|
|
|
| | | | | |
Eerste lezing. Bellamy
Het is de 24ste December van het jaar 1794, avond, en bij
achten. Wij zijn teAmsterdam, in het gebouw der Maatschappij Felix
Meritis, op de Keizersgracht. De groote gehoorzaal is opgevuld met hoorders en
hoorderessen. Zoo aanstonds zalProf. Van Swinden
(Jan Hendrik) het spreekgestoelte beklimmen, en zal eene lijkrede uitspreken
ter gedachtenis aan den vroeg gestorven Pieter Nieuwland, laatstelijk
hoogleeraar aan de leidsche Universiteit.
Binnen den tijd van slechts ééne maand, te rekenen van
den 19den Januarij 1795, den geboortedag der Bataafsche Republiek,
zouden allerwege in ons vaderland, in steden en in dorpen, de meeste dingen er
aanmerkelijk anders uitzien als zij tot hiertoe gedaan hadden, en op den
24sten December '94 nog altoos deden. Met name te Amsterdam: de stad
die hier onze bijzondere opmerkzaamheid verdient. Want Amsterdam was door de
gezamenlijke revolutionaire comité's, zoo provinciale als stedelijke,
reeds in de maand Julij des vorigen jaars, op eene toen gehouden Algemeene
Vergadering, uitgekozen geworden tot ‘middelpunt der omwenteling.’
1
- Eerlang, zeide ik, zou van de voormalige vormen van Staats- en Stadsbestuur,
en van | | | | vele andere vormen daarenboven, in de hoofdstad der nieuwe
republiek schier geen spoor zijn achtergebleven. Geen ‘Hoofdschout’
meer, maar een ‘Procureur der Gemeente,’ in den persoon van
Maurits Cornelis van Hall. Geen
‘Burgemeesters’ meer, maar een Collegie van ‘ Provisionele
Representanten van het Volk van Amsterdam,’ met
Rutger Jan Schimmelpenninck, den advokaat,
tot voorzitter. Geen ‘Raden’ of ‘Vroedschappen’ meer,
maar een ‘Maire’ (hoofd der justitie en politie), maar een
‘comité van algemeen welzijn,’ een ‘comité van
koophandel en zeevaart,’ een ‘comité van
waakzaamheid,’ een ‘comité van finantie.’
1
Ook zou er - vergeeft, bid ik u, de gezwindheid van dezen overgang - in de
gansche stad niet één enkele livereibediende meer te vinden zijn;
althans, hoezeer een ieder - gelijk de publicatie luidde - zijne ‘knechts
of dienstelingen’ naar verkiezing zou mogen blijven kleeden, elk wien
zulks aanging zou gehouden zijn om, binnen den tijd van veertien dagen, en op
eene telkens te verbeuren boete van vijftig gulden, alle livereijen of teekenen
van dienstbaarheid van hunne kleeding af te nemen of te laten afnemen.
2 - Tevens
zouden in geen enkel stadsgebouw of kerk de minste overblijfselen te ontdekken
zijn van voormalige wapenborden of schilden. Deze borden en schilden - zij
zouden binnen zes weken tijds, tenzij belanghebbenden of gerechtigden ze vroeg
genoeg gereclameerd hadden, overal zijn weggenomen, bijeenverzameld, en ten
aanzien van de burgerij in het openbaar verbrand. Boven de praalgraven van
gesneuvelde vaderlandsche helden zou, in de plaats dier wapenschilden, gesteld
worden ‘een burgerkroon,’ met dit opschrift: ‘Bataven! In de
plaats van een wapenschild, hetwelk de asch van... onteert, pronkt thans voor
het dankbaar nageslacht de onschatbare burgerkroon. Burgers, maakt u dezelve
ook waardig!’
3 - Nog
zouden daarenboven, mede binnen den tijd van zes weken en op eene boete van
honderd gulden, van alle koetsen of | | | | andere rijtuigen, al zoodanige
versierselen ‘welke als kenmerken van adelstand of meerderheid voorkomen
of gebezigd worden,’ onherroepelijk - de uitkomst heeft geleerd dat dit
‘onherroepelijk’ niet al te streng moet worden opgevat - verdwenen
zijn.
1 -
Eindelijk, om ook nog uit een ander levensgebied een enkelen karaktertrek
hierbij te voegen: de Provisionele Representanten van het volk van Amsterdam
zouden, in navolging van het voorbeeld der vaderen, wel voortgaan met bij
bijzondere gelegenheden en corps de openbare godsdienstoefening in een der
protestantsche kerkgebouwen bij te wonen, ten einde - gelijk zij zich
uitdrukten - ‘eene plechtige godsdienstige redevoering aan te
hooren,’ als ook ‘den God van hemel en aarde te danken voor zijne
zegeningen aan dit vrij geworden Gemeenebest gegeven, en van Zijne Liefde
nieuwe zegeningen af te smeken;’ maar tevens zouden zij, in eene daarop
betrekking hebbende publicatie, zeer nadrukkelijk verklaren dat zij ‘door
het verkiezen van de Nieuwe kerk binnen deze stad tot het uitoefenen van deze
godsdienstige verrigting, geenszins verstaan wilden worden aan de belijderen
van de Gereformeerde Godsdienst eenig heerschend vermogen toe te kennen boven
de andere godsdienstige gezindheden, welke hier ter stede gevonden
worden.’
2 - Welk een
ommekeer aller dingen! wat verandering van instellingen en gebruiken! welk
breken met overleveringen van allerhanden aard! Toch zou in één
opzigt - vast wel in meer dan één; doch wij spreken thans alleen
van meer of min uitwendige verschijnselen - het oude gebruik - ditmaal een
voortreffelijk gebruik - in stand en eere blijven. Er zou namelijk nog
vóór het einde van Januarij 1795, nog geen volle veertien dagen
derhalve na het uitbreken der revolutie, uithoofde der barre winterkoude-het
vroor dien winter zóó vinnig dat men den Vrijheidsboom op den
Dam, uit hoofde van de hardheid van den grond, niet eenmaal behoorlijk kon
planten, maar zich vergenoegen moest hem | | | | ter bestemder plaatse
neder te zetten en met zware gewichten zoo goed mogelijk overeind te houden
1 - er
zou aan de huizen van Amsterdams ingezetenen eene buitengewone kollekte
gehouden worden, en de opbrengst dezer kollekte zou uit eene som van niet
minder dan ƒ 36.000 bestaan.
2
Doch van al de genoemde of aangeduide veranderingen in denkbeelden
en bestuur was, op den dag of liever avond welks herinnering mij op dit
oogenblik voor den geest zweeft, en waaraan ik ook bij u de gedachtenis
levendig zal trachten te maken, - den avond van 24 December 1794, denzelfden
waarop de
Hoogleeraar Van Swinden in de groote
gehoorzaal van Felix Meritis, zijne lijkrede op Pieter Nieuwland uitsprak - nog
niets in het leven getreden. Eerst over drie weken zou de omwenteling tot stand
komen. Revolutievuur smeulde nog slechts. Wel hield steeds het Comité
Revolutionair zijne gewone bijeenkomsten in het koffijhuis de Karseboom, in de
Kalverstraat, doch van deze zamenkomsten moest om de tijdsomstandigheden een
diep geheim worden gemaakt. De partij der stadhoudersgezinden, die nog altoos
in het bestuur zat, was, al steunde zij niet op den eigenlijk gezegden
volksgeest, nogthans magtig. Zij werd gevreesd. En geen wonder; want slechts
iets meer dan eene maand geleden, den 19den November, waren zes
invloedrijke patriotten - waaronder een voormalig Pensionaris der stad,
naderhand haar Maire, - wegens de indiening van zeker oproerig geacht adres,
ieder tot niet minder dan zes jaren gevangenisstraf - in het stedelijk werkhuis
- veroordeeld geworden. Men had hen, twee aan twee aan elkander gebonden, in
drie koetsen naar de gevangenis overgebragt; en de regering had zich, bij die
en bij andere gelegenheden, bekwaam getoond om, behalve zestig
burger-compagniën, die zich op hunne loopplaatsen moesten vergaderen, van
het garnizoen onder den generaal Golofkin meer dan 6000 man in de wapenen te
doen komen. Ook was de Dam destijds door soldaten en ruiters bezet kunnen | | | | worden, en er hadden kanonnen voor het stadhuis gestaan.
1
Geen wonder dus, ik herhaal het, dat de herinnering aan deze
geduchte magtsontwikkeling, en aan de daad van gestrenge tucht onder de hoede
van deze gepleegd, den 24sten December daaraanvolgend, aan alle
inwoners van Amsterdam nog zeer levendig voor den geest stond. Ook aan Prof.
Van Swinden en aan zijne toehoorders, die bijna zonder uitzondering, met den
lijkredenaar aan het hoofd, en deze laatste met grooten ijver en uit volle
overtuiging, tot de partij der omwentelingsgezinden behoorden.
Wil dit zeggen dat deze partij destijds, omstreeks het einde van het
jaar 94, gansch en al moedeloos was? dat hare aanvoerders het hoofd in den
schoot hadden gelegd? hare volgelingen van alle verdere zamenspanning tegen het
stedehouderlijk bestuur hadden afgezien? In geenen deele. Hoe ook in
getalssterkte moetende onderdoen voor hare mededingster - de Amsterdamsche
patriotten waren slechts ruim 3,000, leden van 36 dusgenaamde leesgezelschappen
of revolutionaire clubs, en de meeste van hunne grooter of kleiner
wapenmagazijnen waren door de regering achtereenvolgens ontdekt en prijs
verklaard geworden
2 - deze
betrekkelijk kleine partij was, in weerwil van hare duizend vreezen, juist op
dit oogenblik, juist in de laatste dagen van December 94, wederom vol goeden
moed.
Tot verklaring van deze schijnbare tegenstrijdigheid gelieve men
zich te herinneren, dat sedert den 26sten Augustus van altoos
hetzelfde jaar 1794, met andere woorden, sedert de inneming der vesting Sluis
in Staats-Vlaanderen, zich op den bodem van ons land een zegevierend Fransch
leger bevond. Dit republikeinsch leger, aangeroerd door de generaals Jourdan en
Pichegru, en in welks gelederen ook de Hollandsche
generaal Daendels - een der 24,000
uitgewekenen en slagtoffers onzer vaderlandsche contra-revolutie van 1787 -
eene brigade kommandeerde, was uit Staats-Vlaanderen noord-oostwaarts opgerukt,
met geen ander oogmerk als om zich meester te maken | | | | van
Staats-Braband. Den 29sten September had een gedeelte van ditzelfde
leger - onder Pichegru, voor wiens gansch niet geroofde reputatie het
engelsch-hollandsche leger, onder de bevelen van den Hertog van York en van den
Erfprins van Oranje (naderhand Koning Willem I) zich voorzigtigheidshalve over
Antwerpen naar Breda en omstreken had teruggetrokken - het beleg geslagen voor
's Hertogenbosch; en reeds den 9den October daaraanvolgende was deze
uitnemende vesting, met hare bijna 150 kanonnen, haar 9000 geweren, hare
130,000 ponden kruid; was deze steun en vastigheid voor alle verdere
krijgsoperatiën tegen Noord-Nederland, in de handen der Franschen
gevallen. Derhalve: sedert half October ongeveer stond, aan gene zijde van Maas
en Waal, eene krijgsmagt - waartegen noch de Erfprins noch de Hertog van York
in het minst waren opgewassen; of laat mij liever zeggen, stond daar ginds een
leger, waarvan de republikeinsche partij hier te lande reden had alle mogelijke
ondersteuning en medewerking te verwachten. En toen nu - want
vóór dien tijd had Pichegru er niet aan kunnen denken Maas en
Waal met zijn leger over te trekken, en zou daarin, al had hij er nog zoo vaak
aan gedacht, door de vereenigde kracht van vuur en water, van forten en
inundatiën, niettemin allernadrukkelijkst zijn verhinderd geworden - toen
nu de vroeg invallende vorst reeds vóór den 21sten
December de Maas deed vastzitten en de Waal met drijfijs vulde, kwamen de
Amsterdamsche en andere patriotten, op het vernemen dezer tijding, al zeer
spoedig tot deze sluitrede: ‘Wat het water tot hiertoe ons belet en ons
onthouden heeft, zal door en over het ijs ons thans geworden; Pichegru zal onze
rivieren overtrekken, zal ons eene revolutie helpen maken, zal den stadhouder
verjagen, en hetgeen wij, zonder hem en zijne soldaten, sinds zeven jaren
vruchteloos poogden tot stand te brengen, zal nu met éénen slag
eene werkelijkheid worden.’ En deze berekening, in onderscheiding van
zoovele andere berekeningen van het menschelijk overleg, kwam volkomen uit. Den
30sten December, slechts negen dagen later, lazen de huisvaders des
morgens aan het ontbijt, uit de Haarlemsche Courant van dien | | | |
dag, aan hunne vrouwen en dochters voor - de zonen, onderstel ik, vooral de
ouderen onder hen, hadden het gewigtig nieuws reeds den avond te voren, op
societeit of leesgezelschap vernomen - dat de Franschen twee dagen geleden, den
27sten eene ‘generale attaque op alle punten van het frontier
van den Staat’ hadden gedaan. ‘Het ijs in de rivieren,’ werd
er bijgevoegd, ‘heeft zoodanige kracht bekomen, dat zij hetzelve hebben
kunnen passeren’.
1 Wel is waar, men las ook in datzelfde nummer der Haarlemsche
Courant: dat de buitengewone ambassadeurs Repelaer en Brantsen, die,
namens Willem V, belast met voorstellen tot
vredesonderhandeling, den 23sten de Hofstad verlaten en de reis naar
Frankrijk hadden aangenomen, zonder letsel te 's Hertogenbosch waren afgestapt
en vandaar den togt naar Parijs verder hadden voortgezet. Ook las men er: dat
onze troepen uitdrukkelijk bevel hadden gekregen, om niet dan verwerenderwijze
tegen de Franschen te werk te gaan en alle vijandelijkheden aan de Waal te doen
ophouden.
2 En,
in gewone omstandigheden, zouden deze beide laatste tijdingen den moed der
Amsterdamsche en andere patriotten ongetwijfeld hebben uitgedoofd. Want volgden
hunnerzijds de fransche legerhoofden den onzerzijds gegeven wenk, en werden ook
door hen de vijandelijkheden gestaakt; gelukte het aan de ambassadeurs van den
prins de fransche regering te bewegen tot het sluiten van een wapenstilstand
of, erger nog, van een volledigen vrede, - dan kwam er van de gansche
omwenteling niets, dan vielen alle beraamde plannen in duigen; dan bleef de
stadhouder in het land en, met hem, bleven dan de oude misbruiken, de oude
geest. Doch, welken schijn van teleurstelling de omwentelingspartij hierover
ook moge getoond hebben, ernstig vreesde zij geen van beiden: noch dat Brantsen
en Repelaer slagen zouden bij het fransche gouvernement, noch dat Pichegru de
schoone gelegenheid om zonder slag of stoot de rivieren over te komen
ongebruikt | | | | zou laten voorbijgaan. Daartoe kende men te goed, hetzij
de geheime bevelen, hetzij de persoonlijke eerzucht, van den franschen
generaal. Ook wist men officieel, dat is te zeggen uit zekere berigten, den
23sten te 's Hage bij het Bewind ontvangen, en den 24sten
overal te Amsterdam bekend, dat deze generaal, ‘te Waalwijk 3000
ijssporen in gereedheid deed brengen.’
1 Neen, nu het eenmaal vroor, en niet ophield met vriezen, nu zouden
de Franschen komen; met het Stadhouderlijk Bewind zou het gedaan zijn; en op de
puinhoopen der Vereenigde Nederlanden zou weldra gevestigd wezen de Bataafsche
Republiek. Drieduizend zaamgezworenen te Amsterdam-alleen, aan deze zijde van
het IJ; drieduizend ijssporen aan gene zijde van de Waal: nogmaals, de zege kon
niet uitblijven; ‘Oranje onder!’ zou het zijn, misschien nog eer
het jaar ten einde was geloopen.
Behoeft het dan wel uitdrukkelijk gezegd te worden, dat er onder de
zamengekomenen in de groote gehoorzaal van Felix Meritis, onder de zeer
aanzienlijke en zeer omwentelings-gezinde vergadering om het spreekgestoelte
van prof. Van Swinden, eene zeer aanmerkelijke spanning heerschte? Behoeft er
te worden bijgevoegd dat, hoe groot en oprecht de rouw over Nieuwlands
ontijdigen dood - pas zes weken geleden - zelfs bij den aanvang der zevende
week nog altoos wezen mocht - ‘nog altoos,’ zeg ik, en zulks met
het oog op de menschelijke vergeetachtigheid, die groot is; - hoe bereid de
toehoorders ook waren om aan niets en niemand te denken buiten Nieuwland en
diens onsterfelijke verdiensten zoowel als beminnelijke hoedanigheden; om
alleen en met onverdeelde aandacht te luisteren naar zijnen lof- en
lijkredenaar - toch, en desniettemin, die aandacht onwillekeurig door ook nog
andere dingen werd beziggehouden? Onze gedachten zijn tolvrij: wie kan ze
pachten? wie beletten dat ze zich in ons vermenigvuldigen? dat ze zich naar
elders richten als het voorgestelde doel? dat ze zich laten afleiden door een
blik, een woord, eene zinspeling? Het is zoo, prof. | | | | Van Swinden was
niet alleen een groot wiskunstenaar, maar ook een veel te goed menschenkenner,
en een man van te zuiveren smaak, om niet te weten dat het thans vooral pligt
was uitsluitend over Nieuwland te spreken; en zijne hoorders konden er op
rekenen dat hij hun zooveel mogelijk zou beletten met hunne gedachten van dit
waardig onderwerp af te dwalen. Ook zouden er in zijne rede slechts twee zulke
afleidende zinspelingen voorkomen, beiden betrekkelijk tot de
tijdsomstandigheden, één omstreeks het begin, de andere aan het
slot. De eene reis zou hij
Nieuwland zelven sprekend invoeren; als
eene der redenen, waarom zij hem om zijn vroegen dood niet al te zeer beklagen,
maar hem daarmede veeleer geluk moesten wenschen, zou hij den afgestorvene tot
zijne treurende vrienden laten zeggen: ‘God heeft mij van de aarde terug
geroepen op een tijdstip dat angst aller harten vervult; dat zware onheilen
velen treffen; dat verwoesting, rampen, armoede, ons Vaderland, welks welzijn
mij nu nog zoo zeer ter harte gaat, overvallen; en dat zich reeds, in het
verschiet nog vele kommervolle gebeurtenissen opdoen.’
1 Den anderen keer, veel minder oratorisch en slechts als in het
voorbijgaan, zou de redenaar gewagen van tijden - en niemand kon twijfelen
welke tijden hij bedoelde - ‘daar men bijna niet denken kan wat men wil,
noch zeggen wat men denkt.’
2 Doch dit was ook al;
verder geen woord, geen wenk; en van dien kant waren dus de hoorders tegen zoo
goed als iederen aanval van onopmerkzaamheid gedekt. Doch twee dingen stonden
tegen deze veiligheidswaarborgen over en neutraliseerden ze.
Vooreerst bij ‘appointement’ van den 1sten
December jongstleden - dus luidde het eene der stadhuiswoorden - drie weken
geleden derhalve, hadden ‘Mijne Heeren van den gerechte’ - dus
luidde het andere - de werkzaamheid van het Departement der Muziek van de
maatschappij Felix Meritis - dat is te zeggen de concerten dier maatschappij -
‘voor het tegenwoordige en bij provisie geïnterdiceerd’
3 - dus luidde het
derde. | | | | Wat meer is, zij hadden dit verbod uitgestrekt tot de
muziekale uitvoering-zelve waarmede bestuurderen van Felix voornemens waren
geweest het lijkfeest ter eere van Nieuwland op te luisten; en die tevens had
moeten dienen om den redenaar, omstreeks de helft zijner taak, gedurende eenige
oogenblikken af te lossen. Nu kwam dit magistraatsverbod, ofschoon om geheel
andere redenen uitgevaardigd, in zoover goed, dat er iets oneigenaardigs in
ware geweest de nagedachtenis van Nieuwland, die met de schitterendste en
ongeloofelijkste gaven was toegerust geweest, maar nooit het minste muziekaal
gehoor had gehad -
Doch, helaas! mijn stroeve vingren
Leerden nooit met lust en zwier,
Toonen door elkander slingren,
Zwevende over luit of lier!
dus heeft hij zelf getuigd en zich beklaagd
1 - Nieuwlands nagedachtenis opzettelijk te
vieren met onder anderen eene muzikale uitvoering. Doch dit nam niet weg, dat
de maatregel grievend was voor het Muziekaal Departement. De
komponist Rulofs was intijds gereed
geweest met de zamenstelling zijner opzettelijk voor deze gelegenheid
vervaardigde ‘treurmuziek.’ En
Pieter Johannes Uijlenbroek, lid der
maatschappij, uitgever van vele dichtwerken en zelf dichter (men zou hem den
Amsterdamschen
Nicolaï dier dagen kunnen noemen,
gelijk
Adriaan Loosjes, ofschoon jonger, reeds
toen de Haarlemsche was), had mede voor deze gelegenheid eene cantate gedicht.
Beide compositiën, de dichterlijke zoowel als de muziekale, moesten dus
ongebruikt blijven liggen. En door deze omstandigheid werd de vergadering, men
mag zeggen van den aanvang tot aan den afloop van het lijkfeest, op eene zeer
onaangename wijze herinnerd aan den politieken toestand van den dag; aan de
kleine en grooter beleedigingen, den patriotten door de nog altoos
bovendrijvende oranje-partij aangedaan; aan de magt waarover deze partij nog
steeds beschikte; aan het vaak | | | | kinderachtig misbruik dat zij
daarvan maakte; aan den reeds zoo menigmaal geuiten wensch dat deze magt
eindelijk mogt worden vernietigd - althans gefnuikt. Ziedaar dus prof. Van
Swinden's gehoor - één blik op Uijlenbroek, ongetwijfeld ter
vergadering tegenwoordig, was daartoe voldoende - wel, in schijn, enkel
aandacht en luisterend naar het verhaal van Nieuwlands deugden, maar inderdaad
vervuld met de gedachte: ‘Quousque tandem Catilina!’ dat wil
zeggen; ‘Wachter, wat is er van den nacht?’
‘Bij provisie geïnterdiceerd!’ geïnterdiceerd
door ‘Mijne Heeren van den Gerechte!’ Dit was een grief voor den
dichter, voor den komponist, voor den redenaar (die nu minstens twee uren aan
één stuk moest doorspreken), voor alle muziekale leden der
maatschappij. En deze grief, zij was eene eerste oorzaak van velerlei
afleiding. Eene andere oorzaak was de reeds meermalen genoemde winterkoude.
Zeker, de zaal was goed verwarmd. Het rouwfloers waarmede zij rondom was
behangen weerde daarenboven den togt. Zelfs kon de talrijke opkomst van leden
en gasten, van regthebbenden en genoodigden, eer voor eenige benauwdheid doen
vreezen dan voor het tegendeel. Doch met dat al, de koude gaf distracties. Wie
aan zijnen buurman fluisterend naar de reden vroeg, waarom ter vergadering
geene deputatie aanwezig was van Nieuwlands ambtgenooten, de professoren der
Leidsche hoogeschool - helaas, gedurende slechts één jaar was hij
de hunne geweest - bekwam ten antwoord: dat zij de uitnoodiging in den persoon
van den Rector Magnificus aan hen gedaan, wel hadden aangenomen en ook
voornemens waren geweest haar te volgen, doch dat ‘de strenge
koude’ hen hierin had verhinderd. De grootste distractie van allen,
evenwel, grooter althans dan de huiverachtigheid der Leidsche professoren en de
daardoor opengebleven zitplaatsen, was dat bericht uit de Haarlemsche
Courant, daareven medegedeeld: ‘Men verneemt dat de Fransche
generaal te Waalwijk 3000 ijssporen in gereedheid laat
brengen.’-Wanneer wrijven wij stervelingen ons de handen? Meestal slechts
om ééne reden tegelijk: of letterlijk, en omdat wij het koud
hebben; of overdragtelijk, | | | | omdat wij ergens mede in onzen schik
zijn. Doch in December 94, langs de Amsterdamsche straten en grachten, onderweg
naar Felix, wreven de patriotten zich in de handen om deze beide redenen te
zamen: zij hadden het koud en waren tevens in hun schik, ja des te meer in hun
schik, naarmate de vorst gestadiger aanhield en daardoor de rivieren steviger
bevloerde. En nu vraag ik u: kon de vergadering, zij die binnen en buiten zoo
menige aanleiding had om aan andere dingen te denken, kon zij met een
onverdeeld gemoed zitten luisteren naar de lijkrede op
Pieter Nieuwland?
Sinds lang is het gebleken, dat er eene bepaalde reden bestaat
waarom ik de namen van Nieuwland en Van Swinden telkens door elkander
strengelde. Die reden kan kwalijk zijn, dat beide mannen, verbonden door eene
vriendschap, als die eens vaders voor een ontwikkelden en allesbelovenden zoon,
of juister welligt, als die eens ouderen broeders voor den jongeren die onder
zijne oogen opgroeide en zich naar hem vormde, aan het einde der vorige eeuw
hebben uitgeblonken, Van Swinden als een wiskunstenaar van europeesche
vermaardheid, Nieuwland als sterrekundig genie van den eersten rang,
vóór zijnen tijd aan de wetenschap ontrukt. Neen, als zoodanig
hebben wij geen van deze beide mannen te herdenken. Doch de bedoelde reden is,
dat ik Van Swinden's lijkrede op Nieuwland meen te mogen aanmerken als een der
beste prozastukken uit den aanvang van het tijdvak der Bataafsche Republiek;
terwijl men, wat Nieuwland betreft, in al de voornaamste geschriften
betrekkelijk de geschiedenis onzer letterkunde kan vinden aangeteekend, dat
deze, met en naast en boven den tien jaren vroeger insgelijks in den opgang
zijner jaren weggerukten Bellamy, moet geacht worden vooraan te staan in de rei
der vaderlandsche dichters van den nieuwen tijd. Nieuwland en Bellamy, zegt
men,
Bellamy en Nieuwland hebben de hollandsche
poëzie der negentiende eeuw geïnaugureerd.
Laat ons niet allereerst vragen of deze eenigzins traditionele
classificatie ook tevens de meest juiste is; niet vragen | | | | of - om
voor'shands Van Swinden en diens proza te laten rusten - of Bellamy wel bij
uitnemendheid de figuur is die naast Nieuwland geplaatst en aan wien deze
laatste behoort gemeten te worden. Of liever, laat ons aanstonds op den
voorgrond stellen, dat niet Bellamy vóór hem, maar ná hem
Borger de volmaakte tegenhanger van Nieuwland is geweest; en dat men om zich
een juiste voorstelling te vormen van Nieuwlands dichterlijk talent (want
tegenover Bellamy treedt hij als dichter al te zeer in de schaduw), hem met
niemand anders als met Borger behoort te vergelijken. Nieuwland, de
timmermanszoon uit deDiemermeer, en
Borger, de branderszoon van
deJoure, de friesche dorpeling en de noordhollandsche, hebben
eenerlei levenslot gehad. Beiden onderscheidden zich van hunne vroegste jeugd
af aan door wetenschappelijk genie. Beiden klommen, in ongeloofelijk korten
tijd, tot de hoogste waardigheden der wetenschappelijke wereld op. Beiden, toen
zij nog naauwlijks jongelingen waren, hadden zich reeds een naam gemaakt elk in
hun vak, de een in de wiskunde, de ander in de godgeleerdheid. Beiden lieten
geschriften na die reeds bij hunne eerste verschijning als klassiek werden
begroet. Borger was nog slechts 23 jaren oud toen hij als lector in de
bijbelsche uitlegkunde aan de leidsche Hoogeschool, Nieuwland nog geen 25 toen
hij aan het amsterdamsche Athenaeum optrad als lector in de wis-, sterre- en
zeevaartkunde, en zulks, nadat hij reeds twee jaren te voren, doch vruchteloos,
tot hoogleeraar in diezelfde vakken beroepen was geworden naar Utrecht. Beiden,
Nieuwland en Borger, zijn in den bloei huns levens, nog vóór zij
de helft hunner dagen hadden bereikt, aan wetenschap en vrienden door den dood
ontnomen, Borger 36, Nieuwland 30 jaren oud. Beiden zijn gehuwd geweest, doch
na slechts acht maanden huwelijks verloor Nieuwland zijne vrouw, eene schoone
en geestige vrouw van 21 jaren, en het dochtertje, bij welks ontijdige geboorte
de moeder te midden van het woeden der kinderziekte bezweek, leefde slechts
weinige uren. Borger's levensgeluk werd tot tweemalen toe door een diergelijken
slag verwoest. Èn hij èn Nieuwland hebben den rouw hunner zielen
over deze beproe- | | | | vingen uitgestort in dichtregels, waaronder er
zijn die tot het aandoenlijkste behooren, dat menschelijke taal bij machte is
uit te drukken in uren van menschelijke smart. Beiden, eindelijk, hebben,
behalve die gedenkzuilen op de graven hunner echtgenooten, nog bovendien eene
handvol verzen nagelaten; verzen van zeer onderscheiden waarde, vertalingen uit
het grieksch en latijn, gelegenheidsgedichten, improvisaties op het papier,
sommige ernstig, de meeste humoristisch doch onder die verzen is er bij beiden
één - Nieuwlands Orion, Borgers
Ode aan den Rhijn - één dat alle andere in
schoonheid overtreft, dat eene schier onbegrensde populariteit geniet, en dat
van het eerste oogenblik af aan, den maker eene plaats heeft verzekerd in het
koor der vaderlandsche poëzie. Kortom, indien men dit ééne
ter zijde laat, dat Nieuwlands uitvaart gevierd is door Van Swinden, terwijl
Borgers lijkrede werd uitgesproken door
Van der Palm; ik meen, indien men deze
ééne omstandigheid niet mederekent, dat Borger, die twintig jaren
jonger was, vijfentwintig jaren later gestorven is, dan is er letterlijk geen
punt van wezenlijk belang waarin deze beide mannen niet onophoudelijk aan
elkander herinneren. Zelfs in hunne uitwendige gedaante was iets
gelijksoortigs: in zoover namelijk als men zich bezwaarlijk, achter een
onaanzienlijk voorkomen, meer vernuft en geleerdheid, meer vermaardheid, meer
populariteit, meer gaven, in één woord, denken kan.
Bellamy heeft niet alleen een geheel anderen levensloop gehad, maar
was ook in alle opzichten een ander mensch, een andere geest. Was Borger de
zoon van een brandertje, Nieuwland van een timmerman, Bellamy (en in zoover
stonden ze bijna gelijk) Bellamy was het eenig kind van een vlissingsch lakei
en van een walchersch boerinnetje. Doch terwijl Borger reeds op zijn
zeventiende jaar overgenoeg grieksch en latijn kende, om naar de Akademie te
gaan; Nieuwland reeds veel vroeger, slechts elf jaren oud, als kind werd
opgenomen in het klassieke huis van De Bosch, stond Bellamy, als volwassen
jongeling van 22 jaren, nog altoos brood en koek te kneden ten huize en in de
dienst van den eerzamen bakker Kleeuwens te Vlissingen. Eerst drie
jaren later zou hij zooveel grieksch | | | | en latijn verstaan als noodig
was om zich te Utrecht te laten inschrijven als student in de
theologie. Borger en Nieuwland zijn gehuwd geweest; hebben, hoe ten halve en
voor hoe korten tijd dan ook, den zegen gesmaakt van het huiselijk geluk; zijn
niet ten grave gedaald vóór zij van al de genietingen dezes
levens althans den vóórsmaak hadden gehad. Ook Bellamy is jong
gestorven, niet ouder dan 29 jaren; doch meer dan student in de theologie is
hij nooit geweest, en van het hoogste geluk des jongen mans heeft hij
alléén gekend: eene tegengewerkte verloving van drie eindelooze
jaren, met poëzie en droog brood in het verschiet. Borger en Nieuwland
waren klein van postuur, nietig van lichaamsbouw; Borger bovendien bijna
terugstootend leelijk, zonder een zweem van uitdrukking in het kinderachtig
blozend gelaat met de boersche geelblonde haren. Uit Nieuwlands oog straalden
ja vriendelijkheid en beminnelijkheid een ieder tegen; doch hij was niet alleen
klein van stuk, maar daarenboven eenigzins scheef aan den regterschouder;
terwijl er, verbeeld ik mij, iets Pieter Stastokachtigs moet zijn geweest in
dat zekere rottingje waarmede hij onder het wandelen plag te spelen. Bellamy
daarentegen had de vormen van een athleet: breed van borst en schouders, hoog
van gestalte, armen zwaar gespierd. Daarbij: onder de lange, glanzige, zwarte
haren, in het eenigzins bleek gelaat met de sprekende trekken, een stel donkere
vonkelende oogen; oogen die zich in het ééne oogenblik met tranen
vulden, het oogenblik daarna schitterden van humor, en dan weder, in uren van
drift of geestdrift, stralen uitschoten; geen stralen van blik, maar echte.
Nieuwland en Borger zouden medelijden met hem gekregen hebben indien zij hem te
Vlissingen, onder des rectors Cruysselbergen's oogen, hadden zien zitten
blokken op zijn latijn en grieksch; of naderhand te Utrecht, aan de Akademie,
hem de heiligste besluiten hadden hooren vormen om toch gereed te komen met het
weinigje hebreeuwsch dat voor zijn kandidaatsexamen werd vereischt. Zij die
alle talen, oude en nieuwe, oostersche en westersche, met de grootste
gemakkelijkheid aanleerden, zonder moeite en bijna zonder meesters, zij zouden
hem, (hulpvaardig en goed als zij waren) onder den | | | | arm genomen en
een weinig voortgeholpen hebben. Doch daar staat tegenover dat Bellamy - want
hij was ongeloofelijk sterk - met Nieuwland onder den eenen arm en Borger onder
den anderen (gelijk hij op een keer met twee Utrechtsche studenten deed) zonder
merkelijke vermoeijenis, de kamer zou hebben kunnen op en neder wandelen.
Wetenschappelijke vraagstukken heeft Bellamy nooit opgelost, geleerde bezwaren
nooit uit den weg geruimd; maar wel heeft hij, met zijn breeden rug, een
volgeladen hooiwagen, die overzijde was gezakt en dien eenige baliekluivers
vruchteloos gepoogd hadden overeind te krijgen, geheel alleen weder in postuur
gezet. Aldus teregt gezet, zijn door hem niet alleen hooiwagens, maar ook
sommige zijner medemenschen die dit verdienden. Onder anderen zeker manspersoon
dien hij in een zilversmidswinkel een voorwerp van waarde in zijn zak zag
steken. ‘Maatje, zulje eens dadelijk weêr neerleggen wat je daar in
den zak steekt,’ en onder het uitspreken van deze woorden (want hij was
de regtschapenheid in persoon en kon zonder toorn geene oneerlijkheid zien),
gaf hij met de gesloten vuist zulk een woedenden slag op de toonbank, dat de
dief, doodelijk verschrikt, het stuk zilver oogenblikkelijk teruggaf, en zich
wegmaakte. Eindelijk (want onze kreupele parallel werd reeds lang genoeg
voortgezet): toen Nieuwland collegie mogt houden bij Wijttenbach en naderhand
bij Van Swinden, gevoelde hij zich eerst recht in zijn element en blaakte van
ijver voor de wetenschap. Desgelijks Borger, na dat merkwaardig vergelijkend
examen voor de studentenbeurs, waartoe men hem eerst niet wilde toelaten, omdat
hij er zoo onnoozel uitzag; zóó dom en onnoozel dat de
examinatoren hem uit medelijden gaarne uit eigen zak de kosten der friesche
reis zouden vergoed hebben, indien hij slechts van zijn voornemen om mede naar
den prijs te dingen had willen afzien; maar dat van de eerste vragen af aan
zoodanig uitviel dat zij eenparig getuigden: al ware er slechts
ééne beurs te vergeven, zij zal voor Borger zijn. Deze beide
mannen, Nieuwland en Borger, waren voor de studie in de wieg gelegd; en toen
zij voor de studie werden opgeleid, genoten zij. Wat getuigt daarentegen de
vroegste van | | | | Bellamy's levensbeschrijvers, de zeeuwsche
predikant Kuipers? ‘Dewijl
het,’ zegt hij (en ziedaar eene even wijze als weemoedige opmerking,
vastgeknoopt aan een zeer prozaïsch berigt) ‘dewijl het hem aan
middelen ontbrak, vereenden zich eenige (vlissingsche en middelburgsche) Heeren
saam, om jaarlijks tot zijne studiën iets toe te brengen, waarbij in het
vervolg nog méér uit andere bronnen kwam; en hij vertrok naar de
utrechtsche Hoogeschool, om zich tot den predikdienst voor te bereiden.
Niet’ (gaat Kuipers voort) ‘ omdat men oordeelde dat deze kring
best voor hem geschikt ware, maar omdat in ons Gemeenebest, alwaar men niet,
gelijk in koningrijken, aan fraaije vernuften jaargelden geeft, die hun de
vrijheid laten om naar hunne smaak te werken,’ (ik voeg er bij dat naar
menschenheugenis
Bilderdijk de éénige hier te
lande geweest is die ooit in zijne kwaliteit van fraai vernuft een pensioen uit
's lands kas heeft getrokken) ‘ omdat in ons Gemeenebest,’ gaat
Kuipers voort, ‘dit’ (te weten in de theologie te studeren en zich
voor te bereiden voor den predikdienst) ‘het bijna éénige
middel is om zulken als Bellamy te verheffen en ten eerlijken bestaan te
brengen; hoewel’ (steeds voert de Eerw. Kuipers het woord) ‘hoewel
echter hierdoor menig genie verongelukt en der Kerke weinig voordeels wordt
aangebragt.’
Arme, arme - neen, rijke Bellamy! zullen wij zeggen. Want hij was
rijk: allermeest, ongetwijfeld, omdat hij een geboren dichter was; omdat hij
een hart had vol menschelijk gevoel, eene stoute verbeelding, een heldhaftig
karakter, en daarbij het vermogen om hetgeen in hem omging aanschouwelijk uit
te drukken in woorden. Rijk, evenzeer, gelijk dit een jongeling van 25 jaren is
bij het genot eener eerste en eenige en beantwoorde liefde. Doch vast niet
minder rijk, omdat hij zich in de Utrechtsche studentenwereld de ziel mogt
heeten van een vriendenkring, zamengesteld uit sommige der beste en
meestbelovende jonge mannen die destijds aan onze vaderlandsche universiteiten
te vinden waren. Zoo aanstonds zullen wij aan deze vrienden, wanneer zij zullen
zijn bijeengekomen op Bellamy's kamer, een bezoek gaan afleggen, doch
| | | | vergunt dat ik sommigen van hen vooraf in het particulier aan u
voorstel.
Vóór allen Willem Ockerse,
destijds (wij zijn in het voorjaar van 1784) predikant te Baarn,
doch reeds beroepen te Wijk bij Duurstede, waar hij de opvolger
worden zou van
Paulus van Hemert. Hij is derwaarts opweg,
ten einde een kijkje te gaan nemen van zijne nieuwe standplaats en pastorie en
bevindt zich dien ten gevolge, bij zeldzame uitzondering - want het is
Zaturdagavond - te Utrecht. Over vier jaren zal hij het eerste deel
uitgeven eener Algemeene Karakterkunde, waardoor hij
zeldzamen roem behalen zal en die hem vooraan zal doen plaatsen onder de
wijsgeerige moralisten van dien tijd. In datzelfde jaar zal hij, op verzoek der
regering van Wijk bij Duurstede, eene leerrede houden en doen drukken tot
aanprijzing ‘van het Begraven der Dooden buiten de Kerk en de
Stadspoorten;’ en deze leerrede gerigt tegen een toen nog altoos
diepgeworteld vooroordeel, zal algemeen de aandacht trekken. Wederom negen
jaren later, nadat hij om redenen van gezondheid de predikdienst tusschentijds
vaarwel gezegd en zich te Amsterdam zal gevestigd hebben, te weten
in 1797, zal hij in de tweede Nationale Vergadering, als lid en president der
Commissie van Constitutie, eene aanmerkelijke rol vervullen op het politiek
tooneel. In de dagen der restauratie, na 1813, zullen zijne
Napoleontische Redevoeringen opgeld doen. In 1823 zal hij
een aanvang maken met de uitgave van een onvoltooid gebleven werk:
Vruchten en Resultaten van een Zestigjarig Leven. Een
jaar te voren, in 1822, - en het is om die reden dat hier in de eerste plaats
van hem gesproken wordt - zal hij, te zamen met zijne zuster, mevrouw weduwe
Kleyn, een boekdeel uitgeven, getiteld: Gedenkzuil op het Graf van
Jacobus Bellamy; eene in gedaante en uitzigt wel ouderwetsche,
maar, door den rijkdom en de kunstige rangschikking der bijzonderheden,
overigens uitmuntende monografie. Doch thans, in 1784, is hij nog niet meer dan
een jong predikant van buitengewonen aanleg. Van tijd tot tijd schrijft hij een
versje, te plaatsen in de Proeven voor het Verstand, den Smaak en het
Hart. Ook | | | | wel een prozastukje, in den trant van
Sterne. Overigens is hij reeds nu een goed criticus, en verstaat de eischen der
litteratuur.
Ziehier, in de tweede plaats, een klein manneke, maar die stevig in
elkander zit. Een boos poëet van later tijd heeft hem eenmaal
‘bultenaar’ gescholden, doch de benaming is onjuist: slechts zit
hij wat hoog in de schouders en heeft een ronden rug. Zijn voorhoofd is breed
en hooggewelfd. Zijn blaauw en sprekend oog staat helder. Om zijnen mond, om
zijne lippen, over al zijne gelaatstrekken zweven beurtelings ernst en spot,
wijsbegeerte en satire. Dit is
Joannes Kinker. Toekomend jaar zal hij een
bundeltje minnedichtjes uitgeven: Mijne Minderjarige
Zangster. Over een booze kritiek van dit bundeltje zal hij in
proces komen met de redactie van het tijdschrift de
Recensent.
Bilderdijk (toen nog zijn vriend) zal daarin
als verdediger voor hem optreden. Daarna zal hij een treurspel schrijven (
Celia), en een drama (de Graaf Van
Rots). Dan zal hij, eerst te 's Hage en vervolgens te Amsterdam,
als advokaat gevestigd, redacteur worden van Janus en van
Janus Verrezen. Voorts zal hij een reeks van dramatische
parodiën uitgeven: Orosman de Kleine, en andere. Ook
zal hij een kritisch tijdschrift opzetten, de Post van den
Helicon, dat grootendeels zijn eigen werk zal zijn. Eindelijk -
want wij gaan thans niet verder dan het jaar 1800 - hij zal medearbeider en
weldra eenig schrijver worden van wederom twee andere kritische tijdschriftjes,
meer in den trant van den voormaligen Spectator, doch tevens niet vreemd
aan de politiek: eerst de Arke Noachs, daarna, wanneer de
ark geacht zal mogen worden veilig te zijn aangekomen op den top van Ararat,
Noachs behouden zonen, Sem, Cham en Jafet. - Doch omstreeks den
tijd waarvan wij spreken, is er van hem nog niets in druk verschenen behalve
een bundeltje Akademiezangen, studenten-werk. Hoogstens
mogen wij aannemen dat hij bezig is te werken aan eene politieke parodie,
getiteld: de Eigenbaat.
Thans komen wij bij iemand van wiens uiterlijk ik niets anders weet
te zeggen dan dat hij aanleg heeft tot buiten- | | | | gewone
zwaarlijvigheid. Doch wat zou dit? Het heeft hem niet verhinderd het hart te
veroveren van eene talentvolle en beminnenswaardige vrouw, met wie hij nog
ditzelfde jaar in het huwelijk denkt te treden:
Antoinette Ockerse, de zuster van dien
Willem daareven door ons genoemd. Zijn naam is
Kleyn: niet Barend
Klijn, of
Hendrik Harmen Klijn, die eerst dertig
jaren later hebben gebloeid, maar Johannes Petrus. Na vele onaangenaamheden en
wederwaardigheden, een gevolg van den toenmaligen politieken toestand, zal hij
eindelijk grondbezitter en raadsheer worden in het hof van Gelderland en zich
te Arnhem vestigen. Daar zal hij omgang hebben met den
predikant Ahasuerus Van den Berg, en de
ziel zijn van een ernstig letterkundig gezelschap. Daar ook, te zamen met zijne
vrouw, zal hij den tweeden en derden bundel hunner gemeenschappelijke
Oden en Gedichten, de drie stukjes van hunne
gemeenschappelijke Krijgsliederen, zijne Bijdragen voor Genie
en Menschengevoel, zijne
Kleine prozaïsche en poëtische Bijdragen
en eindelijk zijnen Lierzang op Van Alphen -
tevens zijnen zwanenzang - uitgeven. Voorts zullen er van hem in portefeuille
blijven eenige uitmuntende verhandelingen over het theoretisch gedeelte der
poëzie. Doch in den tijd waarvan wij spreken - tusschen zijne promotie en
zijn huwelijk - is hij als dichter nog maar alleen bekend door het eerste
bundeltje zijner Oden en Gedichten, en meer bijzonder door zekeren
Feestzang bij gelegenheid van het derde jubilé der Utrechtsche
Hoogeschool: een stuk dat zeer in den smaak moet zijn gevallen, want het werd
op stadskosten op muziek gebragt en daarna feestelijk uitgevoerd. Tevens was
hij in dienzelfden tijd, niet openlijk maar in den kring zijner vrienden,
bekend als een der zamenstellers van het bundeltje getiteld:
Bardietjes, eene nieuwe soort van gedichtjes, uitgekomen
te Amsterdam, in 1779, en destijds, in de
Letteroefeningen en elders, deerlijk gehavend. Door Van
Alphen, - veertien jaar ouder dan hij, en bij wien hij in zijn studententijd
veel aan huis kwam - door dezen opmerkzaam gemaakt op de pogingen der
Duitschers om, naar het voorbeeld van Grieken en Romeinen, in plaats van altoos
rijmende, ook enkel metrische verzen te | | | | schrijven, behoorde hij na
Van Alphen zelf en diens vriend
Van De Kasteele, onder de eersten die
(niet maar op goed geluk en zonder studie, maar toegerust met een rijken
voorraad van maat- en taal-kennis) zich toelegden op het vervaardigen van
rijmlooze hollandsche verzen: en in zoover mogten de Bardietjes - anders
gezegd, kleine germaansche volkszangen - ofschoon er onder deze versjes meer
zwakke dan deugdelijke waren, evenwel zonder grootspraak ‘eene nieuwe
soort van gedichtjes’ heeten. Kleyn is derhalve reeds vroeg een ijsbreker
geweest, en behoort tot die zeer verdienstelijke dichters van het einde der
achttiende eeuw, die al het hunne hebben gedaan, niet om het rijm voor goed uit
onze poëzie te verbannen, - dit is nooit hun toeleg geweest, gelijk ten
overvloede blijkt uit hunne eigen rijmende verzen - maar om de waarde van korte
en lange klanken, in wier afwisseling het ware geheim der welluidendheid ligt,
zooveel mogelijk tot bewustheid te brengen (een geheim waarin niet al onze
rijmende poëten van later tijd even diep hebben weten door te dringen) en
dit niet alleen, maar ook om, door de eenvoudigheid en schijnbare kleurloosheid
der uitdrukking, des te meer licht te doen vallen op de gedachte; eene poging
die dubbelen lof verdient, wanneer men in aanmerking neemt dat bij vele
dichters der achttiende en zelfs der negentiende eeuw de gedachte vaak min of
meer in de schaduw blijft. Overigens is de bijzondere reden waarom Kleyn met
eenigen nadruk aan u wordt voorgesteld eenvoudig deze: hij is op
één na de intiemste van Bellamy's vrienden, en van alle versjes,
na diens dood te zijner eere vervaardigd, is dat van
Jan Pieter Kleyn verreweg het
fraaiste.
Doch vraagt gij, wie zijn die twee andere daarginds? die twee
rijzige, minder breed maar vast langer dan Bellamy-zelf, en onder wier
uitgestrekten arm Kinker gemakkelijk zou kunnen doorgaan? De jongste der twee,
die met de groote blaauwe oogen vol zachtheid en kracht, met den fraaijen neus,
met de stille en edele sluiting der lippen, tevens dezelfde die met zulk eene
hoffelijke buiging onzen groet beantwoordt en die in het gemeen zulke
voortreffelijke manieren heeft, | | | | is
Sebald Fulco Johannes Rau, eenige zoon van
den Utrechtschen hoogleeraar in het Oostersch. Hij is nog slechts negentien
jaren oud; maar reeds over twee jaren, na korten tijd predikant te zijn geweest
bij de walsche gemeente eerst te Harderwijk en daarna te
Leiden, zal hij zelf in laatstgenoemde Akademiestad tot
hoogleeraar in de oostersche talen worden aangesteld. Hij zal niet oud worden,
slechts twee en veertig jaren. Doch gedurende al de twintig jaren van zijn
openbaar leven, zal de roem zijner welsprekendheid even groot zijn als die van
zijne geleerdheid. Van zijne geschriften zal niet veel overblijven; want in
Januarij 1807, naauwlijks één jaar voor zijnen dood, zal het
Leidsche kruidschip, vlak voor de deur zijner woning gelegen, die woning bij
het springen in brand steken, en behalve andere kostbaarheden zal dan ook zijn
eigen letterkundige arbeid van twintig jaren een prooi der vlammen worden. Hij
heeft smaak in poëzie en beoefent die in het latijn en in het hollandsch;
ook in het fransch: drie der ‘Cantiques,’ bij de Walsche gemeenten
hier te lande sints vijftig of zestig jaren in gebruik, zijn van hem. Doch
taalstudie is zijn eigenlijk vak, en hij is geboren voor het aanleeren van
talen. Sints zijne jongensjaren kent hij grieksch, latijn en hebreeuwsch, en
reeds nu spreekt hij, zonder het minste accent, fransch, duitsch en engelsch.
Vandaar ook dat hij, ofschoon een Nassauer van afkomst, naderhand uit vrije
verkiezing Walsch predikant is geworden en vervolgens - twintig jaar lang - te
Leiden in het fransch kollegie heeft gegeven over de vakken der praktische
theologie.
De andere rijzige gestalte van daareven is
Jan Hinlópen, zes jaren ouder en
vooral niet minder wellevend of innemend van uitzicht dan Rau. In weerwil
zijner vijf en twintig jonge jaren is hij reeds een deftig man, advocaat, en
lid der vroedschap van Utrecht. Hij is de zoon van dien Jacobus
Hinlópen, dien de Utrechtsche gemeente al spoedig vader Hinlópen
noemde, dezelfde die plagt te zeggen dat geen predikant ooit langer preeken
moest dan tot kwartier over elven; op grond dat met slaan van half twaalf de
Satan ter kerkdeur pleegt binnen te sluipen; dezelfde ook van wien prof.
| | | | Heringa dit goed getuigenis heeft afgelegd: ‘Onder alle
leeraars, die ik immer persoonlijk heb leeren kennen, herinner ik mij niet
iemand ontmoet te hebben die, mijns achtens, meer wijsheid met wetenschap, meer
voorzigtigheid met ijver, meer bevalligheid met achtbaarheid, meer
ootmoedigheid met bewustheid van hetgeen hij was en had, zamen paarde, dan de
godvruchtige en menschlievende
Jacobus Hinlópen.’ Zijn zoon,
dien wij heden ontmoeten, zal naderhand, onder koning Lodewijk, de
aanzienlijkste betrekkingen vervullen en 's konings volste vertrouwen genieten.
En wanneer hij, staatsraad en toekomstig minister van binnenlandsche zaken,
zich in Lodewijks en des vaderlands dienst letterlijk zal hebben doodgewerkt,
dan zal de koning hem eeren en zijn lijk met groote plegtigheid doen bijzetten
in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, dan zal, in de vorstelijke vergadering van de
Ridders der Unie in 1809, Van der Palm eene korte lijkrede op hem uitspreken,
en in de wetenschappelijke vergadering van het Instituut - van welks
2de klasse Hinlópen geruimen tijd voorzitter is geweest -
Bilderdijk hem herdenken in een
hoogstvereerend gedicht. Doch van al deze uitwendige grootheid is thans nog
niets bij hem te zien. Ook is hij buiten Utrecht nog door geen letterkundigen
arbeid bekend: nooit heeft men hem kunnen bewegen, nu noch later, zelf zijne
verzen in het licht te geven; en wat er van zijne Muze tot ons is gekomen,
bleef als bij vergissing behouden. Toch zijn er redenen waarom wij hier melding
van hem maken. Niemand, vooreerst, te na gesproken, is in dezen niet onedelen
kring, Hinlópen het degelijkst karakter; terwijl hij - goed jurist en
dichter in vijf talen, - wat kundigheden betreft, voor geen der anderen behoeft
onder te doen. Daarenboven, gelijk Kleyn persoonlijk bekend is met
Jung Stilling, zoo is hij in geregelde
briefwisseling met Lavater, eerst over de gelaatkunde, daarna over
godsdienstige onderwerpen. Doch, wat hier alles afdoet, hij is, met Kleyn en
door Kleyn, de boezemvriend van Bellamy. Nog geene twee jaren later zal
Bellamy, in zijne jongste ziekte door
Hinlópen als door een broeder verpleegd, in Hinlopens armen sterven,
door Hin- | | | | lópens goede zorgen plegtstatig begraven worden.
Ook zal Hinlópen dan al de kleine schulden van den armen dichter
betalen, wat meer zegt - of zegt het minder? ik weet het niet - hij zal aan 's
dichters verloofde te Vlissingen schrijven dat
Zelandus gestorven is; hij zal, na
Bellamy's dood, geene gelegenheid ongebruikt laten om hulde te bewijzen aan
Bellamy's karakter en Bellamy's genie.
Doch vóór wij nu naar Bellamy's kamer gaan en de
vergadering bijwonen van Dulces ante omnia Musae - dus luidde de zinspreuk van
het kransje, - laat mij u nog één persoon voorstellen; geen lid,
maar een gast van buiten de stad.
Van der Palm is dit niet; want al is deze,
tijdens hij predikant te Maartensdijk was, meer dan eens naar
Utrecht komen wandelen om Bellamy te komen zien en hem te hooren reciteren, al
heeft hij vele jaren daarna, in een alleraardigst stukje - ‘Mijne
herinneringen aan Bellamy’ - ons verhaald welke indrukken hij toen
ontving en wat hij van Bellamy leerde: het is nu Zaturdagavond, en van der Palm
zit te Maartensdijk aan zijne preek voor morgen. De bedoelde gast heet
Antoni Christiaan Winand Staring, 17 jaar
oud, student in de regten aan de Harderwijksche hoogeschool - toen nog in
wezen, ja bloeijende, - en die - niemand heeft mij kunnen zeggen door welken
zamenloop van omstandigheden - zich dezen avond te Utrecht bevindt, met
volkomen hetzelfde oogmerk als wij. Vóór het jaar 84 ten einde
is, zal zijn gelaat door de kinderziekte wel iets van zijne natuurlijke
beminnelijkheid verloren hebben. Doch over een jaar of drie vier, wanneer hij
gepromoveerd, en eigenaar zal geworden zijn van den Wildenborch boven
Zutphen; wanneer hij, na eerst nog eenigen tijd te Göttingen
in de wetenschappelijke landhuishoudkunde te hebben gestudeerd, een Geldersen
heereboer zal geworden zijn van den echten stempel; wanneer hij in de verzen
zijner jeugd naar hartelust zal hebben gesnoeid en, omringd van vrouw en
kinderen, zich van zijne dichterlijke roeping ten volle bewust zal zijn
geworden, zal hem dit weinig kunnen schelen. Voor het tegenwoordige is hij een
slanke jongen die allerhartelijkst lagchen kan en in wiens | | | | oogen
een vernuft speelt, dat reeds nu aan
Constantijn Huygensdenken doet.
Ik geloof niet, dat het goed zou zijn indien wij, na reeds van
zoovele levensbijzonderheden der utrechtsche litteratoren van '84 kennis te
hebben genomen, nu nog daarenboven gingen stilstaan bij den politieken toestand
dier dagen. Dit is de reden dat wij, bij het opklimmen van den trap naar
Bellamy's kamer, zorg dragen niet te belanden bij Bellamy's kontubernaal, Ondaatje, een groot politicus, na '93 lid van het
Uitvoerend Bewind, omstreeks 1820 in Indiën gestorven, en die welligt
thans niet ongeneigd zou zijn een praatje met ons te maken over den verleden
maand met Engeland gesloten vrede en diens noodlottige gevolgen voor de
welvaart van ons Gemeenebest: een onderwerp, trouwens, waarin Kinker vast niet
minder goed te huis is dan hij. Wij vinden Bellamy alleen. Hij stapt de kamer
op en neder, eene bovenachterkamer, uitziend op een stel daken en
schoorsteenen, en waarin het dalend zonlicht naauwlijks meer genoeg schijnsel
verspreidt om 's dichters gelaatstrekken te kunnen onderscheiden. Hij stapt het
vertrek op en neder, overluid sprekend, met in de ééne hand
eenige losse bladen papier, met de andere gesticulerend. Hij memoriseert de
studentepreek, die hij in den loop der volgende week, in de Pieterskerk, zal
moeten voordragen: zij is de eerste van het eenig tweetal door hem gemaakt en
uitgesproken. Haar onderwerp luidt: ‘Het voorrecht der geloovigen’
en de tekst is Genesis XV, vs. 1: ‘Vrees niet, Abram - ik ben uw
schild.’ Hij is nog pas aan de voorafspraak; en wij hebben dus
ál den tijd om in het voorbijgaan kennis te nemen van hetgeen, na zijnen
dood, door
Kuipers, den uitgever zijner twee
nagelaten leerredenen, gezegd is van zijne preekmethode. ‘Of
Bellamy,’ zegt Kuipers, ‘als leeraar grooten opgang zou gemaakt
hebben, daaraan mag men twijfelen. Uit de twee leerredenen die men hier den
lezer aanbiedt, blijkt het dat hij ver afweek van die wijs van voordragt welke
in de publieke kerk, tot heden toe, nog allermeest behaagt, en hij had te veel
vastheid van geest om zich blindelings naar den heerschenden smaak te richten.
En daar men | | | | in ons land’ - Kuipers zeide dit in het jaar '89
- ‘door eenen leeraar niet wil geschreven hebben hetgeen men aan elk
ander niet kwalijk duidt, is het te vreezen dat, dewijl het hem onmogelijk was
zijn genie aan zijn fortuin op te offeren, Bellamy eene aanzienlijke plaats
onder de dichterlijke martelaars zou beslagen hebben.’ Wat hiervan aan
zij, en ons vergenoegend met de verklaring dat Bellamy's twee of drie preeken
onmiskenbare blijken dragen eener aan de scolastiek gansch en al afgestorven
eenvoudigheid en natuurlijkheid; wanneer wij in aanmerking nemen - niet, dat
Bellamy om zijn talent van voordragt in korten tijd zulk een roem verworven had
dat de directie van den Amsterdamschen Schouwburg hem eenmaal op aannemelijke
voorwaarden eene eerste plaats aanbood als akteur: dit ware allicht in de oogen
van sommigen, met de hoogere eischen eener werkelijk goede voordragt minder
bekend, eene slechte recommandatie van zijne redenaarsgave; ofschoon het niet
onmogelijk is dat dit aanbod aan den toekomstigen predikant minder eene hulde
geweest is aan de superioriteit van den declamator dan eene speculatie op de
armoede van den dichter; doch wanneer wij in het oog houden dat niet de
directie van den Amsterdamschen Schouwburg, maar dat Van der Palm, toen deze in
den vollen roem en bloei zijner welsprekendheid was, verklaard heeft:
‘Eer ik Bellamy hoorde, betuige ik niet dan onvolledige begrippen van den
aard der uiterlijke welsprekendheid gehad te hebben,’ verklaard heeft:
‘ik had de beroemdste tooneelspelers van dien tijd gehoord, en daaronder
den éénigen Corver, bij wien Talma ter school had kunnen gaan;
maar toen ik Bellamy hoorde was het mij alsof ik voor het eerst verzen hoorde
reciteeren, en ook na hem hoorde ik niets dat hem evenaarde;’ verklaard
heeft: ‘indien ik, ten aanzien der waarheid, der gemakkelijkheid, der
uitdrukking, der verscheidenheid, in het reciteeren iets vermag, zoo is dit
grootendeels aan Bellamy dank te weten’ - dan kan het naauwelijks anders
of Bellamy moet, ook bij de openbare voordracht der enkele volzinnen die wij
hem thans in de eenzaamheid hooren uitspreken, eerst: ‘Gaan wij eenige
schreden verder en volgen wij Abram, met | | | | den zoon
zijns ouderdoms, zijnen geliefden Izaäk, naar Moria: hier
sidderen wij bij elken stap! schoon ons de blijde uitkomst van dit
verschrikkelijk tooneel bekend zij;’ voorts: ‘Deze belofte van God
was vervuld: Abram had nu eenen zoon, en dus eene gevestigde hoop op de
vervulling der andere beloften;’ verder: ‘Te midden dezer
streelende vooruitzigten eischt God den geliefden zoon tot eene offerande:
Abram zwijgt en gaat, met den jongeling wiens dood het einde van zijne hoop zou
zijn, henen;’ toen: ‘De gebonden zoon ligt reeds op den altaar - de
geloovige vader grijpt het doodelijke offermes in zijne bevende hand - zijn
nederhangende arm is te zwak voor zijn geloof - zijn wangen verstijven - en
zijne schemerende oogen zijn alleen op Izaäk gevestigd: doch zij zien hem
niet meer;’ vervolgens deze wending: ‘Daar zegepraalt zijn geloof!
Met een afgekeerd gelaat grijpt hij den jongeling - zijn gewapende hand is
reeds opgeheven;’ en eindelijk dit: ‘Nu klonk een goddelijke stem
door de zwijgende natuur: Abraham! strek uwe hand niet uit naar den jongen en
doe hem niets!’ - het spreekt, zeg ik, bijna van zelf dat Bellamy, die
zoo voortreffelijk verzen reciteerde, ook zulk proza goed moet hebben
voorgedragen. Die ‘gebonden zoon,’ die ‘bevende hand,’
‘die nederhangende arm, zwakker dan Abrahams geloof,’ dat van die
oogen: ‘ze zijn alleen op Izaäk gevestigd, doch zij zien hem niet
meer,’ die ‘goddelijke stem klinkend door de zwijgende
natuur,’ het is alles zoo pittoresk, zoo doodeenvoudig, zoo gezond
weemoedig, dat toen Bellamy deze preek korten tijd daarna te
Vlissingen voordroeg, de groote meerderheid, dunkt ons, hem moet
hebben bewonderd en gezegend. Wat
Kuipers dus ook zeggen moge van Bellamy's
vermoedelijke impopulariteit als toekomstig prediker, wij voor ons gelooven -
doch welligt is het meer een wensch dan een dadelijk geloof - dat zelfs de
wansmaak der ‘Publieke Kerk’ op den langen weg bekeerd zou zijn
geworden door Bellamy's redenaarsgaven.
Doch reppen wij ons voort: de gasten zijn in aantogt en ik heb nog
iets op het hart. Te weten, vooreerst, deze opmerking: dat het gehalte der
vrienden zooeven aan u voor- | | | | gesteld, ons groote sympathie behoort
in te boezemen voor Bellamy's persoonlijkheid. Hoe dierbaar is deze jonge man
geweest aan zijne voortreffelijke vrienden! Om alleen van Rau en
Hinlópen te spreken, Rau is na Bellamy's dood weldra de beroemdste van
al onze toenmalige kerkredenaars en, bovendien, door zijn huwelijk met eene
gravin van Randwijck, een man geworden die in de eerste kringen der zamenleving
verkeerde; desniettemin verzekert Van der Palm dat Rau, tot aan zijn dood toe,
nimmer van Bellamy - en gij herinnert u diens geringe afkomst, naderhand door
geen roem van wetenschap of aanzienlijke betrekking overschaduwd, gelijk het
geval was met Nieuwland en Borger - nimmer van Bellamy's talenten en
verdiensten, van diens hart of deugden spreken kon, of zijn oog glinsterde en
zijne wangen gloeiden van ontroering. En Hinlópen - deze heeft op den
dood van Rau, - slechts één jaar voor zijn eigen dood, derhalve
in den tijd dat hij als staadsraad en ridder der Unie in het hoogste aanzien
was, - op den dood van Rau eene fransche ode vervaardigd, wier dichterlijke
waarde ik hier in het midden laat, doch waarvan de laatste strophe:
Permets que cette main, qui ferma la paupière
Te porte mon hommage, en gravant sur la pierre
omdat Bellamy daarin voorkomt als het symbool der teederste en
heiligste vriendschap, eene ongezochte en daardoor dubbel benijdenswaardige
hulde insluit van het karakter van den sinds twintig jaren overleden dichter.
De andere opmerking door mij bedoeld, is: dat wij in Bellamy's omgang met deze
bij uitnemendheid wetenschappelijk gevormde vrienden, vrienden die bij hunnen
dichterlijken smaak-toen reeds, vooral bij Hinlópen, door de studie van
Goethe gevormd - ook daarenboven
theoretische kundigheden van aanmerkelijke uitgebreidheid magtig waren, den
sleutel bezitten tot het raadsel dier bewonderenswaardige hoogte waartoe
Bellamy's talent, | | | | in den ongeloofelijk korten tijd van slechts
drie jaren, en te rekenen van het zeer lage peil eens huisbakken rijmelaars,
plotseling gestegen is. Zeker, deze snelle en hooge vlugt kwam allereerst en
allermeest van zijn dichterlijk genie. Doch welk uitzet hij, om zoo te zeggen,
van de Muzen mogt hebben medegekregen, hij is voor zijne vorming, zijne
ontwikkeling, zijnen smaak, zijne kunstvaardigheid - en deze opmerking is van
hemzelven - alles verpligt geweest aan den kring zijner utrechtsche vrienden.
1 Die kring was de vruchtbare grond waarin het mosterdzaadje kwam
neder vallen; en het is alsof de kunstkennis van
Kleyn enOckerse, van
Rau en
Hinlópen, onder de gunstige leiding
van de godin der schoonheid, alléén heeft moeten dienen om dit
zaadje tot een boom te doen worden, tusschen wiens takken en onder wiens dichte
bladeren nu nog de vogelen des hemels - anders gezegd, diegenen onzer die zich
in deze prozaïsche wereld gaarne nu en dan verkwikken met een teug echte
poëzie - eene goede herberg vinden.
De vrienden zijn gezeten; - wel wat naauw, want de kamer is klein -
en nadat Ockerse den jongen
Staring, die hem bijzonder aanbevolen was
geworden, aan de anderen heeft voorgesteld en de vergadering geopend, vangen de
werkzaamheden aan. Zij bestaan in het voorlezen van gedichten, uitsluitend
eigen werk en in het kritiseren daarvan. Daarna wordt er gereciteerd.
Kinker is heden avond niet bijzonder op dreef. Hij heeft verscheiden
dagen aan één stuk doorgebragt in zijn bed, met een
schrijflessenaar op de omhooggetrokken knieën en met een viool naast zich
op een stoel. Ziek is hij niet geweest, maar hij had de gelofte gedaan: bed
noch kamer te verlaten vóór hij zich, zonder hulp van eenigen
meester, van de theorie der muziek zou hebben meester gemaakt. En wanneer deze
kleine man eenmaal een diergelijk voornemen had opgevat, zouden vele reuzen
niet in staat zijn geweest er hem weder af te brengen. Misschien ligt de schuld
aan de lang- | | | | durige inspanning der laatste dagen; althans, hij heeft
deze reis geene andere dichtwerken op zak als één klein
tweeregelig versje. Het is getiteld De Taal der Meisjes en luidt:
‘Loop heen!’ zei Niesje, maar al lagchend, tegen
Piet:
Piet ging; want hij verstond de taal der meisjes niet.
Men glimlacht, en het woord is aan Ockerse. Ook deze is niet lang
van stof; ofschoon toch minder kort dan
Kinker, en zijn gedichtje is in een geheel
anderen toon. Hij leest:
de held.
Zijn rollend oog ziet als de zon -
Zijn stem spreekt als de donderwolk,
Zijn wang gloeit als het morgenrood,
Zijn vuist klemt als der leeuwen klaauw: -
Hij staat gelijk een prachtige eik,
Hij ligt gelijk een stille zee,
Hij stapt gelijk een hooge storm,
Hij valt gelijk een trotsch paleis: -
In moed verplettert hij de rots,
In zachtheid smelt hij voor een traan,
In trouw verduurt hij 't hardst metaal,
In wijsheid zweeft hij de englen na: -
De jonge Lente schetst zijn bloei,
De heete Zomer zijne kracht,
De rijke Herfst zijn nuttigheid,
En d'achtbre Winter zijne rust. -
Wie is dit evenbeeld van God?
Eerbiedig hem - het is Een Held.
De anderen vinden het stukje niet kwaad, en ik geloof waarlijk dat
Ockerse-zelf er nogal mede is ingenomen. Doch Hinlópen en Bellamy
protesteren; vooral Hinlópen. Hij heeft bedenkingen omtrent de
deugdelijkheid van sommige der ge- | | | | bezigde uitdrukkingen. Hij vraagt
of men van een storm, hoog of laag, kan zeggen, dat hij niet vliegt, maar
stapt? Van een trotsch en derhalve nog overeindstaand paleis, dat het valt? Ook
gelooft hij wel dat men door een rots verpletterd kan worden, maar niet dat
iemand, al is hij nog zoo groot een held, eene rots verpletteren kan. Voorts
beduidt het volgens hem niet veel of men de engelen al in wijsheid nazweeft:
het buitengewone bestaat hierin dat men ze opzijde zweve. Eindelijk maakt hij
ook nog deze opmerking dat de laatste regel niet behoefde te eindigen met
‘het is een held’, aangezien men dit geheim reeds uit het opschrift
weet. Hier tegen voert Ockerse aan, dat hij wel negen en negentig verzen kent
die, in weerwil dat het onderwerp door den titel wordt aangeduid, nogthans
aanvangen met: ‘Wie zijt ge?’ of ‘Wie is ze?’
Hinlópen antwoordt niet, maar glimlacht; en die glimlach herinnert aan
Ockerse, wat hij slechts door een glimlach behoefde te leeren, dat het bestaan
van negen en negentig dwaze verzen aan niemand recht geeft er nog een
honderdste bij te maken.
Rau heeft een Ode aan den Dood medegebragt,
waarin op treffende wijze de zeer eenvoudige gedachte wordt ontwikkeld dat voor
den Christen de groote Drijver geen Koning der Verschrikking is. Onze tijd is
beperkt, en wij luisteren daarom slechts in het voorbijgaan de eerste en derde
strofe af:
U, die op vleuglen der Nacht
Naar hooge paleizen gedragen,
Op 't aangezicht van trotsche vorsten legt,
U, Koning, klinke mijn lier!
De lier eens bloeijenden jongelings,
Laat vrij 't Heelal verbleeken op uw naam,
Ik zing den dood een lied!
Kleyn is tegen heden avond gereed gekomen met zijnen lofzang:
De intrede in den Hemel, een gedicht waarin het wederzien
der hier op aarde door den dood gescheidenen met | | | | fijne en edele
trekken geteekend wordt, trekken waarvan sommige in waarheid uit eene betere
wereld afkomstig zijn. Doch wij, gebruik makend van ons regt om voor eene
enkele reis tegen de tijdsorde te zondigen, lasschen hier liever het korte
versje in, door Kleyn twee jaren later op Bellamy's dood gemaakt:
En Gij, mijn zeeuwsche zanger,
Hij was, bataafsche helden!
Een Bard - en zelf een held.
Is dan geen geest, hoe schitt'rend,
Daar ge eeuwen lang, der wereld
o Dood? - Zijn hart was edel,
Een roemrijk leven waard,
Hadt gij hem laat gespaard!
Breed was zijn forsche boezem;
Zijn jeugdige arm was zwaar;
Hij was gespierd ten strijde,
Geschapen voor 't gevaar.
Der Barden liev'ling was hij;
Een zonnestraal zijn lied,
Wen zij, door lentewolken
Haar glans op de aarde schiet.
Ja, vriendlijk als de lente,
En glanzend was zijn geest;
Hij was voor Neêrland alles -
Ons - alles, ach! geweest!
Hem grootscher treurgezang!
Men weene, om zulk een zanger,
In Neerland eeuwen lang!
1
| | | |
De aanhaling van dit versje is hier te gepaster, omdat
wij in den zomer van '84 zijn; en omdat Bellamy, in de lente van datzelfde
jaar, aan Kleyn geschreven had: ‘Ik ga sterven; ik leef geen twee jaar
meer; ik voel den dood reeds door mijne aders woelen.’ Den elfden Maart
'86 was hij een lijk.
Hinlópen, wiens bescheidenheid aan allen bekend is, en die
zich daarom gaarne onderwerpt aan de uitspraken eener kritiek door hemzelven
niet zonder meesterschap beoefend, heeft een fragment medegebragt van een later
voltooid Oratorium of Cantate, getiteld: Bethlehem. Wij
zouden hem even goed een der drie liederen kunnen doen voordragen die naderhand
in den bundel der Evangelische Gezangen zijn opgenomen - het 49ste,
56ste en 71ste - doch geven de voorkeur aan genoemd
fragment. Geen dichter toch behoeft te blozen voor de kritiek, wanneer hij
vervaardigd heeft deze schilderij van de Maagd Maria met het kind - volkomen
eene Heilige Familie uit de Vlaamsche of Italiaansche school -:
De moeder staart op 't Kind: zij denkt
De Godspraak na, en wat Jehovah schenkt.
Haar maagdenziel, zich zelf geen smet bewust,
Geniet, in God, de hoogste rust.
Zij neemt haar Kind, terwijl de mond het kust,
En drukt het aan de volle borst.
Hij drinkt?... Hij lescht zijn eersten dorst!...
Hoe blinkt haar oog! Het zwemt in zaligheid.
De zuigling slaapt. Zij ziet hem godlijk schoon,
Op haren schoot: haar hand beroert zijn koon.
‘Mijn Jezus slaap! slaap (zegt zij) Davids Zoon!’
De wijzen staan beweegloos, enkel oog...
Thans moet Bellamy iets geven. Ook weigert hij niet, maar stelt als
voorwaarde dat eerst de jonge Staring twee dingen zal doen: ten eerste, een der
versjes voordragen waarvan het gerucht meldt dat
Feith te Zwolle ze heeft
gelezen en goedgekeurd, en ten tweede, met alle kleuren het stuk vertellen dat
zijn vader, de zee-officier, twee jaren geleden aan de Kaap heeft uitgevoerd.
Deze laatste eisch smaakt Staring beter dan de eerste; doch wat zal hij doen?
Feith had hem wel geschreven | | | | ‘dat hij zijne stukjes zeker
moest uitgeven;’ maar juist heden avond, in dezen Utrechtschen kring, is
hij voor het eerst beginnen te twijfelen - later twijfelde hij daar niet meer
aan - of Feith in zake van goeden smaak nu juist wel de veiligste der gidsen
mag heeten. Het best zal dus zijn, denkt hij, dat stukje te kiezen waarin het
hem meest gelukt is zichzelf te zijn en dat het minst in den trant van zijn
dichterlijken pleegvader valt. Zoo gedacht, zoo gedaan; en al blozend begint
hij:
De wereld zegt dat Jan, hoewel hij prachtig leeft,
In huis geen brood te kaauwen heeft
En dat van vaders geld geen duit meer overschiet:
De wereld zegt dat Mie, dat spitsgeneusde kind,
Zichzelve een aardig meisje vindt
En honderd keeren daags zich in den spiegel ziet;
De wereld zegt dat Stak, die man van groot verstand,
't Model is van een Schoolpedant,
Die elk met zijn latijn en brabbeltaal verdriet:
De wereld zegt dat Fij, met haar bedeesd gelaat;
In huis van niet dan kloppen praat,
En met den bezemstok mans rug wat naauw beziet:
De wereld zegt dat Frits, die nu zoo zedig leeft,
En jongelui steeds lessen geeft,
In zijn Studententijd zich anders hooren liet:
De wereld zegt dat Ant, die laatst in de oefening zat
En zoo demoedig keek en bad,
Den spreker, na 't sermoen, de malschte zoentjes biedt:
De Utrechtsche vrienden waren kenners: anders hadden ze misschien
meer gelet op hetgeen dit versje in zichzelf beduidde | | | | dan op
hetgeen het voor de toekomst beloofde; anders ook, hadden misschien
Hinlópen en
Rau het voorhoofd gefronst over de zeer
groote en wel wat luchthartige vrijmoedigheid van dit zeer jonge mensch, en
welligt zouden zij
Kinker hebben toegewenscht dat hij niet
met zulk ondeugend vuur in de oogen zoo smakelijk moest zitten lagchen. Doch
Kinker's lach werd begrepen; Rau noch Hinlópen zagen zuur; allen
gevoelden dat hier een jeugdig dichter voor hen stand, die, bleef hij in het
leven, door zijne tijdgenooten welligt niet zou worden begrepen of gewaardeerd,
maar door een volgend geslacht in des te hooger aanzien gehouden. Evenwel,
komplimenten werden niet gemaakt; en aanstonds herinnerde menStaring aan de andere door
Bellamy gestelde voorwaarde. Doch onze
jonge vriend, veel te schrander om niet te zien dat hij in dezen kring iets
wagen mogt en daardoor moedig geworden, maakte nu ook van zijnen kant een
beding. Te weten dat, wanneer zijn kort verhaal zou zijn geëindigd, het
hem geoorloofd wezen zou aan Bellamy de voordragt te verzoeken van alle verzen
en versjes die hij, Staring, hem vragen zou te reciteeren. Al de anderen - al
spartelde
Zelandus tegen - ondersteunden dit
voorstel, en Staring vertelde daarop, als volgt, hetgeen Bellamy genoemd had
‘het stoute stuk’ zijns vaders.
‘In Januari '82, toen men sinds 1 April van het vorige jaar
nog steeds in de volmaaktste onzekerheid verkeerde omtrent den verderen gang
van den engelschen oorlog - men wist wel aan de Kaap dat in December '80 de
oorlogsverklaring had plaats gehad, doch er was in al dien tijd niet
één enkel hollandsch schip naar ginder gezonden, - kwam
onverwachts, op zekeren Vrijdag, een deensch vaartuig, althans een vaartuig
onder deensche vlag, het anker laten vallen op onze zee. Al spoedig kreeg men
aan den wal kwaad vermoeden, en verdacht den Deen een Engelschman te zijn, of
ten minste met het engelsche gouvernement in betrekking te staan. Dat de zaak
niet pluis was, is naderhand hieruit gebleken, dat er eene menigte Engelschen
aan boord waren en dat de kapitein al zijne papieren bij tijds in zee heeft
gesmeten. Kortom, mijn vader, toen Equipagiemeester in dienst | | | | van
de Compagnie, achtte het van zijn pligt het geval te onderzoeken, en liet zich,
zondagsmorgens, geheel alleen, met een sloep naar boord brengen. Doch
naauwlijks had hij den deenschen kapitein kennis gegeven van het oogmerk zijner
komst, en hem aangezegd dat hij niet eer zou mogen vertrekken
vóór men zijn vaartuig behoorlijk zou hebben gevisiteerd, of deze
gaf onmiddellijk bevel aan zijn volk om het anker te ligten en zei aan mijn
vader: ‘Gij gaat met ons mee, vriend, wij zullen u Koppenhagen eens laten
zien.’ Doch hij had buiten den waard gerekend. Overeenkomstig een te
voren afgesproken sein, begon aanstonds een der kustbatterijen, indertijd door
mijn vader zelf aangelegd, haar geschut te laten spelen en gaf den Deen de
volle laag. De kapitein werd woedend en gelastte mijn vader onmiddellijk een
kontrasein te geven. In plaats daarvan herhaalde mijn vader hetzelfde sein als
vroeger, en er kwam een tweede hagelbui, niet minder raak dan de eerste. Toen
bond men hem voor den mast, en dreigde, indien hij niet dadelijk een teeken gaf
om het vuur te staken, hem door zijn eigen volk en door zijn eigen kanonnen te
laten doodschieten. Doch wel verre dat dit hem van zijn stuk zou hebben
gebragt, en niettegenstaande de kogels hem om de ooren vlogen, zei hij lagchend
aan den woedenden Deen: ‘ziet ge wel, kapitein, dat ik ze zelf heb
besteld? er is er niet één die mij raakt.’ Geen vijf
minuten later was de ander zoo erbarmelijk lek geschoten, dat hij moeite had om
onder den wal te komen, terwijl mijn vader, die in het minst geen snoever is en
wiens eenige doel was geweest ons gezag te doen eerbiedigen, zonder het
geringste letsel te hebben bekomen, weder met zijn sloepje van boord werd
afgehaald’...
Men zou zelf in dien tijd moeten geleefd hebben, om ten volle te
begrijpen hoe het verhaal van één zulk een daad van
oud-nederlandsche onverschrokkenheid een hart als dat van Bellamy met
geestdrift kon vervullen en zijn oog doen vonkelen; zelf moeten geleefd hebben
in de dagen van dien naauwlijks gestaakten engelschen oorlog, den
noodlottigsten, verderfelijksten, vernederendsten, dien ons Gemeenebest nog
| | | | ooit tot hiertoe had gevoerd; dien oorlog bij gelegenheid waarvan
voor het eerst, ten aanschouwe van gansch Europa, onze magteloosheid, onze
nietigheid, onze schande aan het licht is gekomen, en over welks herinnering
naauwlijks door den naam van Doggersbank een floers van uitgediende grootheid
wordt geworpen. Zeer velen in ons vaderland hebben den nood dier tijden, en
onze oneer, toen ongetwijfeld even diep gevoeld als Bellamy, doch ik geloof
niet dat iemand dit gevoel heeft weten uit te drukken als hij, in dit gebed,
1
zoo kort, zoo verheven, en met zulk een verrassenden slotregel:
aan god.
Gij die, daar duizend wereldbollen
Geregeld om hunne assen rollen,
De kracht van hunne werking voedt,
Gij die, tot op de verste paalen
Der schepping, waar geen zonnen straalen,
Aan 't niet uw aanzijn voelen doet:
Gij, op wiens wenk, uit 't hol der bergen
Die met hun spits den hemel tergen,
Een stroom van gloeijend sulfer breekt:
Gij, die in zalige valleijen,
Waar zuidewindjes spelemeijen,
De geurenrijkste planten kweekt:
Gij, die aan duizend, duizend dieren
Die wriemlend op een stofje tieren,
Die gunsten schenkt van uwe hand:
O God! die alles eens deedt worden,
Die leven, werking geeft en orden,
Vergeet gij nu ons Vaderland!...
Doch Staring hield voet bij stuk, en Bellamy moest er aan gelooven.
Reciteren moest hij, nieuw en oud, kort en lang, vrolijk en weemoedig, zijn
gansche répertoire.
Wij, die meermalen gelegenheid zullen hebben uit dit
répertoire te putten, en die toch immers ook niet op eene reis
| | | | alles kunnen afdoen, wij zullen Staring zich tot laat in den
avond, misschien wel den halven nacht, het hart laten ophalen aan Bellamy's
reciet. Ook is het ons niet zoozeer om den declamator als wel om den dichter te
doen. Wij geven daarom voorloopig de volgende kleine bijdragen tot de
karakteristiek van Bellamy als dichter. Later meer.
Bellamy is de vaderlandsche dichter in wiens persoon onze
poëzie den overgang gemaakt heeft van het conventionele en leugenachtige
der achttiende tot het waarachtige en natuurlijke der negentiende eeuw.
‘Wie is,’ heeft hij uitgeroepen, ‘wie is de gelukkige man,
die het tot zijne éénige bezigheid kan rekenen den smaak zijns
Vaderlands te helpen hervormen!’ Zulk een hervormer te zijn, is zijn
eerzucht geweest. Daartoe zwoer hij dood en verderf aan hetgeen hij noemde
‘de gansche maatschappij onzer orthodoxe rederijkers,’ waarmede hij
die zoogenaamde kunstgenootschappen der achttiende eeuw bedoelde, die destijds
onder de schoolsche titels van ‘Kunst wordt door Arbeid verkregen’,
‘Kunstliefde spaart geen vlijt,’ en zoo al verder, ons vaderland
overstroomden. Met deze ‘rijmkollegies,’ zeide hij, met deze
‘poëtische gasthuizen,’ met die gezelschappen wier
‘leden met hun allen slechts ééne Muze hadden, die dan bij
den een, dan bij den ander, een tijdlang kwam logeren’, wilde hij niets
te maken hebben. Toen hij nog te Vlissingen op de catechisatie
ging, vond hij zich zeer vereerd dat
Ds. Te Water eenige versjes van hem naar
's Hage opzond, aan ‘Kunstliefde spaart geen vlijt.’
Doch nog vóór hij naar de Akademie vertrok, had hij de ijdelheid
dier onderscheiding reeds ingezien. En het verdient opmerking dat terwijl
Feith en
Bilderdijk, zijne tijdgenooten, destijds
nog in het geheel niet weigerden, gouden en zilveren medaljes aan te nemen uit
handen van de hemel weet welke kunstregters - schrale eer, die zij met
Kornelis Van der Palm, met
De Stoppelaar, ja met
Olivier Porjeere, den kropsla- en
tuinboondichter, moesten deelen! - Bellamy
daarentegen niet één enkel prijsversdelikt voor zijne rekening
heeft. ‘Reeds tien boekdeelen en dat alles in poëzij! in poëzij
juist wel alles niet - maar ten minste alles in | | | | verzen en op
rijm’; met deze woorden begint, in den Poëtischen
Spectator, zijne uitmuntende recensie van het 10de deels
2de stuk Prijsvaerzen van het
‘Dichtlievend Kunstgenootschap’ te 's Gravenhage.
Meende hij op deze wijze de verzenflikkers voortaan en voor goed van den
Helikon te kunnen afhouden? Hoor, hoe hij des aangaande zijne hoop en tevens
zijne vrees uitdrukt:
het morgenbezoek bij apollo.
Een stoet van kreuple rijmers
Kwam, op een schoonen morgen,
Aan 't lusthuis van Apollo.
Van vleijende eigenliefde,
Speelde op een ieders aanzicht;
Zij hadden lieve rijmpjes
Zij brandden van verlangen,
Den Dichtgod voor te zingen,
Zij stonden voor den tempel,
Aan Febus' dienst geheiligd,
Zij pronkten in verbeelding
Reeds met de lauwerkransen,
Die, voor hun schoone zangen,
Daar ging de tempel open! -
Apollo trad te voorschijn
In al zijn pracht en luister!...
De goede rijmers trilden. -
‘Gij hier?’ dus sprak Apollo,
‘Gij hier? bij mijnen tempel?’...
Daar vluchtten fluks de rijmers,
En geen van al die rijmers
Kwam ooit weêr op den Zangberg.
Ach, zangster, zou het waar zijn?
O Febus, zou het waar zijn?....
1
| | | |
Bellamy had een vasten smaak. Schier alle
van hem bekende uitspraken over poëzie en litteratuur zijn gezond. Er is
in zijn oordeel over het werk van anderen naauwlijks ééne zotheid
te vinden, en wanneer hij zelf iets voortbragt waaraan hij gearbeid had - ik
spreek van geen voor de vuist weg opgestelde versjes, - dan was het bij de
eerste verschijning als uit één stuk gegoten. Dit zijn
zeldzaamheden, zelfs bij veel beroemder dichters dan hij. Toen
Bilderdijk - een jaar ouder dan Bellamy -
in '84 de Geuzen van
Onno van Haren uitgaf, ontsnapte hem in de
voorrede ook dit, dat hoewel Van Haren bij de zamenstelling der Geuzen
schijnen kon ‘zich de schikking van het Heldendicht te hebben
voorgesteld’ evenwel noch de dichtmaat, noch de stijl, ‘noch de
uitgebreidheid,’ aan die soort van dichtwerk beantwoordt. ‘Noch de
uitgebreidheid,’ zegt Bilderdijk. Druk dezelfde gedachte met andere
woorden uit, en gij bekomt deze vreemde stelling: ‘De Geuzen zijn te kort
voor een heldendicht.’ Aangezien nu deze ‘Geuzen’ uit niet
minder dan vierentwintig zangen bestaan, ontstaat de vraag (bijna eene
prijsvraag): ‘Hoe lang moet een vers zijn om een heldendicht te kunnen
heeten?’ Gij gevoelt, de fout waarop ik druk is slechts eene kleinigheid,
een bokje; doch zij verraadt een nog weifelenden smaak, en van
één bokje kan mettertijd eene gansche kudde komen.
Feith, drie of vier jaar ouder dan
Bellamy, gaf insgelijks in '84 - hetzelfde jaar waarin ook Roosje
vervaardigd werd - het eerste deel zijner Brieven over verschillende
onderwerpen uit; en daarin een opstel Over de Romance. Aan
het slot van dat opstel gaf hij twee zulke dichtstukjes van eigen fabrikaat ten
beste: een ‘in den Noordschen smaak,’ getiteld: Colma; het
andere in den Franschen smaak van Moncrif, en dit andere was niet meer of
minder dan die potsierlijke Alrik en Aspasia, waarmede Bilderdijk en
Kinker korten tijd daarna zoo deerlijk den draak gestoken hebben.
Feith besluit zijne voorafspraak aldus:
‘Ik heb eenmaal in een ledig uurtje de proef genomen’ -
dit was de eerste proef van dien aard in ons vaderland - | | | | ‘om
in mijne moedertaal romancen te maken, en wel in twee verschillende smaken. Ik
behoef u niet te zeggen,’ dus gaat hij voort, ‘dat ze beiden zeer
gebrekkig zijn; maar, zoo ik mij niet bedrieg, zijn het toch
Romancen.’
Wat dunkt u van dit fabriekwerk? Hoe moet het gesteld zijn met den
eigen smaak van iemand die de keus heeft tusschen twee smaken? En kunt gij het
gelooven, dat een man als Feith, destijds van het hoofd tot de voeten behangen
met gouden medaljes, afdale tot eene naieveteit als deze: ‘Ik heb twee
leelijke verzen gemaakt; maar, zoo ik wel heb, zijn het toch verzen?’
Herinnert u daarentegen de wordingsgeschiedenis van
Roosje: Bellamy en Rau, wien het, even als aan Feith was
opgevallen dat onze vaderlandsche litteratuur tot op dat oogenblik nog niet
één enkele romance rijk was - arm was hadden ze kunnen zeggen -
waren overeengekomen - zonder iets af te weten van het boek dat Feith juist ter
perse had - elk eene romance te zullen maken en die te zamen in de
Proeven voor het Verstand, den Smaak en het Hart te
plaatsen. ‘Hoe? vraagt gij, is dan ook Bellamy éénmaal in
zijn leven aan het flikken geweest?’ Neen; Rau was er helaas nog toe in
staat en lapte een horribele geschiedenis bij elkander van Ewald en
Elize. Doch Bellamy - en dit onvermogen is gewis in uwe schatting
een lauwer te meer in zijnen krans - Bellamy kon niet; hij kon met zijne
romance niet gereed komen, en daarom gaf hij Roosje in de plaats;
Roosje, dat hij in zijne eenvoudigheid slechts ‘eene
Vertelling’ durfde noemen, en dat juist voor onze negentiende eeuw de
éénig mogelijke vorm der romance is; dat met een kunstenaarsoog
aan de werkelijkheid is afgekeken en tevens tintelt van poëzie; dat een
monument is van het moderne dichteigen; en dat uit dien hoofde in onze nieuwere
litteratuur eene vrij wat aanzienlijker plaats beslaat dan alle Eliussen
en Florissen die er zouden kunnen geladen worden in den Eemnesser toren
van Jan van Schaffelaar of in Het turfschip van Breda. Ik
herinner mij ergens gelezen te hebben dat Roosje niet goed in elkander
zit; en wel omdat er aan het slot niets gezegd wordt van Roosje's vader, ten
gevolge | | | | waarvan de aanhef, waarin juist de vader hoofdpersoon is,
en zoo aandoenlijk over de gestorven moeder spreekt, er slap bijhangt. Het is
zoo, dit partijkiezen voor de vaders of huisvaders is bij ons een nationaal
verschijnsel, en zoo leert men die aanmerking begrijpen. Doch zult gij het aan
mijne losse haren wijten, indien ik den handschoen voor de dochter opneem, voor
de verdronken Roosje? Neen, maar gij zult met mij den dichter prijzen, dat hij
aan het slot, toen de wind zoo hevig opstak ‘uit zee’ en het strand
‘gebeukt’ werd door de golven, de ‘stil en statig’
opkomende maan haar onbarmhartig licht heeft laten werpen over het vochtig graf
der twee gelieven, en dat hij het voorts aan onze verbeelding - die Gode zij
dank nog in geen proveniershuis besteld is - heeft overgelaten te begrijpen,
dat Roosje's vader bedroefd was. Of is hij misschien naderhand hertrouwd, en
heeft hij wederom kindertjes gekregen? Wie weet?
Bellamy's tijdgenooten - met name
Ockerse - hebben getracht zijn talent met
één enkel woord aldus te karakteriseeren: ‘Hij was de
dichter der Natuur.’ Deze uitdrukking klinkt in onze ooren te onbestemd;
toch is zij juist, mits men onder het woord ‘natuur’ zoowel het
menschelijk leven en zijne werkelijkheid, als de schoonheden der ons omringende
schepping verstaat. Deze schoonheden werden door Bellamy van jongs af aan en
zeer diep gevoeld. ‘'t Staat mij nog zeer duidelijk voor,’ zegt
hij, sprekend van zijne eerste jongelingsjaren, ‘dat ik dikwijls op
eenzame wandelingen, de ondergaande zon, de stille zee, en het gansche rustende
landschap, met een gevoel en eene verrukking beschouwde, die liederen in mij
deden opkomen, zoo als ik er nog geene bij mijne dichters gelezen had.’
Ook droeg hij deze natuur, met al hare tinten en geluiden, om zoo te zeggen, in
zijne ziel, en leerde haar naderhand uitdrukken. Getuige dat in onze
litteratuur nog altoos alleenstaand vers Het Onweder ‘de schoonste
der zeven donderslagen’, gelijk Kinker het
genoemd heeft, omdat het vervaardigd werd bij gelegenheid dat zeven der
utrechtsche vrienden overeengekomen waren elk een gedicht op het onweder te
maken. Zelfs de beroemde en klanknabootsende versjes van | | | |
Goethe: Wandrers Nachtlied,
Meeresstille, Glückliche Fahrt, zijn niet schooner dan Bellamy's:
‘Hoe is Natuur zoo stil, zoo plegtig!’ De orde van schoonheid
waartoe dit vers van hem behoort, is een zeer hooge orde; men moet zulke verzen
leeren fraai vinden. Doch Bellamy, gelijk wij zeiden, was nog iets anders als
de zanger van het natuurschoon. Hij was hetgeen men in onze dagen een realist
noemt. ‘Adriaan Brouwer en
Jan Steen’, heeft hij ergens gezegd,
‘waren geniën; doch zij hebben eene andere plaats dan
Rubbens en
Rafaël.’ Hij voegt er bij:
‘Onder de dichters hebben dezelfde rangen plaats.’ De vergelijking
schijnt onjuist; want er is in Bellamy's verzen niets dat aan de tooneelen van
Steen en Brouwer herinnert. Doch wij zullen haar juist vinden, wanneer wij
bedenken dat deze schilders tot eene school behoorden die de kunst verstond om
de werkelijkheid als het ware op heeter daad te betrappen en de haar
eigenaardige poëzie in het licht te stellen. Hoe Bellamy dit in
Roosje gedaan heeft - voorwaar geen genrestukje in den trant van Jan
Steen - deed ik daareven reeds in het voorbijgaan opmerken. Hetzelfde geldt van
zijne Dorinde, de troostelooze bruid. Wanneer dit meisje,
denkend aan haar vroeggestorven bruidegom, zich herinnert en zucht:
Wat zat mijn Damon menigmaal
Hier, 's avonds aan mijn zij!
Zoo zeg ik dan, en trek uw stoel,
Al schreijende aan mijn zij -
dan is dat vulgaire ding op vier pooten, die keukenstoel misschien -
want Dorinde is geen meisje uit de groote wereld -, plotseling en als bij
tooverslag poëtisch geworden; veel poëtischer dan de historische
stoel van Chassé, op het Mauritshuis in de residentiestad, ooit worden
zal. En wanneer Dorinde treurend voortgaat:
Maar ach! uw stoel blijft ledigstaan,
Gij komt niet, liefste man!
Ach Damon, 't geen mijn hart dan lijdt,
Is meer dan 't lijden kan!
| | | |
Mijn moeder roept: ‘Wat zit ge daar,
In 't duister, zoo alleen?’
Ach, lieve moeder! waar ik ben,
dan houden deze laatste woorden, zoo eenvoudig dat een visschers- of
boerenmeisje ze even goed zou kunnen uitspreken als de hoogstverheven
koningsdochter, tevens eene volledige tragedie in.
In dit betrappen en idealiseeren van de werkelijkheid was Bellamy
een meester, en zijne les aan de schilders verdient ook door de dichters
behartigd te worden:
O schilders weest toch schilders!
Geen misdruk van de Schepping!
Ofschoon somberheid en droefgeestigheid, bij toeneming, de grondtoon
van Bellamy's ziel, ook tegelijk de grondtoon zijner verzen zijn, was hij, -
evenals Sterne, maar zonder een zweem van bitterheid - humorist en ondeugend.
Dit tienregelig versje
1 is,
dunkt mij, een model van geestige malice:
het gebed van chloris.
Natuur gaf aan mijn Chloris,
Heure allerschoonste gaven.
Zij gaf haar schoone leden.
Zij gaf haar tintlende oogjes,
Zij gaf haar, trots de mannen,
Een vlug vernuft en oordeel.
In 't kort, zij gaf haar alles
Wat maagden kan versieren.
Maar jammer is 't - zij weet het!
Ziedaar
Bellamy den ‘ondeugd’, vinnig met
zachtzinnigheid. Een humorist noem ik hem vooral daarom, omdat hij het
| | | | zeldzaam vermogen bezat - te zeldzamer naarmate er meer wezenlijk
talent toe noodig is - om bij voorkomende gelegenheden op zijne eigen schouders
te gaan staan en het gansche dichtersgilde van zijnen tijd uit te lagchen,
zichzelven inkluis. Luistert, bid ik u, naar deze Voorzegging zijner
muze:
eene voorzegging.
Thans leven duizend Dichters
Natuur, meer mild dan immer,
Vormt ieder schier ten dichter.
Wat durft de grijze aêloudheid
Slechts één...! Een schaarsche glorie!
Mijn Vaderland, uw glorie
Klimt thans oneindig hooger
Dan die van 't oude Grieken!
Maar, ach! wat is 't, mijn zangster?...
Gij wenkt, - spreek op, ik luister...
‘Na tweemaal vijftig jaren
Zal van de duizend Dichters
Die thans zoo vlijtig rijmen,
Dan zal men klagend vragen:
‘Had Neerland dan geen Dichters?’....
Is 't mooglijk, lieve Zangster! -
Maar zou ik dan ook sterven,
Ik, die zoo vlijtig rijme?...
Hoe aaklig is dit denkbeeld!
Wij allen zullen sterven, -
Wij, die zoo vlijtig rijmen.
1
Ook dit andere noem ik humor dat, op een verzegeld pakje, na zijnen
dood door Hinlópen gevonden, van buiten
geschre- | | | | ven stond: ‘Voor mijne vrienden’, en van
binnen, op de bovenzijde van een tweeden omslag: ‘Koningen der
Verschrikking.’ Er zaten eenige weinige onbetaalde rekeningetjes in. Hoe
ligtzinnig! zal iemand zeggen. Neen, mijne hoorders: die schertsende woorden
waren geschreven met eene stervende hand. Een blijspel zaamgeweven met een
treurspel, een vrolijk accompagnement bij een weemoedig liedje, zoo is het
menschelijk leven en zoo de humor.
Indien het waar is, hetgeen iemand gezegd heeft, dat de echte
sentimentaliteit gelegen is in de bewustheid der zamenstemming van hetgeen
omgaat in het gemoed met den aanblik der natuur rondom ons, dan is Bellamy een
groot sentimentalist geweest. ‘Het wandelen op den weg des levens’
- deze uitdrukking is van hemzelven, - was de hoofdgedachte zijner poëzie.
Doch die weg was bij hem geene abstractie. Het was nu eens een wezenlijk
hobbelige, dan weder een wezenlijk effen weg; er stonden boomen aan
weerszijden; er wandelden menschen langs; 's morgens scheen er de zon, 's
nachts de maan. En al naarmate van de stemming waarin hij verkeerde, of die hij
schetste, was de hem omringende natuur, bij voorbeeld het maanlicht, hem nu
eens symbool der blijdschap, dan der droefheid, dan der onverschilligheid. Aan
het slot van Roosje is de maan ijskoud en hare statigheid doet u rillen.
In Dorinde heeft haar bleek gelaat de uitdrukking van een gestorven
jongeling:
O lieve Damon, als de maan
Zoo door mijn venster schijnt,
Dan is 't mij even of gijzelf
Voor mijn gezicht verschijnt.
Heeft daarentegen de dichter het jawoord van zijn meisje ontvangen,
dan klinkt het:
Lach nu Mane, lach nu vrolijk,
Lach mij van uw transen toe!
Zij, het meisje, dat ik minne,
Zij, o Mane, haat mij niet!
| | | |
Overigens moet men zich wel wachten met in den
smadelijken zin des woords, Bellamy voor sentimenteel
te verslijten. Zulke laffe prullen, als bijvoorbeeld de eerstelingen van
Tollens, heeft hij nooit gemaakt. Bellamy
is niet sentimenteel, hij is pathetisch; en van daar dat men sommige van zijne
stukken alleen dan lezen kan, wanneer men in de vereischte stemming verkeert.
Ockerse - die een beroemd boek over de
karakterkunde geschreven heeft - gaat verder. Hij maakt er geene kwestie van
stemming, maar eene karakterkwestie van. Roosje en Dorinde, zegt
hij, mede uit naam zijner zuster,
Mevr. Kleyn, noemen wij het
‘schibboleth’ des waren menschelijk-dichterlijken gevoels.
‘Wilt gij beproeven of iemand, in wien gij hoog belang stelt, dat gevoel
in eene hooge mate bezit, lees hem of haar dan, onverwachts, deze stukjes voor
en geef naauwkeurig acht op den indruk dien zij maken. Blijft men koel, toont
men weerzin, ja kan men lagchen, o vrees dan voor zulk een karakter! Maar
zwellen er een paar groote tranen in het oog - geluk dan met zulk een vriend of
vriendin.’ Wat hiervan zij, en hetzij Ockerse overdrijft of niet, de
plaats uit Bellamy's gedichten waarin dit pathetische, zaamgesmolten met de
echte sentimaliteit van daareven, het duidelijkst en welluidendst staat
uitgedrukt, dunken mij deze zes regels uit den Zang van Vaderlandsche
meisjes, waarin deze aan Dorinde - niet de troostelooze bruid van straks,
maar eene misleide bruid, insgelijks Dorinde geheeten - klagend toeroepen:
‘Nu scheen de maan heur' glans te derven,
't Gestarnte aan 's Hemels trans te sterven,
Terwijl Natuur de handen wrong.
Dorinde, uw oog verloor zijn stralen,
Daar 't hoofd der vlugge boschkoralen
Een sterflied op uw onschuld zong.’
1
Kinker vond dit couplet zoo schoon, zoo melodieus, zoo
schilderachtig - en inderdaad ‘die handenwringende Na- | | | | tuur’
is een standbeeld in éénen regel - dat hij het
herhaaldelijk in later tijd, en eindelijk ook in zijne Proeve eener
Hollandsere Prosodie als een model heeft aangehaald.
Men kan vele van Bellamy's schoonheden eerst dan begrijpen, wanneer
men eenigzins thuis is in zijne levensgeschiedenis; de kleine voorvallen zijner
kinder- en jongensjaren niet uitgezonderd. Wie onzer, de
Vaderlandsche Gezangen van Zelandus ter hand nemend, zal
zich aangetrokken voelen door een vers Aan Vlissingen? Doch bedenken wij
nu dat het tweede eeuwfeest der nederlandsche vrijheid den zesden April '72 met
uitbundige vreugde te Vlissingen gevierd is; dat bij die gelegenheid onder
andere plegtigheden uitgevoerd door volwassenen, ook aan de knapen eene rol
werd gegund: bestaande in het ophouden en beschermen van den Standaard der
Vrijheid, met groote statie boven één der stadspoorten geplant;
bedenken wij dat Bellamy, toen tusschen de veertien en vijftien jaren oud, een
vechtersbaas reeds bekend en gevreesd om de kracht zijner vuisten, van niets
droomend als van oorlogvoeren en van sterven voor zijn vaderland, bedenken wij
dat deze Vlissingsche Theodor Körner
één der knapen is geweest, daarboven op de poort, geschaard om
den standaard - der Vrijheid, - welk een leven komt er dan in deze strophen van
het oude beschimmelde lied, tien of twaalf jaar later toegezongen aan de
geboortestad,
1 de eerste van alle
Nederlandsche steden die vóór 200 jaren hare poorten voor Alva
sloot en voor de vrijheid opende:
aan vlissingen.
Nog klopt mijn hart met een verhaasten slag -
Nog gloeit mijn wang - een siddring schudt mijn leden,
Wanneer ik denk aan dien beroemden dag,
Toen ge u hebt vrijgestreden!
| | | |
Geen eedler trots heeft ooit mijn hart bezield,
Dan toen uw feest der Vrijheid elk deed blaken;
Mijn kindsche vuist den blanken sabel hield,
Om voor uw Vlag te waken!
Toen wist ik niet wat mij de borst bewoog,
Wat soms mijn koon deed gloeijen - dan verstijven -
Of welke kracht de tranen uit mijn oog
Deed langs mijn wangen drijven...
Zoo is het ook met vele andere, meer intieme verzen van hem. Er
heerscht daarin somtijds eene diepte van weemoed, die den oningewijde denken
doet aan een ziekelijk mannetje dat versjes zit te lijmen op graf en dood. Doch
juist omdat hij in de werkelijkheid, bij een telkens vaster voorgevoel van zijn
naderend einde, zoo in het geheel niets van een ziekelijk mannetje had; juist
omdat hij zoo breed, zoo sterk, bij wijlen zoo uitgelaten vrolijk en steeds zoo
geestig en ondeugend was, juist daarom was eene bede als deze, Aan zijne
Vrienden:
Lieve vrienden, reisgenooten,
Als ik eens, vermoeid van 't wand'len,
Aan uw' zijde neêr zal zijgen
En de Dood mijn oogen sluiten
En mij zachtkens zal doen slapen; -
Dan, mijn vrienden, voert mij slapend
In een stil en eenzaam boschje:
Ziet gij daar twee digte boomen,
Die elkander als omhelzen,
Geeft mij, onder deze boomen,
Dan een stille, zachte rustplaats!
En, als gij, mijn lieve vrienden,
Dan uw weg weêr rustig wandelt,
Wilt mij dan niet gansch vergeten:
Leest, om aan uw vriend te denken,
Somtijds eens in deze zangen -,
1
omdat, zeg ik, ‘deze’ en dergelijke
‘zangen’, hoe fantastisch ook, niettemin de uitdrukking waren van
hetgeen werkelijk | | | | bij hem omging, en omdat zij zoo dichterlijk
kontrasteerden met het uitwendige zijner persoonlijkheid; juist, derhalve, om
hetgeen bij eene eerste lezing sommigen thans afstoot, juist daarom hadden
zijne persoonlijke vrienden, en hebben zij die hem in later tijd bestudeerden,
dezen dichter het allerliefst.
In zijnen Mohrenfürst teekent ons Freiligrath een
Afrikaanschen koning, krijgsgevangen gemaakt, half als slaaf verkocht, naar
Europa overgevoerd, muzikant geworden bij een reizende kermistroep, en met dit
gezelschap - als bespeler van de keteltrom - in dienst genomen door den
directeur van een paardenspel. Op zekeren dag, halverwege eene der eindeloos
herhaalde voorstellingen, werd de ongelukkige Moorenkoning zoodanig overvallen
door het gevoel zijner onuitsprekelijke vernedering en elende, dat hij met
één vervaarlijken slag - zich op niemand anders kunnende wreken -
het vel der gehate keteltrom doormidden sloeg. Men kan over de esthetische
waarde van dit gedichtje in het vriendelijke redetwisten. Doch ongetwijfeld
vindt men hier eene treffende symboliek der menschelijke wanhoop: in hare
verlatenheid, hare somberheid, hare magtelooze razernij. Bellamy intusschen,
ofschoon in zijne jeugd gekluisterd ‘aan den baktrog der
dienstbaarheid’ - deze teekenachtige uitdrukking is van
Kuipers
1 -; ofschoon jaren lang
gedwarsboomd in een eerlijken en reinen hartstogt; ofschoon in zijn
studentetijd - dat is te zeggen, tot aan zijnen dood toe - de afhangeling van
vreemde weldoeners, waaronder er waren die meenden dat hij ‘om hetgeen
zij ten zijnen voordeele toebragten’ - zegt wederom Kuipers
2 - ‘met lof- en
dankdichten in de hand voor hen behoorde te buigen;’ ofschoon opgeleid
voor eene betrekking waarvoor hij niet geschikt was, al verbeeldde hij zich op
het laatst van wel - neemt in aanmerking dat aan een der beurzen waaruit hij
studeerde, de verpligting verbonden was om een Voetiaan te worden;
3 - ofschoon geregtigd om
te zingen:
| | | |
O Neen! mijn jeugd is mij geen Lente;
Ik voel heur zachten adem niet;
Mij werpen dwarrelende winden Vergruisde steenen in 't gezigt!
-
ofschoon Bellamy, zeg ik, meer dan de meesten in verzoeking is
geweest op te staan tegen zijn lot - hij heeft nooit gemurmureerd; de wanhoop
is menigmaal in zijne ziel geslopen, maar heeft haar niet kunnen verwoesten; en
deze gelijkenis van hem - waarmede wij besluiten - moge uitmaken of hij zijn
vroegen dood heeft gevloekt of gezegend:
de dood.
‘Gelijk een man die van verlangen gloeit
Om bij zijn vriend te zijn
Die op het land, aan de andere zij des meirs,
Zijn stille woonplaats heeft, -
Op 't zien der zee, die hevig bruischt en woedt,
Een koude sidd'ring voelt;
Zijn angstig oog ziet starend op het schip,
Dat slingrend rijst en daalt;
De stormwind giert, en snort door 't hooge tuig
En beukt het dond'rend zeil;
De stuurman wenkt - de man verwint zijn schrik;
Hij denkt aan zijnen vriend,
En stapt gerust in 't worstelende schip
En steekt naar de andre zij!
Zoo zal ik ook, wanneer de koude hand
Des doods mijn boezem drukt,
Een ligten schrik gevoelen in mijn ziel,
Zoodra ik denk aan mijne onsterflijkheid,
En Jezus, onzen vriend.
1
Zeer geachte hoorders! Ik heb gemeend dat de geschiktste inleiding
tot mijne voorlezingen van dezen winter, de eerste dier voorlezingen-zelve was.
Vandaar dat ik geene voorafspraak | | | | hield. Thans kunt gij bij
ondervinding oordeelen, ook wel over hetgeen gij hier missen, maar tevens - al
is dit nog zoo weinig - over hetgeen gij er vinden zult. Te weten, een deel
litterarische geschiedenis, aan tijd- en levensgeschiedenissen vastgeknoopt en
daarin wortelend. Niet altoos zal ik zooveel verschillende personen tegelijk
ten tooneele voeren als heden avond. Doch nimmer zal ik den historischen
achtergrond, de wordingsgeschiedenis onzer tegenwoordige litteratuur, geheel
uit het oog verliezen. Veeleer zal het mijn ijverigst en onveranderlijk streven
zijn mijne voorstelling van het verledene, het gestorven verledene, eenigszins
te doen gelijken op eene Opstanding uit de dooden.
Onder de personen, waarover wij heden avond gesproken hebben, is er
slechts één geweest wiens levensdraad wij ten einde toe zijn
gevolgd. En zelfs nu zijn wij met Bellamy geenszins gereed. Als bij een
weefgetouw, waaraan op verschillende punten tegelijk gearbeid wordt, hebben wij
gaandeweg in meer dan éénen draad een knoopje gelegd, en hebben
die onderscheiden knoopjes voorloopig vastgestoken, elk in het daartoe bestemde
gleufje. Doch wat nood? den volgenden keer, of een keer later, maken wij de
knoopjes weder los en gaan voort met weven. Al vorderen wij langzaam, zeer
langzaam, en al zal er aan de voorzijde van ons weefsel - naar ik met reden
vrees - nimmer een Gobelin voor den dag komen, zoo de kleuren slechts frisch en
de beelden niet gansch en als misteekend zijn, is mijne eerzucht bevredigd en
ook - dit hoop ik - uwe verwachting eenigzins voldaan.
Indien ik u minder doordrongen wist van de moeijelijkheid mijner
taak, zou ik u afzonderlijk verschooning vragen voor het gebrekkige der
uitvoering. Thans is mijne onderneming zelve ook tevens mijne verontschuldiging
en bijna mijne vrijspraak. Doch omtrent één punt gevoel ik
niettemin behoefte een opzettelijk beroep te doen op uwe welwillendheid. Het is
die beslissende toon waarop ik mij menigmaal vermeten zal en reeds
herhaaldelijk dezen avond mij vermeten heb, uitspraak te doen omtrent waar en
valsch, schoon en leelijk, natuur en onnatuur. Die toon, hij is - naar de
bedoeling althans - | | | | geen gevolg eener onbetamelijke
meesterachtigheid, maar van den aard-zelf der zaken die wij hier behandelen.
Het schoonheidsgevoel, evenals het gevoel van wel- of wanbehagen, is van nature
absoluut in zijne uitspraken. Doch deze uitspraken zijn daarom nog geen
orakels; en zoomin ik gehouden ben mij te onderwerpen aan den smaak van
anderen, behoeft gij den uwen te rigten of af te rigten naar den mijnen.
Slechts leert de ondervinding - en dit bemoedigt mij - dat wanneer iemand in
het openbaar een stellig oordeel uitspreekt, hij zelfs dan wanneer hij faalt,
en mits zijn oordeel niet gansch en al eene daad van onnadenkendheid zij, nog
altoos eene kleine dienst aan zijne medemenschen bewijst: hij is hun namelijk
behulpzaam bij de vestiging van hun eigen en beter oordeel. Is hiermede gezegd
dat hij nu dan ook op de goedkeuring van allen, zonder onderscheid, rekenen
mag? Neen; doch ook dit verdient hier in aanmerking te worden genomen, dat, wie
voor sommigen een steen wil zijn om zich aan vast te houden, zonder wrevel, ja
blijmoedig moet weten te verdragen dat anderen zich daaraan stooten.
Nog heb ik de helft mijner dagen niet bereikt; en toch heb ik reeds
genoeg bekroonde verhandelingen gelezen om te weten, hoe men het behoort aan te
leggen ten betooge dat geen onderzoek tijdiger verdient te heeten dan juist
datgene, waartoe men door de voorgestelde prijsvraag wordt uitgelokt.
Intusschen mij is hier geene prijsvraag opgegeven, en ik behoef u dus ook niet
te vleijen om de wijsheid uwer keuze. Duldt derhalve dat ik volsta met deze
ééne opmerking. Reeds is de negentiende eeuw meer dan half achter
den rug; reeds noemt men ze grootvaders, hen die nog zijn overgebleven van dat
geslacht uit welks midden weleer de Bataafsche Republiek verrees. Onder die
overgeblevenen zijn er nog enkelen, wakkere grijsaards van beiderlei geslacht,
uit wier mond kostbare inlichtingen te bekomen zijn. En evenwel, ofschoon die
bron over niet vele jaren onherroepelijk zal hebben opgehouden te vloeijen,
evenwel is er aan de staatkundige geschiedenis van dat tijdvak nog altoos
betrekkelijk weinig, aan de letterkundige nog zoo goed als in het geheel niets
gedaan. Al heeft | | | | dan de lof der tijdigheid in zichzelf niet veel te
beduiden - immers, grondigheid gaat boven tijdigheid, en het geval is denkbaar
dat iemand juist van pas in het oogloopend oppervlakkig zij - dit vaderlandsche
verwijt althans zal men tegen onze beschouwingen niet kunnen rigten dat wij er
mede uit de nachtschuit komen.
Nog iets. Alhoewel er niet de minste schande in steekt zich met iets
bezig te houden dat geene bepaalde zedelijke strekking heeft; en ofschoon uwe
tegenwoordigheid alhier voldoende geregtvaardigd ware al deedt gij dezen winter
anders niet te dezer plaatse als een kleinen cursus van toegepaste aesthetiek
bijwonen: toch geloof ik dat onze zamenkomsten dienstbaar kunnen worden gemaakt
aan nog een ander en hooger einde. Vanwaar komt gij, en waar gaat gij heen?
behalve deze twee gewigtige vragen die elk nadenkende - al kan hij ze niet
oplossen - bij wijlen aan zichzelven stelt en behoort te stellen, is er nog een
derde, van niet minder belang: Waar staat gij? en welke is, in dezen oogenblik,
de grond onder uwe voeten? En nu zijt gij ongetwijfeld met mij eens dat weinig
middelen geschikter zijn om ons dienaangaande eenigszins rekenschap te leeren
geven van onszelven, dan de bestudering van het tijdperk dat onmiddellijk aan
het onze is voorafgegaan, van het geslacht waaruit wij zelf zijn voortgekomen;
van den strijd van dat geslacht, van zijn vallen en opstaan, van zijn leed en
van zijne vreugde, en in één woord van zijnen geest gelijk die in
zijne litteratuur staat uitgedrukt.
U liefde in te boezemen voor die letterkundige nalatenschap -
aanvaard, dit spreekt van zelf, onder beneficie van inventaris, - ziedaar, ten
slotte, het naaste doel van ons gemeenschappelijk onderhoud. Er is eene
bewondering voor onze vaderlandsche litteratuur, die ik onbekwaam ben bij u te
wekken; reeds daarom alleen, omdat ik zelf haar niet gevoel. Het is die zekere
soort van admiratie, die verdienste eenvoudig vereenzelvigt met populariteit,
bijval met talent; die geene behoorlijke scheiding maakt tusschen den mensch en
den kunstenaar, en zich daarom verbeeldt dat men den laatsten niet berispen
kan, zonder den eersten te verguizen. Doch er | | | | is ook een soort van
nederzien op onze vaderlandsche letteren, waaraan gij mij nooit medepligtig
zult hooren worden. Zeker, de onze is minder schoon en minder rijk dan de
fransche, dan de engelsche, dan de duitsche vooral; doch wij hebben eene
letterkunde, ja, een letterkundigen schat. Laat mij toe - opdat ik ook te dezen
aanzien een getrouw ‘schriftgeleerde’ moge bevonden worden! - laat
toe dat ik van tijd tot tijd uit dezen schat eenige ‘nieuwe en oude
dingen’ te dezer plaatse voortbrenge. Mocht gij van oordeel zijn dat
daaruit reeds dezen avond, nu en dan, iets bezienswaardigs voor den dag kwam,
ontvangt dan voor die gunstige en mij vereerende meening reeds aanstonds mijn
opregten dank.
|
1Rogge, Omwenteling, p. 115, 116.
1Rogge, Omwenteling, p. 291, 292.
2Publicatie van 2 Junij 1795.
3Publicatie van 2 Junij 1795.
1Publicatie van 2 Junij 1795.
2Publicatie van 13 Junij 1795.
1Rogge, Omwenteling, p. 280.
1Rogge, Omwenteling, p. 139,
140.
2T.a.p., p. 113, noot; p. 137.
1Haarlemsche Courant van 30 December
1794.
2Rogge, Omwenteling, p. 181.
1Haarlemsche Courant van 25 December
1794.
1Van Swinden, Lijkrede op P. Nieuwland,
p. 7.
1Nieuwland, Nagelaten Gedichten, p. 36
(Nieuwjaarsgift).
1Zie Bellamy's Gezangen, Voorrede p.
XIII.
1 Vaderlandsche gezangen, p. 12.
1Ockerse, p. 105. Bestemd geweest voor den
Poëtischen Spectator.
1 Jeugdige Gezangen, p. 198.
1Ockerse, p. 306. (1782.)
1 Jeugdige Gezangen 3 de
druk, p. 138.
1 Vad. Gezangen, p. 139. - Vergelijk over
bovenstaande anecdote: Prof. Van Cappelle, Werken van het Kon. Instituut
2 de klasse, II p. 194.
1Jeugdige Gezangen, p. 177.
|
|