|
|
|
| |
| | | |
479. Ons is gheboren een kindekijn.
Melodie naar Een dev. en̄ prof. boecxken, 1539.
Ons is gheboren een kindekijn
noch claerre dan die sonne;
dat sal ons alle vroude sijn
al totter enghelen wonne.
Die sterren gheven ons lichten schijn
al door den hemel ghedronghen.
Maria die heeft haer lieve kint
mit ganser minnen ghewonnen.
Si lechden in een cribbekijn
mit haren sneewitten handen,
si cusseden voor sijn mondelijn:
des had haer seer verlanghen.
Dat kindekijn speelde der moeder toe
mit sinen cleinen armkens;
het lachede haer also soetelike toe
mit bliden blenkenden oochkens.
Wel di, wel di, joncfrouwelijn,
der soeter weerder stonden,
dattu dat soete kindekijn
mit ganser minnen heefst ghewonnen!
| | | |
‘Nu swighet, nu swighet, mijn kindekijn,
mijn God, mijn troost, mijn here;
van di so sal ic moeder sijn,
behouden mijnre eren.’ Amen.
Een kint is ons gheboorn,
een soon is ons ghegheven;
hi heeft versoont sijns vaders toorn,
hi brenghet ons int ewighe leven.
Doe Jesus Cristus gheboren was,
ghewonden in armen doeken,
daer en was bont noch daer en was grau,
hi lach mit bloten voeten.
Die osse ende ooc dat eselkijn
en conden niet ghespreken;
doe Jesus in der cribben lach,
Die osse ende ooc dat eselkijn
die dreven daer grote feeste,
doe Jesus in der cribben lach
tusschen tween stommen beesten.
Die osse ende ooc dat eselkijn
die dreven daer groten wonder,
doe Jesus in der cribben lach
in cranken doeken ghewonden.
dat soetste van der minnen,
dat is Jesus, Marien soon;
1, 2. t.: clare, voor claerre, klaarder. - Stellig vangt met str. 7 een tweede lied aan. - 7, 3. versoont = versoent. - 9, 1. ‘Bekend’, zegt Dr. J.G.R. Acquoy, ter hierna a.p., bl. 380, ‘is de eeuwenoude voorstelling van den os en den ezel in den stal te Bethlehem. Zij is in verband met Jes. I:3 ontstaan uit de profetie van Habakuk III:2, niet volgens den Hebreeuwschen tekst, ook niet volgens de Vulgata, maar volgens de Septuaginta. Reeds voor Hiëronymus bestond zij; De Rossi vond haar reeds in een gedeelte eener inscriptie van 343. Hoe veelvuldig zij op oudchristelijke sarcophagen voorkomt, kan men met de afbeeldingen zien bij Von Lehner, Die Marienverehrung in den ersten Jahrhunderten, Stuttg. 1881, S. 314-320 en Taf. VI en VII. In sermoenen, kerstliederen en mysteriespelen, in de “Biblia pauperum”, schilderijen en beeldhouwwerken, overal vindt men in den stal van Bethlehem ook den os en den ezel.’ Zie verder de door Dr. Acquoy aangehaalde bronnen.
| |
| | | |
Tekst.
Hoffmann v.F., Niederl. geistl. Ldr., 1854, nr. 15, bl. 40, ‘dit is die wise: Puer nobis nascitur’. De Latijnsche tekst, waarvan de bovenstaande Nederlandsche eene verre navolging is, komt voor bij: Mone, Lat. Hymnen des Mittelalters, I, bl. 64; - bij Daniel, Thesaurus hymnologicus, IV, bl. 258, en wordt door Wackernagel, Das deutsche Kirchenlied, I, nr. 327, bl. 206, volg., gebracht onder de 14de-eeuwsche liederen. Verder vindt men Latijnsche lezingen in: Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 13 vo; - Hs. 901i der Gentsche Bibl., bl. 36 vo, met het jaartal 1517 (zie over dit Hs. C.P. Serrure, Vaderlandsch museum, Gent, IV (1861), bl. 181 vlg.), ‘aliud carmen de puero’; - Hs. (na 1525), van Meerman, thans nr. 2631, 2de serie der K. Brusselsche Biblioth., bl. 64; - Een dev. en̄ prof. boecxken, Antw. 1539, nr. 216, uitg. D.F. Scheurleer, bl. 247, en aant. bl. 341, onder de ‘leysenen’, zonder wijsaanduiding; - Dit is een schoon suyverlyck boecxken (geest, goedk. Antw. 1570), Amst., Cornelis Claesz., z.j., sign. A 3 vo; - Het hofken der geest. liedekens, Loven 1597, bl. 80; - Het prieel der geest. melodie, Brugghe, 1609, bl. 36, ‘op de wyse, alsoot beghint’; - Theodotus, Paradys der geest. en kerck. lofsanghen, 1627, 2de druk, bl. 54; - Oude en nieuwe lof-zangen, Amst. Erfg. We. C. Stichter, z.j., bl. 103 (waar: ‘Puer nobis nascitur’, wordt aangeh., bl. 64, voor een lied: ‘Laat ons verheugt zyn in den geest’); - Messis copiosa, Amst. 1761, bl. 50; - Dr. J.P.N. Land, Luitb. van Thysius, nr. 155, naar het luitboek zelf.
Anderen versbouw heeft de tekst, zonder wijsaanduiding: ‘Ons is gheboren een kindekijn // daer om so willen wi vrolic sijn’, voorkomende o.a. in Dit is een suverlijc boecxken, Antw. 1508, bl. 10 vo, en herdrukt door Dr. J.G.R. Acquoy, Kerstliederen en leisen, Amst. 1887 (Verslagen en mededeelingen der K. Akad. van Wetenschappen, Afd. Letterk., 3de reeks, Dl. IV, bl. 385).
Eene vertaling van den Latijnschen als wijs opgegeven tekst: ‘Puer nobis nascitur // rector angelorum’, komt voor in Dit is een schoon suyverlijck boecxken, ‘op de selve wijse’, bl. 47 vo:
Ons is gheboren een kindeken soet,
inder werelt wert hy gevoert,
een heer der heeren van alle dinck.
In der cribben lag hy neer
die hebben allen bekent den heer
voor den coninc der hemelen.
d'Engel vanden hemel fijn
heeft den herderen vercondicht,
in Bethlehem geboren te zijn
een kint dat al de werelt verlicht.
| | | |
Hierom Herodes beanxtet was
d'onnoselen liet hy dooden ras,
en kinderen met droefheden.
Die daer huyden gheboren is
leide ons door zijn genade fris
al in de vreuchde ghemeyne.
Laet ons van sulcken blyschap snel
met sanghen en met orghel-spel
6, 1. snel bijgev. - 6, 2. t.: gaen verblyden snel. - 6, 3. met bijgev.
J. Bolte, Das Lb. der Anna von Köln, (XVde-XVIde eeuw), in Zeitschr. für deutsche Philologie, XXI (1888), bl. 129 vlg. vermeldt eene lezing: ‘Ons ist geboren eyn kyndelyn // noch cl re dan de sonne’; 5 str.
| |
Melodie.
Wij vinden voor het Latijnsche als wijs aangeduide lied, vier melodieën, die nochtans met elkander zijn verwant:
I. a. Een dev. en̄ prof. boecxken, t.a.p.:
Pu - er no - bis nas - ci - tur
Rec - tor an - ge - lo - - rum
In hoc mun - do pas - ci - tur
Do - mi-nus Do - mi - no - - rum.
b. Het prieel, enz. t.a.p., en zelfde lezing bij Theodotus, t.a.p.:
Pu - er no - bis nas - ci - tur
Rec - tor an - ge - lo - rum,
In hoc mun - do pas - ci - tur
Do - mi - nus Do - mi - no - rum.
| | | |
c. Stalpaert, Gulde-iaers feest-dagen, Antw. 1635, bl. 47:
Nu wil op Je - ru - sa - lem /
't Licht is u ge - re - sen /
Chris - tus blinckt in Beth - le - ëm /
Ge - se - gent moet hy we - sen.
II. Het prieel, 1609, bl. 37, met opschrift: ‘Noch een ander wyse’:
Pu - er no - bis nas - ci - tur
Rec - tor An - ge - lo - rum,
In hoc mun - do pas - ci - tur
Do - mi - nus Do - mi - no - rum.
III. Theodotus, Paradys, 5de druk, Antw. 1648, bl. 42:
Pu - er no - bis nas - ci - tur
Rec - tor An - ge - lo - - - rum,
In hoc mun - do pas - ci - tur
Do - mi - nus Do - mi - no -rum.
Hierbij sluiten zich aan, ondanks transpositie door verwarring in de sleutels, de lezingen te vinden, t.a.p., in het Hs. 901i en in Messis copiosa, t.a.p.
IV. a. Les rossignols spirituels, Valencienne, 1616, bl. 110:
Pu - er no - bis nas - ci - tur
Rec-tor-que An - ge - lo - rum,
In hoc mun - do pas - ci - tur
Do - mi - nus Do - mi - no - rum.
| | | |
b. Een arrangement voor de fluit, medegedeeld door Dr. Land, t.a.p., naar Der fluiten lusthof, 1646, II, bl. 45 vo:
De laatste acht maten zijn te aanschouwen als een bijvoegsel van den arrangeur. Bij dezen vorm der melodie sluiten zich op hare beurt aan de lezingen voorkomende bij Bäumker, Das Kath. deutsche Kirchenlied, I, nr. 95, bl. 351.
Deze vier melodieën vindt men terug in eene tweestemmige zetting, voorkomende in een Hs. van 1482, berustend te Trier, medegedeeld door Bohn, Monatshefte für Musikgeschichte, IX (1877), bl. 26:
De lezingen I staan in verband met de gedeelten 5, 2, 3, 8 van bovenstaande tweestemmige bewerking; - II is ontleend aan de gedeelten 1, 6, 7, 8; - III aan de gedeelten 1, 6, 7, 4 of 6; - IV aan de gedeelten 5, 6, 7, 8. - Eene andere 15de-eeuwsche met de voorgaande nauw verwante tweestemmige zetting, uit het Vigiliënboek van het Lopsen-klooster, in het Sted. Museum te Leiden, komt voor bij Dr. Land, t.a.p., die daarbij nog twee andere tweestemmige bewerkingen uit het Luitboek van Thysius mededeelt.
De door Scheurleer, bl. 341, naar Graduale Romanum, Loven 1633, bl. 176, herdrukte niet ongedeerde redactie sluit zich aan bij I.
|
|
|