|
|
|
| |
| | | |
Alarmisten.
1848.
Och pruiken, podagristen,
Och bankroetiers en smousen,
Je snatert en je snottert,
Je steunt en stikt en stottert....
't Is wat een vies gezicht.
| | | |
d' Effektenhoek vol vrees;
Heel de aard op een karikel,
Het menschdom op zijn endje,
Veel kindren en - geen centje
Verdiensten op 't kantoor;
Den heelen boêl in 't honderd,
En half Euroop geplonderd -
Dat 's alles, wat ik hoor!
Wie naar je praat wil luisteren,
Die ziet de zon verduisteren,
Die weet niet, wat hij ziet,
En zou zijn mooiste zaken
Terstond aan kant gaan maken,
Of stuurt ze recht - in 't riet!
Die zou zich dood gaan kniezen,
En al zijn geld verliezen
Die laat zijn kroost verhongeren,
En foetert op de jongeren
| | | |
Die ziet, owaai! de Franschen
Al in zijn keuken dansen,
Die's nergens op zijn aise,
Die hoort een Marseillaise
Die ziet in al zijn zonen
Die 's bang voor Balinezen,
Die durft geen krant meer lezen,
Maar kijkt er rillend langs!
Die kwezels en die ezels,
Wie drommel, weet er raad?
Al trekken zich die Joppen
De hairen uit hun koppen,
Ik weet niet of het baat!
Maar handen uit de mouwen,
De mensch leeft om te hopen....
En 't zal zoo'n vaart niet loopen:
't Leit immers op zijn kant?
| | | |
't Is vreeslijk en 't is ijselijk,
't Is schriklijk en afgrijselijk....
Maar 't ergst van alle plagen,
Het zijn je die meneeren,
Die 't weinig goeds negeeren,
|
|
|