|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | | | | | |
[Kluchten]

| | | | | |
*Toe-eygeningh aenden leser
+.
1 Vrolycke LESER: Also den wijs-gier Seneca in
zyn Boexken van de wel-
12 daden ons leert, wat
te bemercken staet in't aen presenteren ende op-draghen
23 van eenige gheschencken aen onsen
vrunden; dat wy, te weten, niet een 4 vrouwe de wapenen, ende een
soldaet het spin-rocken in handen geven, ofte 5 den huys-man eens
geleerden Doctoors Boecken 't huys stuuren sullen; daer
56 benevens oock te letten waer toe zynen vrundt best
geneghen, ende wat hem
67 meest aengenaem zy, gelijck als den Drincke-broers
eenen helderen Roemer 8 smakelycken Wijn, ende den Siecken eenen
Heylsamen Leckeren dranck: So 9 is het dat ick siende op den droeven
aenstaenden Winter, en zyne lange
910 avonden, oock niet twyfelende V.E. wel geerigh te
wesen om de selfde met
1011 een vermakelycke lesse te
verkorten: Hebbe goet gedacht dese soet-vloeyende 12 ende vrolycke
kluchten (by den E. seer vermaerden Rijmer Gerbrant Adriaensz
1213 Brederode Sa:
gedicht) V.E. vrolicke Leser door den druck ghemeen te maken,
1314 want den Treurenden en soudense niet
aenstaen, ten ware sy de selfde wilden
1415
gebruyken gelijck de krancke den Medicyn doen, te weten om hunnen swaer-
16 moedigen geest te verlichten, ende de bedroefde zinnen in den
dool-hof van 17 des dichters soete spreucken, en boerterijen wat te
verlustigen: 't welke den
1718 mensche also noodigh somwylen ghedaen is als geene
andere dingen. Want
1819 waert sake dat de aerde altyt met den Rym ende
kouden sneeu bedeckt lagh, 20 sonder 't zyner tyd oock het lieffelijck
aengesicht des Somers te beschouwen;
20
| | | |
21 hoe soude zy ons eenigh aengenaem vrucht (die wy nu
alle Iaren, God lof, so 22 vele genieten) kunnen voortbrengen? Even
alsoo gatet oock met den Mensche, 23 die alsins verwardt zynde in
sware bekommernissen soude vermageren, ia sy
2324 selven verkorten, ten ware hy hem (in't gene zvn natuur
dan meest eygen is)
2425 socht tusschen wylen wat te veranderen, en te vermaken.
Ende wat is hier
2526 bequamer toe als dusdanige kluchtige spelen,
die den Dichter so eygentlijck
2627
* na 't
leven heeft getroffen, datmen die lesende wederom in varscher daed
2728 waent te sien geschieden. O
vaerdige aerdigheyt! onder dexsel van so soete en
2829 vermakelijcke kluchten de
versnoode werelt te ontleden, hebbende alleen het
2930 ooghe op het gemeene beste, niet anders soeckende
dan alomme de verbete-
3031 ringe der velen bedorvene zeden. Noemtmen zynen
vrundt te wesen, die een
3132 uyt
vrundschap vermaent van het gene hem soude mogen mistaen; Hoe veel 33
te meer vruntschap wert V.E. aengename Leser bewesen van dees spelen, als
3334 die de misbruycken aenwysen, sonder nochtans hunnen
Leser daer door be- 35 schaemt te maken: Ten ware oock yemand so
ingenomen waer, dat hy ghe-
3536 lijck als de bassende honden met een steen ofte
stock verboden zynde, te 37 heviger wilde tieren: niet kunnende
gelyden datmen hun in eenige deelen
3738 bestraffe. De krancke ende gewonden van den
genees-meester pynlijck gehan-
38
39 delt werdende laet doch sulx gaerne toe, ten minsten hy mochte
geholpen
3940 worden. Soo mede goedgunstige Leser, vindt ghy in't
lesen yets dat qualyck
4041 staet, berispt dat niet in't spel, maer in u
selven, ofte in de gene die sulx doen: 42 anders zyt ghy als sommige
Vlieghen ofte Byen, die voorby vliende de aen-
4243 ghename Hoven vol wel-rieckende bloemen, gaen
sitten op eenen vuylen 44 stinckenden mis-hoop, ende sien alleen op
den uyterlycken onnutte schorze,
4445 niet achtende de soete noot, ende
het rechte eynde waer toe dusdanigen spelen
4546 van begin aen zyn gemaeckt geweest. Neen Leser, wytet
niet den Dichter, 47 maer de verdorvene menschen, die sodanige
manieren van doen gebruycken. 48 Is 't niet een wonderbare saeck? ghy
weet te seggen dat het qualyck staet yets | | | |
49 onbequaems te verhalen, ende ghy kunt niet sien
dat het quaet is het selve te
4950 doen. Laet af beminde Leser van sulck verkeert
oordeel, ende bekent u
5051 gebreck, gelijck de Sieken doen, die op 't hoogste
walgende van eenige goede 52 spysen, siende doch andere de selfde met
een soeten smaeck nuttigen, mercken 53 wel hunnen afkeer niet by de
voorgeschafte spyse, maer by haer eyghen selfs
5354 schult
toe te komen. Welck doende, ghy my een oorsaeck ende lust sult geven
5455 vele andere vermakelijcke stucken van
den selven Dichter, onder my berusten- 56 de, in't licht te brengen.
Hier mede in alles V.E. billijck oordeel bevolen
56
V.E. Dienstwillige
Cornelis vander Plasse.
| | | | | |
*
Onschuld
-, en toe-gift
-
Tegen alle Verstandeloose Waan-bet-Weters, En Garen-wyse
- Oordeelaren.
ICK heb, o waerde Vrindt, en Heer,
Op dit Voorslagh geen stoffe meer,
2
Heb ick't na wensch niet konnen deylen;
3
Onkunde is't, die hinderdt myn,
5
Geen werck hoe schoon dat het mach zyn,
Of daer sal somwyls yet an feylen.
Het is voorwaar geen vromer man,
7
Die meerder doet als hy en kan.
Ick heb het na myn macht geschreven,
10
Ghy die dit siet, erkauwt, of leest,
10
Zijt ghy begift met hooger Geest,
11
Den iongen Leerling wilt toegeven.
12
Verschoont, merckt ghy myn onverstant,
Niet veel te kennen is geen schant,
15
Maar die wel mach en niet wil leeren!
15
Heb ick my wat te veel verkloeckt,
16
Scheldt niemandt die te leeren soeckt
17
Van u, o kunstenrijcke Heeren.
18
| | | |
Is yemand hoogh, en wel begaaft,
20
Wat baat dat hy zyn licht begraaft
Bekooren-maat voor ons gesichten:
21
Is u Vernuft so hel en klaar,
So steltet op de kandelaar,
Het sal ons duysterlingen lichten.
24
25
* Hy
is wel wijs, en waard ge-eerd,
Die ons het nut met vreughde leerd.
Gelyck veel oude kloecke Wysen:
't Is niet genoegh datmen 't vermeet,
28
Betoont met doen het geen ghy weet,
30
Soo sal u werck zyn Meester prysen.
Maar ghy die u voor wijs beroemt,
Om dat ghy eenigh laster noemt,
32
Of geleendt-wijslyck weet te melden,
33
Het geen in and're ghy begeckt,
35
Siet of dat self u oock gebreckt,
35
Ghy sult veel licht, so licht niet schelden.
36
Al zyn myn Rymen hoogh noch goet,
Noch niet be-honicht suycker-soet,
38
Maar geesteloos, wuft, en on-aardigh:
39
40
Ghy Heeren vroom, kloeck, spits, en wys,
40
Verdien ick schoon geen lof, noch prys,
Ick ben ten minst onschuldens waardigh.
42
| | | |
Want niemand kan strackx Meester zyn.
43
Niemand en werdt goedt Chirurgyn,
44
45
Of hy en leerdt eerst doen, en scheeren.
45
Aenschouwt voor kunst myn wil en vlyt,
46
't Geen natuur schort, volmaackt de tyt
Of God, die 't alles Kan verkeeren.
Gerbrand Adriaensz Bredero.
|
Opschrift in civilité, tekst in romein
- Vrolycke met grote sierletter V
+Toe-eygeningh: Opdracht.
1wijs-gier: wijsgeer; Boexken van
de weldaden: De Beneficiis libri VII.
2te bemercken staet in: in acht
genomen moet worden bij.
5huys-man: dorpeling,
boer.
6te letten: erop te
letten.
9droeven: donkere,
sombere.
10V.E.: Uedele of Uwe Edelheid;
geerigh: verlangend.
12kluchten: nl. de vier, die
tegelijk in 1619 werden uitgegeven.
13Sa: zaliger, wijlen;
ghemeen: bekend.
18noodigh ghedaen is: noodzakelijk
om te doen.
24sy selven verkorten: zich te kort
doen.
25hem te veranderen: zijn gedachten
te verzetten.
26eygentlijck:
nauwkeurig.
27in varscher daed: op heterdaad,
dus: alsof men ooggetuige was.
28dexsel: voorwendsel;
aerdigheyt: handigheid.
30het gemeene beste: het algemeen
welzijn.
35ingenomen: eigenzinnig,
laatdunkend.
39ten minsten hy: als hij
maar.
40qualyck staet: niet mooi, niet
passend is.
44mis-hoop: mesthoop;
schorze: bolster.
45noot: noot, pit; eynde:
doel.
Onderschrift: de eerste regel in kleiner
corps.
49onbequaems:
onbetamelijks.
50Laet af - van: houd op
met.
53hunnen afkeer niet by: dat hun
afkeer niet door; voorgeschafte: opgediende.
54toe te komen: veroorzaakt wordt;
oorsaeck: reden.
56billijck: rechtvaardig.
Titel deels in civilité, deels in romein
en oudhollands - 1 Ick met grote sierletter I
-Onschuld:
verontschuldiging.
-Toe-gift: woordspeling: extra-gave
die toegeeflijkheid vraagt voor de gebreken.
-Garen-wyse: die gaarne voor wijs
doorgaan.
2Voorslagh: onderwerp,
thema.
3deylen: ordenen, ieder zijn rol
geven.
11begift: begiftigd,
begaafd.
12toegeven: inschikkelijk zijn
voor.
16verkloeckt:
aangematigd.
17Scheldt: verwijt,
laakt.
18kunstenrijcke: knappe,
deskundige.
21Bekooren-maat: onder de
korenmaat zet; toespeling op Mattheus 5:15, evenals het woord kandelaar
in vs. 23.
24duysterlingen:
onontwikkelden.
33geleendt-wijslyck: met
tweede-hands wijsheid, met napraterij.
36veel licht: wellicht; misschien
ook woord speling met licht in de betekenis: ‘lichtende’
personen. Vgl. vs. 19-24; so licht: zo gemakkelijk, zo
lichtvaardig.
39wuft: oppervlakkig;
on-aardigh: niet mooi.
42onschuldens waardigh: waard om
verontschuldigd te worden.
De ondertekening in
civilité.
43strackx: binnenkort, te eniger
tijd.
|
|