De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 1 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (eds.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (eerste deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1976  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 776]

345 Aen den H. Caspar Barlaeus.

1 Mijn Heere,

 

2 Ick en weet niet wat meester, maer zoo veel wel dat het een Griek 3 was, dien men nojt aen 't zingen kreegh, zonder, voor 't eerste ge-3 4 recht der ooren, eenighe quaede stemmen te schaffen, om de zijne4 5 van beter kauw te doen vinden. 'T is dan der Swaenen oorber5 6 niet de ganzen de keel toe te binden, het schreeuwen der welke haer 7 tot eenen lofzang dient. Op dit inzicht vervordert het bijgaende7 8 rijmwerk zich van UE te laeten hooren, ende is schier verwaent 9 genoegh om te denken dat UE hem noch schuldigh blijft door dien9 10 't tot diepsel strekt van de hooghujtgewrochte dichten, die het UE10 11 gelieft heeft ook onder anderen mij te vereeren. Maer deze schult 12 zal haest gebluscht zijn bij zoo verre dat UE verstaen kan mij in be-12 13 talinge te geven onderwijz van de misslaeghen, doolingen, ende 14 wanvoeghlijkheden, daer 't mede bekladt komt, jae zal ick belijden, 15 Mijn Heere, dat UE alsdan noch veel inde handt zal komen van15

 

16 UE

17 Verplichten dienstwillighen

 

Hooft stuurt Barlaeus de Hollandsche Groet. Van het feit dat van de Poëmata van Barlaeus, die in 1628 te Leiden verschenen waren, in 1630 een liber novus het licht zag, maakt hij gebruik voor zijn bescheidenheidsritueel, namelijk door zijn eigen werk met het geschreeuw van een gans te vergelijken (vgl. 268) en dat van Van Baerle met de zang van een zwaan. Hij vraagt om kritiek. De brief behoort tot de reeks aanbiedingen van de Hollandsche Groet, waarvan die aan Huygens en Wijtz op 19 februari 1630 geschreven werden, die aan Tesselschade op 20 februari, terwijl deze en die aan Anna Roemers ongedateerd zijn; dat die aan Anna dadelijk na het verschijnen geschreven werd, kan men afleiden uit het feit dat Hooft zegt, haar het vers al te hebben voorgelezen (347).

[p. 777]



illustratie