Etnische minderheden


auteur: Guus Extra, Roeland van Hout en Ton Vallen


bron: Guus Extra, Roeland van Hout en Ton Vallen (red.), Etnische minderheden. Taalverwerving, taalonderwijs, taalbeleid. Foris Publications, Dordrecht 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 117]

8 Verwijzing naar tijd in tweedetaalverwervingsprocessen van volwassenen
G. Extra & K. van Helvert

1. Inleiding

Onder auspiciën van de European Science Foundation (gevestigd in Straatsburg) is in internationaal samenwerkingsverband een onderzoekproject ontwikkeld dat zich richt op het proces van tweedetaalverwerving door volwassen buitenlanders in de Bondsrepubliek Duitsland, Groot-Brittennië, Frankrijk, Nederland en Zweden. Het Nederlandse aandeel van dit project is ondergebracht bij de Subfaculteit Letteren in Tilburg.

Het project beoogt cross-linguistisch, vergelijkend onderzoek naar factoren die van invloed zijn op de structuur/volgorde en het tempo/succes van tweede-taalverwervingsprocessen bij volwassenen met verschillende Tl-achtergrond.

Uitgangs- en doeltalen zijn als volgt gekozen:

illustratie

Op basis van uiteenlopende technieken (conversaties, filmcommentaren, spelscènes, kleinschalige experimenten, zelfconfrontatie) is in de vorm van meervoudige case-studies gedurende 2,5 jaar een groot aantal longitudinale gegevens verzameld via periodieke audio/video-registraties. In de data-analyse staan ontwikkelingsdimensies van de volgende linguistische aspecten centraal:

-ruimtelijke, temporele en personele referentie in T2-gebruik;
-de thematische structuur van T2-uitingen;
-omvang en gevarieerdheid van het T2-lexicon;
-(on)begrip en terugkoppeling in native/non-native conversaties.

In elk van de gekozen doeltaallanden is sprake van meerdere groepen informanten. Voor Nederland(s) bestaat de longitudinale kerngroep uit 4 Turkse en 4 Marokkaanse informanten. In de periode 1982-1985 hebben per informant 3 vergelijkbare cycli van elk 9 maandelijkse ontmoetingen plaatsgevonden. Een uitvoerige beschrijving van het project is opgenomen in Perdue (1984). Dit draaiboek geeft een overzicht van doelstellingen en opzet van het project, alsmede van de beoogde linguistische onderzoeksaspecten, dataverzamelingsprocedures en informantkenmerken.

 

In deze deelstudie staat de ontwikkeling van temporele referentie

[p. 118]

in spontane rapportages van voorbije gebeurtenissen centraal (vgl. Broeder e.a. 1985; 1986 voor de ontwikkeling van ruimtelijke en personele referentie). In paragraaf 2 worden relevante vraagstellingen en hypothesen besproken. Paragraaf 3 biedt een beknopte beschrijving van informanten en data voor deze deelstudie. In paragraaf 4 worden de resultaten gepresenteerd van een analyse van temporele verwijzingen tussen en binnen opeenvolgende uitingen. In 4.1 wordt aandacht besteed aan de globale structuur van verhalen en van daarbij gesignaleerde ontwikkelingen over tijd; in 4.2. aan temporele markeringen binnen uitingen met behulp van werkwoorden, adverbia en prepositiegroepen. In paragraaf 5 wordt tenslotte een perspectief op verder onderzoek geschetst.

2. Vraagatellingen en hypothesen

Tot de taken waarvoor elke taalleerder zich gesteld ziet, behoort het verwerven van de linguistische middelen in een gegeven doeltaal om naar tijd te verwijzen (vgl. Klein 1986: 123-137; Perdue 1984: 162-173). Sinds Labov (1972) is er door velen op gewezen dat vooral rapportages van gebeurtenissen uitstekende bronnen van informatie vormen voor de bestudering van temporele referentie (vgl. o.a. Smith 1980). Taalontwikkelingsdata bieden een intrigerend perspectief op het complexe karakter van temporele referentie in dergelijke taalactiviteiten, omdat taalontwikkelingsdata met eigen merites duidelijk kunnen maken welke referentiële kenmerken een complexe opgave vormen.

Een opmerkelijk kenmerk van de linguistische middelen om naar tijd te verwijzen is dat deze middelen ten dele teruggaan op ruimtelijke categorieën (vgl. voor/op/in/onder + NP). Voor een bespreking van de ruimtelijke basis van temporele categorieën verwijzen we naar Traugott (1978). Steun voor het primaire karakter van ruimtelijke categorieën is ook te vinden in taalontwikkelingsdata. Sinds Stern & Stern (1907) is in tal van kindertaalstudies geconstateerd dat ruimtelijke categorieën eerder worden geproduceerd dan temporele categorieën en dat temporele categorieën aanvankelijk ook als ruimtelijke categorieën worden geïnterpreteerd (vgl. de waar-interpretatie van wanneer-zinnen).

Rapportages van gebeurtenissen in heden, verleden of toekomst zijn meestal opgebouwd uit een reeks episodes. Het vermelden van zo'n serie episodes maakt niet alleen referentie naar tijd nodig

-waarbij te rapporteren gebeurtenissen moeten worden gerelateerd aan het moment van spreken - maar ook referentie naar volgorde in tijd. Beide aspecten leveren twee kernvragen op (vgl. Ferreiro & Sinclair 1971 voor bevindingen over primaire taalontwikkeling met betrekking tot de tweede vraag):
-hoe wordt binnen afzonderlijke episodes/uitingen uitdrukking gegeven aan gebeurtenissen in heden, verleden of toekomst?
[p. 119]
-hoe wordt tussen opeenvolgende episodes/uitingen uitdrukking gegeven aan wat eerder, later of simultaan plaatsvindt?

 

Op uitingniveau liggen de meest gevarieerde mogelijkheden om naar tijd te verwijzen besloten in de morfologische markeringen van verba. Als ongemarkeerde basisvorm (vgl. Kilby 1984; Catford 1982) kan de tegenwoordige tijdsvorm van verba worden beschouwd. Markering van verba kan betrekking op tijd, aspect en modeliteit. ‘Tijd’ is een deictische categorie die een gebeurtenis al dan niet in het heden plaatst (vgl. wandel-wandelde, loop-liep); ‘aspect’ is een non-deictische categorie die aangeeft of een gebeurtenis al dan niet voltooid is (in het Nederlands wordt voltooidheid aangegeven met behulp van de hulpwerkwoorden hebben en zijn, vgl. hij is gekomen, hij had gegeten); ‘modaliteit’ is tenslotte een indicatie dat een gebeurtenis kan/moet/mag/zal/gaat plaatsvinden (met bijbehorende modale verba).

Ongemarkeerde basisvormen worden overigens niet alleen gebruikt om te verwijzen naar hier en nu, maar ook in een groot aantal andere omstandigheden. Wunderlich (1970) onderscheidt voor het Duits 16 verschillende gebruiksmogelijkheden. Tegenwoordige tijdsvormen kunnen in het Nederlands bijvoorbeeld worden gebruikt om te verwijzen naar gebeurtenissen in de toekomst, om algemeen geldende uitspraken te doen, om uitsprsken te citeren en zelfs om te verwijzen naar gebeurtenissen in het verleden, vgl. respectievelijk:

1.hij komt morgen
2.hij is een bedrieger
3.hij zei ‘ik doe daar niet aan mee’
4.hij loopt de trap af, maakt de deur open en steekt de straat over.

 

In het eerste geval wijkt het temporele systeem van het Nederlands of Duits af van dat in het Engels (vgl. Janssen 1983 en Rauh 1983 voor vergelijkende analyses). In het vierde geval is sprake van de zogenaamde ‘historical present’ die - net als de directe rede - door native speakers vooral gebruikt wordt om de rapportage van gebeurtenissen in het verleden te verlevendigen (vgl. Schiffrin 1981 voor een kwantitatieve analyse van alternerend gebruik van verleden tijdsvormen en ‘historical present’ ter verwijzing naar gebeurtenissen in het verleden).

Het gebruik van directe rede en ‘historical present’ is in de literatuur over taalontwikkeling meermalen beschreven als een compensatiestrategie voor het nog niet beheersen van de meer complexe en daardoor risicovolle indirecte rede; zo impliceert indirecte rede in het Nederlands introductie van een onderschikkend voegwoord, woordvolgordeverandering en verleden-tijdsmarkering van het verbum.

Naast verba bieden ook adverbia en prepositiegroepen (vgl. voor

[p. 120]

de laatste ook Verkuyl 1970) de mogelijkheid om naar uiteenlopende tijdsaspecten te verwijzen, zoals klok/kalendertijd (om 3 uur, 'a nachts, in juni, met pasen), tijdsduur (lang, kort), tijdsfrequentie (nooit, soms, geregeld, vaak, meestal, altijd) en volgorde in tijd (na/voor/tijdens/gedurende + NP). Smith (1981) maakt onderscheid tussen de volgende drie typen temporele adverbia en prepositiegroepen: deictische adverbia, gerelateerd aan de tijd van spreken (afgelopen week, binnen 3 dagen, gisteren), klok/kalender-adverbia, al dan niet gerelateerd aan de tijd van spreken (zie boven) en afhankelijke adverbia, niet gerelateerd aan de tijd van spreken (daarna, voordien). Janssen (1985) heeft voor het Nederlands onderzocht onder welke semantische condities welke typen temporele adverbia gecombineerd kunnen worden (vgl. een week lang elke avond een uur). Beinema & Loffeld (1974) gaan tenslotte na welke problemen zich voordoen bij de verwerving van kalender/klokadverbia door Nederlandstalige kinderen. In taalontwikkelingsdata blijken adverbia en prepositiegroepen overigens vaak op te treden als compensatiemiddelen om referentie naar tijd te markeren bij ontstentenis van verba.

 

Op tekstniveau bevatten rapportages over gebeurtenissen meestal een ‘verhaallijn’ en achtergrondinformatie. De verhaallijn bestaat uit drie componenten: de introductie, i.e. plaatsing in de tijd van een gebeurtenis, een reeks episodes die al dan niet in chronologische volgorde worden verteld, en ten slotte de afsluiting van een gebeurtenis. Achtergrondinformatie kan bestaan uit commentaar, uitleg en andere informatie ter ondersteuning van de verhaallijn en wordt vaak gemarkeerd door een andere tijdsvorm van het werkwoord.

Wat de opeenvolgende episodes betreft, kan de samenhang tussen volgorde van gebeuren en volgorde van vermelden op verschillende manieren worden aangegeven. Een belangrijke rol speelt hierbij het principe van de natuurlijke volgorde (voortaan PNV):

Tenzij anderszins gemarkeerd, correspondeert de volgorde van vermelding met de volgorde van gebeuren.

Dit principe is onder meer voorgesteld door Clark (1970). Klein (1986: 127-129) bespreekt een aantal restricties bij het PNV. Het PNV kan gepaard gaan met expliciete temporele connectoren tussen gerapporteerde gebeurtenissen, maar noodzakelijk is dit niet. Impliciete temporele connectoren manifesteren zich in de vorm van nulmarkeringen en middels het voegwoord en, vgl.

 

5.hij liep naar de garage; de poort ging vanzelf open
6.hij maakte de deur dicht en liep naar buiten

 

In beide mini-rapportages is sprake van twee gebeurtenissen waarvan de volgorde in tijd impliciet blijft en waarbij de hoorder op

[p. 121]

grond van het PNV zal aannemen dat de volgorde van vermelding overeenkomt met de volgorde van gebeuren.

Het PNV kan en schending van het PNV moet expliciet gemarkeerd worden met specifieke temporele connectoren. Daarvoor zijn in veel talen in het bijzonder adverbia en onderschikkende voegwoorden beschikbaar. In het Nederlands gelden in beide gevallen soms selectierestricties die afhankelijk zijn van de vraag of de rapportages al dan niet betrekking hebben op voorbije gebeurtenissen. De voornaamste adverbiale temporele connectoren in het Nederlands kunnen als volgt worden beschreven:

- posterioriteit (+ PNV):  
  referentie naar voorbije gebeurtenissen: (en) daarna/vervolgens/toen
  referentie naar toekomstige gebeurtenissen: (en) daarna/vervolgens/dan
 
- anterioriteit (-PNV): (maar) eerst
- simultaniteit: (en/maar) tegelijk(ertijd) ondertussen

Het betekenisonderscheid tussen toen en dan in het standaard-Nederlands ontbreekt overigens niet alleen in verwante standaardtalen als Engels, Duits en Frans (vgl. het bivalente gebruik van de vormen then, dann en après), maar ook in sommige regionale varianten van het Nederlands heeft den deze bivalente gebruiksmogelijkheid.

Naast adverbia fungeren in het Nederlands ook onderschikkende voegwoorden als temporele connectoren, vgl. voordat, nadat, terwijl, toen, wanneer en zodra. In alle gevallen kan de hoofdzin (HZ) vóór of na de bijzijn (BZ) staan. Volgorde van vermelding en volgorde van gebeuren blijken vooral bij gebruikmaking van nadat en voordat tot interessante interpretatieproblemen in taalverwervingsprocessen te leiden, vgl.

Taalaanbod Conditie
1. Nadat hij z'n bier op had, ging hij naar buiten BH, + PNV
2. Voordat hij z'n bier op had, ging hij naar buiten BH, - PNV
3. Hij ging naar buiten, nadat hij z'n bier op had HB, - PNV
4. Hij ging naar buiten, voordat hij z'n bier op had HB, + PNV

Clark (1971) stelde vast dat driejarige kinderen zinnen van type 1 en 4 in 93% van de gevallen correct interpreteerden en zinnen van type 2 en 3 slechts in 18% van de gevallen.

 

Het onderscheid tussen gebeurtenissen in heden, verleden of toe-

[p. 122]

komst en het onderscheid tussen episodes binnen een gebeurtenis die eerder, later of simultaan kunnen plaatsvinden maakt temporele referentie tot een complexe opgave voor elke taalleerder. Kernvragen daarbij zijn:

-hoe wordt temporele referentie uitgedrukt in opeenvolgende stadia van taalontwikkeling?
-welke factoren bepalen de geobserveerde volgorde van taalontwikkeling?

Bij de eerste vraagstelling wordt gekozen voor een conceptueel uitgangspunt: nadat is vastgesteld welke referentiële functie(s) de taalleerder probeert uit te drukken, kan worden nagegaan van welke linguïstische middelen hij zich daartoe bedient.

Wat de tweede vraag betreft, kan bij processen van tweede-taalverwerving worden gedacht aan de intrinsieke moeilijkheid van de betreffende linguïstische middelen in de doeltaal en aan de wijze waarop temporele referentie in de uitgangstaal wordt uitgedrukt.

 

De in paragraaf 4 te presenteren gegevens hebben uitsluitend betrekking op gebeurtenissen in het verleden, gerapporteerd door een Turkse en een Marokkaanse informant die op spontane wijze Nederlands leren. Referentie naar toekomstige gebeurtenissen komt in het beschikbare data-bestand in veel geringere mate voor. Ten aanzien van temporele referentie naar voorbije gebeurtenissen worden de volgende ontwikkelingskenmerken verwacht.

 

Op uitingsniveau:

V1:Verba verschijnen aanvankelijk temporeel ongemarkeerd of blijven zelfs geheel achterwege; referentie naar tijd wordt in het laatste geval tot stand gebracht (‘gecompenseerd’) door simpele adverbia en/of prepositiegroepen (al dan niet met geëxpliciteerde preposities).
V2:Gedane uitspraken worden aanvankelijk met behulp van directe rede en pas later met behulp van indirecte rede aangehaald.

 

Op tekstniveau:

V3:Bij rapportage van een reeks gebeurtenissen wordt aanvankelijk vooral het PNV gebruikt; onder die conditie kan de taalleerder volstaan met simpele, vaak impliciete temporele connectoren (0, en).
V4:De temporele connector (en) dan wordt aanvankelijk ongedifferentieerd gebruikt ter verwijzing naar in tijd opeenvolgende gebeurtenissen in heden, verleden of toekomst; pas in een later taalontwikkelingsstadium ontstaat een gedifferentieerd gebruik van de temporele connectoren dan en toen.
V5:Temporeel onderschikkend zinsverband verschijnt laat en wordt eerder impliciet en met behulp van
[p. 123]
suprasegmentele middelen (intonatie, pauze) gemarkeerd dan expliciet met behulp van onderschikkende voegwoorden.

 

Een aantal van de genoemde ontwikkelingskenmerken is in recente studies over tweede-taalverwerving door volwassenen geobserveerd. Zo heeft Von Stutterheim (1984) een zeer uitvoerige detailanalyse ondernomen van temporele referentie in het Duits van 10 Turkse informanten, op basis van telkens twee verhalen per informant. Adverbia blijken vroeg te verschijnen als middelen om tijd te markeren (V1), terwijl de verwervingsvolgorde binnen deze categorie wordt bepaald door het principe van ‘conceptuele relevantie’; begonnen wordt met uitdrukkingsmiddelen voor temporele verankering, voor markering van de basisconcepten begin, duur en einde en voor markering van volgorde in de tijd. Werkwoordsmorfologie verschijnt pas na het optreden van vroege temporele adverbia; eerst worden geïsoleerde, ongeanalyseerde werkwoordsvormen verworven, zoals het voltooid deelwoord van een beperkte set verba. Dat deze voltooide deelwoorden aanvankelijk als ongeanalyseerde lexicale eenheden fungeren, blijkt onder meer uit het ontbreken van vormvarianten van deze verba. Op tekstniveau wordt aanvankelijk het PNV geprefereerd (V3) als ongemarkeerde vorm van temporele coherentie. Ten slotte bedienen genoemde informanten zich aanvankelijk vaak van directe rede (V2) om plaatsing in het verleden aan te geven.

Soortgelijke kenmerken zijn ook geobserveerd door Dittmar & Thielicke (1979) in hun analyse van een viertal verhalen in het Duits van Italiaanse en Spaanse informanten. Houdaïfa (1983) vond aanwijzingen voor V1 en V3 in het Frans van twee Marokkaanse informanten, terwijl Trévise (1982; 1984) in het Frans van twee Spaanstalige informanten V1 en V2 observeerde. Trévise wijst erop dat gebruikmaking van directe rede al dan niet wordt geïntroduceerd door zogenaamde verba dicendi: de door de informanten meest gebruikte vorm voor verba dicendi is il dit (waarbij de tegenwoordige-tijdsvorm in feite verwijst naar in het verleden gedane uitspraken), terwijl nulmarkering bij referentie naar opeenvolging van sprekers wordt gecompenseerd met suprasegmentele middelen (intonatie- en toonhoogte-verschillen).

3. Informanten en data

In aansluiting op het in paragraaf 2 besproken onderscheid tussen temporele referentie binnen en tussen gerapporteerde sekwenties van gebeurtenissen besteden we aandacht aan beide verschijnselen in spontane Nederlandstalige verhalen van anderstalige volwassenen. Om mogelijke individuele variatie zichtbaar te maken, analyseren we verhalen van twee informanten met verschillende moedertaalachtergrond (Turks en Marokkaans-Arabisch). Om voorts conclu-

[p. 124]

sies in een longitudinaal perspectief te kunnen plaatsen, analyseren we per informant 3 à 4 verhalen waartussen telkens 7 à 10 maanden verlopen. De verhalen zijn ontleend aan drie verschillende cycli van dataverzameling (zie par. 1). Wat de informanten betreft, volstaan we met de voornaamste sociobiografische achtergrondinformatie.

Mahmut is in 1962 geboren in Temürlü en opgegroeid in Ankara. In Turkije heeft hij de lagere school doorlopen en daarna als automonteur gewerkt. Na zijn aankomst in Nederland eind 1981 heeft hij periodiek als fabrieksarbeider gewerkt en geen onderwijs gevolgd. Bij de start van de dataverzameling (september 1982) sprak hij slechts een paar woorden Nederlands.

Mohamed is in 1961 in Casablanca geboren en is daar ook opgegroeid. In Marokko heeft hij na de lagere school twee jaar secundair onderwijs gevolgd. Na zijn aankomst in Nederland begin 1982 heeft ook hij periodiek als fabrieksarbeider gewerkt en evenmin aan onderwijs deelgenomen. Bij de start van de data-verzameling (oktober 1982) sprak hij slechts een paar woorden Nederlands en een beetje Frans.

Beide informanten hebben uiteenlopende contacten met Nederlandssprekenden. Bij Mahmut vinden die vooral plaats op het werk en bij overheidsinstanties, terwijl Mohamed daarnaast meer vrije tijd doorbrengt met Nederlanders.

 

De geanalyseerde data bestaan uit spontane verhalen die ontleend zijn aan native/non-native gesprekken waarin de informanten in monoloogvorm verslag doen van voorbije gebeurtenissen. Beide informanten verwijzen veel vaker naar voorbije dan naar toekomstige gebeurtenissen. Het monoloogkarakter is van belang, omdat uit native/non-native gesprekken vaak blijkt dat de native gesprekspartner de temporele verwijzingen op zich neemt. Vergelijk:

NS: en toen?
Mo: hm?
NS: was hij erbij die jongen?
Mo: ja
NS: die zat in de auto?
Mo: ja

In monologische verhalen is de taalleerder op zijn eigen competentie in de tweede taal aangewezen bij het temporeel markeren en ordenen van verhaalsekwenties. Mohamed produceert reeds in de eerste cyclus uitgebreide verhalen, terwijl Mahmut dan nog voortdurend een beroep doet op de native gesprekspartner om referenties naar gebeurtenissen op te bouwen.

[p. 125]

4. Resultaten

4.1 Temporele verwijzingen tussen uitingen

Centraal staat de macro-structuur van de geanalyseerde verhalen, waarbij vooral de volgende aspecten zijn onderzocht:

-hoe verhouden zich de volgorde van vermelding en de volgorde van gebeuren?
-op welke wijze worden vermelde sekwenties van gebeurtenissen temporeel verbonden?

 

Allereerst beschrijven we een tweetal verhalen van Mohamed aan de hand van schematische representaties zoals die ook door Von Stutterheim (1984) werden toegepast om de globale verhaalstructuur duidelijk te maken. Dergelijke schema's bieden elegante mogelijkheden om het verloop van gebeurtenissen af te zetten tegen de volgorde waarin zij binnen het verhaal worden afgehandeld.

Achtereenvolgens geven we een overzicht van de structuur en het gebruik van connectoren voor beide informanten in drie taalontwikkelingsstadia.

Verhaalstructuur

In Bijlage 1 en 2 zijn de transcripties en schematische representaties opgenomen van twee verhalen van Mohamed in cyclus 1 en 3. Het eerste verhaal wordt door Mohamed als geheel in de tijd geplaatst met behulp van een kalenderverwijzing: In de feest...deze kerst. Deze kan als deictische verwijzing naar het verleden worden opgevat, i.e. ‘afgelopen kerst’. Het verhaal uit de derde cyclus wordt in de tijd geplaatst door middel van de uiting: Was ik denk vrijdag. Aangezien dit verhaal op een dinsdag is verteld, nemen we aan dat ook hier - maar nu impliciet - deictisch verwezen wordt naar ‘afgelopen vrijdag’. Wanneer de verhalen in de tijd zijn geplaatst, begint het feitelijke verslag van opeenvolgende gebeurtenissen. Uit de geanalyseerde verhalen van Mohamed in cyclus 1 en 3 zijn enkele voorlopige conclusies te trekken:

 

-in beide cycli vormt het PNV de leidraad bij de weergave van gebeurtenissen; beide verhalen zijn overwegend lineair gestructureerd;
-Mohamed maakt in beide cycli een overvloedig gebruik van connectoren, ook wanneer het PNV wordt gehenteerd;
-vanaf cyclus 1 maakt Mohamed daarnaast reeds gebruik van andere principes dan het PNV en wel op twee manieren: door introductie van een overkoepelende gebeurtenia gevolgd door subgebeurtenissen en door terugverwijzing in de tijd.

 

Het eerste alternatieve principe wordt vooral gehanteerd om de grote lijn van een verhaal te introduceren en vervolgens uit te

[p. 126]

werken. G5 in cyclus 3 is daar een voorbeeld van. De activiteit wordt eerst globaal omschreven (Wij hebben ook mee met hun gedaan) en vervolgens in de loop van het verhaal nader uitgewerkt. G3 in cyclus 1 verwijst naar een gesprek (En dan ik praten met een jongens), waarna in een viertal uitingen met directe rede het gesprek wordt weergegeven. Het tweede alternatieve principe, terugverwijzing in de tijd, heeft in beide verhalen een verschillende functie. In cyclus 1 pakt Mohamed na het geven van noodzakelijke achtergrondinformatie de lijn van het verhaal weer op, maar in een eerder stadium van gebeuren dan waar hij van de hoofdlijn afweek. Mohamed lijkt zich hiervan bewust en markeert deze terugverwijzing in de tijd expliciet met om tien uur. In cyclus 3 vindt temporele terugverwijzing vrijwel meteen na introductie van het verhaal plaats en - hoewel duidelijk deel van het verhaal - is deze ‘stap terug’ een verhaal binnen een verhaal, noodzakelijk om de voorgeschiedenis van het hoofdverhaal te verduidelijken. De terugverwijzing zelf wordt echter niet expliciet temporeel gemarkeerd.

 

Tabel 1 bevat een overzicht van temporele verwijzingen tussen uitingen in de verhalen van beide informanten over drie cycli. In deze tabel is weergegeven op welke wijze de informanten hun verhalen structureren en welke connectoren zij daarbij in volgorde van frequentie gebruiken.

MOHAMED F MAHMUT F
Cyclus 1 verhaalvolgorde:   verhaalvolgorde:  
  PNV   PNV  
  subgebeurtenissen   terugverwijzing  
  terugverwijzing  
 
  connectoren:   connectoren:  
  en dan 28 en dan 8
  0 18 0 6
  dan 12  
  en 2  
  nog 1  
Cyclus 2 verhaalvolgorde:   verhaalvolgorde:  
  PNV   PNV  
 
  connectoren:   connectoren:  
  toen 3 0 16
  dan 2 en dan 7
  en toen 1 en 1
Cyclus 3 verhaalvolgorde:   verhaalvolgorde:  
  PNV   PNV  

[p. 127]

subgebeurtenissen   terugverwijzing  
terugverwijzing  
 
connectoren:   connectoren:  
0 13 0 17
toen 12 en 3
toen een keer 2 en dan 1
een keer 1  
en toen 1  

Tabel 1: Overzicht van verhaalvolgorde en connectoren.

Ontwikkeling over tijd

Met betrekking tot de macro-structuur van verhalen is er voor geen van beide informanten een duidelijke ontwikkeling over tijd waarneembaar. Beiden wijken reeds in cyclus 1 af van het PNV. Voor beiden geldt echter wel dat het PNV het belangrijkste principe is bij de structurering van verhalen in alle cycli. Eveneens maken beiden binnen het PNV veelvuldig gebruik van expliciete connectoren, met een al dan niet impliciet temporeel karakter. In het gebruik van de connectoren dan en toen is bij Mohamed een duidelijke ontwikkeling zichtbaar: in cyclus 1 wordt uitsluitend dan gebruikt, in cyclus 2 komen dan en toen beide voor (hoewel toen hier al frequenter is) en in cyclus 3 wordt uitsluitend toen gebruikt. Mohamed gaat in de loop van de tijd dus differentiëren tussen dan en toen, en wel in de richting van de normvariant. Bij Mehmut is een dergelijke ontwikkeling (nog) niet zichtbaar. Door alle cycli heen gebruikt hij steeds dan ter verwijzing naar gebeurtenissen in het verleden en nooit toen. Deze gebruikmaking van een ongedifferentieerde temporele basisvorm manifesteert zich zelfs in Mahmut's herformuleringen ven zijn native gesprekspartner, vgl. in cyclus 2, sessie 5:

Ma: hij ook vragen ik dinsdag
  hij ook niet geven
NS: en toen?
Ma: en dan dinsdag niet auto kopen

Opvallend bij Mahmut is voorts het frequent voorkomen van O-connectoren, maar ook hierin is geen duidelijke verandering over tijd waarneembaar. In cyclus 3 gebruikt Mohamed verscheidene malen toen een keer en een keer als connectoren. Hierbij verwijst toen altijd naar directe opeenvolging in de tijd en een keer naar één bepaalde gebeurtenis uit een aantal niet genoemde gebeurtenissen die tussentijds plaatsvonden, vgl.

toen een keer gaat ie/Said eh
(= een van de keren dat er weer bingo werd gespeeld)
[p. 128]

een keer ik tegen hem + directe rede
(= een van de keren dat we bingo speelden zei ik tegen hem)
toen een keer hij zegt ‘achtenveertig’
(= een van de keren dat hij een cijfer noemde zei hij 48)

Uit deze voorbeelden blijkt dat Mohamed in cyclus 3 in staat is om een levendig en genuanceerd verslag van gebeurtenissen te geven.

Concluderend kunnen we stellen dat conform Verwachting 3 het PNV dominant is, maar reeds vanaf cyclus 1 met andere principes samengaat. Verwachting 3 wordt in zoverre niet gesteund dat vanaf cyclus 1 ook binnen het PNV reeds een frequent gebruik wordt gemaakt van expliciete connectoren. Verwachting 4 wordt duidelijk bevestigd in de data van Mohamed, terwijl de data van Mahmut over dit differentiatieproces van toen en dan (nog) geen uitsluitsel bieden. Ten slotte wordt Verwachting 5 in zoverre bevestigd dat temporeel onderschikkend zinsverband nog bij geen van beide informanten optreedt met behulp van voegwoorden (vgl. uitingen als auto kapot ik garage).

4.2. Temporele verwijzingen binnen uitingen

Temporele markering met behulp van werkwoorden

In veel talen (waaronder het Nederlands) is het ook na plaatsing van een verhaal in de tijd noodzakelijk dat deze tijd in iedere uiting opnieuw wordt gemarkeerd in het werkwoord.

Mohamed hanteert in cyclus 1 uitsluitend volle werkwoordsvormen (stam +/-en/) en tegenwoordige-tijdsvormen. Hij geeft in dit stadium nog op geen enkele wijze door middel van werkwoordmorfologie aan dat er sprake is van voorbije gebeurtenissen. In cyclus 2 produceert Mohamed weinig werkwoorden in het geanalyseerde verhaal, maar wel verschijnen hier voor het eerst verleden-tijdsvormen. Deze ontwikkeling wordt doorgezet in cyclus 3. Het aandeel volle vormen neemt duidelijk af in de loop van de tijd, maar in cyclus 3 overheersen nog steeds tegenwoordige-tijdsvormen. Het aantal complexe werkwoordgroepen neemt voorts toe over de cycli heen en in cyclus 3 manifesteert zich een produktief gebruik van hebben plus voltooid deelwoord in Mohamed's linguïstisch repertoire.

 

Verwachting 1 wordt vooral voor Mohamed bevestigd. In de loop van de tijd vindt verleden-tijdsmarkering meer en meer plaats en wordt geleidelijk de doeltaalnorm benaderd. Bij Mahmut overheersen in alle cycli volle werkwoordsvormen; zelden vindt verledentijdsmarkering plaats. Voorts gebruikt Mahmut in elk van de drie cycli slechts in één enkel geval een voltooid deelwoord, resp. getrouwd, weest (= geweest) en gezien. We kunnen concluderen dat het temporele verwijzingssysteem van Mahmut zich nog in een eerste stadium bevindt, terwijl bij Mohamed reeds verschuivingen

[p. 129]

zichtbaar zijn.

Verwachting 2 wordt voor beide informanten bevestigd. Indirecte rede komt nog niet voor, terwijl directe aanhalingen van spreker, aangesprokene of derde(n) geïntroduceerd worden met niet naar verleden gemarkeerde vormen van verba dicendi of uitsluitend via intonatie worden gemarkeerd. Het repertoire van verba dicendi beperkt zich bij Mohamed overigens tot (vormvarianten van) zeggen, met eenzelfde preferentie voor hij zegt als Trévise (1982; 1984) voor il dit in het Frans vond, terwijl Mahmut de verba dicendi praten, zeggen en roepen gebruikt.

Temporele markering met behulp van adverbie en prepositiegroepen

Naast temporele werkwoordmarkeringen vormen adverbia en prepositiegroepen belangrijke middelen om uitingen in de tijd te plaatsen. Beide informanten maken van beide temporele middelen gebruik, zij het in beperkte mate. Bij beide informanten overheersen klok/kalendertijd-verwijzingen. Beide informanten gebruiken voorts eerder temporele prepositiegroepen dan temporele adverbia; bij Mahmut verschijnen temporele adverbia in de tweede cyclus, bij Mohamed pas in de derde. ‘Echte’ preposities in prepositiegroepen verschijnen daarentegen uitsluitend bij Mohamed, in cyclus 1 zelfs in opvallende mate, vgl. in de feest, om half negen, tot twee uur.

Bij Mohamed vormen prepositiegroepen in cyclus 1 in drie gevallen voorts de enige temporele verwijzing in de uiting door het ontbreken van een werkwoord, terwijl de adverbia in cyclus 3 telkens vergezeld gaan van al dan niet temporeel gemarkeerde werkwoorden. Alle adverbia in de uitingen van Mahmut zijn ten slotte eveneens afkomstig uit uitingen met een werkwoord.

Het in Verwachting 1 geformuleerde principe dat adverbia en prepositiegroepen aanvankelijk de temporele referentie van ontbrekende werkwoorden ‘compenseren’, wordt niet door de data bevestigd. In het overgrote deel van de gevallen zijn adverbia en prepositiegroepen afkomstig uit uitingen met een al dan niet temporeel gemarkeerd werkwoord.

Uitingen zonder werkwoord

Een relatief groot aantal uitingen in de verhalen verwijst naar gebeurtenissen in het verleden zonder dat daarbij een werkwoord wordt gerealiseerd. Juist vanwege het belang van werkwoorden als middelen voor temporele verwijzing is het interessant om na te gaan hoe de informanten deze uitingen toch temporeel markeren in hun verhalen. Tabel 2 laat zien welke linguïstische middelen in dergelijke gevallen worden gebruikt en welk soort werkwoorden wordt geïmpliceerd (deze werkwoorden zijn telkens tussen haakjes geplaatst):

[p. 130]

MOHAMED MAHMUT
  Verandering Verandering Verandering Verandering
  van plaats van manier van plaats van manier
C1 binnen (gaan) kwaad (worden) terug thuis (komen) niet dood papa (gaan)
  met (=tegen) muur ruzie (krijgen)(2) thuia (komen) papa dood (gaan)
  terug (gaan) (3) zo (doen) (7)  
  weg (gaan) (2)  
C2 naar M. (gaan)  
  terug naar C. (gaan)   weg (gaan) (2)  
C3 daar (gaan) zo (doen)   kapot (gaan)

Tabel 2: Referentie naar voorbije gebeurtenissen zonder werkwoord (in cyclus 1/2/3).

 

In alle uitingen in Tabel 2 wordt een verandering geëxpliciteerd: hetzij van plaats, hetzij van manier. Impliciet betekenen deze veranderingen tevens een verandering in de tijd. Dit impliciete temporele karakter maakt de uitingen begrijpelijk en houdt tevens hun ‘gebeurkarakter’ in stand, vgl.:

en dan hij terug (Mo; 1.4)
ik binnen met die whiskey (Mo; 1.4)
toen wij daar (Mo; 3.4)
ik boos weg (Ma; 2.5)
en de raam kapot (Ma; 3.6)
en dan ik ruzie met hem (Mo; 1.4)

Uit deze voorbeelden kunnen we concluderen dat taalleerders gebruik maken van hun kennis van de wereld: omdat verandering per definitie een temporeel aspect in zich draagt, is beschrijving van verandering voldoende om een gebeurtenis temporeel te plaatsen ten opzichte van eerdere of latere gebeurtenissen.

Verwachting 1 wordt door deze bevindingen in zoverre bevestigd dat afwezigheid van werkwoorden inderdaad wordt gecompenseerd door simpele adverbis en/of prepositiegroepen; deze linguistische middelen blijken echter slechts impliciet naar tijd te verwijzen.

 

Een aparte categorie wordt tenslotte gevormd door aangehaalde uitingen waarbij de directe rede niet wordt geïntroduceerd door een verbum dicendi. Tabel 3 biedt een overzicht van de relevante verschijningsvormen:

[p. 131]

MOHAMED MAHMUT
cyclus 1 die + DR (1) DR (2)
cyclus 2 - DR (4)
cyclus 3 X tegen Y + DR (6) DR DR (6)

Tabel 3: Directe rede zonder verba dicendi

 

Mohamed citeert vanaf cyclus 1 veelvuldig, echter nagenoeg steeds met vermelding van een verbum dicendi; alleen in cyclus 3 komen regelmatig citaten voor die niet op deze wijze worden ingeleid. Mahmut maakt eveneens vanaf cyclus 1 gebruik van directe rede en in een aantal gevallen blijven verba dicendi daarbij achterwege; sprekerwisseling wordt in deze gevallen echter impliciet gemarkeerd met behulp van suprasegmentele middelen (intonatie; toonhoogte), waardoor toch een herkenbare weergave wordt bereikt van opeenvolgende gebeurtenissen.

5. Perspectief

De gepresenteerde analyses van temporele referentie binnen en tussen gerapporteerde sekwenties van gebeurtenissen hebben betrekking op spontane verhalen in monoloogvorm over voorbije gebeurtenissen (zie ook par. 3). Deze keuze impliceert een beperking in drieërlei opzicht.

Allereerst doet het in par. 2 beschreven conceptuele uitgangspunt - op grond waarvan linguïstische middelen worden geïnterpreteerd vanuit hun referentiële functie - bij spontane verhalen per definitie een beroep op het reconstruerend vermogen van de onderzoeker. De onderzoeker hoeft immers niet bij deze gerapporteerde gebeurtenissen aanwezig te zijn geweest, waardoor de feitelijke opeenvolging van gebeurtenissen in de tijd niet altijd vaststaat. Het verdient daarom aanbeveling om bij het bestuderen van temporele referentie ook data te betrekken waar stimuluscontrole over volgorde in de tijd voorhanden is. We beschikken over dergelijke data in de vorm van navertellingen van filmscenes en zullen deze data in verdere analyses betrekken.

Op de tweede plaats ligt in de gepresenteerde analyses van monologen het accent per definitie op taalproduktie. Onze motieven voor de keuze van monologen hebben we in par. 3 besproken. In hoeverre non-native speakers in staat zijn soms complexe temporele referenties van native speakers te begrijpen (vgl. de in par. 2 genoemde nadat/voordat-constructies) blijft daardoor buiten beschouwing. Een verdere uitbreiding van onze analyse zal betrekking hebben op de mate van deze overdracht van temporele referen-

[p. 132]

ties in native/non-native conversaties.

Op de derde plaats hebben we ons vooralsnog beperkt tot verhalen over voorbije gebeurtenissen. Ofschoon uit ander en ons onderzoek blijkt dat uitgebreide verwijzingen naar toekomstige gebeurtenissen laat en sporadisch optreden in taalverwervingsprocessen, zullen we dergelijke data in het ons ter beschikking staande corpus toch zoveel mogelijk trachten op te sporen.

 

Tenslotte doet zich de vraag voor, in hoeverre de verwerving van temporele referentiële middelen in een tweede taal beïnvloed wordt door reeds verworven temporele conventies in de uitgangstaal. Duidelijke indicaties voor een dergelijke beïnvloeding hebben we op basis van de ondernomen analyses vooralsnog niet. Om die vraag echter beter bespreekbaar te maken, willen we onze beschrijving van referentie naar tijd in tweede-taalverwervingsprocessen van volwassenen mede baseren op een vergelijking van terzake relevante conventies in de betrokken uitgangstalen en doeltaal. Zo kent het Turks een grammaticaal gemarkeerd onderscheid tussen referentie naar al dan niet persoonlijk beleefde gebeurtenissen in het verleden, respectievelijk uitgedrukt met behulp van de verbumstamsuffixen /-di/ en /-mis/. Door Slobin & Aksu (1982) is dit verschijnsel beschreven voor het standaard-Turks en door Aksu (1978) in taalontwikkelingsperspectief. Voorts geeft Von Stutterheim (1984) een algemeen overzicht van temporele referentiële middelen in het Turks.

Comparatieve doelstellingen vanuit de eerder geformuleerde vraagstelling worden echter belemmerd door het nagenoeg ontbreken van functionele beschrijvingen van temporele referentie in non-standaardvariëteiten van native speakers van het Turks, Marokkaans-Arabisch en Nederlands.

Bibliografie

Aksu, A. (1978), Aspect and modality in the child's acquisition of the Turkish past tense. University of California, Berkeley. (xerogr. Ann Arbor: Univ. Microfilms Intern. 1986).
Beinema, J. & Loffeld, M., Temporal indications used by Dutchspeaking children. In: Communication & Cognition (1974), 7, 2: 257-270.
Broeder, P., Coenen, J., Extra, G., Van Hout, R. & Zerrouk, R. (1985), Spatial reference in the L2 Dutch of Turkish and Moroccan adult learners: the initial stages. In: G. Extra & T. Vallen (eds.), Ethnic minorities and Dutch as a second language. Studies on Language Acquisition 1. Foris, Dordrecht: 209-252.
Broeder, P., Extra, G. & Van Hout, R. (1986), Acquiring the linguistic devices for pronominal reference to persons: a crosslinguistic perspective on complex tasks with small words.
[p. 133]
In: F. Beukema & A. Hulk (eds.), Linguistics in the Netherlands 1986. Foris, Dordrecht: 27-40.
Catford, J. (1982), Marking and frequency in the English verb. In: J. Anderson (ed.) Language forms and linguistic variation. Amsterdam Studies in the theory and history of linguistic science 4. Benjamins, Amsterdam.
Clark, E. (1970), How young children describe events in time. In: G. Floris d' Arcais & W. Levelt (eds.), Advances in psycholinguistics. North-Holland, Amsterdam: 275-284.
Clark, E., On the acquisition of the meaning of ‘before’ and ‘after’. In: Journal of Verbal Learning and Verbal Behavior (1971), 10: 266-275.
Dittmar, N. & Thielicke, E. (1979), Der Niederschlag von Erfahrungen ausländischer Arbeiter mit dem institutionellen Kontext des Arbeitsplatzes in Erzählungen. In: H.G. Soeffner (ed.), Interpretative Verfahren in den sozial- und Textwissenschaften. Mettzler, Stuttgart: 65-103.
Ferreiro, E. & Sinclair, H., Temporal relationships in language. In: International Journal of Psychology (1971), 6, 1: 39-47.
Houdaifa, T. (1983), La référence personelle et temporelle dans le récit d'un apprénant en milieu naturel. In: Groupe de Recherche sut l'Acquisition des Langues, Acquisition du Francais par des travailleurs Marocains. Papiers de Travail 1. Université de Provence,Aix-en-Provence: 95-115; 125-140.
Janssen, Th., Het temporele systeem van het Nederlands: drie tijden en twee tijdscomposities. In: GLOT (1983), 6, 1: 45-104.
Janssen, Th., Composiete temporele modificatie: suprematie van semantische categorieën. In: TABU (1985), 15, 1: 10-42; 15,2: 43-78.
Kilby, D. (1984), Descriptive syntax and the English verb. Croom Helm, London.
Klein, W. (1986), Second language acquisition. Cambridge University Press, Cambridge.
Labov, W. (1972), Sociolinguistic patterns. Pennsylvania University Press, Philadelphia.
Perdue, C. (ed.) (1984), Second language acquisition by adult immigrants, a field manual. Newbury House, Rowley Mass.
Rauh, G. (1983), Tenses as deictic categories, an analysis of English and German tenses. In: G. Rauh (ed.), Essays on deixis. Narr, Tübingen: 229-275.
Schiffrin, B. Tense variation in narratives. In: Language (1981), 57, 1: 45-62.
Slobin, D. & Aksu, A. (1982): Tense, aspect, and modality in the use of the Turkish evidential. In: P. Hopper (ed.), Tenseaspect: between semantics & pragmatics. Typological Studies in Language 1. Benjamins, Amsterdam: 185-200.
Smith, C. (1980), Temporal structures in discourse. In: Chr. Rohrer (ed.), Time, tense, and quantifiers. Linguistische Arbeiten 83. Niemeyer, Tübingen: 355-374.
[p. 134]
Smith, C. (1981), Semantic and syntactic constraints on temporal interpretation. In: Ph. Tedeschi & A. Zaenen (eds.), Syntax and Semantics, Vol. 14: Tense and Aspect. Academic Press, New York: 213-237.
Stern, C. & Stern, W. (1907), Die Kindersprache: eine psychologische und sprachtheoretische Untersuchung. Barth, Leipzig.
Stutterheim, Chr. Von (1984), Der Ausdruck der Temporalität in der Zweitsprache. Max Planck Institut für Psycholinguistik, Nijmegen, (Ph. D. Thesis).
Traugott, E. (1978), On the expression of spatio-temporal relations in language. In: J. Greenberg (ed.), Universals of human language. Vol. 3, Word Structure. Stanford University Press, Stanfords: 369-400.
Trevise, A. (1982), Some remarks on the expression of temporality in the speech of a Spanish-speaking adult acquiring French in a natural setting. Paper presented at the 2nd European North American workshop on Cross-linguistic Second Language Acquisition Research. GRAL, Paris.
Trevise, A. (1984), Some remarks on the acquisition of French by a Spanish speaker. GRAL, Paris, (paper).
Verkuyl, H. De relevantie van logische operatoren voor de analyse van temporele bepalingen. In: Studia Neerlandica (1970), 2: 7-33.
Wunderlich, D. (1970), Tempus und Zeitreferenz im Deutschen. Hueber, München.

Bijlage I
Beginfragment uit ‘het auto-ongeluk’, verteld door Mohamed in cyclus 1.

Conventies:

G1-x: verhaallijn (vermelde gebeurtenissen)
Gint: introductie van verhaal (plaatsing in de tijd)
Gext: extensie van gebeurtenis
Grep: herhaling van gebeurtenis
AG: achtergrondinformatie (los van de verhaallijn zelf)
Vet: vet verwijst naar tekstannotaties of Frans

Gint in de feest jouw (= jullie) feest deze kerst uh allemaal die bar en disco dicht
AG alleen een koffie (= café) voor die die jongens qui roken hashish en uh en uh voor hippies uh een koffie een koffie voor hippiese jongens
G1 ik om uh om uh negen uur om uh half negen ik ga naar uh ik ga met die jongen familie (= neef) naar die naar die

[p. 135]

  twee broers - marokkaans
G1ext ik ga naar hem
G2 dan alles en dan wij alles gaan naar Tilburg
G2ext die marokkaans café
AG marokkaans café is open uh tot uh tot uh tot half tien
G3 en dan ik uh ik praten met een jongens
G31 hij zegt ‘hier is uh winkel uh altijd open’
G32 ‘il y a whisky alles’
G33 ‘ik wil’ ik zegt me met hem ‘ik wil uh die die rouge (= rode wijn)
AG veel uh veel marokkaansmensen veel rouge drinken
  jij weten?
G34 uh ik zegt van die ‘die die winkel kopen (= verkopen) die rouge?’
G35 hij zegt ‘ja’
G4 en dan ik ga met hem
AG hij hij kan niet zeggen die
  deze uh rifmensen hij kan hij kan niet die rouge
  deze boermensen hij kan niet drinken of/
  hij kan niet
  alleen uh hier in marokko die die alleen casablanca marakech ik denk mohammadia rabat tanja die agadir jadida marrakech fes die mensen niet zelf als die die ander mensen
  hier in uh in noord-marokkaans geen café geen uh/
  maar in grote stad allemaal disco
  die jongens drinken roken
  maar die ander alleen alleen roken
G4rep ik ga met hem
G5 dan ik zegt ‘ik wil rouge’
G6 ‘nee’/hij zegt uh ‘rouge niet duur’
G7 ‘ik wil uh vijf liter of uh zes liter met rouge’
G8 en dan hij hij uh hij niet verstaan ‘rouge’
G9 hij pakken een uh een glas (= fles)
AG die die een vrouw werk in de winkel woont daar et werkt de winkel
G10 hij (= zij) om tien uur hij zegt ‘een jongens een jong’
AG wij is uh drie jongens
G10rep hij zegt die vrouw zegt ‘een een jong binnen’
G11 en dan hij/ik geef hem een uh vijftig guld
G12 dan hij uh hij pakken een whisky
G13 en dan hij terug
G14 ik zegt ‘deze niet uh rouge, deze is whisky’

[p. 136]



illustratie

Verhaallijn van Mohamed, cyclus 1, Het auto-ongeluk


[p. 137]

Bijlage II
‘Bingospel’, verteld door Mohamed in cyclus 3

Gint die zal ik vertellen
G1 wij wassen daar te laat (= waren)
G2 hij was hij was bij mij thuis he (= Said)
AG • was ik denk vrijdag/ was vrijdag
G21 toen was half vier
G22 hij tegen mij ‘wij gaan naar centrum in tilburg’
G23 ‘da's goed’
G3 toen wij daar
G4 ja zit die jongens allemaal bingo te/te spelen he
G5 wij hebben ook mee met hun gedaan
G6 ik krijg niks
G7 toen een keer + gaat ie said hij bingo uh/
G7rep1 hij gaat uh bingo uh doen he
AG • ja maar said is mij vriend he (= mijn)
G7rep2 toen hij daar bingo doen
G8 ik heb die kaartje
AG • ja was/moet uh vijf uh een ligne horizontale he
  • er zit vijf ligne
G9 ik heb uh twee of uh ik denk twee he
G10 toen ik heb rest ook uh volgemaakt
G11 toen was uh was nog zes
G12 toen komt die zes he
G13 te/tegen hem ‘bingo’
AG • ja maar ik heb twee nummer die heb ik niet
G14 toen ja die jongens hebben die zes gezien
G15 toen ik krijg die geld
G16 ja toen was uh nou drie keer of vier keer hebben gespeeld
G17 een keer ik tegen hem ‘bingo’
G18 ‘jij was uh ik heb vier he nog achtenveertig he’
G18rep1 toen ik tegen said ‘nog achtenveertig’
G18rep2 ik tegen hem ‘moet jij achtenveertig halen he’ (= krijgen)
G19 toen een keer hij zegt ‘achtenveertig’
AG • maar was geen achtenveertig
G20 toen ik heb geld uh/
G21 toen komt een snel
G22 hij tegen hem ‘mag ik die achtenveertig zien?’
G23 said hij tegen hem/ hij tegen hem ‘ja die weet ik niet waar die is’
G24 ‘moet jij zelf maar zoeken’
G25 ja die jongen in tas uh zoek
AG • die achtenveertig was uh nog niet was ut niet
G26 en toen said zo
G27 die ander geeft hem hard klap

[p. 138]



illustratie

Verhaallijn van Mohamed, cyclus 3, Het bingospel