Het Afrikaansch


auteur: D.C. Hesseling


bron: D.C. Hesseling, Het Afrikaansch. Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche taal in Zuid-Afrika. E.J. Brill, Leiden 1899  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

§5. De taal der inboorlingen van Zuid-Africa

Van de volken die het Zuidelijkste gedeelte van Afrika bewonen, kwamen alleen de Hottentotten in blijvende aanraking met de Nederlanders gedurende de eerste 50 of 100 jaren waarin de eigenaardige wijzigingen in de Hollandsche taal tot stand kwamen. Van de zijde der Nederlanders werd die aanraking gezocht, omdat het voor de kolonisten van het allergrootste gewicht was van de Hottentotten door ruilen vee te verkrijgen. Toen Van Riebeek in 1652 aan de Kaap kwam, vond hij daar een Hottentot die aan boord van een Engelsch schip in Indië was geweest en op die wijze eenige kennis had gekregen van 't Engelsch; vermoedelijk had de man ook wel wat geleerd van de eigenaardige zeemanstaal die in Indië overal gold: er wordt ten minste van hem verteld dat andere Hottentotten hem ‘souden hebben

[p. 19]

gesoubat, welck indiaens woort hij verstaet ende tot Bantam (met d'Engelse in voortijden geweest) geleert heeft’1). Deze Hottentot, bekend onder den hem door de Engelschen gegeven naam Harry (geschreven Herry) diende geruimen tijd als tolk; hij bleek zeer onbetrouwbaar te zijn, maar niettemin was men jaren lang genoodzaakt van zijn diensten gebruik te maken. Als Herry niet aanwezig was bevond zich de bezetting van het fort, in welks nabijheid aan Herry een woning was gegeven (ook voor zijn onderhoud droeg Van Riebeek zorg), in de grootste verlegenheid wanneer andere Hottentotten tot hen kwamen, hoewel zij langzamerhand vermoedelijk enkele woorden hadden leeren begrijpen2). De behoefte aan tolken was dus zeer groot. 't Veiligst zou wel geweest zijn zelf zooveel van de taal te leeren dat men zich ten minste in geval van nood kon redden en niet ten eenenmale afhankelijk was van Herry, die telkens met de vijanden der kolonisten heulde. Doch 't scheen moeielijk iemand te vinden die tot het aanleeren der taal bereid of liever in staat was. Zekere Jos. Danielsz. van Veurne had

[p. 20]

‘sijn dienst gepresenteert met d'inwoonders t'landwaart in te reysen om de spraeck te leeren, edoch naderhandt.... aengesproocken wesende om te dien eynde conditie te maecken, wederom gerefuseert’1). De moeielijkheden verbonden aan 't leeren van het Hottentotsch schenen den Hollanders, gelijk den meesten Europeanen vóor en na hen onoverkomelijk; de eigenaardige tongklappers (wetenschappelijk inspirata of poppysmata genoemd, door de Duitschers Schnalze geheeten) brachten hen geheel van de wijs, daar ze noch in de talen van Europa noch in die van Azië iets dergelijks gehoord hadden. Het geklikklak der Hottentotten, die naar hun oor ‘machtig hakkelden in de sprake en als de kalkoensche hanen spraken’2), konden ze nauwelijks voor een menschelijk geluid houden, en aan 't zich eigen maken van dat zonderlinge idioom scheen niet te denken. De bekende Amsterdamsche dokter en geograaf Dapper, die (blijkens zijn voorbericht) zijn kennis van de streek om de Kaap de Goede Hoop uit ‘overgezonden geschriften door zekeren naukeurigen onderzoeker aldaer te zamen gestelt’ getrokken heeft, deelt omtrent de taal der Hottentotten mede wat men veilig kan aannemen dat de algemeene opinie der kolo-

[p. 21]

nisten was. Hij zegt: ‘Al deze Hottentos, inzonderheid d'aan strant gelegen [de z.g. Strandloopers], spreken een en de zelve tale of sprake, die t'eenemael belemmert, en bij d'onzen om de moeielijkheit der uitsprake niet te leren is, tot merkelijk nadeel van het verder opspeuren der gelegentheit des lants en handeling met deze volken. Hun sprake gaet geduurigh met klokken, als de kalkoensche hanen, klappende of klatzende over het ander woord op hun mont, gelijk of men op zijn duim knipte, zoodat hun mond bijna gaet als een ratel, slaende en klatzende met de tonge overluit, zijnde elk woord een bijzondere klats. Zommige woorden weten zij niet dan met heel zware moeite te uiten en schijnen die als van achteren uit de kele op te halen, gelijk een kalkoensche haen, of als de luiden in Duitschland aan d' Alpes doen, die door het drinken van sneeu-water krop-zwellen aan den hals krijgen, waerover d'onzen hen ten opmerke van deze belemmering, en ongehoorde hakkeling van tale den naam van Hottentots gegeven hebben, gelijk dat woort in dien zin gemeenlijk schimps-gewijze tegen iemant, die in het uiten zijner woorden hakkelt en stamelt, hier te lande gebruikt wort. Zij noemen nu ook zich zelfs met den naam van Hottentot en zingen bij d'onzen al dansende, Hottentot brokwa, Hotteniot brokwa: waermede zij zeggen willen: geef

[p. 22]

Hottentot een brok broot’1). Kolbe2), die gaarne tegen Dapper polemiseert, bestrijdt diens meening dat de moeielijkheid der Hottentotsche taal de Hollanders in hun handel hindert; hij verzekert dat er in 't binnenland Europeanen zijn die vlot Hottentotsch spreken, doch dezelfde schrijver zegt ergens anders3) dat voor een volwassen persoon het Hottentotsch niet te leeren is. Dat Dapper 't nog niet zoo mis had, bewijst het feit dat op tochten naar 't binnenland steeds Kaapsche Hottentotten als tolken meegenomen werden; ook namen als Kakelaar4), aan Hottentotten gegeven, pleiten voor zijn opinie, doch vooral is van gewicht dat de ‘nauwkeurige onderzoeker’ van wien hij gewaagt, hoogstwaarschijnlijk zekere Wreede geweest is, de eerste beschaafde Europeaan die zich op de studie van het Hottentotsch heeft toegelegd5).

Onder zulke omstandigheden was 't natuurlijk dat

[p. 23]

men er op uit was de kennis der Hollandsche taal bij de inboorlingen te bevorderen om steeds voorraad te hebben van tolken. Die pogingen slaagden. Wij vernemen al spoedig na de stichting der kolonie dat een Hottentot, naar 't nabijgelegen Dasseneiland vertrokken en aldaar eenigen tijd gehouden om onder de robbenvangers de Hollandsche taal te leeren1), die al aardig begint te verstaan en dat hij bij afwezigheid van Herry diens ambt als tolk bekleedt2); ook een tolk Doman (een verbastering van dominee) wordt genoemd, en Van Riebeek teekent in zijn Dagverhaal aan dat de Hottentotten ‘de duytsche tale al redelijck fray beginnen te leeren spreecken, insonderheyt de jonge kinderen’3). Voor-

[p. 24]

al had men goede diensten van een Hottentotsch meisje, Eva geheeten, een bloedverwante van Herry, die als jong meisje aan 't fort kwam, eenigermate een Hollandsche opvoeding kreeg en in 1664, na gedoopt te zijn, met een Europeaan huwde1). Van haar getuigt Van Riebeek herhaaldelijk dat zij ‘goed Duyts sprak’2). In 1666 kenden de Hottentotten die in de Tafelvallei woonden allen zoo goed Hollandsch dat een tolk niet langer noodig was3). Toch bleef de behoefte aan een tusschenpersoon bestaan, zoodra men wat verder landwaarts in ging; het bestuur der kolonie vond een geschikt persoon voor die betrekking in zekeren Wreede, een weggeloopen Duitsch student, die dienst had genomen bij de Oost-Indische Compagnie4). In enkele jaren wist hij zich de taal der Hottentotten eigen te maken

[p. 25]

en diende nu na den dood van Herry als tolk. Hij maakte zelfs een glossarium van Hollandsche en Hottentotsche woorden en zond het aan de directeuren der Oost-Indische Compagnie. In de Kaapsche Stukken van 1664 (f. 793 r.) lezen wij: ‘seeker student uit Bruynswyckerland geboortich en genoemt G.F. Wreede.... [heeft] hem onderwonden een Vocabulaer off Compendium soo hij 't noemt, behelzende de nederduytsche en hottentoose tale (die vooreerst met griexe letteren exprimeert)1), op 't papier te brengen, welck werck hij alsnu UEd. hier, nevens reverentie, comt dediceeren.’ De Directeuren beloofden dat het zou gedrukt worden, maar naar 't schijnt is er niets van gekomen. Het voorbeeld door Wreede gegeven vond geen navolging; hij zelf ging later als opperhoofd naar Mauritius en kwam daar bij een schipbreuk om 't leven. Telkens lezen we, als van een tocht naar 't binnenland wordt gespro-

[p. 26]

ken, dat men uit de Tafelvallei Hottentotten meeneemt als tolken; zeer schaarsch zijn de gevallen waarin vermeld wordt dat een vrijburger Hottentotsch verstond. 't Eerste voorbeeld vond ik in de Kaapsche Stukken van 1747 (II, f. 702 r.), waar twee broers tegen elkaar iets in het Hottentotsch zeggen, om niet door een slaaf verstaan te worden. Een ander voorbeeld vermeldt Mc. Call Theal, die meedeelt dat in 1762 zekere Pieter Marais, die deelnam aan een expeditie naar 't binnenland, Hottentotsch verstond1). Uit den eersten tijd der kolonie verneemt men echter, indien men 't geval van Wreede uitzondert, volstrekt niets van dien aard. Daarentegen waren, gelijk wij zagen, de Hottentotten reeds kort na 't stichten der volkplanting in staat zich in 't Hollandsch uit te drukken, en toen 50 jaren waren verloopen sprak een zóo groot aantal van hen onze taal dat, naar Kolbe2) meedeelt, een vreemdeling in het binnenland, ver van alle Europeanen, in 't Hollandsch (zij 't ook in gebroken Hollandsch) werd aangesproken. Dat zij zoo spoedig met onze taal gemeenzaam werden, is zeker in de eerste plaats te verklaren uit de omstandigheid dat voor hen de moeielijkheden bij 't aanleeren van de taal der indringers niet zoo groot waren als die der Hollanders

[p. 27]

welke Hottentotsch wilden leeren. Zij toch behoefden zich niet een geheele reeks van klanken eigen te maken waartoe gedeelten van mond en keel gebruikt werden die in hun moedertaal zoogoed als geen functie hadden bij het spreken. Bovendien hebben de Hottentotten een bijzonder talent om vreemde talen te leeren, zoodat zij die vaak zonder eenig accent spreken1).

Er dient ook de aandacht op gevestigd te worden dat de kolonisten, hoewel in levendig verkeer met de Hottentotten, toch niet in zulk een nauwe aanraking met hen waren als later met de slavenbevolking. Het ruilen van vee was en bleef de hoofdreden waarom men zich telkens weer met de Hottentotten inliet, en zich zelfs menige dieverij of erger van hunne zijde liet welgevallen en hen niet voor goed verdreef of verdelgde. Geregeld werk wilden de Hottentotten niet verrichten; reeds Van Riebeek2) schrijft (in 1656) ... ‘ze willen liever niet bij ons in huys inwoonen, slaghten de vogels die liever in 't wilt vliegen als de beste coninghs zalen bewoonen.’ Soms, vooral in den oogsttijd, deden de mannen voor wat tabak en brandewijn licht werk3);

[p. 28]

ook hoedden ze somtijds de kudden of lieten ze hun vrouwen brandhout rapen, doch daar bleef het bij. Alleen de kinderen werden verhuurd, die dan al heel spoedig, gelijk we zagen, de Hollandsche taal leerden. Gaarne hadden de kolonisten een paar honderd Hottentotten in hun dienst genomen, doch deze waren daartoe niet te bewegen en bleven òf door het land zwerven òf slechts tijdelijk hun diensten aan den een of anderen boer verhuren.

Na dit alles kan onze conclusie niet anders wezen dan dat de Hollandsche taal in Zuid-Afrika vermoedelijk wel aan 't Hottentotsch verschillende woorden ontleend zal hebben, maar dat de kolonisten, daar ze die taal nimmer in grooten getale spraken, niet door haar toedoen hun moedertaal gewijzigd, of, als men dat woord wil gebruiken, verbasterd hebben.