Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 261]

Bijlagen.
A. Voorrede bij den eersten druk.

vriendelijke lezer!

 

Ziedaar een boekske vol inkonzequenties en vol waarheid. Ik meen dat de laatste een gevolg is van de eersten. De kunstrechter, die hier een zekere eenheid, een zekere richting, een zeker geheel zou willen vinden, wordt dringend gewaarschuwd niet lang te zoeken. Gij ontvangt hier verzen en versjes, geschreven onder den indruk van 't oogenblik en de omgevingen des levens, als de Alarmisten, Vriendenraad, 't Latijnsche school (daar zijn er bij, die voor niets meer willen doorgaan dan voor een gedrukten glimlach); andere gedicht om mij-zelven Hollandsch te leeren, als Spreekwoordjes, Epikurisch feestgezang; eenige, die de vruchten zijn van min of meer gewichtige revolutiën in hart of leven, als Stem des harten, of.... maar indien ik in bijzonderheden wilde treden en u vertellen hoe deze eerstelingen ontstaan zijn, zou ik geen voorrede, maar een intieme

[p. 262]

biografie moeten schrijven: en dat is waarlijk de moeite niet waard Voorts moet ik erkennen, dat ik mij eigenlijk nooit heb kunnen begrijpen, waarom men mij een crime heeft gemaakt van dat gebrek aan richting, aan eenheid. Die eenheid is zeer noodzakelijk in een treurspel, maar niet in een jong leven of ‘eerste gedichten.’

Eerste gedichten: zoo heb ik dit boekske met voorbedachten rade genoemd. Herlees dat opschrift en volg mijne gedachten. Het is een voorrede in nuce: daar ligt een verzoek in opgesloten en een belofte. Het verzoek luidt:

 
Surtout, considérez, illustres seigneuries,
 
Comme l'auteur est jeune et c'est son premier pas!

Dat is, vrij vertaald: uwe verwachting zij nederig, uwe belangstelling hartelijk, uwe kritiek verschoonend. Geloof mij, die bede is meer dan een fraze van nederigheid, van beleefdheid of van een voorrede. Ach, gij moest eens weten hoe wanhopig melankoliek de schrijver-zelf over velen der volgende bladzijden dacht! - Maar dat ‘eerste gedichten’ vooronderstelt en belooft ook, dat deze eerste door nieuwe, door andere moeten gevolgd worden, indien de dichter leven en kracht mag behouden, dat spreekt. Met de uitgave dezer verzen meent hij de eerste korte periode van zijn dichterlijk leven te hebben geëindigd en afgesloten, en dat verlicht hem. Ook op het gebied der poëzie, in menig opzicht ‘vergetende hetgeen achter is,’ blijft ‘ontwikkeling’ zijn leus en zijn lust. Het rijpere leven geeft rijkere stof, vaster worde de hand, scherper de blik, dieper de gedachte; en de sympathie, die hij van vele zijden zoo onverdiend en toch zoo mild genoot, blijve steeds zijn loon en zijn kroon. En dit alles zij geen illuzie.

Ik heb nog een plicht der beleefdheid te vervullen jegens u, lieve menschen, die van ver en nabij met zooveel vuur hebt aangedrongen op de uitgave der verhaaltjes in verzen, die gij en de uwen met zooveel weldoende belangstelling vereerd hebt bij de voorlezing in verschillende zalen en zaaltjes van het Vaderland. O vergeeft mij dat ik mijnen schroom wijzer hebt geacht dan uwe vriendschap en, hoewel met strijd en moeite, Fantasio en Floor-

[p. 263]

neef op een geurig matrasje van gelegenheids-verzen en andere liefhebberijen heb laten rusten in hun bordpapieren mausoleum. Een fragment uit den Sint-Nikolaasavond (ik zeg waarlijk niet het gelukkigste, maar het eenige dat ik er uit kon breken) zende ik u uit dankbaarheid, als een albumblad ter herinnering van gelukkige avonduren. Ach, weest niet boos op mijn boekske, omdat ik den moed heb gehad u tegen te vallen.

En waarom houdt gij dan het minst vervelende thuis? - vraagt een schalk. Omdat, antwoord ik, niet alles wat goed is om te worden gehoord ook geschikt is om te worden gedrukt; omdat het een groote waarheid is, die van le ton fait la musique, en omdat ik niet wil dat men hatelijkheden zou meenen gedrukt te zien, waar eenmaal, zelfs de gestrenge toehoorder (niet waar?) niets erger dan ‘eenvroolijke dwaasheid’ vernam, en eindelijk.... ik belijd u met diepe schaamte deze berekende ijdelheid.... omdat ik het veel amuzanter vind te mogen hooren, dat het jammer is dat die bewuste verhaaltjes ongedrukt blijven, dan te moeten vreezen dat later een of andere gedienstige geest mij uit oprechte vriendschap de mededeeling doet, dat het toch eigenlijk jammer is dat ze wel gedrukt zijn. Heb ik gelijk of niet? ‘Vrienden en bekenden gelieven deze voor algemeene zoowel als bijzondere kennisgeving aan te nemen.’

De onbekende Lezer, die van deze verhaaltjes geen kwaad weet, wordt verzocht mij niet onbeleefd te vinden, omdat mijn onberoemdheid zich vermeet met derden te spreken over zaken, die ZEd. niet interesseeren.

Laat ons nu den tijd niet langer verpraten.

Alle liefelijken en alle liefderijken, alle belangstellenden en alle welmeenenden worden hartelijk gegroet door

 

P.A. de G.

Amsterdam, 21 November 1851.