De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 561]

656 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1 Magnifice vir,

 

2 Mitto, quam petieras à clarissimo Heynsio, motuum Belgicorum2 3 historiam, sed ακεφαλον [sine capite] illam & ανευ προοιμιου [sine] 4 praefatione]. Talem enim se à nobilissimo Mylio accepisse scribit, cui 5 ab Illustrissimo Molino Senatore Veneto transmissa fuit. Ubi, 6 quae desiderantur, acceperit D. Heynsius à N. Mylio, hic à Molino, 7 compos eorum fies. Scriptor minimè contemnendus est. Longis 8 tamen et infinitis parasangis à Tacito veteribusque relinquitur, ut 9 qui his ipsum comparare sustinent, minus mihi videantur 10 observasse, quid in Tacito aliisque stupendum sit. Tu illo fruere, et 11 si quid reperis notatu dignum, in narrationes tuas transfer, et 12 Belgis tuis imperti. Multa vera habet, plurima à partium studio 13 profecta. dictio sibi dissimilis interdum mascula et Romana, 14 interdum plebeia et à Belgicismis non immunis. modo concisa, 15 modo laxa; modo nervosa, modo elumbis. Cujus causam in 16 diversitatem autorum rejicio, ex quibus haec ipsa decerpsit. Quod et 17 Thuano accidit, qui ut laboris compendium faceret, dum ex va-17 18 riorum ad ipsum missis chartis libellisque opus contexit, retentis 19 autorum verbis, historiam nobis dedit non ejusdem genii et 20 linguae. A Domino Zulechemi non ita pridem literas accepi, 21 quibus haec in fine subscribit: Praestantissimo Hoofdio tantum nunc 22 salutem dici cupio, scripturus propediem, et moniturus 23 prudentissimum autorem de nonnullis, quae illustrandae historiae 24 quam feliciter pertexit, apprimè, ni fallor, conducere judicabit. 25 Vides quae quantaque ab heroë nostro expectare debeas. Princeps 26 noster coeptam Bredae obsidionem solvit, voti sui compos, nec 27 enim alio consilio urbem istam tentavit, nisi ut hostem Trajecto 28 ad Mosam averteret, quem simulac cum toto exercitu obsessam 29 urbem deseruisse, et Brabantiae interiora Bredamque petere ex 30 literis Principis Buillonii intellexisset, illico exercitum Breda 31 abduxit. Gloriosissimam crede hanc Principis abitionem, non 32 ignominiosam, uti imperitum vulgus censet. Haec Haga ad 33 D. Vicofortium scribit Kinschotius. Scripsit eadem Dominus 34 Zulechemi ad suos è castris. Vale Vir summe et officiosissime, 35 uxoremque humanissimam filiamque modestissimam, et Iulum35 36 tuum familiae spem meis verbis saluta. Quod si postremus hic 37 officii hujus mei nondum per aetatem sit capax, osculo verba mea 38 redime. Amstelod. 12 Sept. 1634.

[p. 562]

vertaling

 

Deftige man,

Ik stuur (waarom ge hadt gevraagd bij den vermaarden Heinsius) de Historie der Nederlandse Woelingen, maar sine capite (zonder kop) en sine praefatione (zonder woord vooraf). Zo immers, schrijft hij, heeft hij het boek ontvangen van den hoogedelen Van der Mijle, aan wien het door den doorluchtigen Molino, lid van den Raad van Venetië, was overgestuurd. Zodra de Heer Heinsius, wat nu mist, zal hebben ontvangen van den hoogedelen v.d. Mijle en deze weer van Molino, zult ge de beschikking erover krijgen. Den schrijver moet men allerminst laag aanslaan. Echter, oneindig vele lange mijlen blijft hij bij Tacitus en de ouden ten achter, zodat, wie het bestaan, met dezen hem te vergelijken, te weinig, naar het mij voorkomt, hebben opgemerkt, waarnaar men in Tacitus en anderen zo verbluft moet opzien. Gij, trek profijt van hem en alwat ge optekenenswaardig bevindt, breng dat in uw verhalen over en maak daarvan uw Nederlanders deelgenoot. Veel wat waar is, behelst hij, maar ook zeer veel, uit partijzucht voortgekomen. De wijze van zeggen blijft niet zichzelf gelijk, is soms mannelijk krachtig en echt de taal van Rome, maar soms ook de spraak van het mindere volk, en aan Neerlandismen niet ontsnapt. Nu eens bondig, dan weer wijduitgesponnen, nu gespierd, dan lamlendig. De oorzaak daarvan voer ik terug op het uiteenlopende karakter van de bronnen, waaruit de auteur de feiten heeft geput. Dit is ook aan Thuanus overkomen, die, ten einde een moeizaam werk te bekorten, doordat hij uit de aan hem gezonden papieren en notities van allerhande personen een werk heeft samengesteld, waarin hij de bewoordingen van zijn zegslui behield, ons een Historie heeft gegeven van niet één en denzelfden geest en taal. Van den Heer van Zuilichem heb ik niet zo lang geleden een brief ontvangen, waarin hij op het einde onderaan schrijft: ‘Aan den voortreffelijken Hooft zie ik op het ogenblik graag enkel de groeten gedaan, daar ik voornemens ben, hem eerstdaags te schrijven en den zeer bezonnen auteur opmerkzaam te maken op enige zaken, waaromtrent hij zal oordelen, dat ze tot de verheldering van de Historie, die hij op gelukkige wijze op het touw heeft staan, in bijzondere mate, als ik me niet vergis, van dienst zijn.’. Ge ziet, wat en hoe gewichtige feiten ge van onzen heros moogt verwachten. Onze Prins heft de begonnen belegering van Breda op, nu hij zijn wens vervuld ziet: want met geen ander oogmerk heeft hij die vesting aangetast dan om den vijand van Maastricht af te leiden; en zodra hij uit een brief van den Prins van Bouillon had verstaan, dat deze vijand met geheel zijn leger de belegerde vesting had verlaten en op weg was naar dieper landwaarts in gelegen delen van Brabant en naar Breda, voerde hij terstond zijn leger weg van Breda. ‘Zie dezen aftocht van den Prins als bijzonder roemrijk, en niet als smadelijk, zoals de onbedreven schare oordeelt’, aldus schrift uit Den Haag Van Kinschot aan den Heer Wicquefort. Hetzelfde schrijft uit het kamp de Heer van Zuilichem aan de zijnen. Vaarwel, hooggeplaatste, minzame Heer, en wil uw gastvrije gade, uw eerbare dochter en uw Ascaniusje, hoop van het gezin, uit mijn naam groeten. En als laatstbedoelde kleine man vanwege zijn leeftijd

[p. 563]

deze beleefdheid van mij nog niet kan vatten, wil dan met een kus die ‘groeten uit mijn naam’ bezegelen.

Amsterdam, 12 september 1634.