Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 73]

Driesum

De dorpsplattegrond heeft dezelfde kenmerken als die van een aantal andere Wouddorpen, namelijk de bebouwing gelegen aan weerszijden van een oost-west lopende weg die de ongeveer loodrecht daarop staande verkaveling snijdt. Aan deze weg, een oorspronkelijke ontginningsbasis, zijn westelijk van Driesum het dorp Wouterswoude en ten oosten het gehucht Oostwoud gelegen. Laatstgenoemde nederzetting vormt het meest oostelijke bewoningspunt van de Dokkumer Wouden, die door een natuurlijke laagte gescheiden wordt van de hoger gelegen pleistocene gronden waar Westergeest, Qudwoude en Kollum op gelegen zijn. De bewoning te Driesum is in de loop der eeuwen niet in zuidelijke richting opgeschoven zoals in Akkerwoude, Dantumawoude en Murmerwoude. Dit werd veroorzaakt door het feit dat ter plaatse van het dorp de hoger gelegen bewoonbare gronden zich niet ver in zuidelijke richting uitstrekten. Het zuidelijk deel van het dorpsgebied bestond tot in deze eeuw uit laaggelegen drassige gronden, die reeds op de kaart van Schotanus uit 1718 worden aangegeven.

De oudste vermelding van de naam dateert uit 1230. De naam van het dorp is gezien de uitgang op -um, vóór de 11e eeuw gevormd en vermoedelijk uit het kleigebied afkomstig, zoals daarvoor ook voor andere Wouddorpen aanwijzingen bestaan. In dat verband kan worden gewezen op een terp die twee kilometer ten noordoosten van de dorpskom lag en de naam van het dorp droeg, de Driesumerterp. Het 18e- en 19e-eeuwse kaartmateriaal laat een geringe dichtheid van de bebouwing zien die gelegen is aan de Achterweg en het verlengde daarvan, de Van Sytzamaweg. In 1664 werd het dorp octrooi verleend tot het aanleggen van een trekvaart en -weg naar Dokkum. Deze aanleg is blijkbaar niet uitgevoerd, want in 1688 werd bij resolutie bepaald om een vaart van het dorp naar de Strobossertrekvaart te graven (Charterb. v, 728; vi, 137). Deze vaart wordt door Schotanus in 1718 niet aangegeven, maar is eerst op het kadastrale minuutplan van circa 1830 zichtbaar.

Aan het eind van de vorige eeuw en daarna heeft zich een dorpskom ontwikkeld rond de kerk en bij het kruispunt van de Kerkstraat en Voorweg. Laatstgenoemde weg is het verlengde van de hoofdas uit de drie eerder genoemde Wouddorpen. Oostelijk en westelijk van de dorpskom is de bebouwingsdichtheid gering en het karakter van de bebouwing overwegend agrarisch gebleven. Ten oosten van het dorp ligt de Rinsmastate met bijbehorende tuinaanleg. Van de vroeger in de gemeente aanwezige states is dit de enige waarbij het oorspronkelijk uiterlijk nog min of meer gehandhaafd is gebleven. Sinds 1972 is het gemeentehuis hier gevestigd.

Ten oosten van de state is het gehucht Oostwoud gelegen, dat in 1581 voor het eerst wordt vermeld (r.v.g.o. 169). Tot aan de laatste editie van de topografische kaart (1927) werd dit gehucht onder een eigen naam aangegeven.

[p. 74]



illustratie

Afb. 87. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 75]



illustratie

Afb. 88. Luchtfoto schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 76]



illustratie

Afb. 89. Kopie van het kadastrale minuutplan van omstreeks 1820 van Driesumerterp en omgeving. Schaal 1:6250.


[p. 77]



illustratie

Afb. 90. Luchtfoto van het gebied van afb. 89. Schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 78]

Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk staat op een ruim kerkhof midden in het dorp. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 91, 93-110, 113).

 

+ r.v.a. 180; Benef. 186; r.v.g.o. 168; Wumkes i, 152, ii, 401 en 409; S. ten Hoeve in Folk en Tsjerke i, 55 e.v. (inrichting 18e eeuw); P. van den Heuvel, Driesum een kerk in de Dokkumerwouden, Driesum 1975; Ten Hoeve, Preekstoelen, 31.

+ Rekeningen Kerkvoogdij 1603-1825 in r.a. Leeuwarden; zg. Schoolmeestersboekje, p.b. Leeuwarden.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1722 (afb. 93), door J. Gardenier Visscher (afb. 113) 1786 en door J. Bulthuis in collectie Fries Museum, de laatste gegraveerd in Vaderlandsche Gezichten, Amsterdam 1791-92.

 

+ Uit de opgave van vicarie-goederen naast pastoriegoederen en van kosterij- en patroonsgoederen blijkt, dat Driesum een aanzienlijke parochie geweest moet zijn.

Blijkens opschrift en rekeningen is de oude kerk in 1713 afgebroken; de toren die volgens een niet meer bestaande stichtingssteen in 1469 gebouwd zou zijn, hield stand tot 1875. In 1711 werd met Egbert Michiels ‘meester timmerman in dragten’ overlegd over herstel of afbraak van de kerk. Egbert Michiels stelde voor een vaart te graven voor het aanvoeren van de materialen. Na toestemming van de grietman van Aylva, die te Bakkeveen bezocht werd kwam de vaart tot stand, waarna de oude kerk verkocht werd aan de kerkvoogd en secretaris van Dantumadeel Arnold van Idsenga.

De bouw van de nieuwe kerk werd gegund aan Pyter Roelofs, Minne Wierds en Gerrit Harms. Opzichter werd Heine Jacobi uit Buitenpost, die in de rekeningen voorkomt ‘wegens sijn verdiende salaris bij het afbreken van de oude en het opbouwen van de nieuwe kerk mitsgaders het bestek maken en opsigt op het werk te hebben’. In 1713 is volgens de rekeningen ‘76 ton duyvesteen’ verkocht. Uit de rekeningen komen de namen naar voren van diverse handwerkslieden die bij de inrichting betrokken waren (zie beschrijving).

Volgens de ‘Schoolmeester’ is in 1857 de oostelijke gracht om het kerkhof gedempt, omdat de zandweg verhard zou worden. Voordat de toren werd afgebroken in 1876 is hij opgemeten door het bureau van de Rijksadviseurs voor monumenten. De schetsen noch de uitgewerkte tekening, die volgens een inventaris Mulder aanwezig waren, zijn meer teruggevonden.

+ De in 1876 gebouwde toren bestaat uit drie door forse gecemente waterlijsten gescheiden geledingen, waarvan de bovenste door spaarvelden tussen hoekpilasters is gedetailleerd. In de tweede geleding omlijste galmgaten aan drie zijden.

+ De muren van het kerkgebouw worden door pilasters in negen traveeën verdeeld, waarvan de eerste iets breder is dan de overige en de ingang bevat; de overige zeer smalle traveeën zijn om beurten blind of wel bevatten een rondbogig gesloten venster. In het koor staan aan weerszijden van de preekstoel, die tegen de koorsluiting is opgesteld, twee kleine vensters, die kennelijk later (1876?) van een gestucte geprofileerde omlijsting zijn voorzien. Ook de halfcirkelvormige vensters in de westelijke vleugelmuren hebben gestucte geprofileerde omlijstingen.

De pilasters hebben natuurstenen bases en kapitelen. De ingangen zijn versierd met natuurstenen blokken en bekroningen, aan de zuidzijde een segmentvormig fronton, aan de noordzijde een driezijdig. Het fronton aan de noordzijde is gevuld met een cartouche waarin het bouwjaar ‘mdccxiii’ is vermeld. Daarboven een stichtingssteen in geprofileerde lijst met opschrift: ‘T.O.D.M. Praetore/Nobilissimo ac Celsissimo Domino/Do Georgio Wolfgang Z./Barone de Schwartzenbergh et Hohenlansbergh/ etc. etc. atque/Aedilibus Do Arnoldo ab Idsinga et Jacobo Dirx/hoc Templum cuius fondamenti primam posuit/lapidem Franciscus Canterus ab Idsinga/Iuvenis. Ex ruderibus veteris Templi longuinquitate temporis penitus collapsi atque/ liberalitate bonorum ita uti nunc est/ reaedificatum renovatumque:/ Anno Redemptoris nostri JesuChristi/mdccxiii’.

Boven de ingang aan de zuidzijde is een zonnewijzersteen gevat met uurlijnen en halfuurslijnen van 1 tot 12. De stijl is een driehoekszijde. De steen is gedateerd 1713.

+ Het inwendige is overdekt door een segmentvormig houten tongewelf dat op een

[p. 79]



illustratie

Afb. 91. Plattegrond van de Hervormde kerk en detail van een van de pilasters buitenwerks. Getekend 1983 naar opmeting 1944.


verbrede voorlijst rust. De muren zijn verankerd door trekbalken op tot een lijst gereduceerde sleutelstukken. Tussen de trekbalken telkens twee geprofileerde consoles per vak. De gewelfbeschieting is in de 20e eeuw van geschilderde decoratie voorzien.

De vensters zijn eind 19e eeuw van beweegbare bovenlichten voorzien met een gietijzeren middenstijl.

+ De kerk van 1713 was tegen een nog bestaande deels tufstenen toren gebouwd, die Gardenier Visscher in 1786 afbeeldt. Volgens deze betrouwbare tekenaar had de toren aan de westzijde spaarnissen en ‘tempeltjes’, niet alleen aan de basis en de top van de gevels, maar ook halverwege. Aan de westzijde zou de toren twee galmgaten gehad hebben tegen slechts één aan de noordzijde.

Volgens P. van de Heuvel naar de Provinciale Friese Courant van 30 augustus 1876 zou in de toren aanvankelijk een steen gestaan hebben met opschrift: ‘Den v April m d ccc lxxvi is aan dezen toren ter vervanging van den zeer bouwvalligen sedert 1469 bestaanden den eerste steen gelegd door D.J.V. Baron van Sijtzama Burgemeester van Dantumadeel, kerkvoogd van Driesum. De medekerkvoogden waren S.F. de Boer en G.J. Hoek. Architect H.H. Korenstra. Opzichter J.W. Duijf. Bouwmeester T.J. van der Steele te Sneek. Heil den Lezer.’

+ De kerk bezit:

+ Een tegen de oostelijke sluitwand opgestelde rijk met snijwerk versierde preekstoel met trap, achterschot en kap. (afb. 96-99). De preekstoel is geleverd door de kistemaker Jacob Ferensij te Dokkum; voor het snijwerk is Ja(e)n Oenema te Leeuwarden in 1716 betaald. Op de hoeken van de achtzijdige kuip staan op ver naar voren stekende bases getorste en omrankte kolommen met compositiekapitelen. De bovenrand is evenals de onderzijde op de hoeken ver uitgebouwd; hetzelfde profiel loopt langs het klankbord. Op het middenpaneel is een groot rococo-cartouche bevestigd gedateerd 1771, dat blijkens de rekeningen door Yge Rintjes gemaakt werd als steun voor de toen aangeschafte koperen lezenaar. De trapleuning heeft tussen blokjes korte getorste en omrankte kolommetjes. De paal is gedateerd 1714. Het ruggeschot is gevat tussen getorste omrankte kolommen met ter zijde adelaars.

[p. 80]

+ Ook de standaard voor de doopschaal is door Jan Oenema gemaakt en in 1716 betaald.

+ Op de preekstoel een bijbel met zilveren slot. Opschrift: ‘In het jaar 1714 is dese bibel door de juffrouwen Geertruid en Aurelia Haersma aan de kerk van Driesum vereerd’.

+ Over de volle breedte van de kerk loopt een doophek met ebbenhouten spijlen boven een borstwering van paneelwerk, xviiia.

+ Op de preekstoel een koperen lezenaar uit ranken met bloemen en rocailornament samengesteld (afb. 98). De lezenaar is gemaakt door Lieuwe Geerts te Dokkum blijkens de rekening van 1772; voor het model werd Yge Rintjes in 1770 betaald.

+ Eiken avondmaalstafel op forse vaasvormige poten; ebben inlegwerk deels nog aanwezig. De rekeningen melden niets over aankoop van deze tafel; hij kan dus vóór 1669 zijn aangekocht of geschonken zijn.

+ Op een in het midden uitgebouwde balustrade die op twee Ionische zuilen gedragen wordt, staat het orgel dat in 1781 bij A.A. Hinsch besteld werd (afb. 100). Dispositie bij Knock, uitg. 1968 bl. 16. Reparatie en wijziging in 1967. Het snijwerk aan de mooi geproportioneerde kast werd geleverd door F. Roiland; Jan Yges maakte de vleugelstukken, de pijpstukken en het ornament op de balustrade. In het midden van de balustrade zijn een harp en tuba en een viool voorgesteld tussen bladranken. In de schilden onder de vazen staan wapens: aan de noordzijde het wapen Van Sijtzama, aan de zuidzijde een onbekend wapen.

+ In 1778 is een nieuwe betimmering in de kerk gemaakt door Douwe Harmens.

+ Tegen de noordzijde overhuifde herenbank waarvan de kap op gesneden consoles draagt (afb. 106). De voorrand is versierd met omgekruld staand blad- en Iambrequinmotief. In het opzetstuk houden een eenhoorn en een griffioen tegen een achtergrond van wapentuig de wapens van Sijtzama en Clant, xviiib. De bank bestaat uit paneelwerk; op de hoeken vazen. De wapens wijzen op Fecco Dominicus van Sijtzama, gehuwd met Anna Clant. Van Sijtzama kocht in 1745 Rinsma State. Anna Clant was reeds in 1732 na de geboorte van haar tweede kind te Friens overleden.

Aan de zuidzijde eenvoudiger overhuifde herenbank bestaande uit paneelwerk (afb. 105). De overhuiving wordt gedragen door dunne getorste en omrankte kolommen rustend op een voetstuk uit acanthusbladeren samengesteld. In het ruggeschot het gekroonde alliantiewapen Van Haersma-Canter, wijzend op dr. Ericus van Haersma die was gehuwd met Anna Clara Canter, xviiia. Dr. Ericus Haersma was in 1710 reeds overleden; zijn weduwe bleef met de twee dochters op Canterstate wonen. De ‘Schoolmeester’ noemt deze bank bezit van de familie Knijff, die door huwelijk met een nazaat bewoner van Canterstate werd.

+ Volgens het rekeningboek moet de kerk vijf gebrandschilderde ramen gehad hebben, waarvan een door Pybe Harmens. Om een glasraam geschonken te krijgen door ‘de Hooge Collegien deser provincie’ reisden de kerkvoogden in 1713 naar Leeuwarden (S. ten Hoeve, Geschilderde glazen in Friese kerken, Publicatieband a.f.t. i, 1973, 125).

+ In de dammen tussen de vensters staan gebeeldhouwde wapenstenen, drie aan elke zijde en een in elk der aangrenzende koorsluitingszijden (afb. 101-104, 107-109).

De beide oostelijke wapenstenen, de oostelijke aan de noordzijde en de meest westelijke aan de zuidzijde zijn compleet met kroon, dekkleden, helmteken enz. De onderschriften zijn op een gebeeldhouwde doek in reliëf gehakt. De overige stenen missen de kroon en hebben een afwijkende vorm van opschriftveld. Volgens de rekeningen is de Schwarzenbergsteen in 1720 gemaakt door de steenhouwer Jan Tomas Nauta van Leeuwarden.

Het opschrift luidt: ‘Sr. Georg Wolfgang Baron van Schwarzenberg en Hohenlansberg Gritman over Dantomadeel etc. etc. etc.’ De zuidelijke eveneens gave steen met alliantiewapen Goslinga-Van Schwarzenberg draagt het opschrift: ‘Sicco van Goslinga Gritman over Franekerdeel Com. van de Academ. en Gedeputeerde Staet van Frislandt en Asannetta Sabella (sic) Baronesse toe Schwarzenberg sijn H.W.G. Huisvrou’. De laatste noordelijke (achter de Sytzama-Clant-bank) draagt de wapens van Aylva-Schwartzenberg met het opschrift: ‘Cornelis van Aylva Grietman over Wonseradeel Gecommitteerde Staet int Mindergetal en Hendrika Johanna Baronesse thoe Schwartzenberg sijn H.W.G. Huisvrou’. De meest westelijke steen aan de zuidzijde draagt het opschrift: ‘Horatius Lauta van Aysma Capitain over een Compagnie te voet ten dienste der vereenigde Nederlanden en Juf. Catherina Rekalf sijn H.W. Geb. vrouw’. Van Aysma woonde van 1707 tot 1737 op Rinsma State, was ouderling der Hervormde Gemeente en afgevaardigde ter Synode.

[p. 81]

Van de overige stenen is die voor Van Knijff wegens de vorm van het ornament duidelijk jonger en kan uit 1767 dateren, zoals er op geschilderd staat: ‘Godschalk van Knijff ende Johanna Wilhelmina van Wijckel 1767’. De opschriften op de overige stenen komen overeen met opschriften van grafzerken, die thans door de houten vloer verborgen zijn, maar door Teunissen gegeven worden.

De derde steen aan de zuidzijde, waarvan het lofwerk overeenkomt met de boven beschreven 18e-eeuwse stenen, draagt op een gebeeldhouwde doek het opschrift: Heerschap Tjepko van Goslinga ende sijn huisfrouw Juffr. Liauckema 1561 (moet zijn Liuckema)’. Teunissen geeft als opschrift van een zeer grote gebeeldhouwde steen: ‘Anno 1581 de 20 mei sterft de Edele Erentfeste Heerschap Tjepke van Goslinga. Anno 1582 den 5 mei sterf de Edele Eerbare juffrou Anna van Liaukama sijn huisfrou’. Het opschrift zal bij het maken van de vloer ter herinnering aan de fraaie zerk en de grafstede op de muursteen zijn overgebracht. Iets dergelijks zal gebeurd zijn met de steen aan de noordzijde, die wat vorm betreft veel overeenkomst vertoont met de Schwartzenbergstenen, doch een ander jonger opschriftveld heeft, waar de namen Ropta-Camstra op geschilderd zijn met bijbehorende wapentekens.

De ‘Schoolmeester’ vermeldt een zerk uit 1582 met wapen Camstra en voorts zerken voor Canter Visscher, Van Idsenga, Van Haersma Postma. Hepkema geeft (blz. 341) de volledige opschriften van een aantal zerken van de familie Canter Visscher-Idsenga-Poutsma (zie Canter State). Ook bij de verkoping van Rinsma State in 1745 wordt een ‘gehele regel grafsteenen loopende dwars door de kerk van Suydermuur tot aan de Noordermuur’ genoemd (Loonstra 13). In Rinsma State zou zich een steen bevinden, kennelijk uit de kerk afkomstig, met opschrift: ‘Dese vier graven behooren bij het slot Rinsma State te Driesum 1748 f.d.v.s.’ (Fecco Dominicus Van Sytzama) (Loonstra 14). Tenslotte de tweede steen aan de zuidzijde, die wegens de rocailvorm eveneens op de tweede helft van de 18e eeuw is te dateren en thans het geschilderde opschrift draagt ‘Osinga Aisma’. De stenen zijn kennelijk in het midden van de 19e eeuw overgeschilderd; in de collectie van het prentenkabinet van het Fries Museum bevindt zich een aantal tekeningen van A. Martin, waarop verschillende voorstellen van namen en wapens zijn uitgebeeld (afb. 110). Mogelijk zijn in de jaren waarin Martin actief was, de zerken bedekt door de houten vloer. De ingewikkelde details rond het wapen Van Schwartzenberg zijn in 1939, naar gegevens van rijksarchivaris Heerma van Voss herschilderd.

+ In de kerk hangen twee grote twaalfarms koperen kronen, xviii, en zes driearmige wandluchters. De kronen zijn mogelijk afkomstig uit de Maartenskerk te Sneek; in 1830 werden daar twee kronen verkocht aan J.G. Baron van Sytzama te Driesum (B. van Haersma Buma, De grote of S. Maartenskerk te Sneek in Publicatieband a.f.t. iii, 51).

+ Acht tekstborden, eens versierd met afhangende festoenen, zoals uit de vorm van de vleugelstukken is op te maken, xviii.

+ In de toren hangt een klok van 1617 met gotisch bovenrandopschrift: ‘int jaer ons Heeren Jesu Christi duysent ses hondert ende seventien heeft mij Hans Falck van Nuerenberg ghegoten in Leeuwarden’. Op de mantel vier alliantiewapens, waarvan de twee eerste gekroond, en de namen: ‘Juncker Jacob Rufelaert/Syadde van Bungha; Juncker Haie van/Rinia die Yunge; Lievinus Roelandts van/Ghendt minister in Driesum/ende Talle Ude dochter; Sypke Reitses ende/Hilck Gertyens dochter’. Jonker Jacob van Ruffelaert en Syadde van Bungha woonden op Rinsma State, Haio van Rinia op Ophustra.

+ Ten zuidwesten van de kerk aan de Schoolstraat staat het schoolhuis, een dwarshuis onder breed zadeldak tussen topgevels. Het pand is nog steeds eigendom van de Hervormde kerkvoogdij (afb. 112). Boven de smalle ingang is de voorgevel als Vlaamse top verhoogd en door een klokgeveltje met natuurstenen aanzetkrullen beëindigd.

Onder de krullen staat ‘Anno 1787’. Boven het venster dat door roeden in vijf maal vier ruitjes is verdeeld is een stichtingssteen aangebracht met opschrift: ‘Den 5 juni 1787 heeft de Hoogwel/geboren Frülijn Anna van Sijtzama/aan dit schoolhuis (vernieuwd omdat/het oude afgebrand was) den eersten steen gelegd/Ik ben als een phenix uit mijn eygen asch verrezen/Toen A. van Sytzama hier lag den eersten steen/Opdat voortaan de jeugd in mij worde onderwezen/Staa ik open en gereed ten Nut van 't algemeen.

E. Meinderts’. De vier benedenvensters zijn nu in zes ruiten verdeeld. Inwendig eenvoudige houten schouw en bedsteewand. Volgens de ‘Schoolmeester’ is de school in 1854 vergroot.

[p. 82]

+ Zie Rinsma State.

States

+ Buitenplaats, waarvan het herenhuis in 1947 herbouwd is met behoud van de 19e-eeuwse zijvleugels. Hoofdgebouw en zijvleugels zijn in 1970 en 1972 verbouwd tot gemeentehuis. Het gebouw is gelegen in een landschappelijk aangelegd park (afb. 92, 114-123).

 

+ r.v.a. i, 180; Teunissen, 77 e.v.; W. Loonstra, Rinsma State, familiehuis-gemeentehuis, uitgave gemeente Dantumadeel 1975.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1723 (afb. 114); tekening door J. Gardenier Visscher 1786 (afb. 115); tekening gem. j.b(ulthuis), alle in coll. Fries Museum, Leeuwarden; gravure naar j.b. in Verheerlijkt Nederland; oude foto van het huis voor de verbouwingen van 1942, coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 118).

 

+ De naam Rinsma is niet duidelijk terug te voeren op de naam van een geslacht, dat het huis bezeten heeft. De oudst bekende vermelding is die in het register van Aanbreng van 1511, waar ‘Peter op Rinsma guedd’ voor 29 pondematen venen, 10 pondemaat zaailand en 31 pondemaat meden wordt aangeslagen, ‘lantheer Take Buunghe’.

Winsemius noemt Take als edelman in Dantumadeel (Chronique, 402) en hij en Gherck moesten zich in 1492 aansluiten bij het verbond met Groningen (Pax Groningana 63,1). Ook in 1444 komt een Take Buunghe voor, die met zijn zonen Gherck en Reneke vrede sluit met de stad Groningen (Pax Groningana 10,1). Deze Take was in 1423 eeheer (bijzitter) in Dantumadeel (Sipma i, 38) en baarsman (arbiter) in 1431 in een geschil tussen Klaarkamp en ene Popke te Lichtaard. Take uit 1511 was gehuwd met Ytsen Petersdr. Aylva en had een zoon Peter, die waarschijnlijk identiek is met ‘Peter op Rinsma guedd’. Deze huwde Machteld van Wou uit Kampen, die met de erfgenamen van haar man in 1538 processen voerde (Berns, 18, yy 3, 73 en 18, ww 2, 232 en 922). Peter en Machteld hadden waarschijnlijk geen kinderen en we kunnen aannemen dat Peters broeder Wopcke Taeckes Buwinga na Peters dood eigenaar van Rinsma werd. Hij huwde Oettien Willemdr. Heemstra, maar is voor 1543 reeds overleden, een drietal minderjarige kinderen nalatende, waarover Johannes van Heemstra voogd werd (Berns, 18, yy 6, 270).

Een dier kinderen tekende het Verbond der Edelen en hij en zijn broer stonden bekend om hun anti-Spaanse gezindheid. Willem werd dan ook in 1569 verbannen (Charterb. iii, 762). Winsemius en Schotanus verhalen van zijn avonturen, die in 1568 op het schavot te Brussel eindigden. Waarschijnlijk liet hij geen kinderen na en werden zijn broer Taecke en diens echtgenote Griet Andriesdr. nu bewoners van Rinsma State. Bij zijn dood vóór 1589 liet Taecke grote schulden na, waarschijnlijk ontstaan om hem los te kopen na het verraad, waarvan ook zijn broer Willem het slachtoffer was geweest (Berns, 21 iii, 108 e.v.).

Een dochter van Wopke Taeckes, Siadde genaamd, woont in 1614 met haar man Jacob Ruffelaers ‘tot Bungha’ te Driesum (Berns 65, n i, 384; vgl. opschrift van de klok in de kerktoren). Zij is waarschijnlijk vóór of in 1617 overleden, daar haar man dan voor zijn dochter Sijadtcke 130 Goudguldens betaalt aan Pieter Sickes, timmerman te Kollum wegens het ‘opmaecken vant huis tot Rinsma tot Driesum’ en 10 Goudguldens, 20 stuivers aan Claes Jellesz, kistenmaker te Kollum wegens ‘kistmakerij int vs. huijs’ (Berns 65, n2, f 67 en 68). In 1638 wordt Wichman Woltersz genoemd, gardenier van hopman Ruffelaert, die 100 Carolusguldens en nog eens 200 Carolusguldens schuldig was aan Wigbolt Riencx, gardenier tot Bergum wegens gekochte bomen. Jacob Ruffelaers heeft toen dus een tuin laten aanleggen. Hij testeerde 27 november 1652 op Rinsma State (Berns 20, eee i, f. 210), waarbij zijn dochter Siadde de helft erfde van de sate en state met de ‘huysingen, schuijre, hovingen ende plantagie, met noch den koetsbedstede op den sale van dien staende en de enterije ten noorden van de homeije der voors. sate leggende.....met de bomen, plantagie, prijellen enz.’ zoals die door de testator na de boedelscheiding met Siadde door hem waren aangelegd en aangekocht. Siadde van Ruffelaerd huwde in 1652 eerst met Joas van Roeland en later met Syrach Hotsesz van Aysma. De laatste was een broeder van haar schoonzoon, met wie haar dochter, eveneens in tweede echt, was gehuwd. Aldus kwam het huis in ieder geval in de familie van Aysma en wel aan Horatius, zoon van Siadde's dochter. Horatius Lauta van Aysma

[p. 83]

huwde Catherina Recalf en zij vestigden zich in 1707 in het familiehuis. Van hen vinden we ook wapenstenen en graven genoemd in de kerk te Driesum.

Horatius overlijdt in 1745, waarna zijn zoons het huis verkopen aan Fecco Dominicus van Sytzama. Volgens Loonstra liet deze het oude huis afbreken en een nieuw bouwen op dezelfde plaats. De wapensteen, die thans in de hal is ingemetseld, herinnert hieraan. Er wordt gesproken van een formele tuin binnen een vierkant. De Van Sytzama's bezaten ook Beslinga State te Friens, waar Fecco Dominicus is overleden en waar zijn rouwbord in de kerk hangt (Publicatieband a.f.t. ii, 28-29). Rinsma State bleef tot 1931 in het bezit van de familie Van Sytzama, toen het in een stichting werd ondergebracht.

Volgens Loonstra zou het 18e-eeuwse huis in 1843 zijn afgebroken en herbouwd onder Douwe Jan Vincent van Sytzama, grietman en sedert de gemeentewet van 1851 eerste burgemeester van Dantumadeel. De oude wapensteen werd herplaatst, zoals op een foto van het huis te zien is (afb. 118). Volgens Loonstra werd het gebouwd door (architect?) Van der Wal, die tevens een huis bouwde voor J.H. Teunissen, waarin een gedeelte van de 18-eeuwse betimmering werd toegepast. Teunissen had een gardeniersbedrijf. De jongste dochter van burgemeester Van Sytzama bracht het huis in 1928 onder in de Van Sytzamastichting tot instandhouding van een ‘bosch- en wandelpark Rinsma State’ te Driesum. Van de inventaris werd boelgoed gehouden.

Na enige jaren leeg gestaan te hebben, werd het huis in 1941 als bejaardenhuis ingericht. In 1944 is het geraakt door een bommenvracht, die uit overvliegende vliegtuigen gelost werd en is het middengebouw uitgebrand. Het werd in 1947 herbouwd voor dezelfde bestemming, die het tot 1964 behield, toen de bejaarden in een nieuw tehuis werden ondergebracht. In 1970 tenslotte is het gebouw voor rekening van de Van Sytzamastichting verbouwd tot gemeentehuis, dat er in 1971 werd gevestigd (afb. 121).

+ De tekening van Stellingwerf (afb. 114) geeft kennelijk het vóór 1617 door Siadde van Bungha en Jacob Ruffelaer gebouwde huis weer. Verkoopomschrijvingen van 1707 en 1745 spreken van ‘twee gewelfde kelders, acht kamers, voorhuis, keuken, drie zolders, alsmede een schuur staande op het hiem, voorzien met twee kamers en een melkkamer, stallinge en een hooysolder, hovingen, bloemtuin en plantagien so binnen als buiten de gracht en een vijver rondsom liggen....Mitsgaders een kleine boerenhuizinge daernaest met sijn hoff’ Het onderkelderde gedeelte is op de tekening van Stellingwerf niet te herkennen.

Het in 1745 herbouwde huis zien wij op de schets van Gardenier Visscher en de tekening van Bulthuis (afb. 115). Dit huis had een volslagen andere opzet en heeft aan de voorzijde het aanzien van een landelijke deftige woning zonder verdieping en met een zogenaamde Vlaamse gevel boven de middelpartij, waarin boven de ingang de wapensteen is gevat, die in het tegenwoordige raadhuis nog bewaard wordt (afb. 116). Mogelijk bevatte het huis toch meer dan de frontgevel doet vermoeden en moet men een tweede bouwlichaam aannemen, waarop de vlaggestok staat, die nog juist achter de topgevel te zien is. De kadastrale minuutkaart geeft inderdaad een diepe achterbouw weer. Achter het tegenwoordige middengedeelte, dat deels onderkelderd is, werden bij grondwerkzaamheden kelders aangetroffen (vriendelijke mededeling W. Duinkerken). Rechts ter zijde ziet men op de 18e-eeuwse tekening nog juist een gedeelte van de boerenhuizing. De tuin zien we aangelegd met dichte geschoren hagen, waarachter loofbomen opschieten. Tegen de achtergrond van de hagen aan staken opgebonden planten.

Van het 1843 herbouwde huis bestaat een oude foto, die een blokvormig huis weergeeft met een verdieping en laag dak, zoals omstreeks 1840 gebruikelijk was. De ingang staat weer in een smal middenrisaliet, doch nu zijn er drie vensters aan weerszijden. Naast het hoofdgebouw zijn dienstvleugels opgetrokken. Rondom het huis een park in landschapsstijl. De dienstgebouwen zijn in aanleg nog aanwezig, alleen het middengebouw is na de brand van 1944 herbouwd. In de vleugels zijn in 1972 de trouwzaal en raadzaal getimmerd.

+ Het park tekent zich in het landschap af als een diep met loofhout beplant perceel. De kadastrale minuut van omstreeks 1820 geeft het gebouw weer voor de herbouw van 1843, gelegen in een rechthoekig omgracht perceel, dat in rechthoekige velden is verdeeld. Het tegenwoordige landschappelijke park strekt zich voor en achter het huis uit. Voor het huis is het driehoekig perceel, dat tussen het oude terrein en de voor

[p. 84]

Rinsma State schuin weglopende rijweg lag, bij de tuin getrokken. In de scherpe hoek is van de grond die verkregen werd bij het graven van een kronkelende vijver, een heuvel opgeworpen, waarop een schuilhut van boomstammetjes staat (afb. 119). Rechts van het huis werd de omringende smalle waterloop onregelmatig verbreed en een heuvel opgeworpen als begrenzing met het naastgelegen land met de boerderij. Ook achter het huis is een onregelmatige vijver gegraven in verbinding met een gedeelte van de gracht, die het oude rechthoekige perceel omgaf. Over deze romantische tuin bleef van het huis het uitzicht op de grote weide bestaan (afb. 123). Tuin en weide zijn omgeven door aan weerszijden een brede laan; aan het einde van de oostelijke laan is opnieuw een heuvel opgeworpen, waarop een schuilhut staat (afb. 121). Van die heuvel had men uitzicht op de Petsloot.

+ In de hal is de wapensteen van het oude huis ingemetseld: het wapen is opgesteld op een voetstuk geflankeerd door kanonmonden; als achtergrond dienen krijgsvanen en pieken. De dekkleden hebben rococovormen, evenals de bekroningen van de draperie, waartegen het geheel is opgesteld. Ter zijde geschubde velden (afb. 116). De steen is te zien op de tekeningen van Gardenier Visscher en Bulthuis boven de ingang van het huis en zou dan in 1745 geplaatst zijn.

+ Portret van D.J.V. Baron van Sytzama door H.A. Pothast, 1886 (afb. 117).

+ Voor tuinmanswoning zie Van Sytzamaweg 37.

 

+ Ten zuiden van Driesum staat op de Schotanus-kaart een adellijk huis getekend, Ophustra en naar de eigenaars later Rinia geheten. Op de uitgave van 1718 wordt er geen naam meer bij gezet.

+ In het Fries Museum wordt een foto bewaard van een gevelsteen met de wapens Rinia-Liuckema, die van deze state afkomstig zal zijn (afb. 111).

 

+ Teunissen, 88 e.v.

 

+ Ophustra-state wordt vrij laat pas voor het eerst vermeld: in 1543 krijgen de pastorie en de vicaris rente uit ‘Ophustrera guedt’, bewoond door ‘Swarte Maeke’ (Benef. 187). De state moet toen eigendom zijn geweest van Syds Tjaerda, die het goed in 1540 bij testament toedacht aan zijn dochter Kinsck, die met de knecht Frans Sijtsma had moeten trouwen (archief Tjaerda portef. 29b). In 1609 worden Haio van Rinia en Catherina van Goslinga als eigenaars op ‘Ophuistrazaete’ genoemd (Berns 64, k 1, 270). Het stamboek zegt dat Haio's ouders te Driesum woonden; Haio woonde in 1608 op Jarla te Wetsens (Berns 64 n1, 138). Hun dochter Paerck woonde wel te Driesum en overleed daar ongehuwd; haar broer Haio was er in 1629 kerkvoogd (Berns 65, n3, 182) en in 1636 dijkgraaf van Dantumadeel (ib. 64, k3, 146). Volgens de gevelsteen zou hij zich vereeuwigd hebben en er belangrijke verbouwingen hebben laten verrichten of mogelijk een poortgebouw hebben laten oprichten of wijzigen. Hij was gehuwd met Beatrix van Liauckema, die van r.k. huize was. Op de torenklok wordt zij dan ook niet genoemd; wel komt haar wapen er op voor geallieerd met dat van Haio. Volgens Teunissen was de wapensteen in zijn dagen nog ingemetseld in de boerderij ter plaatse en stond er een jaartal 1624 bij. In 1640 noemt het stemkohier zijn weduwe eigenaresse van het goed, dat dan Rinia State heet. Zij wordt als papist aangeduid. In 1660 wordt het goed onder naamgenoten verkocht: Haio van Rinia uit Huizum koopt de state van Juliana van Rinia te Leeuwarden. De naam Juliana komt voor in de familie Liauckema van Sexbierum. Volgens Teunissen was zij de oudste dochter van Haio en Beatrix.

Het goed wordt dan omschreven als ‘met d'huysinge, schuijre, hovingen, boomen ende plantagie’ en met de ‘leegersteede inde kercke te Driesum in voegen die van jr. Sicco van Paffenrode affgecoomen is’ (Berns 65, n1, 138). Volgens het stemkohier van 1698 was de state toen in burgerhanden gekomen: eigenaar was toen Douwe Andries, lakenkoopman te Dokkum, die het goed echter weer aan Tiaerd van Aylva verkocht (Berns 17, ss 64, nr. 27). Na de kaart van Schotanus-Halma uit 1718 zijn ons geen gegevens bekend.

 

+ Als vroegste bewoner van Halbada-state wordt genoemd Wobba Gherliffs, die in 1474 door de Schieringers gevangen gezet wordt op Grouwestins bij Engelum (Worp iv, 121, 122). Hij werd naderhand ingeruild tegen Ado Jongema uit Rinsumageest. Behalve een

[p. 85]



illustratie

Afb. 92. Plan van de beplanting van de 19e-eeuwse landschappelijk aangelegde tuin rond Rinsma State, gezien uit het noorden. Opgenomen en getekend 1982.


[p. 86]

huis te Driesum bezat Wobba ook een stadshuis (‘op de hueck boven die Ee an die Olde brugge’). Als Wobba Gherlfsma komt hij voor in het brievenregister van Hemma Odda (Sipma iv, 70, 118). Hij zegelde nog in 1491 en 1492 (ib. 1, 387, 393). Wobba overleed vóór 1505, want dan wordt Syds Wobbes als hoofdeling in Dantumadeel genoemd (Winsemius 402). Sijdts maakte in 1506 een scheiding met zijn halfbroer Wijbren Roerda te Genum betreffende goederen, welke hun moeder Ethie had nagelaten. Wijbren kreeg daarbij toegewezen zeven rijnsgulden rente uit ‘Halbada statha’ waarop wijlen Wobba en Ethie waren overleden (Sipma iv, 155). Van deze rente vinden we in 1511 niets vermeld (r.v.a.). Halbada-state is dan 86 pondemaat groot en is het eigendom van Sijds Wobbis. Schelte Tiaerda kreeg daaruit 12 stuivers wat misschien 12 florijnen moet zijn. Immers in het testament van Scheltes zoon mr. Sijds Tziaerda, wordt 12 florijnen rente uit Wobbema-state te Driesum toegewezen aan Anna Sijdtsdr. Tziaerda (fam. archief Tjaarda nr. 1540). Syds Wobbesz was anti-Bourgondisch gezind. Jeppe Stanye mag namelijk de schade die hem door Syds was toegebracht op hem verhalen (Charterb. ii, 337).

Het testament van mr. Sijds Tjaerda geeft nog deze bijzonderheid dat deze rente in ‘die twie goeden toe Dresum (ligt), die Feije ende Sijds Roerda gebroeders ende Lijvve Hette (Albada), hoer swaeger daer hebben; die welcke twee goeden voertijts een saete ys gewest ende doe ter tijt genoempt is Wobma Weijde’. Omdat de gebroeders Roorda te Genum woonden en Lieuwe Hette Albada te Poppingewier, kunnen we aannemen dat de states Halbada en Wobbema sinds het begin van de 16e eeuw geen adellijke bewoners meer gehad hebben. De states worden dan ook niet meer aangegeven op de Schotanuskaart.

Woningen en boerderijen

+ Boerderij van het kop-hals-romptype waarbij de hals bijzonder kort is en slechts de ingang bevat (afb. 129). Het voorend is sterk gerestaureerd en draagt in de nok een jaartalanker 1814. Langs de zijden van de top beitelingen doch geen houten deklijsten (meer). De schuur is blijkens de gietijzeren vensters eer midden 19e-eeuws.

+ Boerderij van het type waarbij het woongedeelte vrij voor de schuur staat en gedekt is door een zadeldak tussen topgevels, waarvan de nok evenwijdig aan de weg loopt (afb. 130). In de topgevel kleine lichtkozijnen; ingang in de voorgevel. Daar dit pand reeds voorkomt op de kadastrale minuutkaart is het vóór omstreeks 1820 ontstaan.

+ Boerderij van het kop-hals-romptype evenwijdig aan de weg gebouwd (afb. 128). Het korte voorhuis heeft een kelder tegen de achtergevel. Voorgevel met beitelingen langs de zijden van de top en houten deklijsten. Het nokanker vormt het bouwjaar 1786.

Omgaande bakgoot en borden op de beide schoorstenen van het vooreind. Hoewel de kadasterminuut zulks niet aangeeft is het terrein door een gracht en een boomsingel omgeven.

+ Boerderij van een zeldzaam type. Het brede voorhuis heeft een zadeldak tussen topgevels, dat haaks op de nok van het schuurdak staat, met dien verstande dat het voorste dakschild doorloopt als voorschild van het schuurdak, dat met pannen is gedekt, terwijl de zijvlakken van het schuurdak met riet gedekt zijn (afb. 133). Het type wordt wel het Bergumermeer-type genoemd (J.J. Spahr van der Hoek en Y.N. IJpma, Tietjerksteradeel, Leeuwarden 1978, 97). De voorste nokbeëindiging van het schuurdak wordt door een grote schoorsteen met bord gevormd; boven de zijtopgevels staan ook schoorstenen, die oorspronkelijk stellig ook door borden gedekt waren. De zijtopgevels hebben beitelingen langs de zijden. Daar op de kadastrale minuutkaart op dit terrein een boerderij van het kop-hals-romptype staat aangegeven met de as in oost-westrichting, moet de tegenwoordige vorm van na 1820 dateren. Mogelijk is het woongedeelte deels behouden gebleven en is alleen de schuur verplaatst. Slechts een kozijn aan de voorgevel staat op de oorspronkelijke plaats.

+ Ten westen van de boerderij die oorspronkelijk tot Rinsma State heeft behoord, staat in tegenstelling tot de laatstgenoemde, evenwijdig aan de weg een grote boerderij van het kop-hals-romptype in het nokanker van het voorhuis gedateerd 1843 (afb. 132). Het voorhuis heeft een grote schoorsteen op elke topgevel, oorspronkelijk beide gedekt door borden.

+ Aan de noordzijde van de weg gebouwde tuinmanswoning bij Rinsma State, gedekt door twee evenwijdige kleine zadeldaken, die aan de voorzijde over de topgevels steken

[p. 87]

en eindigen tegen boeiborden met houtsnijwerk. In de toppen kleine ronde vensters met gietijzeren rozetten. De vensters in de voorgevel hebben negen ruiten, in de zijgevels staan er zes. De woning zal kort na de herbouw van Rinsma State in 1843 gebouwd zijn.

+ Boerderij van afwijkend type. Het brede voorhuis staat evenwijdig aan de weg en is gedekt door een zadeldak tussen topgevels; evenwijdig daaraan staat een schuur, waarvan de ingang in de lengtegevel is (afb. 131). De ingang van het voorhuis is in de voorgevel; de bedsteden waren blijkens het keldervenster tegen de achtergevel. Topgevels met beitelingen langs de zijden waarover houten deklijsten. Kleine zesruitsvensters in de toppen. Ook de vensters van de begane grond hebben zes ruiten. Na 1820 gebouwd.

+ Thans verdwenen keuterijtje onder rieten dak (afb. 136). Kleine zesruitsvensters, die asymmetrisch in de voorgevel stonden wegens huishoudkeldertje en bedsteden tegen de buitenwand. Het schuifkozijn in de zijgevel had vijfentwintig kleine ruiten, xviii.

Gehucht Oostwoud

De bebouwing ten oosten van de terreinen van Rinsma State wordt samengevat onder de naam Oostwoud.

+ Vrij grote boerderij van het kop-hals-romptype, de schuur geheel met riet gedekt, xix (afb. 134, 135). Het voorhuis heeft twee topgevels met houten lijsten gedekt en door grote schoorstenen met borden bekroond. Zesruitsvensters, die asymmetrisch in de voorgevel staan wegens de kast-bedstedenwand tegen de ‘binnengevel’. Inwendig betegelde kamer met omlijst tableau op de schouw en voorkamer met betimmerde schouw. Op het terrein een vuurhut.

+ Keuterboerderij van het kop-romptype blijkens de rollaag, langs de kanten van de topgevel xixb ontstaan (afb. 138). Dakgoot langs de voor- en zijgevel. Blijkens plaatsing van de vensters in de voorgevel was er een bedstedenwand tegen de ‘binnengevel’ boven een keldertje.

+ Oorspronkelijk kleine boerderij van het kop-romptype, thans woonboerderij (afb. 137). De voortopgevel heeft rollagen langs de kanten, twee kleine topvensters en een nokanker dat het jaartal 1859 vormt. Boven de vensters hanekamstrekken. Ter zijde vuurhut.

+ Dubbele arbeiderswoning die waarschijnlijk bij de boerderij ten oosten heeft behoord. Beide woningen hebben een gemeenschappelijk schilddak en zesruitsvensters, xixb.

+ Grote boerderij van het in Friesland overigens ongebruikelijke, doch in deze omgeving enige malen voorkomend stelptype, waarbij het voorhuis aan drie zijden vrij voor de schuur is gebouwd; de dakvlakken zijn de voortzetting van de kap boven de schuur (vergelijk boerderij Starkenborg te Sybrandahuis en op Canter State). Mogelijk is hier dezelfde architect als bij Starkenborg de ontwerper in opdracht van Van Sytzama, en is ook deze boerderij omstreeks 1870 ontstaan. Ingang in het midden van de voorgevel, waarboven een gemetselde dakkapel met versiering in het tympaan.

Industriemolen

+ In 1622 wordt door Winsemius (Beschrijvinghe, achter de Chronique) alleen te Driesum een ‘heerlijcke windmeulen’ genoemd. Ook deze werd in 1639 op de lijst van niet rendabele molens geplaatst; in 1714 werd de molen evenmin rendabel geacht en zelfs getaxeerd om gesloopt te worden. Hij moest 550 guldens en 10 stuivers opbrengen. Ook deze sloop werd echter uitgesteld, maar tussen 1739 en 1751 moet de molen gesloopt zijn (vriend. mededeling D.M. Bunskoeke). De Schotanuskaart tekent de molen ten zuiden van het dorp op de weg naar Ophustra State (vgl. Van der Molen, Gemaal).

Driesumer terp

+ Ten noorden van het dorp op de Driesumer terp lag Canter State.

 

+ r.v.a. i, 180, T.E. Teunissen, 59 e.v.

+ Tekening van J.S. Stellingwerf in coll. Fries Museum (afb. 125).

 

+ Teunissen vermeldt de geschiedenis van familie en huis als volgt: Claes Tymens, in 1511 in het Register van den Aanbreng ‘op de terp’ gelokaliseerd, was gehuwd met Rinsk Canter, dochter van Jacobus Canter, burgemeester van Leeuwarden, en woonde te Dokkum. Hun dochter Anna huwde Jacob Adams, ook genaamd Canter. Hun jongste zoon Frans Jacobs, burgemeester van Leeuwarden in 1576, erfde het Huis; op

[p. 88]

de gevel zouden zijn wapens gestaan hebben. Hij testeert in 1565 en bezwaart het goed met fidei-commis. Frans Canter krijgt in 1663 van zijn ouderlijk erfdeel de ‘huysinge, hof en cingel, langhuis ende hornleger Canter State genaamt’, gelegen op de Driesumer terp, behalve een half hornleger waarop voorheen Franckena-huizinge heeft gestaan. De dochter van Frans is Anna Clara, gehuwd met Eercke Haersma, wier huis in 1722 wordt afgebeeld door J. Stellingwerf. E. Haersma werd burgemeester van Harlingen, doch is gestorven op Canter State in 1710. In 1704 zou hij het slot hebben laten verbouwen. De jongste dochter van Eercke en Anna Clara is in 1722 gehuwd met Titus Sloterdijck te Hallum en zou op Canter State gewoond hebben tot 1762; in 1761 voegde zich daarbij haar neef Poutsma, zoon van haar zuster Aurelia. Een van zijn dochters huwde Van Knijff van Meekma State te Ferwerd. In 1782 werd Canter State te koop aangeboden: ‘de Heerenhuizinge op Drysumerterp, Canter State genaamd voorzien van 7 kamers, keuken, kelder, met twee zomerhuizen, hoveniershuis en drie tuinen liggende in cingels en grachten’. De koop gaat echter niet door; Anna Clara (Poutsma) verwerft het goed in 1801 en in 1803 verkoopt Van Knijff Meekma State.

Als het huis tenslotte in 1855 op afbraak verkocht wordt, heet het voor weinig jaren gebouwd te zijn en elf kamers te bevatten. De beschrijving ervan geeft Teunissen kennelijk uit zijn eigen familiepapieren uit 1846: het zou in 1807 nieuw gebouwd zijn en had aan weerszijden van het ingangsbordes vier vensters. Boven de ingang staat de aloude wapensteen met kwartierwapens en herinneringen aan verbouwingen in 1577, 1665 en 1704. Er waren twee zomerhuizen, waarvan er een bewoners had die boodschappen aannemen moesten, en een schiphuis. Tussen beide singels waren wandelpaden en zuidelijk van het huis tuinen en park waarin een visvijver. Na verkoop voor f 3000, - wordt het huis afgebroken.

+ Het door Stellingwerf voorgestelde huis ziet er nog geheel 17e-eeuws uit en kan niet veel vertrekken hebben bevat, hoogstens de zeven kamers die in 1782 vermeld worden. Zelfs voor een verbouwing uit 1665, die Frans Canter na de boedelscheiding van 1663 tot stand gebracht zou kunnen hebben, ziet het afgebeelde huis er ouderwets uit. Naast de ingang was een opkamer naar vroeg 17e-eeuwse trant. Mogelijk is de aanbouw onder de aankapping een latere toevoeging. Ook de verbouwing van 1704 kunnen we uit hetgeen Stellingwerf afbeeldt, niet herkennen. De verbouwingen zouden dan slechts betrekking moeten hebben op inwendige verfraaiingen, waarvan mogelijk de forse schoorstenen met smeedijzeren bekroningen getuigen. Het door Teunissen beschreven gebouw kan datgene zijn, dat op de kadasterminuut binnen de grachten en aan het einde van de oprijlaan staat, en zou dus voor 1820 gebouwd moeten zijn. Langs de oprijlaan staan twee boerderijen en direct achter de grachten nog een (afb. 89).

+ Thans staat op het State-terrein een grote boerderij van het stelptype met een aan drie zijden vrijstaand woongedeelte, zoals er in de tweede helft van de 19e eeuw in deze streek enige gebouwd zijn (afb. 124). De melkkelder was aanvankelijk rechts in de voorgevel. De ingang en vensters van het woongedeelte kwamen daardoor hier asymmetrisch links in de gevel te staan. Het zeer brede pannen gedekte voorschild van het dak is bekroond door een grote schoorsteen met bord, waarin alle rookkanalen samenkomen.

+Aan de Wouddijk staat een boerderij van het kop-hals-romptype. Het voorhuis is gevat tussen topgevels, waarvan de voorste door rollagen gedekt is. Boven de kozijnen flauw gebogen hanekamstrekken, xixd-xx (afb. 126-127). In de achtergevel is een gevelsteen toegepast, die in 1930 door Minnema getekend werd als hekpaalbekroning, gehouden door een leeuwtje (coll. Fries Museum Leeuwarden). Mogelijk gaat het om de steen waarvan de ‘Schoolmeester’ schrijft dat hij van ‘Potterstate’ afkomstig is.

[p. 89]



illustratie

Koperen cartouchevormige plaat, gedateerd 1771 op de preekstoelkuip voor de aanhechting van de lezenaar. Opname 1974.


[p. 90]



illustratie

Afb. 93. De kerk door J. Stellingwerff getekend in 1722 met de laat-middeleeuwse toren.




illustratie

Afb. 94. De zonnewijzer boven de zuidelijke toegang van de kerk. Opname 1975.




illustratie

Afb. 95. De kerk uit 1713 met de 19e-eeuwse toren. Opname 1974.




illustratie

Afb. 96. De preekstoelkuip uit 1714 met de koperen lezenaar en de gesneden versiering op het middenpaneel uit 1771. Opname 1974.


[p. 91]



illustratie

Afb. 97. Het inwendige van de kerk naar het oosten gezien. Opname 1974.




illustratie

Afb. 98. De koperen lezenaar door Lieuwe Geerts uit 1771. Opname 1974.




illustratie

Afb. 99. Het achterschot van de preekstoel. Opname 1974.


[p. 92]



illustratie

Afb. 100. Het orgel door A.A. Hinsch uit 1781 en orgelbalkon met snijwerk door Jan Yges. Opname 1974.




illustratie

Afb. 101. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 102. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 103. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 104. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.


[p. 93]



illustratie

Afb. 105. Herenbank omstreeks 1710 met wapens Haersma-Canter, bewoners van Canterstate. Opname 1974.




illustratie

Afb. 106. Achttiende-eeuwse herenbank met wapen Sytzama-Clant, welke familie in 1745 eigenaar van Rinsma State werd. Opname 1974.




illustratie

Afb. 107. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 108. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 109. De gebeeldhouwde wapenstenen in de dammen tussen de vensters en in het koor. Een aantal heeft later gewijzigde wapenfiguren en opschriften en is van de kroon boven het wapen beroofd. Origineel zijn de stenen nrs. 102, 107 en 108, waarvan de eerste in 1720 door Th. Nauta is gemaakt. Opnamen 1974.




illustratie

Afb. 110. Tekening door A. Martin van een cartouche van een gevonden zerk met wapen Goslinga-Liauckama; vgl. afb. 104.


[p. 94]



illustratie

Afb. 111. Reproduktie van een foto van een wapensteen Rinia-Liauckama van Rinia State. Verblijfplaats onbekend. Opname 1931.




illustratie

Afb. 112. Het schoolhuis uit 1878 met Vlaamse topgevel. Opname 1974.




illustratie

Afb. 113. Het dorp Driesum, einde 19e eeuw getekend door J. Gardenier Visscher met de laat-middeleeuwse toren en twee hoefsmids-travaljes.


[p. 95]



illustratie

Afb. 114. Rinsma State getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 115. Rinsma State, na 1745 getekend door J. Gardenier Visscher.




illustratie

Afb. 116. De wapensteen Sytzama in de hal van Rinsma State. Opname 1983.




illustratie

Afb. 117. Portret van burgemeester Van Sytzama door H.A. Pothast, 1886.




illustratie

Afb. 118. Het in 1843 herbouwde Rinsma State omstreeks 1900. Naar foto in coll. Fries Museum.


[p. 96]



illustratie

Afb. 119. Houten prieel op de heuvel achter in het park van Rinsma State. Opname 1983.




illustratie

Afb. 120. Houten prieel in het voorste gedeelte van het park rond Rinsma State. Opname 1983.




illustratie

Afb. 121. Rinsma State in het landschappelijk aangelegde park gezien van het westen met het stalgebouw uit 1843. Opname 1974.




illustratie

Afb. 122. De woning over de rijweg ten noorden van de state. Opname 1983.




illustratie

Afb. 123. Reproduktie naar foto begin 20e eeuw van de vijver en de parkaanleg achter Rinsma State.


[p. 97]



illustratie

Afb. 124. De boerderij op Driesumerterp van het stelptype omstreeks 1870. Opname 1983.




illustratie

Afb. 125. Canterstate op Driesumerterp, getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 126. Wapenleeuwtje in de achtergevel van boerderij Wouddijk 3. Opname 1983.




illustratie

Afb. 127. Boerderij Wouddijk 3 van het kop-hals-romptype uit omstreeks 1900. Opname 1983.


[p. 98]



illustratie

Afb. 128. Boerderij aan de Achterweg 14, in het nokanker gedateerd 1786. Opname 1983.




illustratie

Afb. 129. Boerderij aan de Achterweg 6, volgens het nokanker gebouwd in 1814; gerestaureerd in 1983. Opname 1983.




illustratie

Afb. 130. Boerderij Achterweg 12 met dwars voor de schuur staand woongedeelte; gebouwd voor 1820. Opname 1983.


[p. 99]



illustratie

Afb. 131. Boerderij Voorweg 6, waarvan de schuur evenwijdig aan het dwars geplaatste woonhuis is gebouwd; na 1820 ontstaan. Opname 1983.




illustratie

Afb. 132. Grote boerderij ten westen van Rinsma State van het kop-hals-romptype met lang voorhuis; in nokanker gedateerd 1843. Opname 1983.




illustratie

Afb. 133. Boerderij ten westen van bovenstaande, van het zogenaamde Bergumermeertype, ontstaan na 1820 ter vervanging van een boerderij van het kop-hals-romptype. Opname 1982.


[p. 100]



illustratie

Afb. 134. Tegeltableau op de schouw in de boerderij Oostwoud 3. Opname 1983 en fotomontage van enige tegels.




illustratie

Afb. 135. Boerderij Oostwoud 3. Opname 1976.




illustratie

Afb. 136. Thans verdwenen keuterijtje aan de Voorweg. Opname 1967.




illustratie

Afb. 137. Boerderij Oostwoud 9 van het kop-hals-romptype met korte hals, in nokanker gedateerd 1859. Opname 1976.




illustratie

Afb. 138. Midden 19e-eeuws keuterijtje Oostwoud 4 van het kop-romptype. Opname 1977.