|
|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
| | | |
737 Aen den heere Caspar Barlaeus Professoor.
1 Mijn' heere,
2 Plato in zijn' Io, (indien 't mij recht voorstaet want ik heb mijn2 3 boek niet bij mij) stelt (behalven de langdujrighe dulligheit, de3 4 korte raezernij des toorens, ende liefde tot het schoon) driederleij 5 beweeghenissen, waer door 't vernuft ontkniert oft ujt zijn hengsels5 6 geheven wort; en dat kompas van de pen raekt: godlijke aenaede-6 7 ming, pöeetsche geestrijzing, dampgolf van drank. De twee eerste7 8 schijnen ujt den hemel te koomen; de derde ujt der aerde. Boven8 9 de gemeene dronkenschap, die ujt kraftigh nat ontstaet, weet ik9 10 niet dat onze Aures Batavae voor dezen, van andre gehoort hebben10 11 dan slaepdronkenschap en broodtdronkenschap. Nu komt UE ons 12 noch aenwijzen een' speelziekte en lossigheit van zinnen, die ujt12 13 eeten van veldthoendren sprujten zoude, om dat die voghel zoo13 14 gajl is. 'T lust mij, geen vaeder zijnde, nae gevaeders eere te staen,14 15 met dit kindt eenen naem te geeven: ende zie niet ejghentlijkers,15 16 dan 't zelve Vleesdronkenschap te heeten: ten aenzien dat ze ujt 17 vleesch komt en tot vleeslijkhejt terght. Nu naerdien U E, in haere 18 jeghenwoordighe gaedeloosheit, angstigh scheen voor deze soort18 19 van dronkenschap, die niet, dan met bijslaepen, ujt te slaepen is; 20 zoo docht mij best den misslagh te boeten met schaffen van een 21 haesken, beest beschreven van UE voor swaermoedigh: welken21 22 aert ik waende te strijden met alle dartelhejt. Maer (ach arme!) 't is22 23 al weêr geen deegh: UE komt nu vreemde ranken vertellen van23 24 zijn' ritshejt. Hoe gae ik het aen? Luchtgediert, landtgediert, U E24 25 weet 'er een dat op. Dael' ik in zout oft zoet waeter: Kabbeljauw25 26 is t'Amsterdam daeghelijksche kost: steur staet mij tegen, al waer 't26 27 slechts om den naem. Wijders twijfelt mij, oft ook alle visch windt-27 28 valligheit verwekt, die men wil dat een' vijandin der kujsheit zij. 29 Waerop misschien die reghel van Pythagoras ooghde: Piscibus29 30 abstineto. Op wat anders, roepen andren. Maer zoo ik mij aen dit 31 geloofhouden wil, de Spaensche Inquisitij heeft geen' nijptang die 32 genoegh knelt, om het mij ujt het hart te trekken. Hoe? men wijt 33 wel het zelfste geblaes den boonen, ende neemt het voor rede,33 34 waerom de voorzejde goede man van UE neering zijnen bujk met34 35 dat grof grain niet heeft willen voedren,35
et indulsit ventri non omne legumen.36
37 Ten laeste is mij in den zin geschoten dat halfslacht, 't welk zijn'37 38 keur heeft van landt- en waeterleeven. Maer, hoe raek aen? Swae-38
| | | |
39 nen, ganzen, middelmaetigh en klejn gebeent, wildt, tam, al is 't er39 40 geveeght, van de Fransen. De boerenejnden boxen zij bij halve en40 41 heele douzijnen teffens. UE meesmuilt; en mompelt
Projicit ampullas.42
43 'T is als ik haer zeg, bij jae en bij neen. Een van die kabouters,43
Spoliis indutus opimis44
45 deed, deez' daeghen, zijn' triomflijke intreê t'onzen Rome, oft ten 46 minsten Petit Paris, met zulke platbekken, tot elf in getal, die (gelijk46 47 het de tits onder dat volk is, ongenastelt te loopen) met gerekte 48 halzen, onder, boven, achter, voor, ter broek ujt quaekten. Welke 49 bekentenis der gevangenen, meldende alzoo den roem huns 50 veroveraers, hem immers zoo zeer de ooren kittelde, als den50 51 Romajn het deuntjen,
Caesar subegit Gallias.52
53 In somme hoe ik het aenleg, 't wil niet hotten. Maer, daer valt mij53 54 in, dat de meloeneeters, tegens de killing van dat frujt, de hitte van 55 't krujdt Celari zetten. Ende 't waere moghelijk goedt dat U E55 56 (dewijl 'er zoo quaelijk spijs te vinden is die haer ongemoejt laete)56 57 haere toevlucht naeme tot eenigh koel tegengift, gelijk men zejdt 58 den kamfer te zijn. Maer de natujrlijkste werking zoude, mijns oor-58 59 deels, te verwachten staen, ujt ontlasting der aderen van 't rijpste59 60 bloedt, ende zulk
gelijk als wort vertrouwt
Te zijn, het geen de Goôn in eeuwigh leven houdt.
63 Van de verwe des zelven zouw Diomedes kunnen spreeken. Want63 64 als hij Venus quetste, moest hij niet veer daer afwezen. Ende om64 65 geen doekjen 'er om te winden, ik wenschte Uwer E wel een' 66 beschejde plaetsvulster van haere waerde zaelighe Barbara, die zich 67 daeraen niet steuren zouw.
Id cinerem et manes credis curare sepultos?68
69 Mijn wensch eevenwel dujke onder dien van U E, derwelke gelieve 70 mij te vergeven dit eindeloos revelen, als gevlooten ujt een' zinking70 71 van klapzucht. 'T is doch altemael jok: maer dit ernst,
72 Mijn' heere,
73 dat zich gelukkigh houdt, met den tijtel van
74 Uwer E
75 Verplichten, onderdaenen
76 dienaer
77 P C Hóóft.
75 Van den hujze te Mujde,
76 23en van Wintermaent,
77 des jaers 1635.
Schertsbrief over de invloed van bepaalde spijzen op de gemoedstoestand.
|
2Io is een van Plato's kleinere dialogen, waarin de kunstenaar, speciaal de uitvoerende (de rhapsode) tegenover de wijsgeer geplaatst wordt; hij beschrijft de vervoering van de eerste ironiserend als een voorbijgaande, verdwazende bezieling door de eros, terwijl de laatste niet aflaat, voordat de eros hem, in toenemende verheldering, tot het wezen van al het bestaande gevoerd heeft.
3stelt: neemt aan (WNT stellen 1301 26).
5't vernuft: de rede; ontkniert: ont-scharnierd, ont-hengseld.
6en (waer door) de kompasnaald (de rede) van de pen, waarop hij draait, geraakt; godlijke...geestrijzing: goddelijke inspiratie, dichterlijke geestverheffing.
7dampgolf van drank: nevelen van geestrijk vocht.
10onze Aures Batavae: wij Hollandse druiloren (naar Martialis 6, 82, 6 aurem qui modo non habet Batavam: elk die niet heeft een niet-Romeins stel oren).
12speelziekt: dartelheid.
13veldhoen: patrijs. Over het geloof dat dit een geile vogel is WNT veldhoen 1552 laatste al. Vgl. 731.
14geen vader zijnde...staen: hoewel ik het niet bedacht heb, er graag een naam aan te geven (gevaeder: peet).
15ejghentlijk: passend, typerend.
18Barlaeus' weduwnaarschap blijft ter sprake.
21beest...swaermoedigh: een dier dat ge als zwaarmoedig beschreven hebt, vgl. 730; welken...dartelhejt (acc.c.inf.): ik meende dat die aanleg met alle dartelheid (geilheid) in strijd was.
22it is...deegh: het gaat alweer niet op (WNT deeg (I) 2325).
23ranken: kuren, kunsten (WNT rank (II) 293 d).
24ritshejt: geilheid; Hoe...aen?: Hoe pak ik het aan?
25dat (znw.): aanmerking (WNT dat (III) 2308 2). Aposiopese na landtgediert.
26al waer 't...naem: Hooft werd niet graag gesteurd (deze variant van storen Mnl. Wdb. en WNT). Men kan ook denken aan zich storen: boos worden.
27windtvalligheit: darmgas, zie r. 32-36.
29Piscibus etc.: Vis zult ge niet gebruiken. Het thema besproken door Plutarchus, Quaestiones convivales VIII 8; vgl. Diogenes Laertius VIII 19, Gellius, Noctes Atticae 4, 11, 13.
33geblaes...boonen, vgl. Cicero, De divinatione 7, 62 ne faba vescerentur, quod habet inflationem magnam is cibus: dat ze zich niet met bonen zouden voeden, omdat deze spijs een groot geblaas in zich bevat.
34de voorzejde...neering: Pythagoras doceerde filosofie evenals Barlaeus.
35grain: graan; grof graan: grove korrels.
36et indulsit etc.: en aan den buik niet toestond iedere peulvrucht. Iuvenalis 15, 174 met omzetting van indulsit en ventri.
37dat halfslacht: die amfibieën; zijn' keur heeft van: zelf de keus heeft tussen.
38Maer, hoe raek aen? uitdr.: hoe kom ik eraan? Niet in WNT. Vgl. Huygens, Zedeprinten (W. II, blz. 4-5 vs 42 en ald. blz. 18 vs 21-22), Costelick mall vs 229 (ald. I blz. 250).
addendum: zie F.L. Zwaan, Hooftiana II, N. Tg. 68, 398.
39klein gebeente: vogels en klein wild (WNT gebeente 392 4).
40geveeght: weggehaald, geplunderd, opgegeten; De boerenejnden boxen zij: Zij kapen de boereneenden (WNT boksen (I) 277).
42projicit etc.: sierlijk met bombast spuit. Horatius Ars 97.
43waarachtig! (WNT ja 9); kabouters: schertsende naam voor de Franse soldaten (klein van stuk?).
44spoliis etc.: overkleed met de heerlijkste krijgsbuit. Naar Vergilius, Aeneis 6, 856, waar voor indutus staat Marcellus.
46Petit Paris, vgl. 733 r. 25; platbekken: eenden; gelijk...loopen: zoals het immers de gewoonte is, mouwen en broekspijpen niet dicht te rijgen.
52Caesar etc.: de Juliër kreeg Frankrijk murw. Naar Suetonius, Vita Divi Iulii 49, 4, waar de woordorde is Gallias Caesar subegit en, met seksuele toespeling, volgt: Nicomedes Caesarem: maar Nicomeed den Juliër.
53hotten: lukken (WNT hotten (II) 1134 B).
55Celari: selderij (WNT selderij 1298 noemt deze plaats maar licht de ‘hitte’ niet toe. Misschien gebruikt Hooft de naam van dit kruid voor kruiderijen in het algemeen).
56ongemoejt: met rust, ongeprikkeld.
58kamfer acht(te) men een verkoelende werking te hebben op de geslachtsdrift, hetzij gedronken, hetzij geroken, hetzij (Dodonaeus:) ‘op de clootkens gehouden’. (Met deze plaats uit Hooft aangehaald WNT kamfer 1123).
59't rijpste bloedt: het teelvocht (aldus WNT rijp (IV) 365 3), dat van oudsher bij vele volken de vertegenwoordiger bij uitstek van de levenskracht geacht werd. Hooft haalt hierbij aan vs. 276b-277 uit zijn Brief van Menelaus aen Helena (LSt. I 136).
63als Diomedes Venus verwondt ( Ilias V, 334-342) ziet hij haar onsterfelijk bloed, dat niet beschreven wordt maar onaards is omdat de goden geen brood eten en geen wijn drinken.
64om...winden: met deze woordspeling keert Hooft - de verwijzing naar Diomedes was een uitweiding voordat hij de zaken bij de naam noemt - naar zijn onderwerp terug: Barlaeus moest hertrouwen. N.B. William Harvey's ontdekking van de grote bloedsomloop was in 1628 gepubliceerd, maar Hooft schijnt er nog geen kennis van te hebben bij deze beschouwing over de lichaamsvochten.
68Id cinerem etc.: Denkt ge, dat daarom nog geven de as en de schim van begrav'nen? Vergilius, Aeneis 4, 34.
70een' zinking van klapzucht: een aanval van babbelzucht.
|
|