|
|
|
| |
| | | |
Het oude Huis.
Daar zijn we in 't nieuwe huis!
't Is deftig, dubbel, breed.
Hier door mijn wand dringt geen gedruis,
Geen tocht, door raam of reet.
'k Heb tien vertrekken, vol gemak,
Een badvertrekje inkluis;
We zijn, heusch! aardig onder dak,
En 'k prijs dit nieuwe huis....
Doch ik verlang naar 't oude weêr,
Daar 't lekte door het dak,
En daar, o zegen! steeds al meer
Geen lucht, maar ruimte ontbrak.
| | | |
Het oude, dat daar aan de vest
Zoo witjes lacht in 't groen!
Zoet nestje, voor den zomer best,
Doch niet in elk saizoen.
Het oude, daar voor 't eerst mijn hart
Gesmaakt heeft, wat niet al!
Een liefde, een zaligheid, een smart,
Die 'k nooit meer smaken zal!
Daar in een bange, heilge nacht
O eerste wicht, zoo blij verwacht,
Het oude, daar het leven nog
Zoo nieuw voor mijn gemoed,
Vol frisschen glans en schoon bedrog,
Mij toeblonk rijk en zoet!
Het oude, met zijn woonvertrek
Zijn hof, met menig dierbre plek,
En 't spoor van dierbre schreên!
Het oude, dat van menigeen
Die nimmer hier zal binnentreên,
Vreemd, aan des vreemden haard....
| | | |
Ja, keeren wou ik, zoo het mocht,
Naar de eerste, lieve kluis,
Met halfsteens muur, vol tocht en vocht
'k Voel me in dit mooie huis - niet thuis;
Dees wanden spreken niet,
'k Sleep langs den breeden trap mijn kruis,
En stootrig klinkt mijn lied!
En toch misschien - 't is wel, 't is wijs,
Schoon nu mij 't harte bloedt,
Dat ik mijn needrig paradijs
Het is niet goed, dat we op deze aard
Aan huis en hof, aan haard en gaard
Verstandig is 't van tijd tot tijd,
Een teedren, sterken band,
Die 't arme harte bindt en vleit,
Te scheiden van een dierbre plek,
Te wennen maar aan elk vertrek -
D. 1847.
|
|
|