De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 691]

730 Magnifico clarissimoque Viro D. Petro Hooft Satrapae Muydensi Caspar Barlaeus S.P.D.

1 Quas superiore anno misisti perdices, Hoofdi humanissime, aequo 2 animo accepi, nec invitis dentibus intrivi. Erat enim munus illud 3 tuum tempestivum et oportunum valde. At mihi viduo iam per- 4 dices mittere alienum est ab omni ratione. Salacissimam mihi mittis4 5 avem, quae absente foemella cum alijs coit, etiam cum pullis, et cui5 6 testes in Venere insigni augentur magnitudine, hyeme nulli6 7 apparent. quodque maius est, quae sola voce et superno volatu,7 8 iusto licet intervallo a mare concipit. Harum rerum memoriam 9 refricare homini agamo, nec amplius coniugi, quid aliud est, quam 10 salivam movere homini famelico, qui quod edat non habet. Potius 11 misisses tristem et feralem bubonem afflicto mihi et tristi, avem11 12 noctivagam homini solitario et in luctu posito. Misisses potius 13 Philomelam aut Prognen sorores quaerulas viro querulo et miser-13 14 rimo infaustam Strygem infelici mihi. Cygni, columbae, perdices,14 15 passeres tuae aves sunt, utpote Veneri et coniugibus dicatae. quorum15 16 oscula, murmura, amplexus, gaudia ad animalium istorum 17 exemplum componi solent. Ululae contrà, Vespertiliones, noctuae17 18 meae aves sunt, utpote ululatibus, stridoribus, gemitibus assuetae. 19 Quod ut credas verum esse, mitto exemplar epistolae, quam nuper [19a] ad Zulechemi Dominum dedi, quae luculenta est testis sortis meae 20 et vitae, perdicum similiumque cupediarum non indigae. *Aque*+ 21 hinc causam collige, cur a meridie lectionibus defunctus, domo 22 abesse amem, ubi supellex quondam grata uxori, ubi thorus viduus, 23 ubi proles orba parente *ingem*+ moeroris materiam subministrant. 24 Postquam Sol se medio axi subduxit, occupant me Viri amicissimi 25 Wickefortius, Schuylius, Sinapius. quorum medius lepores mihi 26 apponit animal succi melancholici. cum sciat me talem esse et 27 similibus gaudere naturam. Si vel hoc die me invisas non ero domi. 28 Apud Schuylium tuum sum, virum a virtute ad honestatem, a 29 Pallade ad elegantiorem doctrinam, à comitate ad iocos salesque 30 innoxios factum. Hic iam convivamur. at sine te non leporum sed 31 leporum patre et fabellarum lepidissimarum indefesso narratori. 32 Si perdix es fruere nostris gaudijs, vel eminus. Sed quid de gaudijs 33 loquor? qui tristia omnia et cogito interdiu et somnio noctu. Erit 34 forte dies, mi Hoofdi, cum nubila mentis meae discutiet laetior 35 fortuna,

[p. 692]
 
Tunc tua Barleae festiva fronte Camaenae
 
Fata canent, fatis prosperiora meis.
 
Tunc tibi perdices et fercula laeta reponam,
 
Et tanti praesens hospitis hospes ero.
40
Accipe promissi, versus quos mittimus, arrham.
 
Hoc precio nobis tot redimantur aves.
 
Vale Virorum Praestantissime. Amstelod. XXV. Nov.
 
CIillustratieIillustratieCXXXV.

 

vertaling

 

De patrijzen, die ge het vorige jaar hebt gestuurd, minzaam Hooft, heb ik met rustig gemoed aanvaard en, allerminst met lange tanden, verorberd. Inderdaad immers was dat geschenk van u toepaslijk en geschikt in hoge mate. Maar mij, weduwnaar geworden, thans patrijzen te sturen, is onverenigbaar met alle redelijk overleg. Uiterst ‘springlustig’ is de vogelsoort, die ge mij stuurt; een, die bij gemis van wijfje met andere copuleert, met kiekens zelfs, en bij wie de testikels tijdens de vereniging aanwassen tot opmerkelijke grootte, terwijl ze 's winters niet zichtbaar zijn. En, wat gewichtiger is, ene, die alleen al op diens stemgeluid en zijn boven haar vliegen, zij het met de juiste tussenruimte, van haar mannetje ontvangt. De heugenis aan deze dingen op te poetsen bij een schepsel van ongehuwden staat en niet langer in echt verbonden, wat is het anders dan het water om de tanden te doen lopen bij een kerel, die uitgehongerd is en om te eten niet heeft? Hadt ge maar liever gestuurd een somberen, sterfgeval spellenden oehoe mij, mens van treurnis en versombering, een vogel in de nachten zwerfziek aan een mens, die eenzaam is en in den rouw gedompeld. Hadt ge maar liever gestuurd een Filomeel of Procne, de weemoedig kwelende gezusters, aan een man, weemoedig kwelend, diep in het ongeluk; den noodlot kondschappenden Katuil aan mij in mijn rampspoed. Zwanen, duiven, patrijzen en mussen, dat zijn vogels behorend bij u, wijl aan de Mingodesse ze zijn toegewijd en aan de echtelieden. De kussen van deze laatsten, hun verliefd gefluister, hun omhelzingen, hun ecstatische vreugden pleegt men naar het voorbeeld, dat die dieren geven, te modelleren. Uilen daarentegen, vledermuizen, nacht- en avondvliegers zijn mijn gevederde vrienden, wijl hun het wild gehuil, het snorrend vleugelruisen, het doffe klaaggeluid vertrouwd is. En opdat ge moogt geloven, dat dit echtgemeend is, stuur ik afschrift van een brief, dien ik kortelings den Heer van Zuilichem heb afgezonden en die verhelderend getuigenis verstrekt nopens mijn lot en mijn leven, dat het veldhoen en soortgelijke lekkernijen niet behoeft. En besluit hieruit tot de reden, waarom ik na het middaguur, van college ontslagen, er zo van houd, weg te zijn van huis, waar het mobilair, eenmaal lief aan mijn vrouw, waar de ledige sponde, waar het kleine goed beroofd van zijn moeder

[p. 693]

zo ontzaglijke stof tot bedroefdheid geven. Nadat de Zon van het midden des hemels is weggetrokken, leggen op mij beslag mannen, intiem bevriend, Van Wikkevoort, Schuyl, Mostert, van wie de middelste mij hazen voorzet, dier van zwartgallig temperament, daar hij weet, dat ik net zo ben en in de Natuur soort soort zoekt.

Als ge nog dezen dag mij wilt bezoeken, zal ik niet tehuis zijn. Ik ben namelijk bij Schuyl, u welbekend, een man door Deugd tot al wat eerlijk is, door Pallas tot ongewoon verfijnde eruditie, door de Wellevendheid tot scherts en geestigheid, die nimmer meer kwetsen, als geschapen. Hier gaan wij juist aan tafel, maar zonder u, dien schepper, niet van waakse hazen, maar van snaakse phrazen en van de smaaklijkste verhalen onvermoeibaar verteller. Wanneer ge iets van een patrijs in u hebt, geniet dan mee van onze vreugden, zelfs op afstand. Maar wat spreek ik van vreugden? Ik, die over louter sombere dingen overdag loop te piekren en 's nachts lig te dromen. Er komt wellicht eenmaal een dag, mijn waarde Hooft, waarop de wolken van mijn geest verstrooien zal een blijder lotsbestel.

 
Dan zal uw levenslot eenmaal, de feestpret in d'ogen, Van Baerle's
 
Muze bezingen, een lot, vetter gezegend dan 't mijn;
 
Dan zal ik u 't patrijs en de rijke gerechten vergelden
 
En van een gastheer zo groot machtige gastheer zelf zijn.
 
Neem nu het vers, dat ik zend, als handgeld voor wat ik beloofde;
 
Dat zij de som, waarvoor ik al deze hoenders koop af.

Vaarwel, vooraanstaande onder de mannen!

Amsterdam, 25 november* 1635.