Het dubbele gedenkjaar

De twee antipoden: Multatuli en Vondel ‘Van binnen-uit’ en ‘van buiten af’

ZELFS VOOR MENSCHEN, die een geringe ambitie hebben voor het vieren van herdenkingsjaren, is het jaar 1937 toch niet van bekoring verstoken; want Nederland herdacht in dit jaar 1937 twee schrijvers, die in vrijwel ieder opzicht elkaars antipoden zijn: Multatuli en Vondel.

 

Die tegenstelling heeft ook haar stempel gedrukt op de viering der herdenkingsdata. Zooals duidelijk genoeg gebleken is, is Multatuli nog steeds de impopulaire, hoogstens als curiositeit schichtig bewonderde, maar eigenlijk hartgrondig antipathiek geachte auteur, die hij altijd geweest is (afgezien van een groep trouwe Multatulianen, die buiten hun afgod om geen heil kennen). Men heeft niet geschroomd alle praatjes weer op te halen, die sedert het optreden van den man van Lebak in omloop zijn gebracht, en die nog altijd met genoegen worden verder gecolporteerd. De herdenking was een aangelegenheid van eenige bevolkingsgroepen zonder veel officieel karakter hetgeen trouwens volkomen in overeenstemming is met den invloed, dien Multatuli ook thans nog van mensch tot mensch uitoefent. Volkomen daarmee weer in overeenstemming is het feit, dat in dit Multatuli-jaar drie nieuwe werken over E. Douwes Dekker zijn verschenen, die er alle op wijzen, hoe weinig ‘gestabiliseerd’ de valuta van dezen schrijver nog zijn: ‘Multatuli en de Zijnen’ door dr Julius Pée, het type van den ‘ouderwetschen’ Multatuliaan, zonder veel critiek op zijn held, maar met geestdrift geladen: ‘Eduard Douwes Dekker’ door J. Saks, den socialistischen anti-Multatuliaan ‘De Man van Lebak’ door E. du Perron, den individualistischen, maar critischen bewonderaar van den ‘mensch’ tegenover de ‘ambtenaren’. (Op de beide laatste boeken kom ik binnenkort uitvoerig terug. Uit die publicaties blijkt, dat er in het Multatuli-jaar 1937 nog geen geheiligde Multatuli-traditie bestaat, dat, met andere woorden, Multatuli nog steeds een levende waarde is in het Nederlandsche cultuurleven.

De mensch der barok

Uiteraard is het met Vondel anders gesteld. Hij is in de laatste weken zoo pompeus herdacht, dat men er gemakkelijk toe zou komen zijn invloed op onze natie te hoog aan te slaan. Een onzer dichters heeft over hem gesproken voor de Vereeniging voor Huisvrouwen, en elders wordt een Vondel-optocht aangekondigd met een thé dansant na. Vondel is, in tegenstelling tot Multatuli, een officieele traditie geworden; dat er veel nieuws over hem te berde is gebracht in de ontelbare redevoeringen en artikelen, die aan hem werden gewijd, zou ik niet durven beweren. Men verschilt ook over Vondel van meening, ongetwijfeld; maar die meeningsverschillen hebben een anderen ‘inzet’, zij zijn academischer van toon, dan de woedende tegenstellingen inzake Multatuli. Aan de hoofdzaak, Vondels exceptioneel dichterschap, raakt niemand, omdat het dwaasheid zou zijn daaraan te twijfelen. De vraag is alleen, in hoeverre dit dichterschap tot het volk wezenlijk doordringt, in hoeverre dus deze mensch der barok nog in staat is in onze cultuur, die van de barokcultuur zoo ver verwijderd is, de plaats in te nemen, die men in overeenstemming zou kunnen achten met het gewicht van het jubileum. Ik voor mij heb Vondel slechts leeren lezen na een ‘kuur’ in de baroksfeer; ik had een duidelijk beeld van de geestesgesteldheid van den barokmensch noodig, eer ik, uitgaande vàn die geestesgesteldheid, het dichterschap van Vondel naar waarde kon schatten. Het is zeker waar, dat de lyriek van Vondel ons het naast staat, maar het is evenzeer waar, dat de beteekenis van den dramaschrijver Vondel slechts zeer gedeeltelijk door zijn enorme taalbeheersching wordt bepaald. Men kan zonder een beeld te hebben van de Vondeliaansche wereldarchitectuur onmogelijk doordringen tot de kern van zijn drama's en deze wereldarchitectuur nu is zonder de barok onbegrijpelijk. Albert Verwey gaf voor Vondels wereld een uitstekende formule ‘Een kegel met aan den top de Godheid, dan Amsterdam en de kerk, dan de vorsten en de burgerij, en in die burgerij als het eigenlijke waardevolle alles wat niet om het goed diende, maar om den geest’. Aan die structuur is vrijwel het geheele oeuvre van Vondel gebonden; men kan er alle schakeeringen, van zijn roerige jeugd af tot zijn katholieken ouderdom toe, gemakkelijk in onder brengen.

Huizinga, die in zijn Duitsche boekje over de 17e eeuw een uitstekende karakteristiek van den Prins onzer dichters heeft gegeven, wijst op de naïveteit van zijn psychologie; ‘seine Personen sind starre Figuren, durch primäre Gefühle bewegt, strahlend in integraler Tugend oder scheusslich in ihrer Verworfenheit’. Ook die naïveteit is verklaarbaar uit het wereldschema der barok, waarbij het minder aankomt op het individu, zooals Shakespeare het ziet optornen tegen het Noodlot, dan wel op den onderdaan van dat ‘kegelrijk’, waarvan Verwey gewag maakt; het menschelijk denken, voelen, willen, handelen, word bepaald door den afval van Lucifer en den val van Adam; er is, ergo, buiten dat drama om geen werkelijk ander drama. In hoeverre geldt dat nu ook voor degenen, die hem als den grootsten dichter van Nederland herdenken? Ervaren zij dat schema ook als een werkelijkheid? Daarop komt het aan; want ook in zijn katholiciteit is Vondel barok. Hij heeft de typische mentaliteit van den katholieken barokkunstenaar, zoowel in zijn neiging tot verheerlijking als in zijn behoefte aan een streng gelimiteerde vrijheid voor het zinnelijke leven.

Twee vormen van kunstbesef

Men kan de tegenstelling Multatuli-Vondel niet beter weergeven dan door twee citaten uit hun werken tegenover elkaar te plaatsen.

 

Multatuli in Idee 1181:

‘Men kan evenmin iets goeds voortbrengen door 't volgen van modellen, als zich voeden met de spijs, die een ander gegeten heeft. Kunstbesef (men kan er ook voor lezen: levensbesef. M.t.B.) werkt van binnen naar buiten, en niet andersom. Een kunstproduct, dat op andere kunstproducten gelijkt, deugt niet.’

Stel daar tegenover Vondels formule in de ‘Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste’:

‘De hemelsche Poëzy wil niet op de middeltrap, maer moet in top staen, en op den toetssteen van een beslepen oordeel proef houden, naer de wetten by de Geleerden daer toe voorgeschreven, waer toe wy gewezen worden.’

Hier hebben wij het ideaal van de kunst ‘van binnen uit’ (het modern-individualistische, anti-formeele ideaal) naast het ideaal van een kunst ‘van buiten af’ (het barok-klassicistische, formeele ideaal). Zij sluiten elkaar uit, zooals de wereld van Multatuli en Vondel elkaar uitsluiten. De onderwerping aan ‘de wetten by de Geleerden daer toe voorgeschreven’ als ‘toetssteen van een beslepen oordeel’ beteekent voor den Multatuliaansch denkenden mensch critiekloosheid; omgekeerd is de formule van het kunstbesef, dat van binnen naar buiten werkt en alle ‘modellen’ versmaadt, voor den bewoner van Vondels ‘kegelrijk’ een vorm van onbeschaamde aanmatiging, luciferistische opstand tegen deze geheiligde orde; want in de hierarchie van dien kegel met God aan den top is de functie van ieder element streng bepaald en wel door het hoogste ‘Model’, dat er voor den geloovige bestaat.

 

Deze kunst ‘van buiten af’ behoeft dus volstrekt geen dorre, schematische kunst te zijn; de poëzie van Vondel bewijst het. De grootheid van dit dichterschap bestaat in het verheerlijken van een schema, als men wil; maar dit schema, geloovig aanvaard, is tevens de tucht, die een sterk zinnelijk mensch als Vondel noodig heeft om dichter te kunnen zijn; dichterschap en geloovige onderwerping zijn hier, zou men kunnen zeggen, ‘complementair’ Men kan daarom het groote dichterschap niet los denken van de onderwerping aan het wereldbeeld der barokke katholiciteit en aan de ‘wetten der Geleerden’; het heeft zijn verrukking en verontwaardiging geput uit die onderwerping, en onder voorwaarde van het ‘van buiten af’ is het ‘van binnen uit’ ontstaan. Naarmate men zich scherper realiseert, dat het begrijpen en ‘aanvoelen’ van deze verhouding afstand vergt, komt Vondel den modernen lezer nader.

 

M.t.B.