De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 1 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (eds.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (eerste deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1976  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 645]

273 Aenden H. Caspar Barlaeus Professor tot Lejden.

1 Plurimis me, Clarissime Barlaee, eximium illud patriae decus 2 Realius, officijs devinxit. Quod autem amicitiam mihi conciliaverit 3 viri, inter omnes litterarum antistites, cum amoenitate ingenij, tum 4 elegantiá morum et humanitate praestantis, id verò mihi omnium 5 praestitit praestantissimum. Litterae itaque tuae, et versus, quibus 6 visum fujt, solennia matrimonij mei celebrare, ingenti, ut par erat, 7 me gaudio perfudere. Quod tamen, ut et par erat, atque rerum mor- 8 talium fert conditio, absolutum omnibus numeris non fuit. Subibat 9 quippe reputatio inbecillitatis meae, quamque gratiae debitae non 10 essem referendae, obvium adeó animum, citrá ullum meum meri- 11 tum, deferenti. Sed hunc solabor maerorem, cogitando quam tibi 12 gratum accidere oporteat, adeo meritis valere, ut, infra magnitudi- 13 nem eorum, omnis gratiarum relatio jaceat, aequumque esse, tan- 14 tam voluptatem amico ut ne invideam. Ita nec mihi amicus invi- 15 deas gratitudinis demonstrandae gloriam, rogo, si, forté fortuná, mei 16 quandoque usus tibi esse potuerit. Interim te, hoc quantulicunque 17 munusculi, quod hisce adjunctum est, ne spreveris, Deum opt. max. 18 ut te omni genere foelicitatis beet, precor ex animo

 

19 Mudae in arce, xv Kal.

20 Dec. ai 1627.

19 TT

20 P C Hóófdiús.

 

vertaling

 

Met vele diensten, doorluchtige Van Baerle, heeft dat uitnemend sieraad van het vaderland Reael mij aan zich verplicht. Dat hij echter mij de vriendschap heeft weten te verschaffen van een man, onder alle priesters der letteren zowel door de aantrekkelijkheid van zijn talent als door voorbeeldigheid van levenswijze en fijne beschaving uitmuntend, dat is voor mij wel het meest uitmuntende van al wat hij zo uitmuntend heeft verricht. Uw brief derhalve en de verzen, waarin het u heeft beliefd, de plechtige sluiting van mijn huwelijk te vieren, hebben mij, gelijk betaamde, met ontzaglijke vreugde doortinteld. Maar deze was, gelijk ook betaamde en de menselijke lotsbestemming met zich brengt, niet in alle punten volkomen. Immers bij mij kwam op de overweging van mijn eigen onmacht, en hoe weinig geschikt ik was tot het vergelden van de zo verschuldigde dankbaarheid aan iemand, die een zo tegemoetkomende gezindheid inbrengt zonder enige verdienste mijnerzijds. Maar in deze stille smart zal ik troost vinden door te bedenken, hoe aangenaam het u behoort te treffen, zoveel door verdiensten te ver-

[p. 646]

mogen, dat alle betuiging van dank beneden de grootheid van de verdiensten blijft liggen, en hoe recht het is, zo groot genoegen een vriend niet te misgunnen. Zo vraag ik u dan, dat gij ook als vriend niet mij misgunt den roem van dankbaarheid te betonen, indien, door een gelukkig gesternte, eventueel ge eindelijk eens enig nut van mij zoudt kunnen hebben. Intussen bid ik u, dat ge dit geschenkje, hoe gering het dan ook zij, dat bij dezen brief gevoegd is, niet versmaadt, en den goeden, groten God bid ik van harte dat Hij met alle verscheidenheid van geluk u verblijde.

 

Te Muiden op het Slot 17 november 1627.

T.à.v.

P.C. Hóóft.