|
|
|
| |
| | | |
Het Wonderklokje.
(Rijmpje, ten gebruike in 't gezellig verkeer aan mijn vrienden afgestaan.)
Ik wou, ik wist een kunstenaar,
Een klok.... een klok van zessen klaar!
Een klok met list en wijs beleid,
Gevoelig voor gezelligheid,
Een klok, mijn vriend, die nooit te laat
Het dierbaar uurtje sloeg,
Dat van uw bijzijn mij ontslaat,
Want gij plakt lang genoeg.
| | | |
Een klok, o man van hart en geest,
Die nooit te vroeg op 't huislijk feest
Me uw bijzijn rooven zou.
Die nimmer, met heur schelle taal,
Ons rijk gesprek, uw zoet verhaal
Kwam storen zeer te onpas!
Maar ach, ze vinden, vinden uit
Vast wonderstuk bij stuk;
Doch waar ik dees mijn wensch beduid,
Wordt elk genie een kruk.
Men glimlacht om den dwazen wensch,
Men wijst mij spottend na,
Men zegt: Zoo'n klok! dat kan geen mensch,
Intusschen gaat het leven voort,
Gedurig wordt de rust verstoord,
Het blijft - zooals het is.
De klokke slaat: de plakker plakt
En rooft mijn tijd, och Heer!
De klokke slaat; de vreugde pakt
Haar biezen, keer op keer!
| | | |
Mijn vrienden rooven mij den tijd,
Dien rijkdom, ras verteerd;
De tijd maakt mij mijn vrienden kwijt,
Wier omgang troost en leert.
Daarom, tot zich mijn wensch vervult,
('t Is mooglijk mettertijd!)
Zoo berst mijn hart van ongeduld
En klaagt van leed en spijt....
Ach, waar' mijn lied, vol dwazen jok,
Dan nu voorloopig maar de klok,
Die, plakkers, u verjoeg.
Mocht ook mijn lied het klokje zijn,
O vriend, u boeide aan 't klein festijn
Als waar 't nog bijster vroeg!
1858.
|
|
|