De briefwisseling van P.C. Hooft. Deel 2 (eds. H.W. van Tricht e.a.)


auteur: P.C. Hooft


editeur: H.W. van Tricht, F.L. Zwaan, D. Kuijper Fzn. en Franco Musarra


bron: H.W. van Tricht e.a. (red.), De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (tweede deel). Tjeenk Willink/Noorduijn, Culemborg 1977  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 797]

792 (C. Barlaeus aan P.C. Hooft).

1 Non jam de perdicibus aut leporibus verba faciam, magnifice 2 Hoofdi. uti in brumales mensas fercula ista servari solent, ita 3 aestivarum meditationum minus idoneum videntur argumentum.3 4 Omnino tempestivum est, de Passerculo loqui. Avis illa verna est, 5 quae sub aestatis initium parit. quo tempore, dum formosissimus est 6 annus, expeditissimum est vatibus ingenium. Non terrae solum, 7 almae omnium nostrûm matri, sinum recludit calor, sed et mentibus 8 non omninò malis, quibus praeter veternum et vacunam nihil8 9 aequè invisum. Tu praeivisti, et quia domi habes filiam magistram 10 passeris, et passerem discipulum filiae, elegantiarum tuarum 11 pyxidem reclusisti, accuratis versibus. Ea dixisti et scripsisti de 12 passere, ut parum absit, quin simili condicione velim esse passer. 13 Non morerer, sic tibi dictus. Iam quia passer non sum, sed potius 14 graculus inter vos, strepo et tumultus edo incompositos. Quod si 15 me pipire putas, ero te judice passer: si stridere, noctua; si 16 fritinnire, cicada. Quidvis esse malo, quam silere, ubi carminis 17 materia objicitur. Caballis, ne per campos alienos grassentur aut 18 septa transiliant, appendi solent è pedibus ligna. Tauris 19 ferocientibus obligatur os. falconibus oculos capsulae tegunt, ne 20 intempestivè avolent. Mihi scripturienti capistrum injice, quale 21 voles. Feram patienter. Sed, si vel linguam reseces, uti Philomelae21 22 fecit Tereus; si manum amputes, quod Deiphobo fecere Graeci, 23 inveniam viam, qua me liberem à versibus. Non scriberem haec, 24 nisi et te huîc morbo affinem putarem. Condolet claudus claudo, 25 coecus coeco. An insanus insano condoleat, dubito. quod si insania 26 est, scribere versus, amabilis insania est. Filiam tuam velim places, 27 ne indignetur me passeris virtutibus dignissimum ejus nomen 28 sociasse. aliter fieri non potuit. Quis clavam Herculis laudabit sine28 29 Hercule? tridentem sine Neptuno? pectinem Veneris sine Venere? 30 Tu lege, et filiae aperi sensus, quos expediet illam intelligere.

31 Amstelod. 24 Iun. 1636.

 

vertaling

 

Niet langer zal ik over patrijzen of hazen vertogen houden, luisterrijke Hooft. Weliswaar voor den midwinterdis pleegt men die schotels weg te leggen, maar ze dunken mij een minder geschikt onderwerp voor zomerse bespiegelingen. Volkomen bij den tijd is het, over het Musje te spreken. Dat is een lentevogel, die tegen

[p. 798]

het begin van den zomer een legsel uitbroedt. In dezen tijd, wanneer het seizoen op zijn schoonst is, is bij de barden hun talent het meest lichtvoetig. Niet bij de Aarde alleen, ons aller milde moeder, ontsluit de zonnegloed den boezem, maar ook bij het gemoed, dat niet in allen dele boos is en dat niets zozeer haat als Bejaarden-indolentie en ruralen Lediggang. Gij zijt vooropgegaan en omdat ge thuis een dochter houdt, bazinne van een mus, en een mus, scholiere van een dochter, hebt ge de zalfdoos van uw keurigheden ontsloten in met zorg bewerkte verzen. Zulke dingen hebt ge gezegd en geschreven over een mus, dat het niet veel ervandaan is, of ik zou onder dezelfde verhoudingen wel mus willen zijn. Onsterfelijk zou ik wezen, zó door u bezongen. Maar nu, naardien ik geen mus ben, maar veeleer de kraai in uw midden, rumoer ik maar wat en laat wat ordeloze luidruchtigheid horen. Wanneer ge dan meent, dat ik tjilp, zal naar uw oordeel ik een mus zijn, als ik kras, een nachtuil; sjirp, een boomkrekel. Alles, wat ge maar wilt, wil ik liever zijn dan zwijgen, waar voor een lied de stof zich opdoet. Rossinanten, dat ze niet door velden van een ander rondlopen of over heiningen springen, pleegt men houtwerk aan de voeten aan te hangen. Stieren, die onstuimig doen, wordt de bek ombonden. Bij valken bedekken kapjes de ogen, dat ze niet ten ontijde heenvliegen. Mij, wanneer ik op schrijven belust ben, leg mij een muilband aan, wat voor een ge zult willen: ik zal het lijdzaam dragen. Maar, of ge nu mij zelfs de tong uitsnijdt, zoals bij Philomela Tereus dat deed, of mij de hand afkapt, wat bij Deïphobus de Grieken deden, ik zal den uitweg vinden, waarlangs ik mij kan verlossen van verzen. Ik zou dit niet schrijven, indien ik niet ook u aan deze ziekte lijdend dacht. De lamme gevoelt mededogen met den lamme, de blinde met den blinde. Of de geesteskranke met den geesteskranke medelijdt, betwijfel ik. Maar als het een geesteskrankheid is, verzen te schrijven, is het een beminnelijke geesteskrankheid. Ik zou graag zien, dat ge uw dochter verzoenlijk stemt, opdat zij zich niet ergere, dat ik met mussendeugden haar allerwaardsten naam heb geassocieerd. Het kon niet anders. Wie zal den knots van Hercules loven zonder Hercules? den drietand zonder Neptunus? den Venushaarkam zonder Venus? Gij, lees en ontsluit uw dochter den meervoudigen zin; dien te verstaan, zal goed voor haar zijn.

Amsterdam, 24 juni 1636.