797 werd Bergsma gevangen genomen; later weer vrijgelaten, bracht hij het toch niet meer tot grietman. Dat was voor zijn zoon Jacobus Johannes weggelegd, die tot 1845 deze functie vervulde en op Plantenhove woonde. Het goed wordt dan verkocht aan Broer P. Plantenga en omschreven als ‘een aanzienlijk en zeer aangenaam gelegen buitengoed met een hechte en welonderhoudenen Heerenhuizinge, voorzien van onderscheidene net behangen kamers, twee ruime woonkelders, twee wijn- en een provisiekelder, een ruime keuken, twee koets- en wagenhuizen’. Voorts ‘een grote bloemenkast, broeibakken, een tuinmanshuis, een orangerie, honderd zware opgaande eiken en andere boomen, een vischvijver en Berg’.

De Plantenga's hebben er slechts zeven jaar gewoond en deden het huis over aan notaris Van Riesen, die de overtuin liet uitroeien. Ook zijn opvolger notaris W.H. Hellema bewoonde Plantenhove. Diens zoon H.W. Hellema heeft het huis vernieuwd en het in 1929 verkocht aan de ‘Chr. Vereniging tot verzorging van ouden van dagen’ de Talma-stichting.

 

+ Blijkens een jaartalanker dat op de oude foto van Plantenhove te zien is (afb. 63) zou het huis in 1765 opgetrokken zijn. Het bestond uit een onderkelderde hoofdvleugel met licht voorspringend middenrisaliet, dat in een hoge zogenaamde Vlaamse gevel eindigde. Deze had een klokgevelvorm en bevatte twee vensters boven elkaar, waaruit blijkt, dat het hoge dak van de hoofdvleugel een zolderverdieping en een vliering

[p. 48]

bevatte. Op de hoeken stonden grote schoorstenen met borden. De hoofdverdieping was langs een bordes met sierlijk gesmede leuningen bereikbaar. De vensters hadden in de laatste fase van het huis zes ruiten. Ter zijde waren nog voorspringende dienstvleugels, die aan de voorzijde blind waren, daar er treillages voor klimplanten tegen waren aangebracht. De linkervleugel had aan de achterzijde een schoorsteen, aan de rechtervleugel ontbreekt deze.

Voor het huis ziet men tussen twee bomen een tuinbeeld dat zich nog in de tuin bevindt van de in 1906 op dit terrein gebouwde Lina's Hoeve, later Talma Hoeve geheten. Het stelt een grotendeels naakte jonge faun voor, slechts omgord door een leeuwenhuid; de rechterhand is omhoog geheven en draagt een kruik, de linker rust op een wingerdstam met druiven (vgl. Bacchus en Faun, o.a. in tuin van Paviljoen Welgelegen, Haarlem, Bulletin k.n.o.b., 1983, 2, afb. 16 en 17) (afb. 66).

Van Plantenhove zullen voorts nog afkomstig zijn de hekpalen met 18e-eeuwse bollen, waarvan er nog drie gaaf zijn. In de tuin staan er nog twee op lage voetstukken.

.Achter op het oostelijk aangrenzende terrein, dat mogelijk tot Plantenhove heeft behoord staat een rechthoekig gebouw met verdieping onder zadeldak tussen topgevels en met vensters verdeeld door roeden in kleine ruiten. Mogelijk was dit het tuinmanshuis met oranjerie, dat in 1845 genoemd wordt. Ervoor ligt een cirkelronde vijver.

+ Na afbraak van Plantenhove liet notaris Hellema in 1906 een zeer ruime villa bouwen, die met zijn vele serres, loggia's en erkers wel een landelijk aanzien suggereert, doch met de hoge kap boven de twee volle verdiepingen eer een steedse indruk wekt (afb. 67). Er is geen bouwvergunning uit het gemeentearchief te voorschijn gekomen en we kunnen dus geen bouwmeester noemen. Wel is een concurrentie met de villa's Eldorado en De Clercq in Veenwouden niet uitgesloten. De theekoepel rechts in de achtertuin van Lina's Hoeve zal eveneens uit de 20e eeuw dateren. Hij is met riet gedekt en heeft een lantaren in de top van het dak.

Woonhuizen en boerderijen

+ Waar thans een nieuwe woning genummerd 74 staat, stond blijkens bijschrift bij een foto uit 1944 (afb. 64) een boerderij, in de topgevel gedateerd 1765. Inwendig was er een kamer met betegelde wanden en schoorsteenboezem, waarin een bloemtableau. Daar de bedschotwand tegenover de vensterwand gesitueerd was, moet het om een boerderij van het kop-(hals-)romptype zijn gegaan met een gang langs een der lange gevels. De kadasterminuut is daarin niet duidelijk.

+ Na 1965 afgebroken boerderij bestaande uit een kort voorhuis onder zadeldak, gevat tussen twee topgevels (afb. 65). In de voorgevel stonden zesruitsvensters en in de top smallere kozijnen eveneens met zesruitsramen. Zonder tussengeleding stond dit voorhuis voor de schuur, waarin tegen de voorgevel de woonkeuken was en waarin zich ook de toegang bevond.

[p. 49]



illustratie

Ontwerp door Leonard Springer uit 1906 voor de tuin achter de villa van Notaris Hellema, thans Doniaweg 73 te Dantumawoude. Verz. Landbouw Hogeschool te Wageningen.


[p. 50]



illustratie

Afb. 40. De zuidgevel van de kerk met herstelde romaanse spaarvelden.
Opname 1974.




illustratie

Afb. 41. Kerk en toren voor de restauratie met gepleisterde noordgevel en een spaarveld naast het noordelijke galmgat. Opname 1944.




illustratie

Afb. 42. Kerk en toren na de restauratie. Opname 1974.


[p. 51]



illustratie

Afb. 43. De kerk na de restauratie uit het noordoosten gezien met herbouwde steunberen en verplaatste vensters. Opname 1974.




illustratie

Afb. 44. De gepleisterde zuidgevel voor de restauratie. Opname 1941.




illustratie

Afb. 45. De zuidzijde na de restauratie. Opname 1974.


[p. 52]



illustratie

Afb. 46. Het inwendige naar het oosten gezien na de restauratie. Opname 1974.




illustratie

Afb. 47. Het inwendige naar het westen gezien met het orgel uit 1777.
Opname 1974.


[p. 53]



illustratie

Afb. 48a. De preekstoel met het doophek uit omstreeks 1775. Opname 1974.




illustratie

Afb. 48b. De naam van de kopergieter L. Geerts en datum 1775 op de lezenaar. Opname 1983.




illustratie

Afb. 49. Tijdens de restauratie gevonden doorgang in de tufstenen binnenzijde van de noordmuur. Opname 1964.


[p. 54]



illustratie

Afb. 50. De door L. Geerts te Dokkum in 1776 gemaakte koperen lezenaar. Opname 1983.




illustratie

Afb. 51. Rouwborden voor P.A. Bergsma en zijn vrouw D.J. Doitsma, wonend op Plantenhove; overleden 1824 en 1774. Opname 1983.




illustratie

Afb. 52. Rouwborden voor P.A. Bergsma en zijn vrouw D.J. Doitsma, wonend op Plantenhove; overleden 1824 en 1774. Opname 1983.


[p. 55]



illustratie

Afb. 53. Gevonden geschilderd cartouche met bijbeltekst uit het boek Jeremia op de noordwand. Opname 1974.




illustratie

Afb. 54. Het cartouche met in 1982 aangevulde tekst.. Opname 1983.




illustratie

Afb. 55. Gevonden en geconserveerd cartouche op de noordwand met tekst uit het apocriefe bijbelboek Jezus Sirach. Opname 1974.


[p. 56]



illustratie

Afb. 56. Gevonden en geconserveerd cartouche op de zuidwand met de naam van predikant Thomas Jeverensis en jaartal 1599, benevens tekst uit de brief aan Timoteus volgens een bijbel uit 1596. Opname 1974.




illustratie

Afb. 57. Het ornament op de klok van 1786. Opname 1942.




illustratie

Afb. 58. De avondmaalsbeker uit 1643 met wapens Heerman-Goslinga. Opname 1976.




illustratie

Afb. 59. De avondmaalsbeker uit 1771 met de wapens Bergsma-Doitsma. Opname 1976.


[p. 57]



illustratie

Afb. 60. De Doopsgezinde kerk. Opname 1965.




illustratie

Afb. 61. Het inwendige van de Doopsgezinde kerk naar het oosten gezien. Opname 1965.




illustratie

Afb. 62. Het opzetstuk van de herenbank met wapens en initialen J.D. en E.H. uit omstreeks 1770. Opname 1983.


[p. 58]



illustratie

Afb. 63. Het buiten Plantenhove naar prentbriefkaart uit de collectie Oudheidkamer Dantumadeel.




illustratie

Afb. 64. Betegelde kamer in een afgebroken huis ter plaatse van Doniaweg 74. Opname 1944.




illustratie

Afb. 65. Voormalige boerderij van het kop-romptype aan de Doniaweg. Opname 1965.




illustratie

Afb. 66. Het ongeveer 1.60 m hoge tuinbeeld, te zien op afb. 63, thans in de tuin van Doniaweg 73. Opname 1983.




illustratie

Afb. 67. De villa Doniaweg 73 in 1906 gebouwd ter plaatse van het buiten Plantenhove. Opname 1983.