|
|
|
| |
| | | |
Bij Meer-en-berg.
De morgen lacht, de koeltjes zweven,
De hemel straalt van liefde en licht;
Stil, statig uit de schoone dreven
Rijst Meer-en-berg, 't gewijd gesticht.
Ach, droeve plek! Hier breekt u 't harte
Van weedom, die de weelde stoort:
Bedrogen hope, en zonde, en smarte
Vereent haar offers in deze' oord.
Nochtans, vanwaar die glans van vrede,
Die op dit huis der jammren daalt,
Daar 't landschap stil, als in gebede,
Gods goedertierenheên verhaalt?
| | | |
't Is omdat Hij, die eens Zijn armen
Tot al wat leed heeft uitgebreid,
De Zoon, vol goddelijk erbarmen
Daar binnen licht en troost verspreidt.
't Is wijl een heilige gedachte
Van liefde en hoop hier werkt en leeft;
't Is wijl de mensch van Gods geslachte,
Hier ín zijns redders voetspoor streeft!
O zoet, weemoedig-zoet aanschouwen,
Dat vredig huis, die kerk, die hof....
Ik groet u, heilge Godsgebouwen,
Geen schooner Tempel rijst in 't stof!
Mijn oog ziet op! mijn ziele luistert!
Uw steenen spreken, God tot eer!
En 't koeltje door de dreven fluistert:
Aanbid en hoop; hier is de Heer!
B. 1858.
|
|
|