Amsterdamse rederijkersspelen in de zestiende eeuw


auteur: E. Ellerbroek-Fortuin


bron: E. Ellerbroek-Fortuin, Amsterdamse rederijkersspelen in de zestiende eeuw. J.B. Wolters, Groningen / Batavia 1937


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 180]

Conclusie.

Wanneer we nagaan wat in Hoofdstuk III behandeld is, dan kunnen we in de eerste plaats vaststellen, dat van een superioriteit van de ene Amsterdamse Kamer boven de andere geen sprake is. (Hierbij laat ik de pas later opgerichte Brabantse Kamer buiten beschouwing). Hoogstwaarschijnlijk heeft er tussen In liefde bloeyende en In liefde vierich een nauwere band bestaan dan wij ons nu kunnen voorstellen; wij zijn gauw geneigd te denken, dat zij in elkaar rivalen zagen, terwijl het misschien zo was, dat zij het doel van de rederijkerskunst zo hoog schatten, dat zij gaarne elkaars hulp aanvaardden, indien dat hun kunst ten goede kwam. Wat de Amsterdamse rederijkers in de zestiende eeuw als doel zagen, is uit de stukken goed op te maken: stichting en voorlichting van het publiek. Vandaar dat het religieuse element een zo voorname plaats bekleedde in hun spelen. Dat daarbij de nieuwe richting, de aanvallende, de critische, sterker vertegenwoordigd is dan de oude, de behoudende, kan geen verwondering wekken.

In Hoofdstuk I schilderde ik in grote trekken de achtergrond van de stukken: het steeds groeiende Amsterdam. De zestiende-eeuwer was niet politiek aangelegd en ook van een plaatselijk chauvinisme was niet veel te merken; wat ons volk echter ter harte ging: de religie, komt in de spelen tot uiting; hierbij had de auteur volop gelegenheid de strijdpunten van de dag te behandelen. Naast de godsdienst zien we in verschillende stukken ook een opwekking om de sociale toestanden te verbeteren, niet zo zeer door medelijden met de armen op te wekken, als wel door het aan de kaak stellen van de rijken en machtigen. Dit komt vooral tot uiting aan het einde der eeuw, als op godsdienstig gebied de nieuwe richting de overhand heeft gekregen. Twee stukken wijzen ons op de ellende van de oorlog, zijn met dat doel alleen geschreven; één daarvan gaat in hoofdzaak tegen de slechte gedragingen van den zich alles veroorlovenden soldaat, een onderwerp dat de zestiende-eeuwer van nabij kende.

Al mogen de behandelde twee en twintig Amsterdamse stukken uit kunstoogpunt geen winst opleveren, zij brengen ons dichter bij het denken en voelen van onze voorouders.

Wanneer we letten op de data van de stukken, valt het op, dat er een inzinking in de litteraire productie is zo ongeveer tussen de jaren 1560-1590, wat zijn oorzaak wel zal vinden in het feit dat die jaren in velerlei opzicht niet de beste waren voor Amsterdam, en dat althans de Kamer In liefde bloeyende een tijdlang gesloten is geweest. Ook is het mogelijk dat juist in deze tijd stukken voorzichtigheidshalve vernietigd zijn. Verder blijkt uit deze studie, dat de kwestie van den afschrijver belangrijker is dan men soms wel aangenomen heeft; conclusies omtrent taal en stijl van den schrijver moeten onder het grootste voorbehoud aanvaard worden. Een vergelijking van de handschriften waarin ons twee lezingen van eenzelfde stuk zijn overgeleverd, is in dit opzicht uiterst belangwekkend.