|
|
|
| | | |
| |
15.
De voorwerpen zijn eene derde soort van zinsdeelen,
nauw in karakter verwant met de onderwerpen. Toch zijn zij met
deze niet geheel op ééne lijn te stellen. Terwijl het namelijk
eene hooge uitzondering is, dat een gezegde zonder vermelding van een onderwerp
kan voorkomen, zijn er zeer veel gezegden, die wel het noemen of aanduiden van
een onderwerp vereischen, maar waarbij van geen tweede zelfstandigheid sprake
is, die eveneens noodzakelijk in de werking of toestand, door het gezegde
uitgedrukt, is betrokken.
Wat echter deze zinsdeelen tot verwanten van de onderwerpen maakt,
is dat hunne vermelding noodzakelijk is ter completeering van het door het
gezegde uitgedrukte begrip, en dat door eigenaardige middelen op eene constante
wijze hunne betrekking tot dat gezegde wordt uitgedrukt. Wordt bij de
onderwerpen die betrekking steeds door den nominatiefvorm aangegeven, bij de
voorwerpen geschiedt dit steeds, hetzij door een | | | | vasten naamval, -
accusatief, datief of genitief - hetzij door een vast voorzetsel. Dit is de
korte samenvatting van hetgeen in de volgende paragrafen geleidelijk ontwikkeld
wordt.
Intusschen mag niet uit het oog verloren worden, dat de voorwerpen
ook soms eene meer ondergeschikte beteekenis krijgen, waardoor zij verwant
worden met de bepalingen van het gezegde. Dit gezichtspunt wordt hier ter zijde
gelaten en eerst behandeld, als gemelde bepalingen hierna ter sprake komen.
| |
16.
Er zijn werkwoorden, die werkingen of toestanden beteekenen, waarin
geene andere zelfstandigheid werkend of lijdend betrokken is dan het onderwerp.
Deze worden subjectieve werkwoorden genoemd. Meestal zijn dit
werkwoorden, die een verkeeren of komen in een toestand
beteekenen: slapen, zweven, hangen; vallen, vertrekken, sterven, enz. Er
zijn er echter ook, die als handelingen opgevat worden, welke alleen tot
het onderwerp bepaald blijven: loopen, roeien, enz. Gewoonlijk zijn dit
bewegings-werkwoorden, die nu eens eene handeling: Wij hebben een paar uur
geroeid, dan weder een komen in een toestand: Wij zijn naar de overzijde
geroeid, te kennen geven.
Opmerking. Hier rijst de bedenking, dat bij dergelijke
werkingen toch dikwijls een tweede zelfstandigheid vermeld wordt, b.v.: Hij
slaapt op een kermisbed. Hij valt uit den boom. Hij stond naast mij. Hij
vertrekt na u. Hij loopt op pantoffels. Hij rammelt met zijne sleutels. Hij is
om het feest thuis gebleven, enz. Hiertegen is op te merken, dat in zulke
gevallen niet van een betrokken zijn, een aandeel hebben der
tweede zelfstandigheid in de werking gesproken kan worden. Het duidelijkst is
dit bij de plaats- en tijdsbepalingen. Hier wijzen de namen der
zelfstandigheden slechts punten in de ruimte en in den tijd aan, geen wezens of
dingen, die deel hebben aan de werkingen slapen, vallen, staan en
vertrekken. Minder duidelijk is het in de volgende voorbeelden, waarin
het hoe, het waarmede en het waarom der werking door een
zelfst. naamwoord uitgedrukt wordt. Toch wordt het voor onzen taalzin bij eenig
nadenken duidelijk, dat de genoemde zelfstandigheden: pantoffels, sleutels,
feest niet noodzakelijk vermeld behoeven te worden, om eene
compleete voorstelling van de werking te hebben, wat b.v. wel het geval is in
zinnen als: Hij trok zijne pantoffels aan. Hij gaf zijn' sleutels eene vaste
plaats. De regeering verbiedt het feest. Het volk verlangt naar het feest,
enz. Hier zijn de vermelde werkingsvoorstellingen onvolledig, als er niet
buiten het onderwerp aan eene tweede zelfstandigheid gedacht wordt. | | | |
Het bovenstaande is slechts eene voorloopige weerlegging der
bedoelde bedenking. Het verschil tusschen het karakter van een voorwerp en eene
bijwoordelijke bepaling wordt eerst duidelijk gevoeld, als deze zinsdeelen in
bijzonderheden nauwkeurig waargenomen zijn.
| |
17.
Er zijn echter ook werkwoorden, objectieve werkwoorden
geheeten, die werkingen beteekenen, waarin buiten het onderwerp
noodzakelijk nog een en soms twee wezens of dingen betrokken zijn, en
waarvan de vermelding dan slechts bij wijze van uitzondering achterwege mag
blijven. Deze personen of zaken hebben dan, hetzij op passieve, hetzij op
actieve wijze, deel aan de werking en in het algemeen kan men zeggen, dat zij
in onze voorstelling tegenover het onderwerp staan, wat door den naam
objecten of voorwerpen eenigermate in herinnering
gehouden wordt.
De verhouding, waarin deze voorwerpen tot het onderwerp van den zin
staan, wordt duidelijker, wanneer die meer in bijzonderheden beschreven wordt.
Zij is namelijk niet in alle gevallen dezelfde, en wanneer men op kleine
verschillen lette, zou men een betrekkelijk groot aantal soorten van voorwerpen
kunnen onderscheiden. Neemt men alleen de groote verschillen in aanmerking,
die, gelijk hierna blijken zal, ook door vormverschil voor het
taalgevoel herkenbaar blijven, dan kan bedoelde verhouding drieërlei
zijn:
1o. Het onderwerp (actief) verricht eene
handeling, en eene tweede zelfstandigheid (passief)
ondergaat die, zoodat ze tengevolge daarvan in een gewijzigden
toestand wordt gebracht: Hij jaagt den bedelaar weg.
2o. Het onderwerp (actief) verricht eene
handeling, en eene tweede zelfstandigheid (actief) werkt
daartoe door eene complementaire handeling mede: Hij geeft
den bedelaar eene aalmoes. (De bedelaar ontvangt de
aalmoes.)
Of het onderwerp (actief) verkeert in een toestand en eene
tweede zelfstandigheid (actief) ondervindt dien toestand
(neemt hem waar, heeft er een oordeel over): De hond is den
bedelaar trouw. (De bedelaar ondervindt die trouw.)
3o. Het onderwerp (actief) verricht eene handeling
of ver- | | | | keert in een toestand, en eene tweede zelfstandigheid
(deels actief, deels passief) geeft tot die handeling of
dien toestand aanleiding en ondervindt er dan zelf weer de
gevolgen van: Hij ontfermt zich over den bedelaar. (De
bedelaar wekt ontferming en ondervindt er de gevolgen van.) Hij is
dien lastigen bedelaar moede. (De bedelaar verwekt
tegenzin en ondervindt er de gevolgen van.) Hij erbarmt zich
mijner. (Ik wek zijn erbarmen en ondervind er de
gevolgen van.)
1)
Opmerking. Bij een overzicht als het gegevene is het noodig,
wel te bedenken, dat het bijzondere karakter dezer voorwerpen niet in alle
gevallen zoo duidelijk en zuiver te onderscheiden is als in bovenstaande
voorbeelden en tevens, dat het niet in alle talen op gelijke wijze opgevat
wordt. Het kan voorkomen, dat dit karakter tot onherkenbaar wordens toe
verflauwt en dit geeft dikwijls tot velerlei twijfel aanleiding. Het is bv.
mogelijk, dat een werkwoord in onze taal een ander soort van voorwerp bij zich
krijgt, dan in het Duitsch of het Fransch
2), verder
dat in de oudere taal een werkwoord een ander voorwerp bij zich had dan in de
tegenwoordige; en eindelijk ook, dat een zelfde werkwoord in de eene beteekenis
wèl, en in eene andere geen voorwerp vereischt. Van al deze
verschijnselen zullen in hetgeen volgt de voorbeelden niet ontbreken. Het zal
dan ook blijken, dat het geraden is, om bij de onderscheiding der verschillende
voorwerpen, | | | | behalve op hunne hoofdkenmerken, ook op de bijkenmerken
te letten, terwijl dan nog altijd twijfelachtige gevallen zullen
overblijven.
Dit alles neemt echter niet weg, dat het karakter der drie
voorwerpen, zooals het in bovenstaand overzicht is aangegeven, in den regel
duidelijk is waar te nemen. Het eerste object doet steeds aan eene passieve,
het tweede aan eene actieve zelfstandigheid denken, terwijl het derde deels
actief, deels passief optreedt, ofschoon het laatste karakter vaak overwegend
is. Vandaar dat zoovele genitief-objecten uit de vroegere taal in de
tegenwoordige als accusatiefobjecten voorkomen.
Deze drieërlei functie der voorwerpen wordt tamelijk juist
aangegeven door de termen: lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en
oorzakelijk voorwerp
1). Voor zoover noodig zullen deze namen
bij de beschouwing dezer voorwerpen in bijzonderheden nader worden
besproken.
| |
18.
Omtrent den vorm der voorwerpen moet in het algemeen
opgemerkt worden, dat de drie afhankelijke naamvallen daartoe in de
allereerste plaats in aanmerking komen en dat vervolgens een beperkt aantal
voorzetsels dienst doen, om de betrekking tot het gezegde uit te
drukken. Intusschen, wanneer de betrekking van een voorwerp ook door een
voorzetsel kan weergegeven worden, begint duidelijk het zelfstandig-optredend
en noodzakelijk-aanvullend karakter van het voorwerp af te nemen en wordt het
niet meer zoo gemakkelijk onderscheiden van de niet-noodzakelijke en
meer ondergeschikte bijwoordelijke bepalingen. Vgl. bv.: Ik kocht mijn
dochtertje eene pop en Ik kocht eene pop voor mijn
dochtertje, waar reden is, om in het eerste geval het
dochtertje als bij het koopen tegenwoordig, en in het tweede geval als
niet-tegenwoordig te denken, al zal het de meerderheid der sprekers overkomen,
dat zij zich bij het gebruiken dezer vormen dit onderscheid volstrekt niet
bewust zijn.
Vandaar dan ook, dat in talen met weinig buigingsvormen de
onderscheiding der drie voorwerpen den minsten bijval vindt; dat deze alzoo het
best onderscheiden worden in het Duitsch, en het meeste verzet ontmoeten bij
Fransche en Engelsche taalkundigen, terwijl te onzent het lijdend en
mee- | | | | werkend voorwerp vrij algemeen als afzonderlijke categorieën
erkend worden, en alleen ten aanzien van het oorzakelijke voorwerp met zijne
overwegend praepositionale vormen eene sterke neiging bestaat, om het bij de
gewone bepalingen in te deelen.
Intusschen, al is de vorm der voorwerpen niet volkomen scherp aan te
geven, hij biedt nochtans een niet te versmaden hulpmiddel aan om deze
zinsdeelen te herkennen, en daarom zij te dezen aanzien het volgende in het
algemeen opgemerkt:
Het lijdend voorwerp bestaat uit een zelfstandig woord in den
accusatief en kan in de meeste gevallen in den lijdenden vorm overgebracht
worden.
Het meewerkend voorwerp bestaat uit een zelfstandig woord in
den datief of uit een zelfstandig woord, voorafgegaan door de voorzetsels
aan of voor.
Het oorzakelijk voorwerp bestaat uit een zelfstandig woord,
voorafgegaan door een constant voorzetsel: aan, achter, bij, in, met, naar,
op, om, onder, over, tot, tegen, uit, van en voor, of uit een
zelfstandig woord in den genitief, of in den wisselvorm van dezen, den
accusatief.
Opmerking. Er is niet zoo heel veel bezwaar tegen, de termen
lijdend, meewerkend en oorzakelijk voorwerp af te wisselen met de
termen accusatief, datief- en genitiefobject (vierde naamvals-,
derde naamvals-en tweede naamvalsvoorwerp). Alleen heeft men daarbij te
bedenken, dat het datief- en genitiefobject, zonder wijziging in de beteekenis,
ook den vorm van een praepositionaal object (door sommigen te onzent
middellijk voorwerp geheeten), kan aannemen. Dit levert het gevaar op,
dat men het laatste als een nieuw soort van voorwerp gaat beschouwen, terwijl
het in beteekenis toch niet van het datief- of genitiefobject verschilt. Om dit
gevaar te vermijden, blijven de aan de functie ontleende benamingen de voorkeur
verdienen.
| |
a. Het lijdend voorwerp.
| |
19.
Het lijdend voorwerp in een zin is de naam of de
aanduiding van de zelfstandigheid, welke de handeling van het onderwerp
ondergaat. | | | |
Onder den gebruikelijken term ondergaan zijn twee gevallen te
verstaan:
1o. Het voorwerp bestaat reeds en wordt door het
onderwerp in een gewijzigden toestand gebracht: Hij eet eene
peer. Hij beleedigt uwen broeder.
2o. Het voorwerp bestaat eerst na afloop der handeling en
wordt door het onderwerp voortgebracht: Hij giet kogels. Hij
schrijft een brief. Hij slijpt eene punt aan het
potlood. De koning benoemt eenen burgemeester. De vergadering
kiest eenen president.
Opmerkingen. 1. Deze nadere verklaring van den term
ondergaan behoeft weinig toelichting. Opgemerkt moet worden, dat de
verandering, welke het lijdend voorwerp ondergaat, niet altijd even belangrijk
of even duidelijk is, maar eene wijziging in den toestand is het toch immer
1).
In het tweede geval kan er pas van kogels, van een
brief, van een punt, van een burgemeester enz. sprake
zijn, als het gieten, het schrijven, het slijpen, het
benoemen is afgeloopen.
2. Werkwoorden, die een lijdend voorwerp als aanvulling eischen,
heeten overgankelijke (transitieve) werkwoorden. Alle andere zijn
onovergankelijk (intransitief); dus alle subjectieve ww. en die
objectieve, welke een ander dan een lijdend voorwerp eischen.
3. Voorheen is voor het lijdend voorwerp ook de benaming zakelijk
voorwerp in gebruik geweest. Deze term is in onbruik geraakt,
waarschijnlijk doordat hij slecht verstaan werd en aanleiding gaf tot de
misvatting, dat alleen namen van zaken in deze functie konden optreden. Anders
drukte deze benaming, wel verstaan, niet onjuist het karakter van het lijdend
voorwerp uit. Indien men in taalkundigen zin door personen
zelfstandigheden verstaat, die zich van de zaken hierdoor onderscheiden,
dat zij kennen, gevoelen en begeeren, dan mag men zeggen, dat de verhouding van
het onderwerp van een transitief werkwoord tot het lijdend voorwerp steeds die
van een persoon tot eene zaak is. De transitieve werkwoorden toch
zijn juist die werkwoorden, welke echte handelingen uitdrukken, d.w.z.
van willende wezens uitgaande werkingen. En wanneer men die werkwoorden ten
aanzien van zaken bezigt, dan kan dit eigenlijk nooit | | | | geschieden dan
door middel van eene meer of minder duidelijke persoonsverbeelding, b.v.: De
stoom verkort de afstanden. De dorst kwelt mij. De wallen omringen de stad. De
arbeid staalt de spieren. Die band knelt mij. Het wachten verveelt hem.
Het omgekeerde is met de lijdende voorwerpen het geval. Deze worden
door de taal steeds voorgesteld als zaken, als willooze dingen, ook dan
zelfs, wanneer het personen zijn. Dit zuiver passieve karakter van als
lijdend object voorkomende personen komt het best uit, als men de tegenstelling
tracht waar te nemen tusschen zinnen als: Hij beleedigde mij en Hij
voegde mij eene beleediging toe; Hij sloeg den jongen en Hij gaf zijn
broeder een slag; Ik beloonde den brenger en Ik gaf den brenger eene
belooning, enz. In het algemeen wordt dit onderscheid niet gevoeld in het
snelle dagelijksche taalgebruik, zoodat dergelijke zinnen gewoonlijk zonder
verschil in bedoeling voor en door elkaar gebruikt worden. Toch is het voor een
eenigszins ontwikkelden taalzin niet onduidelijk, dat in den eersten zin van
elk paar het voorwerp wordt voorgesteld als geheel zonder eenigen invloed op de
werking, welke het ondergaat. Wij krijgen dan ook den indruk, dat het doel der
werking bereikt wordt en ik mij het beleedigen, de jongen zich
het slaan en de brenger zich het beloonen heeft moeten laten
welgevallen. In de andere zinnen daarentegen maken de voorwerpen niet den
indruk van zoo willoos te zijn en er blijft plaats voor gedachten als deze: dat
de beleediging mij niet getroffen heeft, dat de slag miste of beantwoord werd,
of dat de belooning werd geweigerd.
Uit het voorgaande blijkt alzoo, dat de naam zakelijk
voorwerp, schoon uit rechtmatige vrees voor misverstand niet aan te
bevelen, volkomen dezelfde bedoeling heeft als de naam lijdend
voorwerp.
| |
20.
Als lijdend voorwerp worden de volgende woordsoorten gebruikt:
1o. een zelfstandig naamwoord (in den 4en
nvl.): Haal den dokter!
2o. een zelfst. voornaamwoord (in den 4en
nvl.): Hij ziet mij. Hij roept ons. Neem den
mijnen. Dien riep hij. Wien zoekt gij?
3o. een infinitief: Ik vind
baden gezond. Hij acht zwemmen nog beter. Ik hoor
gillen. Ik zie wuiven. Hij leert
zwemmen. Hij leert mij zwemmen. Hij belooft,
(weigert, wenscht, vergeet) te betalen. Hij beval, (gelastte,
heette) mij te vertrekken. Hij verlangt, (eischt)
binnenge-
| | | |
laten te worden. Hij
verzekert (zweert) te zullen komen. Hij herinnert zich
betaald te hebben, enz.
Opmerking. Om te beslissen, of een infinitief als lijdend
voorwerp moet beschouwd worden, kan soms het hierna te bespreken hulpmiddel der
overbrenging in den lijdenden vorm dienst doen, maar moet meestal de analogie
den doorslag geven. In de bovenstaande voorbeelden o.a. zijn de
gespatiëerde infinitieven als lijdende voorwerpen beschouwd in
overeenstemming met gevallen als: Ik hoor een gil. Ik zie
eene beweging. Hij leert zijne les. Hij leert mij
die kunst. Hij belooft, weigert, wenscht, vergeet dit
of dat, enz. Ook de proef, of de beteekenis van een infinitief
door een voorwerpszin kan weergegeven worden, kan beslissend zijn, als in:
Hij verzekerde mij, dat hij zou komen. Het aantal gezegden, waarbij een
infinitief als lijdend voorwerp kan voorkomen, is vrij beperkt.
Echter moet wel bedacht worden, dat één transitief
werkwoord ook maar één lijdend voorwerp kan hebben, tenzij men
met nevengeschikte veelvoudige voorwerpen te doen heeft, b.v. in: Hij
verkoopt boter, melk en kaas. Maar niet
mogelijk is het, dat een werkwoord èn een zelfstandig woord
èn een infinitief tegelijk als lijdende voorwerpen bij zich
heeft. Alzoo is in zinnen als: Ik hoor uwe zuster gillen, de infinitief
geen lijdend voorwerp meer. De verhouding is hier anders geworden. Uwe
zuster is nu het lijdend voorwerp geworden en gillen (= gillende)
krijgt het karakter van eene bepaling van gesteldheid (of
praedicaatsaccusatief). Dit geval wordt later op zich zelf nauwkeuriger
beschouwd.
| |
21.
De volgende bijzonderheden omtrent de lijdende
voorwerpen verdienen nadere beschouwing:
a. Hoewel het lijdend voorwerp eene noodzakelijke aanvulling
van het gezegde is, komt het nu en dan voor, dat het als voldoende bekend of
als geheel onbelangrijk beschouwd, onvermeld blijft: Wij eten
om 12 uur. Eerst lezen en dan schrijven wij. Men
bouwt hier druk. Ik vergat te groeten. Het is jammer,
dat die werkman drinkt. Om zijne keel rookt hij niet
meer, enz. Zulke enkele uitzonderingen tasten de definitie van het lijdend
voorwerp niet aan. Ook blijft men de gecursiveerde werkwoorden in dergelijke
gevallen als overgankelijk beschouwen.
b. Evenals het onderwerp soms (Vgl. § 12) op geheel
onbepaalde wijze wordt aangeduid door het onbep. vnwd. het, | | | | kan dit ook met het lijdend voorwerp geschieden, b.v.: Hij
schreeuwt, (gilt, schatert, giert, proest) het uit
van pleizier. Hij heeft het bij mij verbruid
(verkorven). Hij heeft het op u voorzien,
(gemunt, begrepen). Hij heeft het warm, (koud,
mis, bij het rechte eind, goed, slecht, gemakkelijk, hard te
verantwoorden). Hij legt het er op aan (toe),
u te benadeelen. Hij heeft het er slecht afgebracht. Hij heeft
het ver gebracht. Hij wint het van mij in vlugheid.
Hij liet het te ver komen. Hij heeft het leelijk
laten liggen. Hij heeft het afgelegd. Hij laat het er
bij. Hij kan het met zijn compagnon niet vinden. Hij zette
het op een loopen. Hij neemt het er van. Hij zag
het sneeuwen, voelde het regenen, enz. Men kan
dit het een loos voorwerp noemen.
1)
c. De wederk. voornaamwoorden in den accusatief bij
intransitief-reflexieve (noodzakelijk wederkeerende) werkwoorden als: Hij
bevindt zich, hij vertoont zich, hij begeeft
zich, hij bevlijtigt zich, hij schaamt
zich, zijn eveneens slechts als looze voorwerpen te
beschouwen. Immers, dergelijke wederkeerende vormen beteekenen niets anders dan
dat het doen of de toestand (ergens zijn, ergens komen, gaan, vlijtig bezig
zijn, beschaamd zijn) geheel tot het onderwerp beperkt blijft. Op dezen
grond is in § 8 sub 2o voorgesteld, deze schijnbare voorwerpen
als integreerende deelen van het gezegde te beschouwen.
Het wederk. voornaamwoord bij passief-reflexieven is ook een loos
voorwerp: De stad breidt zich uit, De gelegenheid biedt
zich aan, Het gerucht heeft zich bevestigd, enz.
2).
d. Onovergankelijke werkwoorden kunnen soms door eene
wijziging in hunne beteekenis een lijdend voorwerp bij zich krijgen en worden
dan alzoo tijdelijk overgankelijk. De volgende gevallen doen zich
daarbij voor:
1o. Het onovergankelijke werkwoord wordt vergezeld van
een zelfstandig of bijvoeglijk naamwoord, waardoor het product | | | | of
het resultaat der werking aangegeven wordt, en krijgt dan de algemeene
beteekenis van maken of bezorgen, b.v.: Hij liep den
drempel plat. Hij praatte zich schor. Hij heeft het
boek stuk gestudeerd. Hij lachte zich een ongeluk. Hij viel
zich een gat in het hoofd. Ook overgankelijke werkwoorden
kunnen eene dergelijke wijziging in hunne beteekenis ondergaan en blijven
natuurlijk overgankelijk, maar zijn het dan op andere wijze: Hij zong zich
heesch. Hij at zich een ongeluk. Hij dronk zich een
roes.
2o. Bij een onpersoonlijk werkwoord staat een lijdend
voorwerp als resultaat van de werking: Het woei een fellen
storm, Het regende groote droppels, en in
analogie daarmede: Het regende aanmerkingen, 't Stroomt
Bilderdijken, 't Sneeuwt en hagelt Vondels,
enz.
3o. Aan enkele onovergankelijke werkwoorden wordt als
l.v. een verbaal substantief toegevoegd, dat dezelfde werking als het werkwoord
uitdrukt en meestal van eenig attribuut voorzien is: Hij sliep den
slaap des rechtvaardigen, Hij stierf den heldendood, Hij
heeft den goeden strijd gestreden, het bittere leed
geleden, lieflijke droomen gedroomd, enz.
1). Deze zinswendingen zijn
eene soort van stijlfiguur. De werkwoorden slapen, sterven, strijden,
lijden, droomen, enz. zijn hier overgankelijk geworden, doordat zij de
beteekenis overnemen van de in dezelfde gevallen ook wel gebruikelijke
werkwoorden: smaken, ondergaan, voeren, doorstaan, hebben enz.
e. Uit de vroegere taal blijkt, dat overgankelijke
werkwoorden onovergankelijk zijn geworden en omgekeerd
2). Zoo is het | | | | te verklaren, dat er onder de overgankelijke werkwoorden gevonden
worden, als: vergeten, volgen, navolgen, opvolgen, ontmoeten, die in
sommige gevallen nog met zijn vervoegd worden, wat in strijd is met den
regel, dat werkwoorden, welke handelingen beteekenen - en dat doen de
overgankelijke ww. alle - met hebben worden vervoegd.
f. Wanneer een gezegde uit een persoonsvorm, gevolgd door een
infinitief, bestaat, kan het noodig zijn wel te onderscheiden
1), of het lijdend
voorwerp bij den persoonsvorm of bij den infinitief behoort, dan of ze soms
beide van een l.v. vergezeld zijn. Drie gevallen zijn hier op te merken:
1o. Het lijdend voorwerp is afhankelijk van den
persoonsvorm: Ik hoor de klok slaan. Ik zag de
muis loopen. Ik vond het boek liggen. Ik voel de
koorts opkomen. Hij heeft twee paarden op stal staan.
Ik liet (fr. faire) den zieke drinken. Ik liet
(fr. laisser) den jongen begaan. Gij doet
mij lachen. De orkaan deed het gebouw schudden. Ik
hielp hem duwen, enz.
2o. Het lijdend voorwerp is afhankelijk van den
infinitief: Ik kan, mag, moet, wil, durf.... enz. de
poging wagen. Ik hoor een roffel slaan. Ik zag de
vlag ophijschen. Ik liet het kind vaccineeren. Ik hielp
den man uitkleeden. Hij liet alarm blazen.
3o. Het eene voorwerp (het gespatiëerde) is
afhankelijk van den persoonsvorm en het andere (het in klein kapitaal gedrukte)
van den infinitief: Ik hoorde den zieke een diepen
zucht slaken. Ik zag den man eene verdachte
beweging maken. Ik liet den knaap eene thema
opzeggen. Ik liet den knaap zijn zin volgen. Ik
deed hem zijn ongelijk inzien. Ik hielp den
jongen het vraagstuk oplossen.
Opmerking. Bij het waarnemen van deze drie gevallen moet ook
het volgende opgemerkt worden:
1o dat in de zinnen onder ƒ. 1o. en
3o. de infinitief het karakter | | | | van een tegenwoordig
deelwoord heeft en tot de bepalingen van gesteldheid gerekend moet
worden: Ik hoor de klok slaande. Ik zag den man eene verdachte beweging
makende; Vgl. Eng.: I heard him singing.
2o. dat doen en laten in dit geval de
beteekenis hebben van maken: Gij (maakt) mij lachende. Ik
(maakte) den knaap eene thema opzeggende
1) Vgl. Hd.: Er macht mich
lachen.
3o. dat in de zinnen onder ƒ. 2o. in het
geval, dat de persoonsvorm overgankelijk is, de infinitief als het lijdend
voorwerp van den persoonsvorm te beschouwen is, welke infinitief dan zelf weder
een l.v. bij zich heeft. Slaan is dus het l.v. van hoor en een
roffel l.v. van slaan.
4o. dat zulke constructies aanleiding kunnen geven tot
dubbelzinnigheid, gelijk blijkt uit zinnen als: In dien slag zagen wij de
Franschen overwinnen. Ik hielp hem dragen. De knaap zag zijn vader doopen. Hij
liet zijn broer allerlei grofheden zeggen. In het laatste geval zijn zelfs
drie opvattingen mogelijk, daar laten als maken en als
toelaten kan opgevat worden, terwijl zijn broer zoowel datief als
accusatief kan zijn.
| |
22.
Een belangrijk hulpmiddel om te onderscheiden, of een naamwoord
tegenover een werkwoord in de functie van lijdend voorwerp voorkomt, is het
onderzoek, of dit naamwoord als onderwerp van den lijdenden vorm van dat
werkwoord kan gebruikt worden
2).
Het hulpmiddel is echter niet beslissend, daar er gevallen
overblijven, waarin lijdende voorwerpen, die overigens volkomen aan de
definitie van deze soort van zinsdeelen beantwoorden, niet tot
lijdende onderwerpen kunnen gemaakt worden.
Dit is het geval met:
1o. de lijdende voorwerpen van het werkwoord
hebben en zijne synoniemen: bezitten, bevatten, behelzen,
inhouden. | | | |
2o. de lijdende voorwerpen (vgl. § 21c) bij
noodzakelijk of toevallig wederkeerende werkwoorden, waarvan het wederk.
voornwd. in den accusatief staat: zich schamen, zich vergissen; zich
wasschen, zich kleeden, enz.; en tevens de lijdende voorwerpen bij
wederkeerende ww. met het wederk. vnwd. in den datief: zich
(iets) inbeelden of verbeelden, zich
(een tooneel) voorstellen, zich (een
recht) aanmatigen, zich (eene beurs)
toeéigenen.
3o. de lijdende voorwerpen bij tijdelijk overgankelijke
werkwoorden (zie § 21d 1o, 2o en
3o).
4o. de looze voorwerpen in § 21b.
Opmerkingen. 1. Opgemerkt verdient ook te worden, dat het
overbrengen van een zin uit den bedrijvenden in den lijdenden vorm evenmin
mogelijk is, indien (zie § 21, ƒ 1o. 2o. en
3o.) de persoonsvorm van een infinitief vergezeld wordt
1).
2. Bij het overbrengen van een zin in den lijdenden vorm doet zich
de vraag voor, of, terwijl het lijdend voorwerp dan onderwerp wordt, het
gewezen onderwerp in zijn nieuwen vorm (accusatief, voorafgegaan door het
voorz. door, voormaals ook door van en bij) niet onder de
voorwerpen moet gerekend worden.
Om deze vraag te beantwoorden, zij opgemerkt, dat de lijdende vorm
eigenlijk niets anders is dan een middel om het psychologische onderwerp van
een zin ook tot grammatisch onderwerp te maken. Die brief is niet door mij
geschreven is alzoo eigenlijk niet de omzetting van Ik heb dien brief
niet geschreven, maar van Dien brief heb ik niet geschreven. De
lijdende vorm komt dan ook alleen te pas, wanneer het object meer op den
voorgrond treedt dan het subject
2). Ja,
in den regel wordt het dan overbodig geacht de oorzaak der werking te
vermelden, weshalve in zinnen als: Ons varken wordt vandaag geslacht. De
dronkaard werd naar het politiebureau gevoerd, volstrekt niet de behoefte
aan eene aanvulling gevoeld wordt. Daarom is het rationeel, het gedegradeerde
onderwerp tot de bijwoordelijke bepalingen van oorzaak te rekenen. Overigens
zou het, indien het als | | | | een voorwerp beschouwd werd, nauw verwant
zijn aan het actieve datiefobject
1).
3. In verband met de vorige opmerking moet het een misbruik geacht
worden, dat bij het onderwijs ondoordacht allerlei zinnen aan de leerlingen
voorgelegd worden, om die van den bedrijvenden in den lijdenden vorm, en
omgekeerd, over te brengen. Het is eene oefening, waarvan het nut op andere
wijze evengoed kan verkregen worden, en die het nadeel heeft, dat het
taalgevoel voor het verschil tusschen den bedrijvenden en den lijdenden vorm
verstompt wordt.
4. Vermeld moeten ten slotte nog worden de zoogenaamde onechte
lijdende zinnen als: Er wordt gebabbeld. Hier wordt veel gewandeld,
enz., die waarschijnlijk ontstaan zijn in navolging van lijdende zinnen als:
Er wordt hier druk gebouwd, Hier wordt voor den trein gewaarschuwd, enz.
Gelijk de laatste zinnen aequivalent zijn met: Men bouwt hier druk. Men
waarschuwt hier voor den trein, moeten de eerste als omzettingen van:
Men babbelt en Hier wandelt men veel, beschouwd worden. Daarbij
werd uit het oog verloren, dat de laatste werkwoorden onovergankelijk zijn en
de lijdende vorm alzoo striktgenomen ongerechtvaardigd is. Men zou in deze
gevallen van onpersoonlijke lijdende vormen kunnen spreken, waarin het
onderwerp, als overbodig of onbelangrijk, onvermeld blijft.
Intusschen komen dergelijke gevallen in beperkt aantal voor en
slechts ten aanzien van onovergankelijke werkwoorden, die eene
handeling, niet bij die, welke een zijn of komen in een
toestand beteekenen. Er wordt geslapen, gerust, gedroomd of Er
wordt gestorven, gevallen, vertrokken, enz. wordt nimmer gehoord.
Een eigenaardig voorbeeld, hoe gevoelig de taal in zulke opzichten
is, levert de zin: Er wordt gewaakt. Deze toch is niet bestaanbaar, als
waken een verkeeren in een toestand, wakker zijn, beteekent, maar
wel als waken den zin heeft van voor iets of iemand
zorgen, dus van eene handeling: Er wordt bij den zieke gewaakt. Er wordt
voor gewaakt, dat de kinderen zich niet bezeeren kunnen.
2)
| |
23.
De lijdende voorwerpen vormen geen scherpafgebakende klasse. In de
eerste plaats doen zich gevallen voor, waarin zij bezwaarlijk van de beide
andere soorten van voorwerpen te onderscheiden zijn, eensdeels omdat er in onze
taal zoo weinig vormverschil tusschen datief en accusatief bestaat,
anderdeels | | | | omdat het oorzakelijk object evenzeer als het lijdend
voorwerp in den accusatief kan voorkomen. Voorbeelden hiervan zullen voorkomen
bij de behandeling der beide andere voorwerpen.
In de tweede plaats nadert de rubriek der lijdende voorwerpen zeer
dicht die der bijwoordelijke accusatiefbepalingen van plaats
1). Vandaar
dat er hier overgangen en gevallen van twijfel voorkomen. In: den
berg opgaan, den heuvel afdalen, de rivier
overzwemmen, het huis voorbijgaan, de gang
doorloopen, een schip nastaren en dergelijke uitdrukkingen
zijn de zelfst. naamwoorden geen voorwerpen, maar bijwoordelijke bepalingen in
den 4en nvl., en de werkwoorden zijn onovergankelijk. Maar sommige werkwoorden
uit deze categorie zijn voor en na in de klasse der transitiva overgegaan,
blijkens de gangbaarheid van uitdrukkingen als de volgende: Bij die
prijsuitdeeling werd mijn broer voorbijgegaan (overgeslagen.) De dief
werd door de politie nagezeten (vervolgd). Het huiswerk wordt
nagekeken (gecorrigeerd). Het is duidelijk, dat de gelijkbeteekenende
transitieve werkwoorden, die in zulke gevallen ook gebruikt zouden kunnen
worden, dergelijke overgangen bespoedigd hebben. Op dezelfde wijze zijn in:
Dat kost (veroorzaakt) moeite, Die aanmerking geldt (treft,
bedoelt) den steller van het rapport, de werkwoorden kosten en
gelden, welke anders eene bijw. bep. van hoeveelheid (prijs) bij
zich hebben, overgankelijk geworden, schoon zij toch niet in den lijdenden vorm
kunnen gebracht worden.
Het komt echter voor, dat werkwoorden, waarbij nog zeer duidelijk
eene plaatsbepaling en geen voorwerp komt, toch in den lijdenden vorm gebracht
worden. In Heeris' Cacographie komen de volgende voorbeelden voor:
Daar werden deuren geopend, daar werden trappen op- en
afgeloopen, daar werd eindelijk aan mijne deur geklopt, ik hield mij zoo
stil als eene muis.
Kneppelhout, I 148. | | | |
Maar eindlijk was de naaste bocht
Des landstrooms afgedreven.
Heel d'oceaan wordt omgezworven.
In alle drie de voorbeelden is ongetwijfeld het gebruik van den
lijdenden vorm ongerechtvaardigd. Toch zou het te doctrinair zijn, in den
eersten zin, in verband met de geheele constructie, zich tegen het onjuiste
passivum te verzetten. In gevallen als het tweede en derde voorbeeld echter is
er alle reden, om het gebruik van den lijdenden vorm te blijven veroordeelen.
Noch in Wij zwerven den oceaan om, noch in Men was de naaste bocht
des landstrooms afgedreven is een lijdend voorwerp te herkennen.
Opmerking. Nochtans blijven bij dit verschijnsel allerlei
meenings-verschillen mogelijk. Dr. Jan te Winkel vindt in Hij was
eenen zij weg ingeslagen geen lijdend voorwerp. Spreekt men
echter niet van voortgaan op den ingeslagen weg en pleit
dit gebruik van het deelwoord er niet voor om aan te nemen, dat inslaan
in deze beteekenis transitief is geworden? Van Helten (Werkw. § 2,
aanm. 2) neemt bij naschreeuwen een datief aan. Komt echter De
vreemdelingen werden nageschreeuwd (= uitgejouwd) niet vaak voor en
rechtvaardigt dit niet de neiging, om naschreeuwen tot de transitiva te
brengen?
Zoo brengt verder Terwey (§ 148 en 211) naderen beslist
tot de overg. ww., ofschoon het gegeven voorbeeld: De stad werd van de
zuidzijde genaderd slechts bij eene zeer bijzondere beteekenis mogelijk is
1).
Practische bezwaren van beteekenis vloeien uit dezen twijfel niet
voort: in den regel staat de accusatief vast, en verder beslisse het taalgevoel
of het woordenboek. Hoofdzaak is, dat het beschouwen van enkele dezer
twijfelachtige gevallen het besef verlevendige, hoe licht bijw. bepalingen van
plaats in de rubriek der lijdende voorwerpen dringen.
| | | | | |
b. Het meewerkend voorwerp.
| |
24.
Het meewerkend voorwerp is de naam of de aanduiding van
de zelfstandigheid, die in het algemeen op actieve wijze betrokken is in de
werking of den toestand, die het gezegde van het onderwerp vermeldt.
De activiteit van het meewerkend voorwerp is van verschillenden
aard. De volgende gevallen kunnen onderscheiden worden:
a. Het meew. voorwerp verricht eene handeling, welke
noodzakelijk is, om de handeling van het onderwerp mogelijk te maken: Ik
weigerde den man het boek. (De man vroeg het). Ik
toonde hem zijne fouten. (Hij keek er
naar). De generaal belette den vijand den terugtocht. (De
vijand beproefde dien). De agent ontrukte den matroos
zijn mes. (Deze hield het vast). De soldaat gehoorzaamt
den officier. (Deze beveelt). Het stuk beviel
het publiek. (Het publiek vond er behagen
in).
b. Het meewerkend voorwerp ondervindt den toestand,
van het onderwerp vermeld: De zaak was hem duister. (Hij
vond de zaak duister). De gezant was de koningin
vijandig (De koningin ondervond die vijandschap). Soms is het meew.
voorw. er beoordeelend in betrokken: Die jas is mij te
lang. Die prijs is hem hoog genoeg. Die jongen schrijft
mij te slordig, enz.
1)
c. Het meewerkend voorwerp is de bezitter van eene in
den zin genoemde zelfstandigheid: De tranen stonden den knaap
in de oogen (in de oogen des knaaps). De haren rezen
hem te berge (zijne haren). Dit stuit
mij tegen de borst (mijn borst).
d. Het meewerkend voorwerp wordt als belangstellend in
de werking of den toestand voorgesteld: Daar was me de meid aan
het opruimen geweest. Dat was je daar eene drukte.
Opmerking. Bovenstaande analyse van het karakter van dit
tweede voorwerp moet, meer nog dan de naam of de korte definiëering,
dienen om te doen uitkomen, in welk opzicht het van het lijdend | | | | voorwerp verschilt. Terwijl dit laatste tegenover het onderwerp staat
als eene zaak tegenover een persoon, als eene willooze tegenover
eene willende zelfstandigheid, bestaat er tusschen het onderwerp en het
datiefobject eene soort van grammaticale rechtsgelijkheid. Het laatste immers
treedt in onze voorstelling eveneens als een persoon op; het handelt,
d.i. verricht gewilde werkingen, het ondervindt, oordeelt en waardeert, het
beseft voor- en nadeel, het treedt op als bezitter, het gevoelt belangstelling,
enz.
Deze opvatting van het karakter van het datief-object wordt hierdoor
gestaafd, dat bij de werkwoorden, die zoogenaamd een datief regeeren, het
datief-object op algemeene wijze steeds door het onbepaalde voornwd.
iemand wordt aangeduid. Het is steeds: iemand iets aanraden,
afraden, aanbevelen, afstaan, afnemen, antwoorden, beletten, besparen, bevelen,
bewijzen, bezorgen, brengen, bieden, geven, gunnen, gelasten, inboezemen,
leveren, mededeelen, onthouden, ontnemen, opdragen, schenken, schrijven,
smeeken, toedienen, toereiken, toonen, uitreiken, vergoeden, verwijten, wijzen,
zweren, enz. Of als er geen lijdend, maar uitsluitend een meewerkend
voorwerp te pas komt, dan is er in den regel sprake van, dat een persoon of
eene zaak iemand bevalt, behaagt of mishaagt, mee- of
tegenvalt, gebeurt, overkomt of ontgaat, gelukt of mislukt,
past, voegt of betaamt, ontbreekt, faalt of mangelt, licht of
moeilijk is, valt of wordt, enz. Slechts door eene
persoonsverbeelding kan dan ook eene enkele maal een zaaknaam als
datief-object voorkomen: een boek eene andere plaats geven, aan
een voorstel zijne goedkeuring onthouden, een gevaar
ontkomen of ontsnappen, moeilijkheden het hoofd bieden,
enz., in welk geval gewoonlijk aan de omschrijving met het voorzetsel
aan de voorkeur gegeven wordt. En zoo was de voormalige benaming
persoonlijk voorwerp, welverstaan, niet ongeschikt voor dit
datief-object.
Bij de behandeling der bijzinnen (II, § 53) zal het
persoonlijk, actief karakter van dit voorwerp nog bevestigd worden door het
feit, dat nooit afhankelijke mededeelingen met het voegwoord
dat, of afhankelijke vragen met of of met een vraagwoord, als
meew.- voorwerpszin kunnen voorkomen, maar alleen bijzinnen met de
betr. vnwdn. die of wie aanvangende: Wie mij zoo bedriegt,
moet ik mijn vertrouwen ontzeggen. Die het onderste uit de kan wil hebben, dien
valt het lid op den neus. Zulke bijzinnen wijzen altijd personen aan.
| |
25.
Het algemeene karakter van het tweede voorwerp wordt in herinnering
gehouden door den naam meewerkend voorwerp, een naam, die ook in
overeenstemming is met de benaming zelfhandelend voorwerp in het
Wdb.
1) of
zelfwer-
| | | |
kend voorwerp, gelijk L.A. te Winkel het noemde
(Nieuw Ned. Taalmagazijn II 259). Deze naam drukt het duidelijkst de
doorgaande beteekenis van dit voorwerp uit. De benaming persoonlijk
voorwerp is bedenkelijk, om dezelfde reden als bij het bespreken van den
term zakelijk voorwerp aangegeven is. (Vgl. § 19, opm. 2). De
benaming belanghebbend voorwerp is o.i. te verwerpen, omdat zij een
kenmerk noemt, dat aan alle voorwerpen, ook aan de lijdende en
oorzakelijke, eigen is, b.v.: Ik beloon hem. Ik ontferm
mij over hem, en dat niet de in het oog vallende tegenstelling
met het lijdend voorwerp uitdrukt.
Opmerking. Het inzicht, dat benaming en definitie van het
tweede object het algemeen karakter er van vrij juist uitdrukken, kan door de
leerlingen eerst verkregen worden, wanneer ze een tal van deze voorwerpen
waargenomen hebben.
Aanvankelijk toch zullen zij dit karakter in alle gevallen even
zuiver willen herkennen en bezwaren ontleenen aan voorbeelden, waarin de
actieve beteekenis van het meewerkend voorwerp zeer verbleekt is. Maar
langzamerhand zullen zij gaan begrijpen, dat de algemeene beteekenis van het
voorwerp daardoor niet weggecijferd wordt, en het zal hun dan tevens klaar
worden, hoe door wijziging in de voorstelling of door achteloosheid voormalige
datief-objecten accusatief-objecten konden worden. Ook wordt dan, wanneer zij
het Duitsch gaan beoefenen, het raadsel voor hen opgelost, waarom werkwoorden,
welke in onze taal een lijdend voorwerp hebben, bij onze naburen, wier taalzin
zooveel gevoeliger dan de onze voor de kracht van den datief is, van een
meewerkend voorwerp vergezeld zijn. En menige andere afwijking in de
zoogenaamde regeering der werkwoorden in nieuwe en oudere talen, vergeleken met
de onze, kan hun langs dezen weg duidelijk worden. Bepaalt men zich echter tot
eene zuiver empirische opsomming van werkwoorden, die dezen, en andere
werkwoorden, die genen naamval regeeren, dan wordt de kennis daarvan een
samenstel van willekeurige voorschriften, die alleen door een geesteloos en
afmattend opdreunen het eigendom des leerlings worden kunnen.
| |
26.
Bij het waarnemen van de in § 24 onder a-d bedoelde
gevallen is nog het volgende op te merken.
a. Het is eene nuttige oefening, om bij werkwoorden, die van
een meewerkend voorwerp vergezeld worden, de complementaire werking, welke van
dat voorwerp verondersteld wordt, | | | | te laten opgeven. Het uittreksel
uit het Wdb. in het Aanhangsel levert daarvan reeds verscheidene
voorbeelden. Hier volgen nog enkele andere. Men kan iemand alleen iets
beletten, als hij het een of ander beproeft. Weigeren gaat steeds
gepaard met eens anders vragen, gehoorzamen met een bevelen;
ontsnappen, ontloopen en dergelijke, met een bewaken, vasthouden,
tegenhouden, enz. Aanraden, bevelen, verslag doen, mededeelen, opdragen,
schrijven, smeeken, toeroepen, verwijten, verzoeken, voorschrijven, zweren,
enz. veronderstellen alle een hoorenden of lezenden persoon;
toonen, laten zien, voorhouden, wijzen en verdere synoniemen een
waarnemend individu. Slag leveren kan alleen geschieden tegenover
een vijand, die den strijd aanvaardt, het hoofd bieden alleen tegenover
een aanvallenden vijand. Hulde bewijzen en lof toezwaaien
zijn afhankelijk van het voorhanden zijn van een wezen, dat die hulde en dien
lof in ontvangst neemt, enz. Het Woordenboek wijst er voorts nog
op, hoe de handeling van het meewerkend voorwerp nu eens op die van het
onderwerp volgt, dan weer er aan voorafgaat, of ook wel gelijktijdig plaats
heeft. Zoo volgt het ontvangen op het geven, maar gaat het
bevelen aan het gehoorzamen vooraf en valt het gelijken
van een persoon op een ander samen met het omgekeerde.
b. Hier valt op te merken, dat de activiteit van het
meewerkend voorwerp al eenigszins zwakker wordt. Zij bestaat alleen in het
ervaren van een toestand (of eigenschap), in het ondervinden van het
trouw, nuttig, heilzaam, duister, duidelijk, welkom enz. zijn van
de eene of andere zelfstandigheid. Soms komt het voor, dat het meewerkend
voorwerp, (vgl. de laatste voorbeelden onder § 24b) alleen
oordeelend en waardeerend optreedt. Maar èn het een
èn het ander zijn toch als uitingen van eene persoonlijkheid en dus als
activiteit te beschouwen. Intusschen merke men op, hoe het noodzakelijk
karakter van deze soort van meewerkende voorwerpen begint af te nemen. In
verscheidene voorbeelden kan het veilig wegblijven, zonder eene incompleetheid
te veroorzaken, en daardoor beginnen deze voorwerpen tot eene nauwverwante
groep van bijwoordelijke | | | | bepalingen te naderen, waarop straks de
aandacht zal gevestigd worden.
c. In deze derde groep wordt de activiteit van het meewerkend
voorwerp nog zwakker. Het treedt hier alleen als bezitter op en in deze
gevallen zou de naam bezittend voorwerp bij afwisseling dienst kunnen
doen. Opgemerkt worde, hoe dit voorwerp vervangen kan worden door eene
bijvoeglijke bepaling, bestaande uit een possessieven genitief of een bez.
voornwd.; bv.: De tranen stonden in de oogen des knaaps. Zijne
haren rezen te berge. Maar tevens worde waargenomen, hoe de taal bij
voorkeur van dit bezittend voorwerp gebruik maakt in figuurlijke uitdrukkingen,
en de omschrijvingen door genitief of bez. voornwd. voor de letterlijk bedoelde
uitdrukkingen schijnt te verkiezen, b.v.:
| Hij hield mij de hand boven het
hoofd. | Hij hield de paraplu boven mijn
hoofd. |
| Hij tikte mij op de
vingers. | De dokter tikte op mijne
borstkas. |
| Dit stuit mij tegen de
borst. | De lomperd stootte tegen mijn
arm. |
| Men heeft mij leelijk in den nek
gezien (d.i. afgezet). | De dokter heeft in mijn keel
gekeken. |
| Een blos van schaamte verfde haar
de wangen. | De actrice verft hare
wangen. |
| Hij drukte mij de
hand. | Ik knelde mijne hand. |
Eindelijk is nog op te merken, hoe sommige dezer uitdrukkingen met
een possessieven datief zoo één in beteekenis kunnen worden met
een transitief werkwoord, dat men er toe komt ze in den lijdenden vorm te
gebruiken. Zoo zegt men: Ik werd op de vingers getikt, Ik werd schandelijk
in den nek gezien onder den invloed van: Ik werd berispt. Ik werd
afgezet of beetgenomen.
d. In dit vierde en laatste geval daalt de activiteit van het
meewerkend voorwerp af tot een eenvoudig belangstellen. Het is hier de spreker,
die zijne belangstelling of zijn belang uitdrukt in de vermelde werking of den
toestand of die hetzelfde affekt | | | | bij zijn toehoorder veronderstelt.
Vandaar dat alleen me en je
1) als zoodanig voorkomen. Deze twee voornwdn. hebben bijna
het karakter van vertrouwelijke stopwoordjes gekregen. De klassieke naam is
dativus ethicus (gevoelsdatief). Een geschikt aequivalent daarvoor is
belangstellend voorwerp.
2)
| |
27.
Naar den vorm kan het meewerkend voorwerp zijn:
1o. een zelfstandig naamwoord of
voornwd. in den 3en nvl.: Hij geeft den bedelaar
(hem) eene aalmoes.
2o. een zelfst. nwd. of
voornwd., voorafgegaan door het voorzetsel aan of voor:
Ik gaf het boek niet aan uw broer, maar aan uwe
zuster. Dat dient om aan zijne woorden kracht bij te
zetten. Dat verlies is aan zijne slordigheid te wijten. De taak
werd opgedragen aan het lid, dat den maatregel had voorgesteld.
Dat zal voor hem eene goede les zijn. De regeling was voor
de gemeente niet voordeelig.
Opmerkingen. 1. Dat het meewerkend voorwerp steeds een
persoon is of als een persoon gedacht wordt, wordt hier nogmaals
gestaafd door het verschijnsel, dat geen infinitieven in deze functie kunnen
voorkomen, wat wel mogelijk was (vgl. § 20, 2o.) in de functie
van lijdend voorwerp en wat straks (vgl. § 31, 4o.) ook bij het
oorzakelijk voorwerp mogelijk zal blijken. Slechts ééne
uitzondering is ons bekend, nl. bij het werkwoord de voorkeur geven:
Hij geeft zwemmen de voorkeur of Hij geeft de voorkeur aan
zwemmen.
Het verschijnsel is daardoor te verklaren, dat werkingen steeds als
zaken gedacht worden, die slechts bij eene zeer zeldzame uitzondering
als de bovenstaande voor personificatie vatbaar zijn.
2. Het onderscheiden van het meewerkend voorwerp (de
datief-betrekking) wordt in onze taal bemoeilijkt, doordat van de meeste
veranderlijke woorden de datiefvorm aan den accusatiefvorm is gelijk geworden,
of ook wel omgekeerd. Alleen bij de keus tusschen hun en hen bij
de persoonlijke voornwdn., tusschen wie(n) en
die(n) bij de betrekkelijke voornwdn., en tusschen de vormen met
n en zonder n bij lidwoorden en verdere bijvoeglijke woorden
vóór een meervouds- | | | | datief, is het voor een nauwkeurig
schrijver noodzakelijk, zich van de betrekking rekenschap te geven. Indien het
dan ook niet noodig ware met het oog op de voor een klein volk onmisbare
beoefening van vreemde talen, den datief te blijven onderscheiden, zou er
inderdaad reden zijn om in onze taal alle vormverschil tusschen datief en
accusatief bij het schrijven even ongehinderd te laten uitsterven, als dit
reeds in de spreektaal is geschied.
3. De mogelijkheid, om een datief met aan of voor te
omschrijven, is een uiterlijk hulpmiddel, dat vooral bij zeer elementair
taalonderwijs eenigen dienst bewijzen kan.
Opgemerkt moet echter worden (vgl. Wdb. I kol. 48), dat het
voorzetsel aan niet geschikt is, om alle datieven te helpen omschrijven.
Noch de datief van het bezittende, noch die van het
belangstellende en oordeelende voorwerp is voor deze omschrijving
vatbaar.
De omschrijving met voor ontmoet men bij enkele
naamwoordelijke gezegden: Dat is voor hem heel nuttig,
schadelijk, eene uitkomst, een tegenvaller. Ook bij een aantal
werkwoordelijke gezegden komt deze omschrijving voor: Koop voor
mij een sleutelring. Pak die boeken voor mij in. Het
Woordenboek merkt hierbij op, dat indien voor ter omschrijving
gebezigd wordt, de werking van het datiefobject, - d.i. in bovenstaande
voorbeelden het ondervinden van het nut of het voordeel, het in ontvangst nemen
van den sleutelring of de boeken - niet onmiddellijk volgt, maar verondersteld
wordt eerst later te zullen plaats hebben.
Het Woordenboek geeft ook nog op, dat de omschrijving met
aan, behalve ter wille van den rhythmus, om de volgende redenen
geschiedt:
a. om het meew. obj., vooral in tegenstellingen, krachtiger
te doen uitkomen: Wijt dit niet aan mij, maar aan u
zelven.
b. om het meew. obj. ter wille van de eene of andere
stijlbehoefte achteraan te kunnen plaatsen
1): Men beloofde honderd gulden aan dengene, die
enz.
c. om zaken als meew. obj. te kunnen gebruiken, ‘die
het nuchter verstand zich ongaarne als handelende personen voorstelt’:
Eene stelling, die eere doet aan het vernuft.... Om de noodige
ronding te geven aan het geheel.
4. Intusschen mag niet uit het oog verloren worden, dat vooral de
omschrijving met voor niet altijd geheel in beteekenis overeenkomt met
den datief. Koop mij dat boek en Koop dat boek
voor mij beteekenen niet hetzelfde, evenmin als Dat boek is
hem zeer nuttig en | | | |
Dat boek is zeer nuttig
voor hem, Dat is hem onaangenaam en Dat is
onaangenaam voor hem. Dit op te merken is zeer gewenscht, om
straks den overgang der meewerkende voorwerpen tot eene klasse van
bijwoordelijke bepalingen in te zien.
Ten slotte moet nog opgemerkt worden, dat eene voorzetselbepaling
met aan of voor alleen dan als meewerkend voorwerp kan beschouwd
worden, wanneer ze omgekeerd ook door een datief is weer te geven. Alzoo komen
bv. in Ik denk aan mijne verplichtingen en Hij zal voor zijn collega
preeken geen meewerkende voorwerpen voor.
| |
28.
De volgende bijzonderheden omtrent de meewerkende
voorwerpen verdienen de aandacht.
a. Er zijn eenige werkwoorden als benijden, betalen,
vragen, verzoeken, leeren en onderwijzen, die in den regel van een
persoonsnaam als meewerkend en een zaaknaam als lijdend voorwerp vergezeld
zijn: Ik benijd uwen broeder die mooie betrekking. Ik betaal hem de
rekening. Hij vroeg of verzocht mij een dienst. Ik leer of onderwijs hem de
Fransche taal, enz., maar die ook kunnen voorkomen met den persoon als
lijdend voorwerp en de zaak als bijwoordelijke bepaling. Steeds is dan eene
wijziging in de beteekenis der werkwoorden op te merken. Bv.: Ik benijd
uwen broer (4e nv.) om die mooie betrekking. Benijden
is hier synoniem met gelukkig achten. De betrekking is daarvan de reden:
1)
Hij betaalt zijne werklieden (4e nv.) royaal.
Ik betaal hem (4e nv.) en verlang dus diensten van hem.
In deze beide zinnen is betalen = bezoldigen. Maar ook in een zin als:
Die patroon betaalt zijne werklieden (4e nv.) liever 's Maandags dan
's Zaterdags, krijgt betalen de transitieve beteekenis van de
werklieden in het bezit stellen van hun loon. Op gelijke wijze kan
voldoen bij het weglaten van het zakelijk object transitief worden ten
aanzien van den persoon: Hij heeft mij eindelijk voldaan.
Zoo ook kan men iemand (4e nv.) vragen (= ondervragen)
over de leer der naamvallen, - iemand (4e nv.) vragen op eene partij,
- het publiek (4e nv.) verzoeken (= uitnoodigen) rechts
| | | |
te houden (oorz. voorw.), - iemand (4e nv.)
onderwijzen (= bekwamen) in het rekenen, enz. Ten gevolge van de
wijziging in de beteekenis dezer werkwoorden, zijn dan ook lijdende vormen
mogelijk als: Mijn broer werd zeer benijd. Wij werden royaal betaald. De
candidaat werd naar de beteekenissen van den genitief gevraagd. De heeren
worden verzocht niet te rooken. Men wordt verzocht rechts te houden. Rooken
en rechts houden zijn in de laatste voorbeelden als oorzakelijke
voorwerpen te beschouwen.
1)
b. Uit de vroegere taal blijkt, dat vele werkwoorden, die
voorheen een datiefobject hadden, thans van een acc.-object vergezeld zijn. Zoo
komen bistaen, dienen, helpen, hinderen, moeten (= ontmoeten),
volgen, enz. in het Mnl. met een meewerkend voorwerp voor, evenals nog
in het Hd. bij beistehen, dienen, helfen, begegnen, folgen, enz. het
geval is. Het is de moeite waard, leerlingen, die Duitsch leeren, te doen
opmerken, hoe deze taal, evenals het Mnl. voorheen, gevoeliger is voor het
onderscheid tusschen datief en accusatief dan onze tegenwoordige, hoe
bijstaan en helpen inderdaad eene actieve persoonlijkheid als
voorwerp onderstellen, die met het een of ander bezig is, hoe een
ontmoeten van weerskanten geschiedt en een volgen niet mogelijk
is zonder iemand, die vooruitgaat, hoe dienen inderdaad meer aan
een persoon, die diensten in ontvangst neemt, dan aan een persoon, die eene
werking ondergaat, doet denken
2), enz.
Dergelijke opmerkingen doen de afwijkingen in de regeering der werkwoorden
althans een weinig minder grillig en willekeurig voorkomen.
c. In welken naamval staat het voorwerp bij onpersoonlijke
werkwoorden als: Mij hongert, mij dorst, mij huivert, mij schrikt, | | | |
het schemert mij voor de oogen, enz.? Ten aanzien van deze vraag
bestaat in de spraakkunsten weinig eenstemmigheid: sommigen houden mij
voor een datief, anderen voor een accusatief. Het is echter eene vraag, die
voor onze taal weinig practisch belang heeft en die niet verdient, dat men er
bij het onderwijs uitvoerige beschouwingen aan wijdt. Alleen het volgende zij
er hier omtrent opgemerkt.
Uit een logisch oogpunt moet het object bij (echte) onpersoonlijke
werkwoorden als een actief object en de vorm er van dus als datief beschouwd
worden. Dit wordt duidelijk, als men, gelijk in § 11, Opm. 1
geschied is, begint met het geval bij werkwoorden waar te nemen, die slechts
tijdelijk onpersoonlijk zijn: Het rookt me hier te veel. Het
tocht mij in dit hoekje. Het jeukt mij hier of
daar, enz. Het object treedt hier waarnemend en ondervindend op, maar in
het laatste geval komt er nog bij, dat het bij die waarneming de oorzaak in
zijn eigen lichaam vindt.
Niet anders is het dan ook in: Mij hongert, enz., waar het de
bedoeling is uit te drukken, dat de spreker honger, dorst, schrik,
schemer, enz. bij zich zelven waarneemt. Het actieve karakter van dit
voorwerp wordt ook hierdoor gestaafd, dat het menigmaal onderwerp wordt of
geworden is, als in: Ik honger, Ik dorst, Ik walg, Ik schrik, enz.
De geschiedenis der taal leert nochtans, dat dergelijke objecten ook
als accusatiefobjecten zijn opgevat, en dat reeds in het oudst bekende
Germaansch, (het Gotisch en het Ohd.,) bij verschillende impersonalia een
accusatief voorkomt, terwijl in het tegenwoordige Hoogduitsch de accusatief
zoowel als de datief aangetroffen worden
1). In ons Mnl. daarentegen schijnt de datief regel te
zijn: Salich zijn die ghene, dien hongert ende dorst nader
gherechticheit. Allen creaturen sal moghen gruwen enz.
2)
Bij het toenemend verwaarloozen van den datief te onzent, | | | | is het niet meer uit te maken, of in het tegenwoordige Nedl. het
voorwerp bij echt onpersoonlijke werkwoorden als datief- of accusatiefobject
beschouwd wordt. In gevallen, waarin eene keus gedaan zou moeten worden, maakt
men gewoonlijk het werkwoord persoonlijk: Zij hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid. Alle omstanders gruwden van zulk eene wreedheid, enz.
1)
Bij hoofdzakelijk practisch taalonderwijs is het voldoende, als de
leerlingen gaan inzien, dat het vermelde verschil in opvatting over den aard
der objecten bij onpers. werkwoorden zeer verklaarbaar is. Het volgende
voorbeeld is daartoe zeer geschikt. In De handen jeukten mij om
den kerel bij zijn kraag te pakken is zeer duidelijk een datief te
herkennen. In Mijne hand jeukt mij voelt men daarentegen
reeds eene wijziging in de beteekenis van het werkwoord. De zin krijgt de
beteekenis van: Mijne hand hindert mij, en vandaar dat het
voorwerp in onze voorstelling het karakter van een lijdend voorwerp aanneemt.
En zoo is het mogelijk, dat in Het jeukt mij hier of daar, het
onpersoonlijk geworden werkwoord de beteekenis van hinderen of
kwellen behoudt en men mij als accusatief blijft
beschouwen. Op dezelfde wijze kan het ook gegaan zijn
2) met de ww. hongeren,
dorsten, huiveren en derg., welke alle eveneens een kwellen
beteekenen, waarvan de aangeduide persoon het lijdend voorwerp is.
| |
29.
Evenmin als de rubriek der lijdende voorwerpen, is die der
meewerkende voorwerpen scherp afgebakend. Terwijl echter, gelijk in § 23
gebleken is, sommige bijw. bepalingen van plaats heel licht in de klasse der
lijdende voorwerpen kunnen dringen, komt bij de meewerkende voorwerpen meest
het omgekeerde verschijnsel voor, nl. dat deze hun karakter verliezen en
overgaan tot de rubriek der bijwoordelijke bepalingen, en wel tot | | | | die onderafdeelingen, welke eene beperking of het doel
der werking vermelden en op de vraag in hoeverre, in welk opzicht of
met welk doel antwoorden.
Hoe dicht beide rubrieken tot elkander naderen, kan blijken uit de
volgende voorbeelden.
| Meewerkend voorwerp. | Bijw.
bepaling van beperking of doel. |
| Die mededinger werd
mij gevaarlijk. | Die methode wordt gevaarlijk
tegenover eene geoefende tegenpartij. |
| Deze
kuur was den borstlijder heilzaam. | Deze lucht is
heel goed voor borstlijders. |
| Die som is
mij te hoog. | Dat is eene som van belang voor
een arm mensch. |
| De omstandigheden waren
mij gunstig. | De wind was gunstig voor een
spoedigen overtocht. |
| Hij kocht mij
dat mooie boek. | Hij kocht dat mooie boek ten behoeve van
de school-bibliotheek. |
| Hij bracht
mij dat offer gaarne. | Hij bracht dat offer gaarne
ter wille van den huiselijken vrede. |
De vergelijking dezer voorbeelden bevestigt wederom, dat de derde
naamval de eigenlijke vorm voor het meewerkende, d.i. als persoon gevoelde
voorwerp is, en dat bij de omschrijving door een voorzetsel het karakter licht
verloren gaat.
1)
| |
c. Het oorzakelijk voorwerp.
| |
30.
Het oorzakelijk voorwerp is in het algemeen de naam of
de aanduiding van eene zelfstandigheid, die als aanleiding moet beschouwd
worden tot de werking of den toestand van het onderwerp. Bv. Hij schaamt
zich mijner (Ik ben aanleiding tot zijne schaamte.) Hij
ontfermt zich over dat gezin. (Dat gezin wekt zijne
ontferming.) Hij is het wachten moe, strijdens
moe. (Het wachten, het strijden maakt hem moe.) | | | |
Hij is
dat gekibbel zat. (Dat gekibbel maakt, dat hij er meer dan
genoeg van heeft.) Hij ergert zich aan uwe
onverschilligheid. (Uwe onverschilligheid wekt zijne ergernis).
Opmerking. Nog meer dan bij het meewerkend voorwerp het geval
was, moet bij de behandeling van het oorzakelijk voorwerp de waarneming van
vele voorbeelden aanvullen, wat aan den naam of de definitie ontbreekt. Daarom
volgen hier allereerst de noodige bijzonderheden omtrent den vorm, vergezeld
van zooveel voorbeelden, dat bij de toelichtingen omtrent
beteekenis en vorm daarheen verwezen kan worden.
| |
31.
Als oorzakelijk voorwerp worden de volgende woordsoorten en vormen
gebruikt:
1o. een zelfstandig naamwoord of
voornwd.. in den 2en nvl., wanneer in hoogeren stijl de volgende
gezegden voorkomen: gedenken, z. erbarmen, z. ontfermen, z. schamen, z.
aantrekken, z. herinneren, gedachtig, indachtig, genadig, waardig zijn, -
welke gezegden alleen door genitieven van voornwdn. vergezeld kunnen worden, -
of: bewust zijn (zijner verantwoordelijkheid), deelachtig zijn
(der genade), kundig zijn (des-), machtig of meester zijn
(der tale), moede of zat zijn (des levens), schuldig zijn
(des doods), en vol zijn (zoeten wijns), waarbij een zelfstandig
naamwoord in den genitief - doch meestal slechts een enkel, - als oorz.
voorwerp kan voorkomen
1).
2o. een zelfstandig naamwoord of
voornwd. in den 4en nvl.: Gedenk den Sabbathdag.
Wees mijne woorden gedachtig of indachtig. Wees mij
genadig. Hij is dat vrouwtje niet waard. Hij is die
taal machtig. Wij waren de stad meester. Hij is die
drukte moe of zat. Het boek is vol vlekken. Hij is
zijn leven niet zeker, en verder bij de gezegden: bijster
zijn, getroost zijn, gewoon zijn en gewaar worden, kwijt zijn of
raken.
3o. Een zelfstandig naamwoord of
voornwd., vooraf- | | | | gegaan door een der voorzetsels:
aan, achter, bij, in, met, naar, om, onder, op, over, tot, tegen, uit,
van en voor.
Opmerking. Daar de rubriek der oorzakelijke voorwerpen tot
zoo velerlei twijfel aanleiding geeft, volgt hier eene wel onvolledige, maar
toch vrij uitvoerige opgave van gezegden, bij welke het constant voorkomen van
een der bovengenoemde voorzetsels een uiterlijk kenteeken is, dat het volgende
zelfst. naamwoord of voornaamwoord als voorwerp, d.i. als de naam of de
aanduiding van een noodzakelijk in de handeling of den toestand betrokken wezen
of ding, beschouwd moet worden. De naamwoordelijke gezegden zijn daarbij
gescheiden van de werkwoordelijke en de synonieme gezegden zooveel doenlijk
bijeengebracht. Op deze wijze levert de lijst een beknopt en toch vrij volledig
overzicht van de belangrijkste figuurlijke beteekenissen der voornaamste
voorzetsels.
| Aan. | vastknoopen | volharden | bezwaar
vinden |
| | verbinden | z.
neerleggen | betrokken
zijn |
| denken | beginnen | betrokken
zijn | teleurgesteld
zijn |
| gelooven | mank
gaan | zweren | verdiept
zijn |
| herinneren | haperen | | doorkneed
zijn |
| twijfelen | lijden | In. | |
| wanhopen | z.
ergeren | | Met. |
| tornen | behoef
e hebben | berusten | |
| z.
geven | gebrek
hebben | volharden | beginnen |
| z.
wijden | z. verzadigen | z.
verdiepen | aanvangen |
| werken | gedachtig
zijn | z.
schikken | voortgaan |
| aandeel
hebben | gewoon
zijn | gelooven | ophouden |
| gewennen | schuldig
zijn | z.
vergissen | eindigen |
| ontwennen | gelegen
zijn
1) | gelijk
hebben | bekronen |
| z.
wagen | | lust
hebben | beloonen |
| z.
vergapen | Achter. | zin
hebben | z. bemoeien |
| z.
verslingeren | | behagen scheppen | z.
bezighouden |
| z.
onderwerpen | komen | z. verblijden | z.
verledigen
3) |
| z.
onttrekken | zijn | z. verlustigen | z.
onledig houden |
| grenzen | | z.
vermeien | z.
inlaten |
| raken | Bij. | groeien
2) | kennis
maken |
| trekken | | aanbevelen | in
aanraking komen |
| (z.)
hechten | aanbevelen | deelen | in
aanraking brengen |
| (z.)
vasthouden | belang hebben | aandeel
hebben | afrekenen |
| z.
vastklemmen | vergelijken | kwaad
zien | breken |
| | | |
| vergelijken | dorsten | | vloeken |
| wedijveren | hongeren | Onder. | verlieven |
| worstelen | smachten | | z.
beroemen |
| kampen | jagen | gebukt
gaan | bogen |
| strijden | streven | lijden | bluffen |
| gelijkstaan | zoeken | | pochen |
| gelijkstellen | vragen | Op. | snoeven |
| lachen | gissen | | stoffen |
| spotten | informeeren | hopen | z.
verheffen |
| den draak
steken | smaken | rekenen | uitloopen |
| medelijden
hebben | rieken | vertrouwen | wachten |
| genade
hebben | aarden | aanspraak
maken | letten |
| dwepen | zweemen | afgaan
2) | acht geven |
| gemeen
hebben | begeerig
zijn | steunen | passen |
| verbinden | verlangend
zijn | z.
verlaten | antwoorden |
| vereenigen | nieuwsgierig
zijn | staat maken | ingaan
4) |
| trouwen | benieuwd
zijn | gronden | drinken |
| z.
vleien | | aandringen | inteekenen |
| z.
vergenoegen | Om. | staan | z.
abonneeren |
| volstaan | | z.
of het
toeleggen | gelijken |
| belasten | denken | voorbereiden | boos
zijn |
| overladen | z.
bekommeren | betrekking hebben | nijdig
zijn |
| begaafd
zijn | geven | zien | gebeten
zijn |
| begaan zijn | z.
bekreunen | slaan | jaloersch
zijn |
| blij
zijn | vragen | mikken | naijverig
zijn |
| ingenomen
zijn | verzoeken | doelen | dol
zijn |
| bevriend
zijn | bidden | azen | gek
zijn |
| in zijn schik
zijn | smeeken | vlassen | gesteld
zijn |
| tevreden
zijn | manen | losgaan | verliefd
zijn |
| verlegen zijn | moeite
doen | het gemunt hebben | verzot
zijn |
| strijdig
zijn | lachen | het oog hebben | tuk
zijn |
| in strijd
zijn | schateren | verdenking
hebben | happig
zijn |
| | huilen | zinnen | fier
zijn |
| Naar. | schreien | zinspelen | trotsch
zijn |
| | treuren | z.
spitsen | prat
zijn |
| haken | blij
zijn | aanmerking maken | ijdel
zijn |
| uitzien | boos
zijn | afgeven | voorbereid
zijn |
| verlangen | verlegen
zijn | knorren | bedacht
zijn |
| hooren | te doen zijn
1) | schelden | gegrond
zijn |
| luisteren | | aangaan
3) | |
| | | |
| | in twijfel
zijn | uitnoodigen | afhangen |
| Over. | verbaasd
zijn | verleiden | z.
bedienen |
| | verwonderd
zijn | noodzaken | gebruiken |
| z.
verbazen | verheugd
zijn | nopen | genieten |
| z.
verwonderen | tevreden
zijn | dwingen | gebruik
maken |
| z. verheugen | voldaan
zijn | dienen | misbruik
maken |
| z. verblijden | het eens
zijn | deugen | partij
trekken |
| z. vroolijk maken | het eens
worden | strekken | voorzien |
| treuren | voogd
zijn | z.
leenen | krioelen |
| z.
bedroeven | meester
zijn | bestemmen | wemelen |
| z.
schamen | koning zijn | behooren | een
afkeer hebben |
| klagen | | z.
verhouden | walgen |
| z.
beklagen | Tegen. | spreken | z.
verpoozen |
| jammeren | | het
woord richten | z. vergewissen |
| berouw
hebben | zijn | overgaan | afstand
doen |
| spijt hebben | z.
verklaren | bereid
zijn | afzien |
| tobben | waarschuwen | geschikt
zijn | afbrengen |
| zeuren | beveiligen | bestemd
zijn | afhelpen |
| zaniken | beschermen | | berooven |
| z.
ergeren | z.
verzetten | Uit. | bevrijden |
| toornen | wrokken | | bevallen |
| z.
ontfermen | strijden | bestaan | z.
kwijten |
| z.
erbarmen | kampen | ontstaan | z.
onthouden |
| waken | opkomen | vervaardigen | ontheffen |
| heerschen | z.
wapenen | redden | redden |
| regeeren | uitvaren | groeien | reinigen |
| zegevieren | worstelen | geboren
worden | scheiden |
| denken | ruilen | | z.
spenen |
| z.
bedenken | wisselen | Van. | verlossen |
| peinzen | opwegen | | vrijspreken |
| oordeelen | zondigen | droomen | zuiveren |
| spreken | barsch
zijn | weten | doordrongen
zijn |
| z. uitlaten | lomp
zijn | hooren | gewis zijn |
| z.
verklaren | onvriendelijk
zijn | spreken | overtuigd
zijn |
| schrijven | bestand
zijn | gewagen | zeker
zijn |
| werken | opgewassen
zijn | melding maken | in het bezit
zijn |
| z.
uitspreken | | verslag doen | meester
zijn |
| z.
verantwoorden | Tot. | rekenschap
geven | op de hoogte zijn |
| z.
verstaan | | vertellen | onkundig
zijn |
| boos
zijn | aanzetten | overtuigen | vol
zijn |
| bedroefd
zijn | aansporen | verdenken | vervuld
zijn |
| verdrietig
zijn | aanvuren | betichten | gediend
zijn |
| ongeduldig
zijn | bewegen | beschuldigen | afkeerig
zijn |
| toornig
zijn | opwekken | houden | wars
zijn |
| in de war
zijn | overhalen | leven | los
zijn |
| | | |
| ontbloot
zijn | boeten | bezwijken | vreezen |
| verstoken
zijn | danken | onderdoen | aanbevelen |
| vrij
zijn | instaan | zwichten | bang
zijn |
| verschoond blijven | in de bres
springen | z. schamen | beducht
zijn |
| | waarschuwen | terugdeinzen | bevreesd
zijn |
| Voor. | gevoelen | z.
verbergen | vervaard
zijn |
| | waken | vluchten | vatbaar
zijn |
| zijn | zorgen | z.
wachten | aansprakelijk zijn |
| z.
verklaren | buigen | z.
hoeden | verantwoordelijk zijn |
4o. een infinitief, voorafgegaan door
te of voorloopig aangeduid door een voornaamwoordelijk bijwoord: Ik
ben gewoon vroeg optestaan. Hebt gij lust te spelen?
Hij heeft bezwaar dat toe te staan. Ik verheug mij
u te zien. Mijne hand begint te vervellen. Het houdt
op te regenen. Hij is nieuwsgierig dat te vernemen.
Ik verzoek u dit te bedenken. Men wordt verzocht rechts te
houden. Hij smacht er naar u te zien. Hij legt het er
op toe u te beleedigen. Ik sta er op zelf te
betalen.
Opmerking. De vele voorbeelden der voorafgaande paragraaf
zullen thans de mogelijkheid openen, om in de veelheid der beteekenissen van
het praepositionaal- of genitief-object de eenheid te ontdekken, waarvan de
naam oorzakelijk voorwerp het symbool is. Dit is op verre na niet zoo
licht, als het waarnemen, dat het lijdend voorwerp steeds eene zaak of
als zaak gedachte persoon is, die eene handeling ondergaat, en ook veel
bezwaarlijker dan het verkrijgen van het inzicht, dat het meewerkend
voorwerp immer een persoon of een als persoon gedachte zaak is, die
handelend, ondervindend, oordeelend, bezittend of belangstellend in eene
werking of toestand is betrokken. Hoofdzakelijk is dit hieraan toe te
schrijven, dat het inzicht in het eigenaardig karakter van den genitief,
tegelijk met het afnemend gebruik van dezen vorm in de West-Europeesche talen,
in het taalbewustzijn is verzwakt, en dat het toenemend gebruik van voorzetsels
1) bij het aangeven van deze
objectieve betrekking de | | | | grens tusschen de oorzakelijke voorwerpen
en de bijwoordelijke bepalingen in vele gevallen heeft doen schuilgaan. Toch
blijft het algemeen karakter van het oorzakelijk voorwerp in de meerderheid der
voorkomende gevallen wel herkenbaar, mits men niet te veel aan de
uitzonderingen en overgangen blijve hangen en de bijzonderheden omtrent de
beteekenis en den vorm van dit zinsdeel aan een niet te klein aantal
voorbeelden waargenomen worden.
| |
32.
Omtrent de beteekenis der oorzakelijke voorwerpen is op
te merken, dat de meerderheid van deze voorwerpen, evenals bij de lijdende
voorwerpen het geval bleek, zaken zijn, en dat, indien personen als
zoodanig voorkomen, deze meestal als zaken gedacht worden. In zooverre bestaat
er overeenkomst tusschen beide soorten van voorwerpen. Het verschil is echter
daarin gelegen, dat het lijdend voorwerp in den regel door de werking van het
onderwerp eene verandering ondergaat en zich daarbij door zuivere passiviteit
kenmerkt, terwijl het oorzakelijk voorwerp ongewijzigd blijft en wel niet,
gelijk het meewerkend voorwerp handelend optreedt, maar zich toch ook niet
zuiver passief gedraagt. Van het oorzakelijk voorwerp gaat een stoot, eene
impulsie, eene actie uit, die eene werking of toestand van het onderwerp bij
wijze van reactie tengevolge heeft. Zoo leeren de vele voorbeelden in §
31, dat de oorzakelijke voorwerpen de aanleiding kunnen vermelden tot werkingen
en toestanden als de volgende: tot denken en tot allerlei
gedachteuitingen, tot twijfel of tot zekerheid, tot
ongerustheid, beduchtheid, vrees, of tot hoop en
vertrouwen, tot voldoening en vreugde, of tot
teleurstelling en leed, tot ingenomenheid, belangstelling,
zorg en toewijding of tot onverschilligheid, afkeer en
onthouding, tot vroolijkheid en spot of tot
meegevoel en ontferming, tot dwang, verzet, strijd en
heerschappij of tot inschikkelijkheid, berusting en
onderwerping, tot verbindingen en tot scheidingen, enz.
enz.
Op te merken is hierbij, dat de verwekte werkingen in den regel niet
van materiëelen aard zijn; voor de overgroote meerderheid zijn het
werkingen of uitingen van het verstand, het gevoel of den wil.
Opmerking. Niet in alle gevallen echter komt de verhouding
tusschen onderwerp en oorzakelijk voorwerp even duidelijk uit. Soms | | | | treedt het veroorzakend of reageerend karakter van het causale object
op den achtergrond, maar geeft het de richting van de verwekte handelingen aan,
zoodat het zeer gemakkelijk is, een transitief werkwoord te vinden, dat de
verhouding tusschen onderwerp en voorwerp nagenoeg op gelijke wijze uitdrukt,
als dit door het intransitieve werkwoord met daaropvolgende praepositie of
genitief geschiedt, b.v. Ik betreur dat geval en Ik heb spijt over
dat geval. Vandaar dat het niet vreemd is, dat een groot aantal voormalige
genitiefobjecten tot de rubriek der accusatiefobjecten zijn overgegaan.
Eveneens begint het oorzakelijk voorwerp in vele gevallen te
gelijken op eene beperking, antwoordende op de vraag in hoever of in
welk opzicht, of ook wel waardoor? De nauwe aanraking tusschen de
oorzakelijke voorwerpen en de bijwoordelijke bepalingen van beperking of van
oorzaak komt bij de behandeling dezer laatste bepalingen het best ter
sprake.
| |
33.
Wat den vorm van het oorzakelijk voorwerp betreft,
heeft de genitief de oudste brieven. In het tegenwoordige Hoogduitsch is het
aantal gevallen, waarin dit object door een genitief kan worden uitgedrukt, nog
zeer aanzienlijk. Evenzoo was dit het geval in het Mnl.; Dr. Stoett heeft in
zijne Syntaxis ± 225 werkwoordelijke en ruim 70 naamwoordelijke
gezegden bijeengebracht, die van een genitiefobject vergezeld konden zijn.
Daarnaast komen echter ook zeer vele gevallen voor, waarin dezelfde
grammaticale functie òf door een accusatief, òf met behulp van
een voorzetsel wordt uitgedrukt.
In het hedendaagsche Nederlandsch is de toestand zoo, dat het
oorzakelijk voorwerp in den regel door een voorzetsel wordt aangewezen. De
genitief (zie de voorb. onder § 31, 1o.) is als zoodanig
geïsoleerd; de enkele overgebleven gevallen zijn als archaïsmen te
beschouwen. Verder zijn er gezegden (Vgl. § 31, 2o.), waarbij
een accusatief zonder voorzetsel als oorz. voorwerp voorkomt, doch ook
het getal daarvan is zeer beperkt. Maar op zeer uitgebreide schaal doen in deze
functie accusatieven met voorzetsels dienst, gelijk de voorbeelden onder
§ 31, 3o. bevestigen.
Aan de historische spraakkunst blijft de vraag overgelaten, welke
invloeden en behoeften het gebied van den genitief hier beperkt en dat van het
voorzetsel uitgebreid hebben. Door eigen | | | | waarneming echter kan men
opmerken, hoe de voorzetsels er in het bijzonder toe geschikt zijn, de
grammaticale betrekking der oorzakelijke voorwerpen tot de gezegden te
veraanschouwelijken.
De vrees ziet iets schrikaanjagends voor zich. Ook de
wakende zorg plaatst zich voor het hulpbehoevende. De
strijdende keert zich tegen zijn vijand. Het standpunt van den
heerscher wordt door over, dat van den trotsche door op
verzinnelijkt, en terwijl alle streven zich richt naar een
begeerd voorwerp, dienen aan en met om verbindingen, van
en uit om scheídingen in beeld te brengen. Het nagaan van
dergelijke gevallen leidt tot het besluit, dat de geheele rubriek der
oorzakelijke voorwerpen eigenlijk eene verzameling van overdrachtelijke
plaatsbepalingen uitmaakt, waarbij nochtans elk denkbeeld van ruimteverhouding
is verdwenen, zoodat de term plaatsbepaling geheel ongepast zou zijn. Vgl.
b.v.: Hij hangt aan de horizontale ladder en Hij hangt aan zijne
familie. - Hij staat op eene stoof en Hij staat op netheid. - Hij stapt
van de stoof af en Hij stapt van dat onderwerp af.
Opmerkingen. 1. Aandacht verdient nog, hoe sommige
werkwoorden door meer dan één voorzetsel gevolgd kunnen worden,
b.v.: denken aan, om en over iets;
gelooven in iemand en aan iets,
(waarnaast ook nog: iemand of iets gelooven); zich ergeren
aan en over iets; lijden
aan en onder iets; beginnen
aan en met iets; vergelijken
met en bij iets; verlegen zijn
met en om iets; tevreden zijn
met en over iets; lachen
om en met iets; boos zijn
op iemand en over of
om iets; zich schamen voor iemand en
over iemand of iets; werken aan en
over iets; betrokken zijn bij of
in iets; volharden bij of
in iets; aanbevelen bij iemand, of
in iemands hoede, zorg, enz. - of voor
eene betrekking, eene belooning, enz.; en dergelijke. Eene nuttige oefening is
het, de verschillende beteekenissen na te gaan, welke de werkwoorden bij
gebruik van het eene of het andere voorzetsel aannemen. Zoo beteekent
vergelijken met: punten van overeenkomst en verschil
zoeken; vergelijken bij is: wegens gebleken overeenkomst
gelijkstellen met een persoon of zaak. Verlegen zijn met
iets = er geen raad mee weten of zich gedrukt voelen onder eene gemaakte
verplichting; verlegen zijn om iets = dringende behoefte
aan iets hebben, enz.
Deze bijzonderheid neemt natuurlijk niet weg, dat men in het
algemeen kan blijven zeggen, dat de voorzetsels, dienende ter aanwij- | | | | zing van een oorz. voorwerp, ten aanzien van een zelfde gezegde
constant zijn
1).
2. De oorzakelijke voorwerpen in den accusatief zonder voorzetsel
(§ 31, 2o.) moet men wel onderscheiden van het zeer aanzienlijk
aantal voormalige genitieven, welke voorgoed door een accusatief zijn
vervangen, gelijk b.v. bij de werkwoorden gadeslaan, verbeiden, gunnen,
veroorloven, belijden, loochenen en eene menigte andere geschied is, vooral
bij zulke, waarin het begrip van scheiding opgesloten ligt: als
afstaan, begeven, derven, verzaken, enz. Deze werkwoorden zijn meest
alle bij dien overgang transitief geworden, gelijk de mogelijkheid van den
lijdenden vorm bewijst.
Het is zeer natuurlijk, dat de bloote accusatief heel ongeschikt
moest zijn, om het karakter van het oorz. voorwerp te bewaren. Vandaar dan ook,
dat terwijl men in: Hij herinnerde zich mijner, Hij trok zich
mijner aan gemakkelijk het causale object onderscheidt en
zich als accusatief erkent, men in: Hij herinnerde zich
het gebeurde en Hij trok zich het gebeurde aan, zeer
geneigd is, zich als datief en het gebeurde als lijdend voorwerp
te beschouwen.
Ook gedenken beschouwt men licht als overgankelijk en zoo
wordt het vaak ten onrechte in den lijdenden vorm gebracht. Vgl.
Staring, Looverhut:
De stond, dat ons Gods wil hier bracht,
Bleef ongevierd, werd niet gedacht!
of
Potgieter, Pennelikker: ‘In
de dagen van Willem IV placht de handel op ieder slempmaal gedacht te
worden’, enz.
| |
34.
Om in een twijfelachtig geval te beslissen, of een zinsdeel onder de
oorzakelijke voorwerpen kan gebracht worden, kan men zich de volgende vragen
stellen: Is het gezegde zonder het zinsdeel compleet? Kan men de aangewezen
zelfstandigheid als de aanleiding tot de vermelde werking beschouwen? | | | | Zoo de vorm een accusatief zonder voorzetsel is, is dan het overbrengen
in den lijdenden vorm mogelijk? Zoo er een voorzetsel aan voorafgaat, is dit
als standvastig te beschouwen?
Nog is er een hulpmiddel, dat in vele gevallen beslissend is, nl. te
beproeven, of aan het gezegde een voorwerpszin verbonden kan worden, die
blijkens de mogelijkheid of noodzakelijkheid om hem vooraf door een
voornaamwoordelijk bijwoord: er aan, er achter, er in, er bij, enz. aan
te duiden, als oorzakelijk moet beschouwd worden; bv. Ik ben er
aan gewoon, dat.... Hij kwam er achter, dat.... Hij heeft
er belang bij, dat.... Hij berust er in,
dat.... Hij spotte er mede, dat.... Hij was er nieuwsgierig naar,
of enz. Niet altijd gaat dit middel op, maar in vele gevallen kan het
goeden dienst bewijzen.
Opmerking. In weerwil van deze hulpmiddelen blijft de rubriek
der oorzakelijke voorwerpen altijd bezwaarlijk te begrenzen en zijn er steeds
gevallen, waarin men op de vraag of men met een oorzakelijk voorwerp of met een
bijwoordelijke bepaling te doen heeft, geen antwoord kan geven, zonder den
knoop door te hakken. Wanneer de bijwoordelijke bepalingen in bijzonderheden
beschouwd zijn, wordt de aanleiding tot twijfel al weer minder. Maar
twijfelachtige gevallen zullen er steeds blijven.
Uit een paedagogisch oogpunt heeft dit ook heel weinig bezwaar. Het
onderscheiden van de oorzakelijke voorwerpen heeft hoofdzakelijk ten doel, het
begrip aan te brengen van de objectieve betrekking, die in het Duitsch nog
veelvuldig door den genitief, in het Latijn zoowel door den genitief als door
den ablatief, en in het Fransch meestal door de voorzetsels à of
de wordt uitgedrukt. Als voorbereiding voor de studie van deze talen
heeft de behandeling van het oorzakelijk voorwerp ook practisch nut. Wat onze
eigen taal betreft, levert dit onderwerp eene uitmuntende oefening op in het
overdrachtelijk gebruik der voorzetsels.
|
1)Om de drieërlei betrekking tusschen
subject en object voor leerlingen aanschouwelijk te maken, kan de volgende
graphische voorstelling dienen. A. Van het onderwerp gaat eene werking uit,
die zich richt op het voorwerp:
Onderwerp
Lijdend voorwerp. B. Van het onderwerp gaat
eene werking uit, die alleen mogelijk is, wanneer ook van het voorwerp eene
werking uitgaat:
Onderwerp
Meewerkend voorwerp. C. Van het onderwerp gaat
eene werking uit, welke zich richt op het voorwerp, dat er aanleiding toe
gegeven heeft:
Onderwerp
Oorzakelijk
voorwerp.

1)Vertaling van de door Becker gebezigde
termen: leidendes, thätiges en einwirkendes of
rückwirkendes Object.
1)Een appel eten, een appel
schillen, een appel plukken, een appel
weggeven, een appel zien, enz. zijn altemaal
wijzigingen in den toestand van den appel, maar de term
‘ ondergaan’ past er in de eerste gevallen beter op dan in de
laatste.
1)Vgl. III, § 24 en Verdam, Mnl.
Wdb., III, 407.
1)Ofschoon uit een grammaticaal oogpunt de
hier behandelde zinsdeelen voorwerpen zijn, moet niet uit het oog verloren
worden, dat zij in vele gevallen logisch het karakter van bijwoordelijke
bepalingen krijgen, b.v. Hij sliep een gat in den dag (=
lang), Hij stierf den heldendood (= heldhaftig), enz. Maar
dit komt evenzeer bij gewone transitieve werkwoorden voor: Hij schreeuwde
moord en brand (= verschrikkelijk), Dat zwijgen sprak
boekdeelen (= duidelijk), enz.
2)Vgl. III, § 78, Opm. 2 en 3, en
Stoett, Mnl. Synt. §§ 385 en 386.
1)Bv. met het oog op de behandeling van het
Part. passé bij het onderwijs in het Fransch. (Deze opmerking
behoudt hare waarde ook na de uitvaardiging van het bekende
Arrêté du 26 Février 1901.)
1)Gelijk bekend is, wordt bij deze
constructie in het Fransch de persoon als datief ( régime
indirect) opgevat. Dit was ook het geval in het Mnl., (Vgl. Dr. Stoett,
Bekn. Mnl. Spr., Syntaxis § 36): Dus doen si den
lieden wonen. Die den Ingelscen ontfaen dede dat tekijn van
kerstynhede. Bij het onherkenbaar worden van den datief in het tegenw. Ned.
wordt blijkbaar in dit geval geen datief meer gevoeld en schrijft men: Wij
deden hen opmerken. Wij lieten de jongens sommen
maken. Die in een jaar twee groote koninkrijken tot driemaal toe
de trotsche vlag deed strijken.
1)Wel merkwaardig zijn dus de constructies
bij Stoett (t.a.p. § 432) genoteerd, waar doen en laten in
een dergelijk geval toch passief voorkomen: ‘ Het wort horen man
ghedaen te weten. Die tafelen waren oec doen maken. Daarop was hi laten
gaen.’
2)Vgl. III, § 79. Opm. 2 en ook Onze
Taal, Handleiding I (6 e druk), § 64, 4 o.
1)Dit wordt gestaafd door het verschijnsel,
dat in het oudere Germaansch het uitgangspunt der werking, door het passivum
uitgedrukt, in den datief voorkwam: niowiht wirdic tôde is
imo gitân = niets den dood waardig is door
hem gedaan.
1)Van Dale brengt ook (een weg)
inslaan en naschreeuwen tot de overgankelijke, naderen tot
de onoverg. werkwoorden.
1)Op die wijze kunnen verscheidene
subjectieve werkwoorden een dergelijk voorwerp bij zich krijgen: Hij slaapt
mij te lang, De eerste trein vertrekt hem te
vroeg, enz. Vgl. III, § 76, Opm. 2.
1)Je met de beteekenis van een
onbepaald vnwd.
2)Een dergelijk ethisch karakter vertoonen
ook attributen als: De arme vrouw had het erg te kwaad. Ik kon
het lieve kind niet helpen. Ik kan op dien satanschen
jongen niet kwaad worden. Deze attributen zijn geen
onderscheidingsmiddelen, maar drukken alleen uit, wat de spreker voor de
vermelde personen gevoelt.
1)In den regel nl. staat het datief-object
vóór het accusatief-object. Dit geldt echter niet, als beide uit
persoonlijke vnwdn. bestaan: Ik geef het (4) hem (3). Ik
benijd ze (4) u (3). ‘ En dan, Hemel, geef haar (4)
mij (3) !’ (De Génestet). Daarentegen wel weer: Ik
zei hem (3) dit (4). Hij verweet mij (3) dat
(4).
1)Toen eenige jaren geleden voor het eerst in
de Kalverstraat te Amsterdam een bordje met: Men wordt verzocht rechts te
houden werd aangeslagen, moest Prof. Verdam tusschenbeiden komen, om het
lijdend gebruik van verzoeken in den zin van uitnoodigen tegen
doctrinaire bedillers te verdedigen.
2)Zoo toont de taalzin der Duitschers zich
ook scherper, als zij bij huldigen een datief laten volgen.
1)Regel is thans: Mich
hungert, dürstet, friert, schläfert, gelüstet, tegenover:
Mir bangt, ekelt, graut, gruselt, schwindelt, träumt,
wurmt, u.s.w.
2)Zie voor meer voorbeelden Stoett, Mnl.
Synt. § 38.
1)Zie ook III, § 83, Opm. 2.
2)‘ Kan het gegaan
zijn.’ Te onderzoeken, of dit werkelijk het geval is geweest, behoort
tot de taak der historische spraakkunst, welke daaromtrent echter tot dusver
geene stellige uitkomsten te vermelden geeft.
1)Zie verder het
Aanhangsel.
1)Indien van een vorm slechts enkele gevallen
voorkomen, die niet naar willekeur te vermenigvuldigen zijn, dan zegt men, dat
zulk een vorm geïsoleerd is.
1)‘Er is hem veel aan
die zaak gelegen.’
2)‘De oppositie groeide
in het afstemmen der
bestuurs-voorstellen.’
2)Op gegevens, op inlichtingen, op
praatjes.
4)Op een voorstel, op eene
kwestie.
1)‘Het is hem om
geld te
doen.’
3)= opspelen (tegen iemand); maar ook:
staat maken, rekenen (op iemand).
1)Van eene taal, die de betrekkingen, welke
in een zin kunnen voorkomen, veelal door naamvallen, d.i. door verbogen
woordvormen uitdrukt, zegt men dat de constructie synthetisch is. Deze
is analytisch, wanneer de naamvallen door de meer aanschouwelijke
voorzetsels worden vervangen. Zoo is onze tegenwoordige taal meer analytisch in
vergelijking van de Duitsche en evenzoo in vergelijking van het
Middel-nederlandsch. (Vgl. verder § 33.)
1)Constant voorzetsel = een
voorzetsel, dat bij een geboren Nederlander dadelijk in het taalgevoel oprijst,
zoodra het gezegde maar genoemd wordt. De standvastigheid der voorzetsels,
welke dienen tot aanwijzing van een oorz. voorwerp, bewijst de noodzakelijkheid
van de aanvulling, die het noemen van het gezegde doet verwachten. In de
bijwoordelijke bepalingen, die uit een zelfst. nwd. met een voorzetsel bestaan,
wordt de keus van het voorzetsel niet door den aard van het gezegde beheerscht,
maar door den aard van de bepaling, die te vermelden is: De man loopt
in de kamer, op straat, over de brug,
op Zondag, in de week, voor zijne
gezondheid, met moeite, enz.
|
|