|
|
|
| | | | | |
Inleiding
| 1. | Thema, motieven, figuratie,
handelingsvoorgang |
| 1.1. | Aristokratische
erekode |
| 1.2. | Staatsbeleid |
| 1.2.1. | F.
Veenstra zelf |
| 1.2.2. | J. Cornelissen
e.a. |
| 1.2.3. | Nieuwe
bijdragen |
| 1.3. | Thema, motieven,
figuratie |
| 1.4. | Handelingsvoortgang |
| 2. | Afhankelijkheid,
uitgaven, waardering |
| |
1. Thema, motieven, figuratie, handelingsvoortgang
1.1. Aristokratische erekode
In Aristocratische moraal, een facet van de Geeraerdt van
Velsen
1) beziet Fokke Veenstra de Geeraerdt van Velsen vanuit het
aspekt van de aristokratische eer.
a) Hij begint met het schetsen van de derde scène van het
tweede bedrijf, de aankomst van
graaf Floris op het slot te Muiden en het
onmiddellijk daarbij behorende twistgesprek tussen Floris en de samenzweerders:
Geeraerdt van Velsen,
Harman van Woerden en
Gijsbert van Aemstel. Van Aemstel houdt daarbij, meer
theoretisch en minder affektief als Van Woerden en Van Velsen in het
persoonlijk vlak van een vertoornde vader en driftige echtgenoot en broer, een
vrij lange rede (vs. 398-421) over hoe Floris had moeten regeren. De | | | | slotregel van deze rede is een zeer belangrijk kernvers in de
beschouwingen van F. Veenstra. Hij luidt:
O gruwel, Eelmans eer te doôn met valsche schulden
(vs. 421, zie Veenstra blz. 13, 18, 68)
schulden = beschuldigingen
Heel de rede en biezonder vs. 421 zijn zeer belangrijk voor het
begrip van de thematiek en de motieven van het stuk.
De schrijver gaat uitgebreid verder in op eer en
eelmans of edelmans eer, de eer van een edelman, een edele, een mens van
adel, een aristokraat. Hierbij worden behandeld:
Hugo de Groot,
Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid;
Aristoteles,
Nicomachische Ethica;
Cicero,
De Officiis (vertaling van
Coornhert);
Castiglione,
Il Cortegiano;
Guazzo,
La conversatione civile;
Romei,
Discorsi e.a., die allen veel spreken over: adel,
verschillende soorten adel, de eer die bij de ideale adel hoort, de enorme
afstand tussen de aristokratie en het gemene volk, het regeren van de staat
door de aristokratie, een hiërarchische opbouw van de klassen in de staat
met aan de top de ideale vorst en daaronder als adviseurs de hoge aristokratie.
Al deze gedachten waren gemeengoed in aristokratisch gezinde
Renaissancekringen. In deze gedachtenkring beweegt zich ook ons toneelstuk en
volgens deze gedachtenkring wordt Floris in vs. 397 door Gerard van Velsen
genoemd:
Verrader eerloos, streep, en schandvleck aller grooten
(vs. 397, Veenstra blz. 27)
streep = bastaard (‘streep’ moet hier niet
letterlijk opgevat worden; ook ‘verrader’ moet niet gewoon
letterlijk worden opgevat, maar als verrader van de aristokratische
erekode).
De reeds genoemde, sterk theoretische, rede van
Gijsbert van Aemstel van vs. 398-421 staat helemaal in
het teken van de aristokratische erekode. Schrijver wijst speciaal op
hoochgheboorenheydt (vs. 400, Veenstra blz. 30), staetlijcke'
overouwderen (vs. 401, Veenstra blz. 32). Hierbij hoort ook de openingsrede
van het stuk, door de tragische
Machtelt van Velsen uitgesproken, waarin zij, ook zelf
iemand die zich houdt aan de adellijke erekode, bij het overdenken van de
mis/ | | | | daad van Floris, de zoon van de grote Rooms-koning
Willem II, tegenover haar zelf en tegelijk tegen die
erekode, na het uitbrengen van
Die 's Roomschen Koninx soon
de zin niet meer kan voltooien. Er volgen alleen een paar uitroepen
van ontsteltenis
o smart! o droefheyt! ach!
(vs. 39, Veenstra blz. 34)
Dezelfde verbijstering over Floris' eerloosheid legt ze ook in de
mond van zijn vader
Vercrachten? een gehuwde'? een lief van zijn ghetrouwe?
(vs. 53, Veenstra blz. 34)
Die eer is ondenkbaar zonder deugd en zo laat Machteld in de door
haar gefantazeerde toespraak van de Rooms-koning Willem II tot zijn ontaarde
zoon zeggen:
Hoe ondiep schiet in 't bloedt
De Deuchd haer wortel! Soon, gheen soone nae 't ghemoedt;
Maer die my na den vleesch alleen bestaet, niet nader,
En in het beste deel verloochent uwen Vaeder;
(vs. 43b-46, Veenstra blz. 36)
b) Na de voorafgaande beschouwingen acht de schrijver de tijd
gekomen te gaan definiëren ‘wat eer precies is’. (blz. 39)
Hooft zegt zelf in een gedicht: eer is het lof des deuchts (in het vervolg van
de tekst blijkt dat het niet voornamelijk gaat over de uiterlijke lof maar
vooral over de lof van het eigen gemoed). Deze formulering en die van andere
Renaissancisten gaan terug op Aristoteles: eer is de beloning van de deugd
(Ethika); eer is het teken van een reputatie dat men het goede doet (Retorika).
Hugo de Groot zegt: de eer nemen wy hier eng, sulcks dat daer door beduit wert
het goed ghevoelen dat anderen van ons hebben (voor het voorafgaande zie
Veenstra blz. 39, 40).
De schrijver besluit dat er twee aspekten zijn bij het begrip eer:
1e de reputatie, de goede naam en faam, 2e de innerlijke zelfgenoegzaamheid, de
innerlijke zekerheid van een moreel verantwoorde verhouding tot de omringende
buitenwereld, het gevoel dat iemand heeft van de integriteit van zijn geweten
(blz. 40). | | | |
Deze twee aspekten van de eer vinden we ook in het toneelstuk, in de
inhoudsrijke, reeds meer geciteerde redevoering van Van Aemstel gedurende de
twist op het slotplein van Muiden:
van waer uw deuchd ten toone
Mocht (nevens 't loon beset in een vernoechd ghemoedt)
Van yder zijn aenschouwt, en loffelijck begroedt.
(vs. 406b-408, Veenstra, blz. 43)
ten toone = duidelijk zichtbaar
(dit had kunnen gebeuren bij Floris, maar, o
gruwel, hij heeft eelmans eer gedood, vs. 421)
c) De definitie van de eer als: eer is het lof des deugds, of: eer
vloeit voort uit deugd, of: eer is de beloning van de deugd (en dat met twee
aspekten), eist een uitleg van wat hier onder deugd wordt verstaan. In
het drama wordt vaak over deugd gesproken en ook in verband met eer. De
schrijver haalt op blz. 44 aan vs. 406 v.v., 44, 48, 502, 512, 1031-1034. De
meest belangrijke tekst is vs. 423b + 424:
Wie door gheen vreese swicht
Maer dapper is van deuchdt, hy op zyn hoornen licht:
Ridder Geeraerdt van Velsen beschrijft hier de handelwijze van een
tiran. (de tiran = hy). Dat dappere deugd komt ook nog elders in
het werk van Hooft voor. Het betekent: meer dan gewone deugd, eminente deugd.
Een tiran neemt iemand met zo'n dappere deugd op de horens om hem te doden. De
schrijver brengt met die mens met dappere deugd, de niet-vreesachtige, in
verband het woord uit de kontekst, vs. 430 preusch, dat hij met behulp
van vs. 212 het vry, oprecht en preusch gheslacht (nl. de Romeinen)
verklaart als: magnanimus, grootmoedig, hoogmoedig, een voorname eigenschap van
de held volgens Renaissancistische opvattingen. (blz. 44, 45). De grootheid van
ziel speelt een grote rol in de griekse en latijnse ethiek. Ze leidt echter, zo
zegt ook Cicero in De Officiis, gemakkelijk tot eigendunk, excessieve
machtsbegeerte, tot een zich verheven voelen boven iedereen, tot wat wij nu
gewoonlijk hoogmoed noemen. | | | |
d) Aldus komt de schrijver via de definitie van de eer en de uitleg
van het in die definitie voorkomende woord deugd en de dappere deugd =
eminente deugd, grootzielige deugd, grootmoedigheid (die speciaal behoort bij
een vorst) tot de verleiding van de grootmoedige (speciaal als hij een
machtige, een vorst is) om zijn grootmoedigheid te laten verworden tot de
ondeugd van hoogmoed, een zich verheven achten boven iedereen, een zich niet
meer binden aan de normen van de moraal, het eigendunkelijk begaan van onrecht.
Deze verleiding lokt het sterkst de reëel machtige, de vorst, die dan door
hoogmoed en onrechtvaardigheid wordt tot de tiran. Het is dus heel logisch dat
de schrijver na deze beschrijvingen overgaat tot het tekenen van de
persoonlijkheid van Floris (blz. 49), want bij hem heeft zich dit ondeugdproces
voltrokken. Hij is de Tyran (vs. 423). In vs. 75 wordt hem de
hoomoed toegeschreven. Van Aemstel zegt in zijn reeds bekende rede: Hebt
ghy u selven (laes!) een vuylen hoedt besmet / met ongherechticheydt, op 't
reuckloos hoofdt gheset vs. 415, 416). Een belangrijk vers is
Gheen argher onrecht als dat enckel recht wil schynen.
(vs. 1115, Veenstra blz. 50-53; dit wordt door Van
Velsen gezegd in het laatste onderhoud met Floris waarin deze, tot
nietswaardigheid vervallen, zelfs aanbiedt Van Velsens bastaarddochter te
huwen, als hem het leven wordt gelaten).
Dit blijkt een vertaling van de beroemde uitspraak van Cicero, De
Officiis: summum ius, summa iniuria, door
Coornhert weergegeven als: Daer geschiet oock dicwils
onrecht door schalcke ende listige beschuldiginge, ende dat met valsche
beduydinge vande rechten. Daer wt men seyt dattet scherpste recht, dicwils
tgrootste onrecht is. Het onrecht van vs. 1115 is het onrechtvaardige
doodvonnis van de broer van Van Velsen, dat blijkt uit de kontekst. Uit zo'n
tekst blijkt eens te meer hoe
Hooft ook al in 1613 op de hoogte was van de
Renaissance-literatuur van zijn tijd op het terrein van de ethiek, de
aristokratische ethiek, de aristokratische erekode, en verbonden daarmee het
staatsbeleid. Het onrecht van vs. 1115 voert de schrijver naar een ander
gedeelte van Coornherts vertaling van Cicero's De Officiis: (Maer) want alle
dat onrecht is, in twee manieren geschiet: dats te weten door ghewelt oft door
bedroch: ende t'bedriegen den vossen, maer 'tgewelt den Leeuwen betaemt: so
behooren dese beyde van alle menschen verre verscheyden te zijn: Doch so is
bedroch het hatelicxte. Maer onder alle ongerechticheyt en vintmen | | | | geen schadelijcker, dan der geenre, die quaat zijnde, tvolck bedrieghen
onder een schijn van goede oprechte mannen.
In deze tekst wordt ook het schynen van vs. 1115 belicht,
maar duiken tegelijk bedrog en geweld op met hun dierlijke figuraties van vos
en leeuw. Op het eind van Machtelts lange monoloog, waarmee het stuk begint,
wordt zij besprongen door ijselijke droombeelden, die voortkomen uit haar angst
(vs. 135, 136). Deze beelden zijn Twist, Gheweldt en Bedroch. En om
bovenaangehaalde tekst helemaal te laten doorklinken zegt Bedroch:
Behendich aenghenaeyt, te stoppen en vervanghen
Al waer de leeuwenhuyt niet toe en mochte langhen:
(vs. 208b-210, Veenstra, blz. 54-56, zie ook Veenstra,
Invloeden blz. 76 en 222, waar Montaigne en Lipsius erbij betrokken
worden.)
De beelden van vos en leeuw treffen we allerwegen in de
Renaissance-literatuur. Geweld en list zijn voor Machiavelli dé middelen
voor de princeps, de vorst om aan de macht te blijven en hij gebruikt daarbij
ook de beelden van de leeuw en de vos. Hooft sluit zich in zijn drama aan bij
de bestrijders van de algemeen veroordeelde, al te realistische Florentijn.
e) Bij de neergang van de mens naar het dierlijke van leeuwengeweld
en vossenbedrog horen ook de bij het twistgesprek van de aankomst op het
Muiderslot aan Floris toegeschreven woestigheid en moedwil:
Die van uw moedwil heeft mijn Eerbre Vrouw gheleeden?
Daer toe gheboren wy, dat uwer dartelheden
Verwaende woesticheydt, die veel te weeldrich klom,
Met onse Naem, en Haef na lust soud springhen om?
(vs. 436b-440, Veenstra blz. 56-62)
Van nature, als zoon van de voortreffelijke Rooms-koning Willem II
was Floris een dapper, een grootmoedig man, hem wordt door de Rey van
Aemstellandsche Jofferen in vs. 273 een moedich hart toege- | | | | schreven,
maar de grootmoedigheid is vervallen tot woestigheid en moedwil.
Een van de redenen voor Floris' moedwil was het vrijpostige antwoord van Ridder
Van Velsen, toen Floris wenste dat deze zou trouwen met zijn boel: Vw slete
schoen myn voet niet passen (vs. 292). Volgens de literatuur van die tijd en
met name volgens het Parallelon van
Hugo de Groot wordt bij de woestigheid (of toorn)
‘de rede overstemd door de krachten van de sensitieve ziel. Bij moedwil
weet men op het ogenblik van handelen wat rechtvaardig, eervol is, maar men
handelt toch niet in overeenstemming ermee.’ (Veenstra 59). De schrijver
wijst erop dat na dit uitzichtloze twistgesprek Eendracht, Trouw en
Onnooselheydt naar de hemel uitwijken en Twist, Geweldt en Bedroch meester van
het veld blijven (vs. 560) en dat de Rey der Aemstellandsche Jofferen in hun
kommentaar in vs. 655, 656 spreken over het lichte luck noch trouwe wraeck
verleeren / der grooten kinderen haer woeste moedwil niet, waaruit blijkt
dat de moedwil niet alleen aanwezig is bij Floris, maar ook bij de
samenzweerders tegen hem (Veenstra 61). Hier begint de aanzet van de tragiek
van de hoofdpersoon: Geeraerdt van Velsen.
f) Tegenover de behandelde ondeugden hoogmoed, ongerechtigheid,
geweld, bedrog, woestigheid, moedwil stelt de schrijver de wijsheid. (blz.
62-65). Het is de wijsheid, die door Hugo de Groot beleid wordt genoemd,
een van de vier klassieke kardinale deugden of hoofd-deugden, te vinden bij
Cicero in zijn De Officiis, bij Augustinus,
Thomas van Aquino. De latijnse term is prudentia
(volgens de klassieke opvatting: praktische wijsheid voor het handelen hier en
nu, verstandigheid bij het stellen van een daad, het nederlandse woord
beleid duidt dat wel goed aan, zeker als het gaat over staats-zaken,
staats-beleid; - De Witte). Het drama betrekt ook deze wijsheid in zijn
ideeëngeheel. Als in het bekende twistgesprek de vernederde Floris
zegt:
My leert mijn schae mijn feyl, u leer zy niet te feylen
voegt Van Aemstel hem ironisch toe:
Bevaeren loodsman, sal ons uwe sorghe peylen
Te vooren onse Zee? Van waer dit hart soo goedt?
waarop Floris antwoordt:
Ick acht dat wijsheyt nut aen vriend en vyandt doet enz.
| | | |
In vs. 64-66 wordt door Machtelt naarvoren gebracht dat de wijsheid
preventief moet werken en regressief niet meer een kapotte zaak kan
herstellen:
O Godt, hoe licht vergrijpt een uyr, door 't radeloos
Bestaen van moedwil slincx, 't gheen eeuwicheyts verlenghen
Met alle 's wijsheyts Raedt niet weer te recht kan brenghen!
Gijsbert van Aemstel wordt in vs. 1044 door de Aemstellandsche
Jofferen wijs, goedertieren genoemd.
g) Vanaf blz. 65 keert de schrijver nog eens terug tot de reeds
besproken definitie: eer is het lof des Deuchts. Hij verbindt daarmee de aanhef
van de Rey van Aemstellandsche Jofferen, die al meer ter sprake is gekomen en
die na het hopeloze twistgesprek, het naar de hemel heenwijken van Eendracht,
Trouw en Onnooselheydt, terwijl 'tvernielende Gheweldt en 't eereloos
Bedroch meesters van dit veldt blijven (vs. 559b, 560), kommentaar levert
op het tragisch gebeuren. Deze aanhef luidt:
O Rome rijck van roem, o dochter s' hoochgemelden
Grootmoedicheyts, van soo kloeck opgheschooten leên;
Vruchtbare Moeder der ouwling vergooder helden,
Die zijn door deuchdes kerck ten eerslot inghetreên!
(vs. 605-608, Veenstra 66; In het vervolg van de tekst
blijkt dat Rome nu een ghebalsemt lijck [vs. 622] is, omdat het Geluk
haar verlaten heeft, maar ook wegens de boose lusten [vs. 649] en de
woeste moedwil [vs. 656] van haar regeerders. Vanaf vs. 653 wordt dit
toegepast op de regeerders van de Zeven Provinciën - De Witte)
Opvallend in deze regels is het reeds besproken
grootmoedicheyt: Rome is zo roemrijk geworden door de grootmoedigheid,
de gedurfde grootheid van ziel en dapperheid van de helden die haar regeerden,
welke helden door de kerk van de deugd zijn binnengetreden in het kasteel van
de eer. Hier blijkt weer hoe Hooft op de hoogte was van de klassieke en
eigentijdse opvattingen over de eer, want de Romeinen bouwden twee tempels
naast elkaar, de ene toegewijd aan de Deugd en de ander aan de Eer, terwijl men
de tempel voor de Eer slechts kon binnengaan doorheen de tempel voor de Deugd.
Het is ook evident dat deze eer, en daarmee het regeren, slechts behoorde bij
de adeldom, bij de aristokratie; het gemeen werd wat betreft zijn | | | | daden slechts gedreven door vrees voor straf, streefde niet naar deugd
en bereikte daarom ook niet de eer. Als hij zover gekomen is, bekommentarieert
de schrijver opnieuw het vers Eelmans eer te doôn met valsche
schulden (vs. 421, besproken van blz. 13 tot blz. 70). Op blz. 68 verklaart
hij dat vs. 421 betekent dat Floris de erekode heeft geschonden door de broer
van Van Velsen, zijns gelijke in adeldom, te doden. Natuurlijk heeft Floris die
broer op valse beschuldigingen laten terechtstellen, maar in vs. 421, staat
exakt genomen alleen dat Floris de éér van de edelman heeft
gedood. Men kan Eelmans eer metonymisch opvatten als: eervolle edelman
(schrijver spreekt niet over metonymia), maar mij lijkt zo'n metonymische
verklaring niet noodzakelijk.
h) Na dit uitgebreide kommentaar op vs. 421, dat met voortreffelijk
akademisch vorsen de bronnen van de Geeraerdt van Velsen heeft opgespoord en de
hele tragedie heeft behandeld vanuit het aspekt van de aristokratische erekode,
geeft de schrijver vanaf blz. 70 nog enige belangrijke toegiften op het terrein
van de eer. Het voornaamste vers van deze beschouwingen is vs. 60 uit de
openingsmonoloog van Machtelt, die reeds meer ter sprake is gekomen:
En eer en schaemt ghelijck ten aerden hebt ghedaen,
(Machteld zegt tegen de overigens slechts in gedachte
aanwezige Floris, dat zijn antwoord op de beschuldigende toespraak van zijn
vader, ook slechts in haar fantazie gehouden, alleen maar kan zijn dat hij
wegvlucht, ten zij ghy onberaen, / En eer en schaemt ghelijck ten aerden
hebt ghedaen.)
Bij het begrip eer behoort in de klassieke en Renaissancistische
literatuur onmiddellijk het geopponeerde oneer of schande. Het gevoel van
schaamte hoort bij die oneer of schande. Iemand die onverschillig is ten
aanzien van oneer of schande, die geen schaamte kent, is een pervers mens, een
schurk. Voor de struktuur van de tragedie is belangrijk dat Machtelt de
mogelijkheid niet uitsluit dat Floris zo'n schurk is. Hooft heeft de verbinding
eer en schaemt overgenomen van het historie-lied over het drama van 1296
dat reeds bij
Melis Stoke te vinden is. De kroniek van Stoke is in
1591 in druk verschenen,
'tLiedeken van Gerard staat ook in
Jacob Duyms
Oudt Batavien nu ghenaemt Holland.
Hooft en vele anderen kenden deze boeken. In het Liedeken
wordt positief gezegd dat Floris schaemt met eere van zich afgeworpen
heeft (Veenstra blz. 72). | | | |
Nog andere verzen worden in verband met de eer besproken nl. 113,
436-437, 1135, 1172-1175, 1403, 1606, 280, 370, 313-316, 277-280, 1125 e.a.
i) Vanaf blz. 85 wordt de struktuur van het treurspel behandeld
vanuit de diepe analyze van de aristokratische eer. Floris V kan niet de
tragische figuur zijn, want hij is vanaf het begin een schurk, die in het stuk
tuimelt van neergang tot neergang; ‘zijn aandeel in de handeling is dan
ook zijn gang naar de dood’ (blz. 89). Geeraerdt van Velsen is in het
begin nog een man van eer, maar laat zich meeslepen door zijn wraakgevoelens,
treedt in kontakt met duivelse machten, levert de graaf niet uit aan de Staten
maar wil hem naar het buitenland brengen en vermoordt Floris onridderlijk. Hij
verwordt ook tot een schender van de aristokratische erekode. Zo oordeelt over
hem de Rey op het einde van het derde bedrijf, na het gesprek van de
samenzweerders, waarin Van Aemstel pleit voor een uitlevering aan de Staten en
na het konsulteren van Timon Tooveraar met zijn Helsche Gheest:
Tot noch toe Velsen ging, soo 't scheen, dat niemandt vaster
Nu is, helaes! helaes! zijn lof verkeert in laster.
Voortaen sal elck, die plach te prysen, smaelen;
Voortaen sal niemandt meer,
(vs. 1035-1042; Veenstra blz. 98)
Geeraerdt van Velsen is de tragische held in deze tragedie. Ook de
Rey van het laatste bedrijf veroordeelt het gedrag van Geeraerdt en zijn
medesamenzweerders:
Tijd is het, tijd is 't nu, om te beschreyen (laes!)
Den jammerlijcken val der Eedelinghen dwaes,
Die door wraeckgiericheyt so verre gheraeckt,
Dat zy tot onrecht haer goedt recht hebben ghemaeckt.
(vs. 1456-1459; niet hier bij Veenstra)
| | | |
| |
1.2. Staatsbeleid
1.2.1. F. Veenstra zelf
Veenstra heeft in de zojuist besproken studie het hele
betekenissenveld van de aristokratische eer nageplozen en dat alles evident
gevonden in de Geeraerdt van Velsen. Hij heeft in praktijk gebracht wat de
moderne hermeneutiek eist van een hermeneut, een interpreet. Fuchs zegt: men
moet een tekst iets voorhouden om aan de tekst te ontlokken wat hij ons te
zeggen heeft. Houd een kat een muis voor en je zult zien wat een kat voor
kapaciteiten bezit. Zo heeft hij de tekst het betekenissenveld van de
aristokratische erekode voorgehouden en er zijn uit de Geeraerdt van Velsen
kapaciteiten te voorschijn gekomen, die ons vóór deze studie niet
of niet zo bekend waren. Het interessante is dat de erudiete en
geïnteresseerde tijdgenoten van Hooft dit alles wèl begrepen
hebben. Zo komt de tekst weer tot zijn ware gedaante en werkelijke wezen.
2)
Ondertussen!
Veenstra noemt zelf zijn navorsing van de aristokratische erekode
in de Geeraerdt van Velsen een facet ervan. Dat betekent dat we met deze
aristokratische erekode nog niet de gehele Geeraerdt van Velsen hebben gegrepen
en begrepen.
Wat wil de gehele tragedie ons dan zeggen?
Er zijn in deze studie van Fokke Veenstra en ook in zijn
dissertatie over de Invloeden op Hooft
3) reeds
aanduidingen die ons voeren naar een uitgebreider geheelbegrip.
Op blz. 18 van Veenstra wordt besproken, ook met behulp van
Hugo de Groots
Parallelon, dat in de tijd waarin de Geeraerdt
van Velsen werd geschreven de opvatting heerste dat het bestuur in ons land van
de oorsprong af in de handen van aanzienlijken was. Het gemeen was wel
vrijgeboren, maar wilde best gehoorzamen aan het staatsbeleid van de
aristokraten. Reeds de graven deden pogingen de macht | | | | op tirannieke
wijze aan zich te trekken en het kwam tot excessen bij de Spaanse overheersing;
waarop dan ook de, gerechtvaardigde, opstand volgde. De Geeraerdt van Velsen
ligt dus helemaal gebed in politieke kwesties en de aristokratische erekode is
minstens feitelijk verbonden met staatsbeleid. De schrijver verklaart op blz.
18 dat hij er niet verder op in wil gaan.
Wanneer de schrijver vanaf blz. 44 bij de uitdieping van het begrip
aristokratische eer en bij de aftasting van het ermee verbonden veld van termen
en betekenissen komt tot deugd, dappere deugd, preusch, magnanimus,
grootmoedig, hoogmoedig, eigendunk, excessieve machtsbegeerte, onrecht van
de machtige, Ghewelt en Bedroch, de leeuw en de vos,
Twist, Eendracht, Trouw, Machiavelli, Hugo de Groot en andere auteurs,
princeps, vorst, tyran, woesticheydt, moedwil, wijsheid, beleid, deuchdes
kerk - barst bij de strakgehouden ideeënvoortgang wat betreft de
begripsbepaling van aristokratische erekode ten allen kant de toepassing
daarvan op het politieke vlak, op het staatsbeleid, op het feitelijke geval van
een staatszaak naar buiten. Dat gebeurt ook bij de bespreking van de struktuur
van het treurspel vanaf blz. 85. De schrijver zegt zelf: ‘In wezen is de
Geeraerdt van Velsen een stuk dat een appèl doet op de ervaringen
van de elite. Dat ook de groundlings er naar konden kijken, ligt natuurlijk
allereerst aan de ook door hen aanvaarde hiërarchisch geordende bouw van
de maatschappij….’ (blz. 84). Het is een maatschappelijk drama,
een staatsbeleiddrama.
In de studie Hooft en Montaigne in Veenstra's
Invloeden wordt op blz. 80 gewezen op Montaigne's afkeer van
burgeroorlog. Daarmee wordt verbonden het pleidooi van Van Aemstel in het 3e
bedrijf om Floris niet naar het buitenland, naar Engeland te voeren, maar de
zaak in handen te geven van de Staten, waarbij hij o.a. zegt:
Wil 't beste deel des volcx verheert zijn van Tyrannen
Het oordeel staet aan haer, des dulden zy, elck een
Die dulde dan met haer, oft geev' hem elders heen.
Want, stootmen dit om, 't schuym van Burghers en van Boeren
Sullen, ghelyck als ghy den Prins te land uytvoeren;
En soo zy 't vinden goedt, met lasterlyck bedryf,
Hem tasten aen zijn croon, hem tasten aan zyn lyf.
(Vs. 786-792, Veenstra, Invloeden, blz. 81)
Volgens
Montaigne en
Hooft (en
Hugo de Groot) en volgens de Geeraerdt van Velsen moet
't beste deel des volcx het staatsbestuur met | | | | wijs beleid in
handen houden, anders komt er burgeroorlog en lopen alle strukturen in de
war.
Veenstra heeft voldoende redenen om aan te nemen dat Hooft reeds
vóór de
Geeraerdt van Velsen Lipsius kende en met name diens
Politica (Invloeden, blz. 17, 198 v.v.). Die Politica is volgens J. Sandy
‘Mainly a digest of Aristotle, Tacitus and other ancient authors’.
Hij kende ook andere politieke geschriften, o.a. Bodin's La République.
De Geeraerdt wemelt van politieke denkbeelden. Op het eind van het 5e bedrijf,
dus op een zeer belangrijke plaats, verkondigt de Vecht:
Houdt vry der volcken toom wel staedich inder handt:
Maer voor het uyterst schroom den teughel, met verstandt
Van wicht, den breydel rept, wat styver oft wat sachter.
Te ruym dat struyckelt vaeck, en al te cort leydt achter.
In vryheyt ordentlijck uw burghery laet treên,
Recht tusschen dienstbaerheyt en wetteloosheyt heen.
(Vs. 1734-1739, Veenstra Invloeden, blz. 199)
Hooft is voor wijze gematigdheid. Van Aemstel, hier de Vecht en de
Aemstellandsche Jofferen verwoorden vooral Hoofts politieke opvattingen. De
Vorst moet zich niet verhoogmoedigen, maar evenwichtig en wijs zijn, moet boven
zijn onderdanen in deugd uitsteken, een voorbeeld voor hen zijn. Schrijver
haalt daarvoor ook vele plaatsen aan uit andere werken van Hooft en uit de
Geeraerdt van Velsen vs. 502-504 en 510-512, (Invloeden blz. 202 v.) (Woorden
van Van Aemstel):
Dat is op dat die 't volck in deuchdt soud overtreffen;
Met meerder wijsheydt, goedt bejaeghen, quaedt verhoên,
En stieren 't alterecht, dan de ghemeent soud doen.
Maer yder soeckt den Vorst, zijn wandel na te kuyeren:
Gheoorlooft achtmen 't gheen dat hy ghebooden heeft:
Maer eerlijck eerst en schoon, het gheen dat hy beleeft.
De tegenhanger van de wijze en evenwichtige vorst is de tiran, die
reeds herhaaldelijk ter sprake is gekomen (zie ook Invloeden, blz. 207).
| | | |
| |
1.2.2. Cornelissen e.a.
Cornelissen heeft in zijn studie over Hooft en
Tacitus
4) het oeuvre van
Hooft onderzocht in verband met
Tacitus en de geschriften over de
‘politieken’ en de raison d'état. Tacitus werd na de
ontdekking van de handschriften in 1455 en ca. 1500 de grote historicus van de
Renaissance, waardoor
Sallustius,
Suetonius,
Justinus en ook de voordien hoogvereerde
Livius van het eerste plan werden gedrongen; ze bleven
te veel bij enkel een opsomming van de feiten. In de eigentijdse problemen van
de monarchistische politiek trof men bij hem aan praktische politieke wijsheid,
werkelijkheidspolitiek, een doordringen in de geest en het hart van de
beschreven Romeinse heersers. Dit praktische en realistische gaf ook meer dan
de abstrakte begrippen van
Aristoteles en de vizies over een ideaalstaat van
Plato en
Thomas More houvast om te komen tot de beginselen voor
een raison d'état. Tacitus werd het evangelie van het staatsbeleid, van
de prudentia civilis (zie voor het voorafgaande Cornelissen blz. 3-17). Bij de
behandeling van Hoofts historische arbeid (blz. 47-98) komt ook de
Geeraerdt van Velsen een paar keer ter sprake. Op blz. 62 wijst hij op
Geeraardt Brandts getuigenis in diens
Leven van Hooft
5). Wij vinden deze eigentijdse bron uitermate belangrijk en
plaatsen hier het fragment: In dien zelven tijdt gaf hy zyn treurspel van
Geeraardt van Velsen in 't licht: een toonneelstuk dat met geen minder
verwonderinge dan genoegen van alle geleerden, die daar van oordeelen konden,
werdt gezien en geleezen. Men verstondt dat het met de beste speelen, door de
kracht van zyne hartroerende taal, om de lauwer streedt, en geen kleen deel der
burgerlyke wysheit, en beste regeerregels der oude en nieuwe Schryveren, in zoo
weinig blaaden beknoptelyk begreep, en klaarlyk ontvoude. In dit treurspel
tradt de Dichter op hooghe laarzen. Hier braght hy 't Muiderslot op het
toonneel. Het gemeen betreurde de Tyrannye. De Twist, het Bedrogh, en 't
Geweldt werden afgemaalt met vuile verwen. D'Eendraght, Trouw en Onnoselheit
verlieten d'aarde. De Wraak- | | | | gierigheit bedwelmde 't verstand, en
verworp den wyzen raadt. De Tyran raakte ellendig aan zyn einde, en betaalde
het schenden van 's Landts vryheeden en wetten met zyn bloedt. De burgertwist
vertoonde haare landtbedervende rampen. De Vecht spelde beeter tyden, en riedt
tot een gemaatighde regeering,
Recht tusschen dienstbaarheit en wetteloosheit heen.
(Brandt, blz. 12, 13; vs. 1739)
Als men dit leest, konkludeert men: het thema van de Geeraerdt van
Velsen is het staatsbeleid. Cornelissen haalt uit de geciteerde stuk vooral
naarvoren de burgertwist vertoonde haare landtbedervende rampen, de
vrees voor tweedracht, en citeert daarbij (blz. 63) de Twist in het eerste
bedrijf, vs. 137-148, waarvan wij hier weergeven:
Hier opghedonderdt uyt het voorburch vander Helle,
Ben ick scheursiecke Twist: dien ghy met moeden felle,
Hollandsche Vorsten, hebt beswooren,….
…… en waer ick het betrede,
Daer gheven haeren gheest de bloemen frisch, en 't kruydt;
En wat mijn voetstap deckt, daer smoort de wortel uyt.
(vs. 137-139, 146-148, volgens de tekst van Stoett,
niet volgens die van Cornelissen)
De Twist heeft funeste gevolgen. Na gesproken te hebben over de
deuchdgeurighe roos (vs. 1420), Machtelt van Velsen, de rampsaelighe
Graef van Hollandt (vs. 1440), de wraeck van de Velser Ridder
(vs. 1442) en de jammerlijcker val der Eedelinghen dwaes (vs. 1457)
zingt in het 5e bedrijf de Rey van Aemstellandsche Jofferen:
Nu is het tijdt, om op u selven 't ooch te slaen,
En schouwen u ellend, en eyghen quaelen aen,
En te beschreyen, met droef opgheheven klanck,
Uw scheuring, nederlaegh, verwoesting, onderganck.
Cornelissen (blz. 79, 80) wijst ook nog op de vredesoproep van de
Rey van Aemstellandsche Jofferen in het 2e bedrijf, na het uitzichtloze
twistgesprek tussen Floris en de samenzweerders. Zoals gezegd, wordt over het
roemruchte Rome gesproken, (vs. 605) het speel-
| | | |
kindt van het
Geluk (626, 627), dat echter door de boose lusten (vs. 649) van haar
Koninghen (vs. 650) tot een onbegraven ghebalsemt lijck (vs. 621,
622) is geworden. Dan keert de Rey zich tot het eigen land en spreekt over
der grooten kinderen haar woeste moedwil (vs. 656; we bespraken reeds
dit vers) en komt zo tot de vredesoproep:
Nu is 't Lands rust ghesteurt, de swaerden uyt de scheeden.
Ghy Helden hooghghemoedt, ghy Burghers trots, besiet
Erlegt in u ghedacht, besint, eer verder treeden.
Aen welcken gruw'len ghy der poorten sleutels biedt.
Keert buyten, buyten keert dat beest ontstelt van harssen
Den goddeloosen Krijch: en bouwt hem gheenen brug,
Dien 't met bebloeden beck in 't yser lust te knarssen.
Men kan wel nauwlyck, doch men kan nu noch terug.
Volgens Knuvelder is Hooft in zijn Geeraerdt van Velsen
onmiskenbaar een aanhanger van de aristokratisch-republikeinse
beginselen, waarbij behoort de leer der statensouvereiniteit; hij
wijst in dit verband op literaire gegevens over die souvereiniteit, die
hoogstwaarschijnlijk Hooft vóór het schrijven van de Geeraerdt
bekend waren.
6)
Geyl ziet de kwesties van het staatsbeleid zo belangrijk dat hij
komt tot de volgende nogal onaardige regels voor de dramaturg Hooft: Feitelijk
zijn de figuren in Geeraerdt en in
Baeto geen mensen. Het zijn maskaraderende
buiksprekerspoppen, die een verhandeling van Hooft over gezag en vrijheid,
recht van opstand en beperkingen ervan, het belang van eendracht en vrede, en
de verschrikkingen van burgertwist ten gehore brengen, in dialoogvorm en quasi
over een geval in het verleden
7).
| | | |
| |
1.2.3. Nieuwe bijdragen
Met weglating van het reeds gebodene geven wij nog een aantal
plaatsen die handelen over het staatsbeleid:
- Van vs. 220-243 somt Gheweldt een aantal bekende Europese
binnenlandse twisten, burgertwisten op.
- Het slot van de Rey van Aemstellandsche Jofferen, vs. 335, 336,
in het eerste bedrijf luidt:
O Godt wat d'Overheydt verbeurt
d'Onnoosele' al te dier bekoopen!
- De passage van vs. 448-522 in het tweede bedrijf handelt geheel
over staatsbeleid (onderdelen zijn reeds besproken). Het begint met de eerste
woorden van Floris, (vs. 448) als hem de handschoen uit de mond wordt gehaald,
nog fier en dapper:
Ghy Heeren ben ick niet Uw wettich Vorst?
en gaat verder met een dispuut over de bevoegdheid van de
Staeten deses Lands (vs. 452), met termen als tyran (vs. 464),
reedlijckheydt (vs. 479), wijsheyt (488) enz., enz.
- Het slot van het tweede bedrijf, vs. 529-672, met het optreden
van Eendracht, Trouw, Onnoosel heyt, de Aemstellandsche Jofferen handelt over
staatsbeleid.
- In het derde bedrijf verzet Van Aemstel zich tegen buitenlandse
inmenging, tegen vreemdt gheweldt (vs. 779); men moet het in eigen land
klaren, met behulp van de Staeten (vs. 743). Men kan van het buitenland
gebruik maken om bij het mislukken van de samenzwering een goed heenkomen te
vinden.
- In het gesprek met haar man na het dispuut van Van Velsen en Van
Woerden met Van Aemstel betreffende het overbrengen van Floris naar Engeland,
hoopt Machtelt in vs. 815, 816 dat hun leed en persoonlijke haat
Niet boven liefde van 't ghemeene best en gaet.
- De Rey-3 van Aemstellandsche Jofferen staat in het teken van het
staatsbeleid, hetgeen het duidelijkst te voorschijn komt in vs.1023-1026:
Ghelijck de Velser heer, die gaet besluyten,
Dat hy, om wraex versaên,
's Lands hoocheyt wil verraên,
| | | |
- Bij het nachtelijk onderhoud tussen Floris en Van Velsen in het
vierde bedrijf, zegt Floris in vs. 1123:
't Is Prinssen sieckt; wy gaen altsaemen aen dit evel.
namelijk: onrecht als recht voorstellen (vs. 1115), uit quaet
vermoêns (vs. 1120).
- De Rey van dit bedrijf begint (vs. 1240-1257) met de weerstand
tegen een tiran te prijzen:
Den oopenbaeren Dwinghelandt,
Met moed te bieden wederstandt,
En op den harssenpan te treeden;
Om, met het storten van zijn bloedt,
Den vaderlande 't swaerste goedt,
Den gulden vryheyt te bereeden;
Dat is, van ouwder hercoomst wydt,
By d'allertreffelycxt altydt
Beloondt met eerenbeelden dancklyck.
De roem is uytgheblaesen, met
Gheleertheyts helder trompet,
In schrift, en dichten onvergancklijck.
De lofkrans groenens nimmer moe,
Die comt het hayr der sulcken toe,
Die 't al, voor 't alghemeene waeghen:
Ghelijck den Heer van Aemstel tracht.
Hoewel zijns selschaps overmacht,
Hem let zijn voorstel te bejaeghen.
8)
| | | |
- Wat betreft het vijfde bedrijf hebben we reeds heel wat
besproken uit de Rey. Beginnend met een klaagzang over de deuchdgeurighe
roos (vs. 1420), Machtelt, beweegt de Rey zich verder op het terrein van
het staatsbeleid. Wij wijzen nog op vs. 1474:
O heylich' Eendracht ghy verlaet ons!
De lange profetische rede van de Vecht verhaalt de komende
glorierijke opkomst van Amsterdam, Holland en de
Zeven Provinciën, die ten tijde van het toneelstuk reeds realiteit was.
Daarin vallen op de vryheyt onderdruckt (vs. 1515), 't uytheemsch
gheweldt (vs. 1516), des Spaenschen Tyrannijs (vs. 1518), 's
Lands Staeten zullen een Heldt in 's vryheyts dienst stellen
van Nassausch bloedt (vs. 1524-1528), Ghy volcken van een bloedt,
houdt Eendracht met u beyden (vs. 1608, beyden = Hollanders en Zeeuwen;
Zeeland had een afwijkende mening wat betreft de aanbieding van de
souvereiniteit, zie Cornelissen, blz. 80), en helpen ons aan vree (vs.
1611), wie tyranny te woedichlyck ontstelt (vs. 1626). Het laatste stuk
vs. 1716-1741 is een pleidooi voor de Maeticheyt bij het staatsbeleid en
eindigt met de reeds besproken passage.
Houdt vry der volcken Toom wel staedich inder handt:
Maer voor 't uyterst enz.
Recht tussen dienstbaerheyt en wetteloosheyt heen.
Met deze les in regeringsbeleid gaan de toeschouwers naar huis,
het kommentaar van 8 regels van de Rey is een uitleidinkje.
| | | |
| |
1.3. Thema, motieven, figuratie
Bodkin, Peper, Frenzel, Styan en Bentley hebben geschreven over
het taalbouwwerk en speciaal het drama
9). Wij proberen hier het voornaamste samen te
vatten.
Bij een taalbouwwerk (toneelstuk, roman, lyrisch gedicht,
wetenschappelijke studie, betoog enz.) onderscheiden we:
- Het thema of de oerkonceptie, het oeridee, de mentale synthese,
de vizie, intuïtie van datgene waarover een auteur een taalbouwwerk wil
samenstellen.
- De motieven, de inhoudselementen, de vormen waarin de auteur het
thema wil realizeren.
- De figuratie, de plot-bedenking, de karakters, de typeringen, de
figuren waarmee in feite het taalbouwwerk wordt gebouwd of afgebouwd.
Bij het voortgaan van het thema naar de motieven en de figuratie
treden op de vormkenmerken of vormgevende kenmerken van het bedoelde genre, het
feitelijk taalbouwwerk en in ons geval het toneelstuk:
- De selektie van de motieven en de nog meer uitgebreide selektie
van de figuratie.
- De feitelijke volgorde, die te voorschijn komt bij de
bestudering en bespreking van de handelingsvoortgang.
- De spanningspunten, de arses van de handeling, de aktiemomenten,
de handelingsaspekten, het anaforische, het retrospektieve, de flashback, de
rekapitulatie, het prospektieve, die ook te voorschijn moeten komen bij de
bespreking van de handelingsvoortgang. Goede selektie, uitgerekende volgorde,
belangstelling opwekkende spanningsmomenten zorgen ervoor dat het thema de
lezer of luisteraar zo goed mogelijk bereikt.
Door te speuren naar het thema, de motieven, de figuratie en de
vormkenmerken trachten we te weten te komen wat er in het bewust- | | | | zijn
zijn van een auteur is gebeurd bij het kreëren van zijn
toneelstuk, roman, lyrisch gedicht, wetenschappelijke studie, betoog enz.
Deze ideeën toepassend op de
Geeraerdt van Velsen menen wij te mogen
konkluderen:
- Het thema is het goede staatsbeleid, en wel het goede
staatsbeleid in een rechtvaardige opstand tegen een tirannie. Dit thema bevat
in zich al een konsekwentie, een thematische konsekwentie dus, dat het gaat
over het staatsbeleid van de aristokraten, een aristokratisch staatsbeleid -
want- het zijn de aristokraten die het staatsbeleid in handen hebben en in
handen behoren te hebben.
De ingesloten realiteit die ook bij het thema behoort, is de
rechtvaardige opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse tirannie, de
onderlinge konflikten vóór en in het begin van het Twaalfjarig
Bestand, met een vredespartij en een oorlogspartij, de kwestie van de
aanbieding van de souvereiniteit. (Hooft was biezonder goed op de hoogte met
wat er in de politieke konstellatie in buitenland en binnenland aan de gang was
en interesseerde er zich reeds toen in hoge mate voor, dat blijkt o.a. uit de
lange brief aan Monsieur mon Cousin over het Twaalfjarig bestand van
maart 1609; met speciale nadruk op de eenicheit van den staet; zie de
uitgaven van zijn brieven, bv. Bloemlezing uit de brieven van
P.C. Hooft, van inleiding en toelichtingen voorzien
door H. van Tricht, Zutphen, z.j. Klassiek letterkundig Pantheon 148, blz.
8-16; zie ook noot6).
- De motieven zijn: aristokratische erekode, rechtvaardige
opstand, de gevaren van een zelfs rechtvaardige opstand, zijn staatszaken
binnenslands oplossen en zich niet naar de buitenlandse machten ter oplossing
wenden, innerlijke eenheid, eendracht. Het voornaamste motief is de
aristokratische erekode.
- De figuratie is de allegorie van de tragedie van de tiran
Floris V en de, nog meer tragisch, tegen hem
revolterende aristokraten, speciaal Geeraerdt van Velsen. De figuratie stelt
een waarschuwend historisch voorbeeld, dicht bij huis, van hoe een opstand
verkeerd, tragisch kan aflopen.
| |
1.4. Handelingsvoortgang
Handelingsvoortgang met toepassing van hetgeen gezegd is over
thema, motieven en figuratie:
- Eerste bedrijf vs. 1-336. Machtelt van Velsen wacht op het
Muiderslot op haar man, terwijl ze niets afweet van de gevangenneming
| | | | van Floris V. Ze overdenkt in een lange monoloog (1-136) het
afschuwelijke dat haar overkomen is wegens de gewelddadige verkrachting door
Floris. Ze spreekt Floris aan en laat Floris' vader, Rooms-koning Willem in een
gefantazeerde strafrede zijn zoon terechtwijzen. Een prospektief aktiemoment
is: Dier sal, Hollandsche Vorst, u uwen hoomoed staen / En voorbood is my 't
hart van schrickelijcke quaên (vs. 75, 76) en ook: hoe seere ducht ick,
dat / Ghy 't weeuwelijcke kleedt verbiedt in uwen daeghen (dat zij wilde
aantrekken wegens de smart over Floris' wandaad) / Op dat ick 't korteling
hebb' om uw doodt te draeghen (vs. 96b-97). De wandaad van Floris is een zeer
belangrijk submotief van het aristokratische erekodemotief. De ontering staat
in het historie-lied over Geeraerdt van Velsen, maar is daar volgens Bouman
10) een door
de volksmond ingevoegd element. Het is ook te vinden in de Divisiekroniek en
bij Pontanus, zie voor deze bronnen afdeling 2 van deze inleiding, bij de
vermelding van de historische bronnen. Men moet echter de zogenaamde feiten en
de tekening van de personen in de tragedie zeer kritisch bezien. De auteur
heeft de Rijmkroniek van Melis Stoke, het Lied, de Divisiekroniek en Pontanus'
boek alle hoogstwaarschijnlijk gelezen, maar modelleert overigens feiten en
personen naar zijn thema en motieven. In vs. 134b-136 spreekt ze over
beelden ijsselijck die haar geest bespringen. Deze ijselijke beelden
Twist, Gheweldt, Bedroch (vs. 137-264) treden dan op als allegorische personen,
die met hun voorkomen en met wat ze zeggen, zorgen voor levendigheid in de
handeling na de monoloog, een goede selektie. Men denkt als vanzelf aan
Rederijkersspelen
11). Het
‘Gheweldt | | | | …. waer blijf dy?’ en ‘Bedroch
komt voor den dach’ herinneren aan dergelijke oproepingen in middeleeuwse
toneelspelen. De Twist hoort bij het motief van de Eendracht, als
tegen-element. Gheweldt en Bedroch zijn submotieven van het vorstelijk onrecht,
dat behoort bij de aristokratische erekode, het zijn gedragingen van een
verkeerd staatsbeleid. We hebben het reeds behandeld. Zij zeggen heel
hatelijke, gemene dingen over hun kwalijke karakter en, nadat reeds in vs.
137-140 de Twist heeft verteld dat ze met bezweringen door de Hollandsche
Vorsten is opgeroepen, begeven ze vanaf vs. 244 zich gedrieën
definitief op weg naar het Volck, Aedel, Graef en Steden (vs.
246). De Rey van Aemstellandsche Jofferen (vs. 265-336) verhaalt vooral
retrospektief de euveldaad van Floris, zeer duidelijk een zeer belangrijk
submotief, zoals gezegd, overigens gezet in het perspektief van eer,
Prinsendienst, vazallentrouw, hoogmoed, wraak en ellende voor het hele
land.
- Tweede bedrijf vs. 337-672. Van Velsen komt aan op het
Muiderslot, ontmoet zijn schildknaap en zijn vrouw, vertelt haar de
gevangenneming van Floris en kondigt diens aankomst aan. De edele, eervolle,
zachtmoedige, verstandige, om het welzijn van de staat bezorgde Machtelt is de
liefelijke tegenspeelster van de woeste samenzweerders. Dit is een goed
geselekteerd opponerend motief; een op wraak beluste Machtelt zou de tragedie
minder tragisch maken. Tussendoor vallen termen als Dwinghelandt, Staeten,
eere. Aanstonds bij de aankomst begint het grote twistgesprek van
Van Woerden,
Van Velsen,
Van Aemstel met
Floris (vs. 388-521). Het gesprek gaat over het motief
van de aristokratische erekode en daardoorheen en soms heel rechtstreeks over
het staatsbeleid. Belangrijke verzen en termen zijn in het voorafgaande
besproken. Dit twistgesprek is, ook door zijn levendigheid, een van de
dramatische hoogtepunten. Niet alleen de wandaad tegen Machtelt wordt hier
verweten, ook die tegen Van Velsens broer en het verbreken van de voorwaarden
bij zijn inhuldiging. De eerst nog fiere Floris toont zich steeds deemoediger
en komt zo zelfs tot staatswijsheid. Na dit uitzichtloze twistgesprek kunnen de
allegorische personen Eendracht, Trouw, Onnooselheyt, die in vs. 572
poortressen van de Hemel worden genoemd en motieven van een goed
staatsbeleid personifiëren, niet langer verblijven op de boze Hollandse
aarde, die ze overlaten aan Gheweldt en Bedroch, en zweven terug naar de Hemel,
waar ze door een Rey van Hemellieden worden verwelkomd. (vs. 529-604). De Rey
van Aemstellandsche Jofferen (vs. 605-672) bezingt | | | | hooggestemd het
roemruchte Rome, het speelkind van het geluk, dat echter door de boze lusten
van zijn koningen tot een onbegraven, gebalsemd lijk is verworden. Vanaf vs.
653 wordt het toegepast op de staatssituatie van het toneelstuk. In dit
gedeelte van vs. 653-672 komt de eigentijdse realiteit die bij het thema
behoort, de oorlog tegen Spanje, de onderlinge twisten vóór het
Bestand en tijdens het eerste deel van het Bestand door de figuratie van de
samenzwering tegen Floris heenbreken. Het doch men kan nu noch terug van
vs. 664 klinkt prospektief wat betreft de voortgang van de tragiek van dit stuk
en vermanend voor de eigentijdse toehoorders.
- Derde bedrijf vs. 673-1066. Van vs. 673-804 duurt het beraad van
de samenzweerders. Ze zijn het eens over het tirannieke karakter van het bewind
van Floris, maar spoedig ontstaat een dispuut, omdat Van Aemstel zich verzet
tegen de plannen van Van Velsen en Van Woerden. Hij wil Floris niet overleveren
in de handen van de Engelse koning (en dan zijn zoon Jan als graaf inhuldigen),
maar wil de zaak bespreken met de Staten, dus in eigen land oplossen. Het is
een vrij levendig hoogtepunt in de handeling en het betreft het staatsbeleid.
Alsmaar komt Van Aemstel erop terug dat hij geen vreemd krijgsvolk in Holland
wenst en ook hier breekt weer het thematische eigentijdse probleem over vreemde
souvereiniteit en vreemde troepen door de figuratie van de 13e eeuw heen. Na
een vriendelijke dialoog tussen Machtelt en Gheeraerdt, waarbij de eerste haar
bezorgdheid voor 't ghemeene best (vs. 816) uit en zich verklaart tegen
het raadplegen van Timon Tooveraer begeeft de schildknaep zich naar deze op
weg. Van vs. 859-982 duurt het gedeelte met Timon, de Helsche Gheest en de
dubbelzinnige uitspraak. Deze scènes horen bij de toneeltechniek van
Hoofts tijd, zij verschaffen een interessant intermezzo, de toeschouwers,
anders dan nu, griezelden behoorlijk. De Rey (vs. 995-1066) beschouwt
retrospektief de behandelde zaken in dit bedrijf, wijst op de tragische
neergang van de Velser Heer, heeft waarderende woorden voor Van Aemstel,
die anders als bij samenzweerders gewoonte is liefde heeft voor 's Lands
welvaart (vs. 1066).
- Vierde bedrijf vs. 1067-1287. De auteur geeft weer voor de
levendigheid van de handeling toe aan de Renaissancistische zucht voor spokerij
en laat de Gheest van de door Floris onrechtvaardig vermoorde broer van
Geeraerdt van Velsen in de nachtelijke kerker van Floris verschijnen. De
vernederde Floris is helemaal een bangerd geworden en schreeuwt luidkeels om
hulp naar Van Velsen. Alle samenzweerders snellen toe, ook zij slapen blijkbaar
niet te gerust. | | | | Het komt tot een gesprek tussen Van Velsen en
Floris, (vs. 1108-1142) een in elkaar gedeukte, zich steeds meer vernederende,
zijn onrechtvaardigheid bekennende, om zijn leven smekende Floris, die zelfs in
ruil voor dat leven Van Velsens bastaertdochter wil huwen, die, alleen
gelaten, een lange monoloog houdt over zijn val (de neergang van Floris is door
Hooft psychologisch knap onder woorden gebracht; om te
spreken van laffe zelfvernedering, als De Raaf en Griss
12) lijkt me net iets te
ver), - en een hautaine, ongenaakbare, wraakgierige en daardoor ook
onredelijke, tragisch ten onder gaande Van Velsen, die, als de schildknaap
wijst op het dubbelzinnige antwoord van de Helsche Gheest, keihard zegt: 't
gheen dat ick besuyr, dat sal hy (Floris) mee besuyren (vs. 1198), een
prospektief vers). De tragische ondergang van Geeraerdt zou beter uit de verf
gekomen zijn, als hij b.v. na het onderhoud met Floris tot een innerlijk
konflikt was geraakt; nu blijft zijn psychische houding wat te simplistisch.
Het gesprek tussen Floris en Van Velsen en de droeve monoloog van Floris zijn
doorspekt met termen en verzen over aristokratische erekode en over
staatsbeleid die reeds besproken zijn: gheen argher onrecht als dat enckel
recht wil schynen (1115); (onrecht doen uit kwaad vermoeden) is Prinssen
sieckt; wy gaen altsaemen aen dit evel (1123); verraeder (van de
aristokratische erekode, 1138); Vorst, vrye landt (1148). De trompetter, die
tegelijk de wachter is, ziet de vijanden naderen die Floris willen bevrijden.
Men besluit geen beleg af te wachten, maar met de graaf snel te vertrekken. Een
laatste treurig onderhoud van Geeraerdt met zijn vrouw Machtelt, die in het
slot wordt achtergelaten = Hier blyve' ick dan alleen op 's woeden volcx
ghenae. / Helaes wat overlast sal my al staen te lyen! (vs. 1229, 1230;
prospektief). De Rey (vs. 1240-1287) bespreekt eerst de held die weerstand
biedt aan de Dwingelandt en dat doet voor 't algemeene / ghelijck den
Heer van Aemstel (vs. 1254-1255), al komt er van zijn voorstel niets
terecht door de overmacht van de andere samenzweerders. Daarna weidt de Rey wat
te veel uit over de niet-dappere die in een grote rust leeft omdat hij niets
onderneemt tegen een tiran.
- Vijfde bedrijf vs. 1288-1751. Graaf Floris, door Van Velsen tot
de dood toe gewond, sterft temidden van zijn trouwe Naerders, die de vluchtende
samenzweerders in een hinderlaag hebben opgevangen. | | | | De Rey van
Naerders zingt een klaagzang. De Trompetter brengt als bode aan Machtelt de
nare tijding en vertelt wat er gebeurd is. Machtelt wacht op de komst van het
woedende volk. Zij, ook een van de hoge lieden, vreest minder de dood dan
nieuwe schennerij, die zou voltooien hetgeen haar aangedaan is door Floris (vs.
1409-1416). De Rey van Aemstellandsche Jofferen, die reeds trachtte haar te
bemoedigen, bezingt deze deuchdgeurighe roos (vs. 1420-1431). Het
overige deel van de Rey (vs. 1432-1477) is reeds geregeld besproken; het
beweegt zich op het terrein van het staatsbeleid, sprekend over de
rampsaelighe Graef van Hollandt (1440), de Velser Ridder (1442),
de Eedelinghen dwaes (1457) en weer komt door de figuratie heen het
perspektief op Hoofts eigen tijd: Eendracht ghy verlaet ons! (vs. 1474).
Hooft is voorgoed bezig aan zijn kollege over het staatsbeleid. De Vecht
verschijnt op het toneel en houdt zijn profetische rede die de glorierijke
eigen tijd beschrijft van Amsterdam, Holland en de
Republiek met de grote bevrijder en held Willem en heel zijn familie tot
Maurits en Frederik Hendrik toe. De door de Spaenschen Tyrannijs
onderdruckte vryheyt is weer in haeren ouwden standt herplant (vs.
1513-1528). Maar nu, nu er konflikten zijn tussen Zeeland en Holland (er waren
nog andere grote gevaarlijke meningsverschillen wat betreft het staatsbeleid):
Ghy volcken van een bloedt, houdt Eendracht met u beyden (vs. 1608).
De laatste les en tegelijk in feite het laatste stuk van het
toneelstuk (vs. 1716-1741) is reeds zeer ver verwijderd van de figuratie van
het geval Gheeraert van Velsen en Floris en pleit voor de Maeticheyt
(vs. 1714) in het staatsbeleid, opdat niet opnieuw de Tyranny insloope
(1732).
Op blz. 31 staat een poging de handelingsvoortgang weer te geven
met spanningshoogtepunten en spanningslaagtepunten, in drie lagen. (→ =
prospektief, ← = retrospektief, ↓ = rechtstreeks eigentijds).
| |
2. Afhankelijkheid, uitgaven, waardering
In het voorafgaande zijn reeds verschillende auteurs en werken,
waarvan Hooft in dit drama afhankelijk is ter sprake gekomen:
Hugo de Groot,
Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleerdheid;
Aristoteles,
Ethica;
Cicero,
De Officiis;
Castiglione,
Il Cortegiano;
Guazzo,
La conversatione civile;
Romei,
Discorsi;
Machiavelli,
Il Principe; Hugo de Groot,
Parallelon;
Montaigne;
Lipsius,
Politica;
Bodin,
La république;
Tacitus;
Garnier,
Cornélie;
Vergilius,
De Aeneis. | | | | | | | |
In de verklaringen bij de verzen zullen nog meer gevallen van
afhankelijkheid vermeld worden.
Als historische bronnen voor het verhaal van Floris V en de
samenzwerende edelen dienden:
Melis Stoke,
Rijmkroniek +
't Liedeken van Gheraert;
Cronycke van Hollandt, Zeelandt ende Vrieslandt genoemd
Divisiekroniek, (vermoedelijk geschreven door
Cornelius Aurelius, 1e druk Leiden 1517);
Pontanus,
Rerum et Urbis Amstellodamensium historia (verschenen in
1611; de samenzwering van 1296 wordt waarderend besproken en de gebeurtenissen
worden in verband gebracht met de bloei van Amsterdam, zoals in de
profetie van de Vecht op het eind van de tragedie); (waarschijnlijk ook)
Jacob Duym,
Oudt Batavien nu ghenaemt Holland
13). Als gegevens
voor de eigentijdse Nederlandse situatie zijn reeds genoemd:
Vranck;
Hugo de Groot,
Liber de antiquitate Reipublicae Batavicae; en nog eens
Pontanus [zie ook noot 6)].
Wij bespreken nu de afhankelijkheid van de Geeraerdt van Velsen wat
betreft de techniek van een tragedie. F. Veenstra heeft in de uitgebreide
Inleiding op zijn Baeto-uitgave
14) een aanzienlijk deel gewijd aan De Baeto
en de Geeraerdt van Velsen in hun verhouding tot de klassieke tragedie
(blz. 21-55). Volgens de schrijver is Seneca, de meester, wiens vorm
werd overgenomen, maar Hooft heeft die vorm toch niet zonder meer slaafs
gevolgd.
Volgens de klassieke tragedie moet het stuk beginnen met een
proloog, die de toeschouwers op de hoogte moet brengen van plaats, tijd en
situatie. Deze proloog kan ook uitgesproken worden als een lange monoloog door
een van de hoofdpersonen. Seneca wil in deze proloog tegelijk een sfeer
scheppen van onheil en duistere dreiging. Machtelt zegt de proloog in haar
lange monoloog. De dreiging van naderend onheil is reeds aanwezig en wordt nog
versterkt door de ijsselijcke beelden Twist, Gheweldt, Bedroch.
Volgens de klassieke tragedie mogen er slechts drie spelers tegelijk
optreden. Hooft toont zich wat vrijer door in de twist van het 2e bedrijf vier
personen op het toneel te plaatsen.
De stukken van
Seneca zijn vooral als voordracht bedoeld. Hooft geeft,
natuurlijk moet men dit in zijn tijd zien, veel meer handeling | | | | en
levendigheid. De monologen en de lange redevoeringen in de dialogen zijn veel
dramatischer dan bij Seneca. Hooft geeft ook percentueel meer
dialoogverzen.
Seneca hield van sententiae, puntige gezegden over levenswaarheden.
Die vinden we ook in de Geeraerdt en overal elders in het werk van Hooft. Voor
een aanzienlijk deel zijn het hele of halve vertalingen uit andere schrijvers,
maar hij maakt zelf ook nieuwe.
Hooft volgt wat betreft de koren niet de opvatting van Seneca, maar
laat volgens de Griekse traditie het koor optreden aan het eind van de eerste
vier bedrijven. Daar is een natuurlijke caesuur in de handeling en bestaat voor
de dichter de mogelijkheid zijn ideeën lyrisch bespiegelend aan de
toeschouwers mee te delen.
Wat betreft de bovennatuurlijke krachten. Daarmee werd ook al
gewerkt in de klassieke tragedie. Bij Seneca treden geesten op om een sfeer van
onheil te scheppen. Het Renaissance-toneel heeft de spokerij overgenomen; de
Geeraerdt werkt er overvloedig mee en het is veel levendiger dan bij
Seneca.
Een voester treedt niet op in de Geeraerdt van Velsen, wel een bode,
maar weer veel levendiger dan bij Seneca en meer dramatisch verantwoord.
Dat Floris V niet de tragische held is, maar Geeraerdt van Velsen
werd behandeld op het eind van 1.1. Denkend aan een tragedie van Shakespeare
waar het stuk eindigt, omdat alle personen dood zijn, kan men zeggen: het zijn
allemaal tragische verliezers: Floris, Van Velsen, Machtelt, Van Woerden, Van
Aemstel (met een poging to wijsheid en deugd bereik je blijkbaar niet veel in
het staatsbeleid; Machiavelli heeft dat juist gezien). Het meest ontroerend is
de ondergang van de deugdgeurige roos, Machtelt. Als een tegenhanger ten
aanzien van al deze ellende staat de profetie van de Vecht, met de eigentijdse
achtergrond. Als oppositie om tot een evenwicht te komen is deze profetie nauw
bij het stuk betrokken. Men moet zeggen dat de tragische neergang van Floris
beter is beschreven dan die van de officiële tragische held Geeraerdt van
Velsen.
Wat betreft de eenheid van plaats en tijd staat er op het eind van
de Inhoudt: Het Treurspel begint van den avondt nae 't vangen des Graefs, ende
eyndicht inden morghen daer aen, met zijn doodt ende beclach daer op volghende.
Het toonneel is op ende om het Huys te Muyden. Om de eenheid van plaats te
handhaven mag de Schildknaep niet te ver gaan bij het opzoeken van Timon
Tovenaar en brengen de Naerders de dodelijk gewonde Floris naar het
Muiderslot. | | | |
Er bestaan vele uitgaven van de Geeraerdt van Velsen. We vinden ze
in P. Leendertz Jr. blz. 9-11, nr. 19-37, zie ook blz. 56/57. In de
Gedichten van Hooft van P. Leendertz Wz. en F. Stoett vinden we bij het
begin van het toneelstuk, Tweede Deel blz. 212, ook een lijst. En nu hebben we
Alle de gedrukte werken.
15) F.A. Stoett verzorgde de uitgave van het Klassiek Letterkundig
Pantheon 138/139 (Zutphen, z.j.), die gelijk is aan die in de Gedichten van
Hooft. Wij geven deze 1e uitgave van 1613, niet de veranderde editie van
1636, volgens de uitgave van 1972, met enige praktische korrekties. In de
Inleiding van Leendertz-Stoett blz. LV staat dat Hooft in de veranderingen van
latere uitgaven meer heeft bedorven dan verbeterd. De verwijzingen naar de
editie van 1636 in de vorige Pantheon-uitgave hebben we opnieuw opgenomen. Wel
hebben we overal de aa veranderd in ae. Het toneelstuk was reeds eerder
uitgegeven in Pantheon als nr. 18 (1853, door J. van Vloten, 2e dr. z.j. door
G. Slothouwer). De vele uitgaven, reeds gedurende het leven van Hooft, bewijzen
dat het stuk een grote waardering genoot, Van Tricht spreekt van een
glansstuk van het Amsterdamse repertoire (o.c. blz. 56). Het betekent dat
de inhoud aansloeg, natuurlijk het verhaal van Floris V en de edelen, maar ook
de uiteenzettingen over het staatsbeleid in verband met de eigentijdse
problemen en het beroep op de erekode van de aristokraten, terwijl men in die
tijd het als toneelstuk en wat betreft vele fraaie verzen zal hebben
gewaardeerd.
Zelfs voor onze tijd behoeft de Geeraerdt van Velsen niet alleen
maar een museumstuk te zijn, in arren moede bestudeerd door lieden die er iets
van moeten weten voor een examen. Wij leven in een tijd van revolutie tegen
maatschappij en kerk. Hooft leert ons dat men bij een revolutie met wijsheid en
gematigdheid te werk moet gaan. Maar het is bijna onmogelijk tegelijk een
revolutionaire held en een gematigd en wijs mens te zijn, want een revolutie is
een hartstochtelijke zaak die er doorheen geknokt moet worden.
Wijze, matige, redelijke geesten neigen meer naar wat staat in vs.
1285-1287:
Het veel bestaen can nauw bestaen:
Ghemackelijck is vaylichst gaen:
En groote rust cleen onderwinden:
|
1)Fokke Veenstra, Ethiek en moraal bij
P.C. Hooft, twee studies in renaissancistische
levensidealen, Tjeenk Willink, Zwolle 1968, Zwolse reeks van taalen
letterkundige studies, nr. 18; de eerste studie Aristocratische moraal, een
facet van de Geeraerdt van Velsen is van blz. 11-101. Afkorting:
Veenstra.
2)Voor het kat en muis beeld van E. Fuchs,
zie J. Robinson, Die Hermeneutik seit Karl Barth, in: Neuland in der Theologie,
Band 2, Die neue Hermeneutik, Zürich-Stuttgart 1965, blz. 79. Natuurlijk
brengt de hermeneutiek nog veel meer, en veel ingewikkelder, zaken naarvoren;
we gaan er hier niet verder op in.
3)F. Veenstra, Bijdrage tot de kennis van
de invloeden op Hooft, Assen 1946. Afkorting: Veenstra, Invloeden.
4)J.D.M. Cornelissen, Hooft en Tacitus,
Bijdrage tot de kennis van de vaderlandsche geschiedenis in de eerste helft der
17de eeuw, Nijmegen-Utrecht 1938. Afkorting: Cornelissen.
5)Geeraardt Brandt, Het leven van Pieter Corn.
Hooft en de lykreeden, uitg. P. Leendertz Jr., 's-Gravenhage 1932. Afkorting:
Brandt.
6)G. Knuvelder, Handboek tot de geschiedenis
der Nederlandse letterkunde, 2e deel, 2e druk, 's-Hertogenbosch 1958, blz. 182
noemt: Franchois Vranck, Deductie; Hugo de Groot, Liber de antiquitate
Reipublicae Batavicae, 1610; J. Pontanus, Rerum et urbis Amstellodamensium
historia, 1611; en verwijst in noot 2 naar nog meer gegevens. Veel van zijn
gegevens zijn ontleend aan het rijke artikel van W. van Wel, Hooft's Geeraerdt
van Velsen, Nieuwe Taalgids 35, dat ook andere auteurs over de G. v. V. heeft
geïnspireerd.
7)P. Geyl, Shakespeare als geschiedschrijver,
blz. 55, in: Tochten en Toernooien (citaat volgens Veenstra, blz. 91, noot
112).
8)A. Kluyver heeft in zijn studie Over
twee koren in Geeraerdt van Velsen (Ts. v. Ned. T. en L. 35) gewezen op de
tegenstelling tussen het door ons zojuist geciteerde deel van de 4e Rey dat de
held die zich verzet tegen de Dwingeland prijst en het daarna grotere deel dat
de grote rust (vs. 1287) van een onvermaert (vs. 1264) man met veel
invoeling beschrijft. Volgens hem heeft Hooft zich van zijn onderwerp
dwingeland-held laten afleiden en het kleine stuk over de vergeten burger in
zijn voorbeeld, het koor in het 4e bedrijf van het treurspel Cornélie
van Garnier, veel te groot uitgebouwd, omdat het zijn persoonlijke levensmanier
beschreef. Veenstra is het niet eens met het verwijt dat Hooft zich van zijn
onderwerp heeft laten afleiden (Invloeden blz. 82-86). H. van Tricht (P.C.
Hooft, Arnhem 1951, blz. 55; afkorting: Van Tricht) ziet hier innerlijke
tweespalt, een zoon van de revolutie is konservatief geworden en kiest de rust
boven de roemrijke opstand. Wij gaan niet zover. Het eerste deel van de 4e Rey
handelt over het staatsbeleid, het volgende stuk weidt wat te veel uit over de
rustige burger, omdat deze figuur Hooft wel ligt. Wat betreft het eerste
stuk van de Rey, zie vs. 1237 v.v. uit Garnier's Cornélie (zie G. Kalff,
Hooft's verplichtingen aan Fransche en Italiaansche dichters, Ts. 35, blz.
317);
Celuy qui d'un courage franc
Prodique vaillement son sang
Pour le salut de la Patrie,
Qui sa vie entretient exprès
Pour meurtrir les Tyrans pourprés
9)M. Bodkin, Archetypal patterns in poetry,
Oxford paperbacks no. 66, 1963; J. Peper, Bewuβtseinslagen des
Erzählens und erzählte Wirklichkeiten, Leiden 1966; El. Frenzel,
Stoff-, Motiv- und Symbolforschung, Stuttgart 1963; J. Styan, The elements of
drama, 3e ed. Cambridge 1967; E. Bentley, The life of the drama, 2e ed. Londen
1966; A. de Witte, De funktie van de taal in het denken, II, macrotagmemen, nr.
3 en 5, Utrecht 1970.
10A. Bouman, Het lied van Geraert van
Velsen, Ts. v. Gesch. 49; zie J. Niermeyer, Het Sticht Utrecht en het
graafschap Holland in de dertiende eeuw, in: Algemene geschiedenis der
Nederlanden, deel II, Utrecht-Antwerpen enz. 1950, blz. 296.
11F. Veenstra wijst op afhankelijkheid van
Vergilius' voorburch van der Helle, vestibulum Orci in De Aeneis VI, 273
en wijst ontlening aan de Rederijkers af. (P.C. Hooft, Baeto, ingeleid en met
aantekeningen voorzien door F. Veenstra, Zwolse dr. en herdr., Zwolle 1954,
blz. 49). Zijn argumentatie voor de afhankelijkheid van De Aeneis VI, 273 + 278
is overtuigend. Deze afhankelijkheid sluit echter een voortduren van
Rederijkersstrukturen niet uit. G. Overdiep noemt het toneelstuk een sinnespel
(P.C. Hooft, blz. 365, in: De Letterkunde van Renaissance en Barok in de
zeventiende eeuw, Deel IV, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden,
's-Hertogenbosch-Brussel 1948). Ook G. Knuvelder ziet het rederijkerselement,
al ontworstelt Hooft zich eraan (o.c. blz. 185-186).
12K. de Raaf en J. Griss, Stromingen en
gestalten, Geschiedenis der Nederlandsche letteren, met medewerking van N.
Donkersloot, 2e druk, Rotterdam 1931, blz. 273.
13Zie ook W. van Wel, Hooft's Geeraerdt van
Velsen, o.c.; H. van Tricht, blz. 56; Veenstra, blz. 72.
14P.C. Hooft, Baeto, ingeleid en met
aantekeningen voorzien door F. Veenstra, Zwolse dr. en herdr., Zwolle 1954.
Afkorting: Veenstra, Baeto.
15P. Leendertz Jr., Bibliographie der werken
van P.C. Hooft, 's-Gravenhage 1931; Gedichten van P.C. Hooft, door F.A. Stoett
(tweede bewerkte druk van de uitgave van P. Leendertz Wz., Amsterdam eerste
deel 1899, tweede deel 1900); P.C. Hooft, Alle de gedrukte werken 1611-1738,
Un. Press Amsterdam, Amsterdam 1972, verschillende drukken in delen 2, 3, 6,
9.
|
|